logo2

  • Molenakker
  • Stippelberg

GH-2015-04-Een klein dorp en de grote oorlog deel 4 (slot)

Alex van Antwerpen

De laatste oorlogsjaren, staan bol van de ontberingen. Onze landbouw en industrie zijn voor een belangrijk deel afhankelijk van de aanvoer van grondstoffen uit het buitenland. Deze toevoer komt nagenoeg stil te liggen als gevolg van de oorlogshandelingen. Met name de onbeperkte duikbootoorlog die de Duitser in het voorjaar van 1917 uitriep (simpel gezegd: vijandelijke schepen, maar vaak ook vaartuigen uit neutrale landen, werden zonder pardon getorpedeerd) maakte het de Nederlandse koopvaardijvloot uitermate moeilijk. Gemert kreunt en steunt: het werk wordt schaars en de kosten van levensonderhoud stijgen onheilspellend. Vanaf 1917 nemen zij met niet minder dan 60% toe.

Án de lééste mèèm

Als je kijkt naar de spreiding van de rijkdom van de Nederlandse boerenfamilie, in 1914, dan moet je constateren dat de boeren op de zandgronden op de laatste plaats komen, ze hangen “án de lééste mèèm”. In Gemert een bestaan opbouwen als landbouwer is verre van gemakkelijk. Het boerenbedrijf hier kent een aantal kwetsbare schakels: de schrale grond die niet zonder kunstmest kan, maakt het “teulen” in Gemert zo moeilijk. Hoewel de eigen verbouwde rogge, haver, aardappelen grotendeels aan het vee gevoerd worden, moet er toch krachtvoer van buiten betrokken worden. Al heel snel bleek hoe wankel de basis van het boerenbestaan hier was. In 1915 verbood de regering het voeren van rogge aan het vee en de aanvoer van kunstmest en krachtvoer houdt gaandeweg de oorlog op. Het boerenbedrijf in ons dorp komt zo in een vicieuze cirkel terecht: varkens en pluimveehouderij gaan ten gronde, de rundveestapel moet worden ingekrompen, maar dat betekent nog minder mest. Aanvankelijk viel het nog mee, de problemen beginnen in 1916. Het land kan niet afdoende bemest worden en dat wreekt zich: de opbrengst van rogge en die van het hoofdproduct aardappelen is maar de helft van andere jaren. Bovendien neemt de burgemeester, op last van de regering, de oogst in beslag. Varkens en kippen moeten geruimd worden vanwege de hoge voederprijzen. In 1917 gaan dagelijks enkele wagonladingen (van de tram) naar de exportslagerijen. Veel boeren moeten wekelijks een koe slachten en de kalveren verdwijnen noodgedwongen naar de worstfabrieken. Dat de prijzen van boter en melk flink stijgen, kan veel boeren geen soelaas bieden. Tot overmaat van ramp werkt de natuur ook nog tegen: de vorst in maand februari van 1917 is uitermate streng. Een groot deel van de ingekuilde aardappelen bevroor en ging verloren. De zomer van hetzelfde jaar is buitengewoon nat, de Aa treedt buiten haar oevers en zet de nodige akkers onder water. In het jaar daarop volgend lijden de gewassen onder nachtvorst en droogte. De gehele boekweitoogst gaat verloren.

Kippen in staking

Een Gemertse boer is niet voor één gat te vangen. Hij kan heel creatief omgaan met de ontstane situatie. Geef de regering wat des regerings is, om een bekende Bijbeltekst te parafraseren, werd door onze boeren niet zo nauw genomen. Voorraden werden achtergehouden en voor grof geld verhandeld. De rijkspolitie had er de handen aan vol. In vorige afleveringen hebben we gezien dat molenaars illegaal rogge malen. Vervolgens bakken bakkers daar, ook tegen de regels, brood van. Het zijn geen incidenten, want met de regelmaat van de klok bericht de Zuidwillemsvaart er over. Noch is het kruimelwerk, immers het gaat de ene keer om een inbeslagname van 20 karren graan, de andere keer betreft het 100.000 kilo veevoederartikelen.1 Maar ook producten die niet door de overheid gevorderd worden, zoals eieren, gaan voor veel geld in de verkoop op markten in de omliggende steden, met name Helmond. In Gemert zijn zo weinig eieren te verkrijgen, dat de krant veronderstelt dat: “De kippen schijnen hier tot staking besloten te hebben, althans in de winkels of bij de boeren is geen enkel ei meer verkrijgbaar”.2

Fabrieken en Ambachten

In Gemert waren in 1914 welgeteld 3 fabrieken, die qua aantal arbeiders iets voorstelden. De textielfabrieken van Raymakers (124 werknemers) en van den Acker (30 werknemers), en de kuiperij van Groeneweg (54 werknemers). Dan waren er wat kleinere bedrijven, die volgens de gemeentelijke normen ook tot de fabrieken werden gerekend, maar die hadden beduidend minder personeel. De bierbrouwer, boekdrukker, het boterfabriek, de houtzagerij en de stoel- en houtdraaierij hadden elk niet meer dan 3 werknemers. U ziet de industriële revolutie had Gemert nauwelijks bereikt.3 Ambachten waren rijkelijk vertegenwoordigd in Gemert. Sigarenmakers (32), katoenwevers (286, waaronder 102 kinderen in de leeftijd 12-16 jaar) en kuipers (40) vormen verreweg de grootste groepen.
De oorlog is nog geen week oud en er dreigt een grote ramp: de sigarenmakers zitten zonder tabak. Gevolg: alle tabaksfabrieken in Gemert sluiten en een dertigtal mensen zitten zonder werk.4 Gelukkig komt de aanvoer weer snel op gang. “De Brabantse tabaksnijverheid draaide tijdens de Eerste Wereldoorlog op volle toeren. Ondanks de oorlogssituatie was er voldoende aanvoer van ruwe tabak van overzee”.5 De Gemertse bedrijfjes waren over het algemeen te klein om te kunnen profiteren van de vele orders uit het buitenland. Ze produceerden vrijwel uitsluitend voor de plaatselijke markt. Hoewel gedurende de oorlog een paar sigarenfabriekjes sluiten, blijft het aantal sigarenmakers constant, mede doordat de firma Van der Tak & Co uit Eindhoven/Rotterdam een helpende hand uitsteekt, ze openen een filiaal in de Nieuwstraat.6

Arme Wevers

De werkgelegenheid in Gemert aan het begin van de twintigste eeuw rust op twee belangrijke pijlers: landbouw en textiel. We zagen dat de zandboeren het zwaar te verduren hadden. Voor de textielnijverheid is het van hetzelfde laken een pak. Vanaf 1916 stagneerde de aanvoer van grondstoffen. Qua werkgelegenheid zit dan een groot gedeelte van ons dorp in de hoek waar de klappen vallen. Als je dan ook nog bedenkt dat méér dan de helft7 van de textielarbeiders, als thuiswerker aan de kost moest zien te komen, dan weet je dat je met een weerloze groep te maken hebt, lage lonen, lange werktijden voor het hele gezin. Dit hoge aantal thuiswerkers is opmerkelijk, maar verklaarbaar. De textielnijverheid in Gemert draagt nog volop de sporen van de 19e eeuw. Terwijl landelijk gezien de productie meer en meer in fabrieken plaats gaat vinden, blijft ons dorp achter. In 1914 vinden we hier twee textielfabrieken: Johan van den Acker, fabrikant in manufacturen en stoombontweverij, met 30 werknemers en een filiaal van J.A. Raymakers en Co, ververij, weverij uit Helmond. In deze laatste fabriek werkten wel 124 mensen, waaronder 37 kinderen in de leeftijd van 12-16 jaar. De benodigde energie werd elektrisch opgewekt, dat was hier ter plaatse, een noviteit in de wereld van stoom. Even heeft het erop geleken dat Gemert de moderne tijd binnenstapt. Het aantal thuiswevers neemt gestaag af. (In 1908 zijn er nog 108). “Als echter in 1910 de machinale weverij van de firma Prinzen haar onderneming stillegt, komen er een vijftigtal volwassen werknemers(sters) op straat te staan. De oude “stiel” van thuiswever wordt dan noodgedwongen weer opgenomen”.8 Hoe broos het bestaan van de thuiswever is in deze oorlogsjaren blijkt uit de cijfers: het aantal fabrieksarbeiders loopt terug met zo’n 30%, terwijl de daling van de thuiswerkers ruim het dubbele is.9 De fabrieken proberen de klappen op te vangen door minder dagen per week te werken of zelfs tijdelijk te sluiten. De firma Raymakers legde in 1915 bijna een half jaar haar productie stil.

In Gemert kan niets zonder ruzie

De overheid was al meteen in de augustusmaand van 1914, bang dat de werkloosheid buitenproportioneel kon gaan stijgen en dat zodoende duizenden mensen aan de bedelstaf zouden geraken. Er bestonden in Nederland immers, op werklozenkassen bij enkele vakbonden na geen financiële voorzieningen. Mensen zonder werk waren in de meeste plaatsen aangewezen op de armenzorg, hetgeen neerkwam op burgerlijke dan wel kerkelijke liefdadigheid.10 Eén week na het uitbreken van de oorlog roept Minister Treub, van Financiën, het Koninklijk Nationaal Steuncomité in het leven. Het doel: werklozen ondersteuning bieden in de vorm van uitkeringen, voedsel of kleding. Het was niet de bedoeling dat de hulpverlening bekostigd werd met belastinggelden. De inkomsten van het Comité bestaan voornamelijk uit giften. Koningin Wilhelmina en enkele grote bedrijven doneren gul. De belangrijkste taak van het Comité was echter het aanmoedigen van de gemeentes om een plaatselijk comité op te richten. Er komt veel respons uit het land en al snel zijn er ruim 500 plaatselijke initiatieven. Gemert bleef natuurlijk niet achter. Medio augustus ziet het “comité ter ondersteuning van werklozen tijdens den oorlogstoestand” het levenslicht. Th. Prinzen is de voorzitter, P. Bijvoet, secretaris en H. van Abeelen beheert de penningen. Hij kan al snel een eerste gift verwelkomen. “Naar wij vernemen heeft ons R.K. Kerkbestuur besloten, dat comité met de vorstelijke gift van duizend gulden te ondersteunen en heeft het reeds de som van vijfhonderd gulden in de kas der vereniging gestort. Waar zo flink wordt voorgegaan, zullen anderen wel volgen”.11 De krant getuigt met deze laatste zin niet echt van een realistische kijk op de (werklozen)zaak. Met vijfhonderd gulden kon je ook in die tijd geen potten breken, zeker als je bedenkt dat een uitkering minimaal 2 à 3 gulden per week was. Bovendien zouden er niet veel volgen, want al in mei 1915 staat het comité op het punt om zich, wegens gebrek aan middelen, op te heffen. Dit gaat burgemeester Buskens te ver. Op vrijdag 30 april neemt hij het woord in de raadsvergadering. Buskens is bezorgd, hij heeft vernomen dat het Comité tot “steun van werkloosheid“ (sic) zich ontbonden heeft. In deze tijd kan een dergelijk comité niet gemist worden, betoogt hij, daar de werkloosheid in de gemeente nog groter wordt door het stopzetten van enkele fabrieken. Hij vindt dat hij als hoofd van de gemeente verplicht is bijstand te verlenen. Daartoe heeft hij al overleg gehad met de “Inspecteur van den Arbeid“ en afgesproken de raad voor te stellen een bedrag uit de gemeentekas beschikbaar te stellen. Om de raad voor zijn voorstel te winnen, doet hij er nog een toezegging bij: het Nationaal Comité zal mogelijk ook steun verlenen. “Ook de Zeer Eerwaarde Heer Deken”, zo speelt de burgemeester zijn laatste troef uit, “heeft in uitzicht gesteld van den Bisschop nog een bedrag van 500 gulden te vragen, om dit aan een nieuw op te richten Steuncomité te geven”. Deze geste moet de raad wel over de streep trekken. De heer Biemans vraagt het woord. Hij meent te weten waarom het steuncomité het bijltje erbij neergooit. Deken Van Beek, is de grote schuldige, want hij heeft 1000 gulden beloofd bij te dragen, terwijl hij nu maar 500 heeft gegeven. Dat is tegen het zere been van de heer Prinzen, raadslid en voorzitter van het comité, waar het nu allemaal over gaat. Hij betwijfelt dat de deken ooit 1000 gulden zou hebben beloofd. Om vervolgens, doodgemoedereerd, te melden waarom de deken de tweede 500 gulden niet heeft uitbetaald. De secretaris van het comité is de dader. Want: “.... Is in één der vergaderingen van het steuncomité de Deken beleedigd geworden door den heer Bijvoet, die hem vroeg te laten kijken wat hij, den Deken, aan den Bisschop had geschreven, daar hij wel niet gunstig zou hebben geadviseerd. Dientengevolge heeft de Deken zich teruggetrokken en is de heer Bijvoet eigenlijk de schuld dat de tweede 500 gulden niet zijn uitbetaald”. De tweespalt in het comité is duidelijk, Pieter Bijvoet staat niet bekend als een grote vriend van de deken. De vergadering raakt redelijk verhit en de aandacht is verlegd naar de deken. Martinus Colen heeft van een lid van de Kerkvergadering gehoord dat er wel degelijk is besloten 1000 gulden te schenken. En hij stelt dan ook dat de deken zich hieraan moet houden. En mocht de deken beledigd zijn, dan moet hij de arme mensen niet de dupe laten worden van zijn persoonlijke gevoelens. Ook raadslid Henri Corstens legt de schuld bij de deken. Hij vindt: “dat wanneer de Deken niet zo geheimzinnig was geweest en ervoor was durven uitkomen op welke wijze het besluit der Kerkvergadering was uitgevoerd er veel onaangenaamheden vermeden zouden zijn”. Burgemeester Buskens ziet de discussie helemaal de verkeerde kant op gaan en herhaalt nog maar eens: “we staan nu voor het feit dat er hulp moet komen en de gemeente is op de eerste plaats aangewezen haar hulpbehoevende bevolking te helpen”. Hij voegt er nog aan toe: “ik sta als hoofd van de gemeente voor mijn plicht en met het al of niet geven door de kerk heb ik niets te maken”. Hij wil het voorstel voor het verlenen van 250 gulden subsidie voor het oude comité, als dat blijft bestaan, dan wel doorgeven aan een nieuw op te richten comité. De raadsleden die in de voorafgaande discussie kritiek hadden geuit op de deken, wilden een voorwaarde verbinden aan het verlenen van de subsidie, de kerk moest ook over de brug komen met de beloofde 500 gulden. Dit voorstel lijkt het te gaan halen, maar de stem van de burgemeester geeft de doorslag. Met 6 tegen 5 stemmen wordt de motie verworpen. Dan besluit de raad unaniem een onvoorwaardelijke gift van 250 gulden te doen.12 Het comité blijft bestaan. Maar een jaar later wordt het werk alsnog gestaakt.13 Van de 500 gulden van het kerkbestuur is niets meer vernomen.

Belgische onderkruipers

Stoomhoutzagerij, Machinale Kuiperij en Kistenfabriek van J.B. Groeneweg & Zonen profiteerde aanvankelijk van de oorlogssituatie. De heersende metaalschaarste kwam de fabriek goed van pas, ze kon haar houten gebruiksvoorwerpen goed slijten. Een staking, die in het voorjaar van 1916 uitbrak, dreigde roet in het eten te gooien. Groeneweg, een verklaard tegenstander van arbeidersorganisaties, kon het moeilijk verkroppen dat het overgrote deel van zijn arbeiders zich had aangesloten bij de R.K. Houtbewerkersbond “St Joseph”. Als eind maart enkele arbeiders ontslagen worden slaat de vlam in de pan. Over het waarom deze mensen op straat zijn gezet lopen de meningen uiteen: pesterijen van de kant van de baas, zeggen de stakers. Werkweigering, zegt Groeneweg. Hoe dan ook, de komende 25 weken staan de beide partijen onverzoenlijk tegenover elkaar. Het conflict zit muurvast, de oprichting van een eigen kuiperij van de R.K. Houtbewerkersbond kan slechts uitweg bieden.14 Gemert beleeft een roerig half jaar: 45 arbeiders hebben het werk neergelegd, de stakers en de werkwilligen staan grimmig tegenover elkaar. Vechtpartijen, ruiten die worden ingegooid, de politie heeft er zijn handen vol aan. Al snel na het uitbreken van het conflict, bedenkt Groeneweg een plan om zijn fabriek draaiende te houden. De oorlog steekt hem, ironisch genoeg, een helpende hand toe. Het vluchtoord in Uden herbergt voldoende Belgische vakmensen, en daaronder zijn ook kisten- en kuipenmakers. Een uitgelezen kans. De Belgen zijn blij dat ze een paar gulden kunnen verdienen, en Groeneweg is met dit personeel waarschijnlijk nog goedkoper uit ook.15 Toentertijd was het niet ongebruikelijk dat bedrijven een beroep deden op Belgische vluchtelingen. De Belgen mochten buiten het vluchtoord werken. Als ze de belangen van Nederlandse arbeiders niet schaden krijgen ze toestemming van de leiding. De regeringscommissaris J. Wilhelm is de hoogste leidinggevende in Uden. Hij is niet op de hoogte van het feit dat er, eind mei een dertiental Belgen uit zijn oord werkzaam zijn bij Groeneweg in Gemert. Hij moet dit vernemen van de hoofdadviseur van de houtbewerkersbond St. Joseph, kapelaan Geurts uit Woensel, die er alles aan doet om zijn tegenstrever in het conflict, Groeneweg, in het diskrediet te brengen. Deze Belgen werken dus zonder de vereiste toestemming, sterker nog, J. Wilhelm stelt dat hij in een persoonlijk gesprek de heer Groeneweg heeft meegedeeld, dat het in loondienst nemen van in zijn vluchtoord gehuisveste Belgen in strijd is met de voorschriften. Ferme taal, maar het moge duidelijk zijn, dat de leiding in Uden niet in de gaten heeft (en dat gedurende de hele looptijd van de staking) waar een deel van de bewoners de hele week uithangt.16 De Belgen zijn namelijk in de kost in Gemert bij Bert van Berlo. Bij dit kosthuis gaan de ruiten meer dan eens aan diggelen, je herbergt geen Belgische onderkruipers is het gevoel bij veel Gemertenaren. In de Zuidwillemsvaart worden de Belgen trouwens consequent zo betiteld. De krant schuwt stemmingmakerij niet: “De luidjes hebben hier sedert een paar dagen ook een kosthuis gevonden, zoodat ze blijkbaar voornemens zijn hier te blijven. Mogelijk komen ze zich hier wel vestigen met vrouw en kinderen”.17 In feite verbleven de Belgen in het weekeind in het vluchtoord in Uden. De hospes, van Berlo, is de deining, begin september beu en zet de Belgen op straat. Een schuur van de firma Groeneweg wordt dan hun nieuwe verblijfplaats. Medio september komt er een einde aan het conflict, de kuiperij “St Joseph”, opent haar deuren in de Molenstraat. Niet voor lang want de hele bedrijfstak zakt ineen. Het arbeidersbestand van Groeneweg wordt gehalveerd.18

Gemert exporteert naar Duitsland

De oorlogstoestand bracht ons ook nieuwe werkgelegenheid. Het gebrek aan grondstoffen maakte veel bierbrouwers inventief. Ze ontdekken dat een brouwerij redelijk eenvoudig om te bouwen is tot een groentedrogerij. Vanaf 1916 zie je in heel Nederland een explosieve stijging van deze, zeer winstgevende nering, want Duitsland en zijn leger snakt naar voedsel. In Gemert drogen in dit jaar 73 mensen groenten, de helft doet dat in de fabriek van Wed. C.L. Swinkels & Zn. Deze bierbrouwerij gelegen aan het (huidige) Ridderplein, werd aangepast, er werd zelfs een 18 pk petroleummotor geïnstalleerd. Het eerste jaar is meteen het topjaar, want in de loop van het volgend jaar, valt de lucratieve Duitse markt weg.19 Het gevolg was dat er op het einde van de oorlog nog slechts 9 mensen emplooi vonden, waarvan 4 bij Swinkels.20

Hoe de metselaar uit Gemert verdween

De bouw had het uitermate moeilijk, met name de particuliere sector stortte helemaal in. Bouwmaterialen waren zo goed als niet aan te komen. De nieuwbakken pastoor Poell (vanaf juli 1915 is hij in Gemert) moet zijn plannen voor sociale woningbouw op een laag pitje zetten.21 Voor de Gemertse metselaars waren de laatste oorlogsjaren rampzalig. Waren er in 1914 en 1915 nog 16 mensen als zodanig werkzaam, daarna verdwenen ze geheel uit de statistieken.22

Donkere Tijden

Het waren letterlijk en figuurlijk donkere tijden voor Gemert. In heel Gemert is geen enkele vorm van openbare verlichting te vinden. De gemeente stond weliswaar vol ijzeren palen, maar de elektrische lampen ontbreken. Het dorp is, op een enkel bedrijf na, nog steeds stroomloos. Als in de laatste oorlogsjaren de levering van petroleum met enige regelmaat wordt stopgezet en kolen voor de gasfabriek vaak ontbreken, is het er dan ook aardedonker. De gemeentelijke jaarverslagen zijn ook donker van toon: “de toestand der behoeftigen klasse is in verband met de tijdsomstandigheden niet rooskleurig. Wel wordt zooveel mogelijk getracht door Burgerlijk Armbestuur, St. Vincentiusveeeniging en St. Elisabethvereeniging om in de grootste behoeften te voorzien, maar het gebrek aan voedingsmiddelen is niet te ondervangen”. Als reden van deze achteruitgang noemt men: “werkloosheid in verschillende bedrijven en de enorme duurte der eerste en noodzakelijke behoeften”.23 Het verslag van het laatste oorlogsjaar is helemaal in mineur. De gemeente geeft aan dat men er nog maar gedeeltelijk in slaagt om in de grootste behoeften te voorzien, omdat de prijzen blijven stijgen en de werkloosheid in bijna alle bedrijven heeft toegeslagen.24

NOTEN:

1. Zuidwillemsvaart (ZWV), 6 maart 1917.
2. ZWV, 7 september 1918.
3. In het gemeentelijk jaarverslag wordt de definitie gehanteerd: “Fabrieken zijn inrichtingen waarin 20 of meer arbeiders werkzaam zijn: benevens die met een getal van minder dan 20 arbeiders, indien daarin van mechanische beweegkracht: stoom, water, gas enz wordt gebruik gemaakt; Alle andere zijn Ambachten.”
4. Men spreekt over sigarenfabrieken, volgens de definitie die de gemeente hanteert, is dit niet juist, omdat er geen sprake was van mechanisatie.
5. HFJM van den Eerenbeemt (ed.), Geschiedenis van Noord-Brabant, dl 2 emancipatie en industrialisering 1890-1945, Amsterdam/Meppel 1996, p. 204.
6. Aantal sigarenmakers ligt in de oorlogsjaren rond de 30, met een uitschieter van 45 in 1917
7. 65% van de groep
8. Ad Otten, Verdiensten in de thuisweverij in 1892, in; Aan de arbeid, busselke 12, (1989), p.5.
9. In 1914 zijn er 154 fabrieksarbeiders, in 1918 nog 95. Thuiswerkers gaan in deze periode van 285 naar 107. (Bron jaarverslagen Gemeente Gemert)
10. Medio 1917 treedt Gemert toe tot het Werkloosheidsbesluit: niet-georganiseerde arbeiders kunnen zich dan aansluiten bij de gemeentelijke werklozenkas. Rijk en gemeente delen de kosten.
11. ZWV 12 september 1914.
12. Gebaseerd op notulen raadsvergadering 30 april 1915.
13. Jaarverslag 1916, gemeente Gemert.
14. De staking bij Groeneweg wordt door Anny vd Kimmenade-Beekmans beschreven in Gemerts Heem [GH2001-01] en door Rob de Haas: “De Peperbus herleeft” (GH2005-01).
15. Werk in het vluchtoord werd beloond met een eigen betaalmiddel: punten, enkel te besteden in de winkel van het oord. Dit om te voorkomen dat vluchtelingen hun geld uitgaven aan nutteloze zaken, lees: drank.
16. Ook na de staking werken er nog Belgen bij Groeneweg. (ZWV 10 mei 1917).
17. ZWV 19 april 1916.
18. 1915: 66; 1918: 33. Jaarverslagen Gemeente Gemert.
19. Onder Amerikaanse druk staakt Nederland uitvoer van levensmiddelen met name t.b.v. het Duitse leger.
20. Zie ook: Ad Otten: “Groentedrogerijen voor export naar Duitsland in ‘14/’18”. GH1986-2.
21. “Uit Noodzaak” kan pas in 1921 de woningen aan de Oudestraat 21 tm 39 inzegenen.
22. Jaarverslagen gemeente Gemert.
23. Jaarverslag 1917, gemeente Gemert.
24. Jaarverslag 1918, gemeente Gemert.

Klik HIER voor de tekst met afbeeldingen (PDF)

Lid worden?

Kalender: evenementen

October 2017
M T W T F S S
25 26 27 28 29 30 1
2 3 4 5 6 7 8
9 10 11 12 13 14 15
16 17 18 19 20 21 22
23 24 25 26 27 28 29
30 31 1 2 3 4 5

Sponsors

Nieuws Heemkundekring

Geen feed gevonden

Nieuws uit Gemert

Geen feed gevonden

Informatie

Lid worden?

Lid worden? Klik en vul het formulier in!

Heemkundekring De Kommanderij Gemert
Antwoordnummer 2526
5420 ZX Gemert!

Volg ons

twitter

twitter

Inloggen

Inloggen

Voor leden en auteurs. Ook een bijdrage leveren? Neem even contact op.