Cheque van feestcomité Elsendorp

Heemkundekring De Kommanderij Gemert ontving op donderdag 16 juli een cheque van 250 euro van het feestcomité ‘Elsendorp 100 jaar’. Deze cheque werd uitgereikt aan redacteur Simon van Wetten van het boekje ‘Elsendorp Honderd jaar’. De uitreiking vond plaats tijdens de presentatiebijeenkomst van het boekje als dank voor de prettige samenwerking tussen het feestcomité en de heemkundekring die het jubileumboekje samenstelde.

 

Publicatiedatum vrijdag 17 juli 2026

 

Presentatie boekje ‘Elsendorp Honderd jaar’

Alle leden van heemkundekring De Kommanderij Gemert hebben in juni het tweede-kwartaalnummer van Gemerts Heem ontvangen. Dit was geheel gewijd aan het 100-jarig bestaan van Elsendorp. Voor inwoners van Elsendorp werd een uitgave gemaakt met de zelfde inhoud, maar met een omslag waarop Elsendorp vanuit de lucht te zien is. Deze speciale uitgave werd op donderdag 16 juli gepresenteerd in De Dompelaar in Elsendorp.
Het eerste exemplaar werd uitgereikt door pater Gerlacus van den Elsen (!) aan de 100-jarige Mien van den Boogaard, inwoonster van Elsendorp. De rol van pater Van den Elsen werd voor deze gelegenheid vertolkt door Martien Kusters.
Elsendorp is in 1926 genoemd naar de norbertijner pater Van den Elsen (1853-1925), een jaar na diens overlijden. De geschiedenis van Elsendorp is bij eerdere jubilea van het dorp al te boek gesteld. De redactie van Gemerts Heem koos er voor om in dit nieuwe 100 pagina’s tellende boekje nieuwe invalhoeken te vinden, die niet eerder zo werden beschreven. Uit allerlei archieven zijn veel foto’s gebruikt.
Simon van Wetten had als redacteur van Gemerts Heem een groot aandeel in het leveren van artikelen en redigeren van deze speciale uitgave. Hij hield voor een volle zaal in De Dompelaar ook een korte lezing, waarin hij toelichtte hoe dit nummer tot stand was gekomen.

BIJ DE FOTO: Pater Van den Elsen reikt het eerste exemplaar van ‘Elsendorp Honderd jaar’ uit aan de 100-jarige Mien van den Boogaard  uit Elsendorp.

Publicatiedatum vrijdag 17 juli 2026

GH-2025-1 Maria Donkers ziet beelden op gevoel

KLIK HIER VOOR PDF-bestand

Paul Verhees

Op de omslagen van de vier kwartaalnummers van Gemerts Heem staat dit jaar werk van de Gemertse kunstenares Maria Donkers. Donkers is geboren in Boekel, maar ze woont alweer een jaar of zes aan het Hof van Nazareth in Gemert.

Haar moeder was een echte Gemertse, Riek Donkers-van den Acker. Riek ging naar de Nazarethschool bij de zusters Franciscanessen, vlak bij het huidige Hof van Nazareth waar Maria nu woont. Ze schreef artikelen voor Gemerts Heem en leverde met haar vader Knelis van den Acker een belangrijke bijdrage aan het Gemerts Woordenboek van Wim Vos. Gemertse Riek trouwde met Johan Donkers uit Boekel, waar Maria geboren werd in een boerengezin met acht kinderen. Haar hele leven heeft Maria getekend en geschilderd. Ze is opgeleid tot handenarbeiddocent en heeft meer dan veertig jaar in Eindhoven gewerkt en gewoond. “Maar inmiddels voelt Gemert als mijn thuis”, zegt ze. Ze werd geschoold aan de Academie Beeldende Vorming Tilburg, het Centrum voor de Kunsten Eindhoven en verschillende workshops. Ze bracht haar werk onder de aandacht van het publiek door deelname aan groepsexposities in Eindhoven en eigen exposities in Galerie KunstStation in Uden en KunstLokaal in Gemert, waar ze lid is van het kunstenaarscollectief Kunst op Locatie. Op haar website www.mariadonkers.nl schrijft ze: ‘Ik zie beelden op gevoel. Ik schilder met gevoel’. Over haar werk zegt Maria verder: “Ik breng veel structuur aan op het doek en voeg daar lagen en accenten in acrylverf aan toe. Ik ga op zoek naar een emotie en creëer zo een wereld waar je zelf een verhaal bij kunt maken en misschien ook wel in weg kunt dromen.”

FOTOBIJSCHRIFT:

Maria Donkers :  “Ik  creëer een wereld waar je zelf een verhaal bij kunt maken.

 

 

GH-2025-2 Aanvulling Gemerts Woordenboek

KLIK HIER VOOR PDF-bestand

Harry Slits en Wim Vos

 

Van allerhande Gemertse woorden die ik kreeg aangereikt, hoorde of zelf gebruikte heb ik gecontroleerd of ze zijn opgenomen in het Gemerts Woordenboek. Dat heeft weer een aantal nieuwe Gemertse woorden opgeleverd. Met dank ook aan Mari van Berlo, Zus Kluitmans, Piet Slits, Dilia Steeghs, Paul Verhees en Piet Vos. De nieuwe lemmata zijn in dezelfde vorm gegoten als in het Gemerts Woordenboek van 2017 t.b.v. latere digitalisering. Dank aan Wim Vos voor zijn controlewerk.

Gímmers – Nederlands

bajpoetse
ww overg (-t baj, -te baj, h. bajgepoetst): van repliek dienen. Haj pèrmeteerde z’naajge dor wa af te zégge, toew hèè ’k ’m ’s goewd bajgepoetst. (=bajvaëge).
dùrdrèèje
ww (vormen, zie drèèje) I. onoverg (is dùrgedrèèjd/ dùrgedreeje): 1. buiten zichzelf raken door emotie. Toew ie óp de pláts van ’t ón-geluk kwamp drèèjden ie híllemol dùr. 2. zwaar verslaafd zijn. II. overg (h. dùrgedrèèjd/ dùrgedreeje): doordraaien/afkeuren van groente en fruit op de veiling.
gèk2
ev/mv -ke: gek, krankzinnige. Dè moete ok híl anders ánvatte, zí de gèk: Dat moet je ook heel anders aanpakken naar mijn bescheiden mening.
gòdverdie
tw bastaardvloek: godverdomme.
gons
bw: gaans (in de genitief na een tijdsbepaling). Hándel is nòg gín uujr gons.
Hèllemónds
bn: Helmonds. Haj hé de Hèllemóndse ziekt: hij heeft pijn in de rug (moeilijk te controleren voor een keuringsarts, Helmonders zouden daar misbruik van maken).
kaoj1.
I 2. slecht Koje praot verkooëpe: kwaadspreken Haj ha ’ne kojen dronk: hij werd agressief door de alcohol.
nondekèèj
tw bastaardvloek: verdomme.
nondepie
tw bastaardvloek: verdomme.
ópgoje
ww overg (vormen, zie goje, h. ópgegojd): 1. opgooien, handmatig opschudden van hooi op het land of korenschoven op de kar (bij warm weer en zeer hoge luchtvochtigheid ontstaan spontaan natte/ klamme vloeren). 2. (uitsl infin): (bepaald) kinderspel.
skölleketrappe
ww onoverg (-t skölleke, -te -, h. sköllekegetrapt:)
1. bij een brede sloot die nog niet stevig dichtgevroren is (of als het al een beetje dooit) snel de overkant zien te bereiken waarbij door breking van het ijs losse schollen/ schotsen (kunnen) ontstaan. Ónze Frans waor mí skölleketrappe dùr ’t ejs in de grácht gezàkt.
2. ijs waaronder het water is weggelopen of weggezakt stuktrappen bij wijze van ijsvermaak. Zal oew ’s gon skölleketrappen óp de sleuj lanks die wèèj? Dor lí veul skòlejs. (zie skòlejs).
verdies
bw: erg, zeer. Dè zèn verdies skon èrpel. Haj is verdies knap. Haj hí verdies veul gèld. (zie verrèkkes).
verneeme
ww overg (vormen zie neeme, h. vernomme): horen, vernemen. Sins hullie no Canada zèn vertròkke hebbe we niks mír van ze vernomme.
wèèje1
ww onpers (-t, -de, h. gewèèjd) I. onoverg: waaien. ’t Wèèjde d’r: er was daar een stevige discussie/ruzie. ’t Wèèjt dun: er staat een schrale wind.
wierts
v ev/mv -e: een uitgespuugde of uitgepoepte sliert (b.v. vogelpoep op een raam).
zeund1
v ev/geen mv: zonde, jammer.
zeund2
o ev/geen mv: jammer. Van ’t zeund worde dik: Als je het jammer vindt om etensresten weg te gooien en ze daarom maar opeet, word je dik.
zo3
bw: snel, in korte tijd. Het is zo daolek. Dè hèdde tóch zo gedon.
zwírrend
bn: zwerend. Dè klòpt as ‘ne zwírrende vinger: dat is helemaal juist (een flink zwerende vinger kán een kloppend gevoel geven). (zie zwaëre3).

Nederlands – Gímmers

agressief (door alkohol): (zie kaoj1 I 2)
discussie: (zie wèèje1)
doordraaien (van groente of fruit op een veiling):
dùrdrèèje
emotie (buiten zichzelf raken van -): dùrdrèèje
erg: duuvels, èrg1 II, fesoenlijk, knap, líllek, verdies (bw)
etensresten (- opeten): (zie zeund2)
gaans: gons, looëpes
godverdomme: gòdgloejendenhoewd, gòdverdie, gòdverdòmme
horen: hèùre, verneeme
juist: akoord, (zie haok), jaonèt, krèk, vlák, (zie zwírrend)
kwaadspreken: klapèèje, (zie kaoj1 I 2) mening (naar mijn bescheiden-): (zie gek2) opgooien: ópgoje
opschudden (van hooi, handmatig): ópgoje
repliek (van – dienen): bajpoetse, bajvaëge
rugpijn: (zie Hèllemónds), (zie kriejge 7), krímmer 2, (zie reug 1)
ruzie: kaëk, kedeej, keek, kerwél, (zie reej), (zie reeje), (zie reen), ruuzeng, (zie wèèje1)
sliert (uitgepoept/ uitgespuugd): wierts
snel: (zie drieklets), gauw, hárd, rap, (zie vierklèts), (zie weerlicht), zo3
verdomme: gòdverdorrie, gòrdie, gòrdölme, gòrdorrie, gòrtemiej, márditte, pòdòmme, nondekèèj, nondepie, pòdòmme, verdòkke, verdòmme, verdorrie, verdulleme, verdummele
vernemen: verneeme
verslaafd (zwaar – zijn): dùrdrèèje
voet (te-): gons, looëpes
wind (schrale-): (zie wèèje1)
zeer (heel): duuvels, èrg1 II, haël, héél, knap, loejend, nòndejuus, stik, verdies (bw)
zwerend: zwírrend

 

GH-2025-2 Kapittelstokjes

KLIK HIER VOOR PDF-bestand

Ad Otten

D’n himmel of een skup èèrd

Het zal zijn geweest in 1954 toen mijn opa, naar wie ik ben vernoemd, werd bediend. Dat wil zeggen: hem werd het sacrament van het Heilig Oliesel toegediend ook al wilde hij dat eigenlijk niet. Opa en oma woonden bij ons in huis en ons mam had al gezorgd voor een kruisbeeld op een tafeltje met links en rechts een brandende kaars. Wij woonden schuin tegenover de pastorie. Pastoor Van den Heuvel hoefde maar over te steken. En die kwam in vol ornaat. Ik moet 9 jaar zijn geweest. Ik en onzen Henk stonden als oudsten van het gezin met vader, moeder en opoe rond het bed van opa Januske Otten. De hele plechtigheid hebben we meegemaakt. Toen ‘mijnheer pastoor’ klaar was met alle kruistekens, zalvingen, zegeningen en het (voor)bidden voor het zieleheil van ‘het slachtoffer’, zei hij tot slot ter geruststelling tegen opa nog iets in de geest van: “Zo Janus, en mocht je nu wat overkomen, dan ga je recht naar de hemel!” Opa zette grote ogen op en zei tegen de pastoor “Nò d’n hímmel?” en “Geleufde gaj dè?” Om vervolgens voor zichzelf maar voor iedereen duidelijk genoeg te besluiten met “Ge kriet ’n skup èèrd ovver ‘w sodemieter. D’èst gelèjk!” Opoe verschoot ervan en zei iets van “Mar Jaonus toch!” En ons mam boog zich naar ons toe en fluisterde heel zachtjes in onze oortjes: “Opa weet niet meer wat ie zegt. Opa wordt een bietje kinds…”.

Januske Otten (links) verlaat hier met zijn vrouw de kerk waar ze hun gouden bruiloft vierden. Een jaar later op zijn sterfbed bleek Januske toch niet zo gelovig.

God had geen licht aan

Op de Komschool in Gemert kwam met een zekere regelmaat pastoor Van den Heuvel of één van zijn kapelaans lesgeven. Rekenen en Taal konden dan wel algemeen beschouwd worden als de belangrijkste leervakken op school, maar de aller-allerbelangrijkste les gold toch eigenlijk de godsdienst- en catechismusles, zo leerden ons de nog allemaal zwartgerokte meesters uit de parochiekerk van toen.
Dat alles is zo’n dikke zeventig jaren geleden en ik realiseer me nu dat van al die ‘ozo’ belangrijke katechismusvragen ik er nog slechts EENTJE met vraag en antwoord kan opdreunen. Het is een korte vraag met dito antwoord die ik er net als toen op de speelplaats, en het liefst met stemverheffing, zo weer kan uitflappen, ook al werd die dan door ‘ons’ in het antwoord expres wat vervormd:
“Kunnen wij God zien?”
“Neen, wij kunnen God niet zien, want Hij heeft GEEN LICHT AAN!”
Mijn hele klas kende deze vraag-met-antwoord. Natuurlijk wist iedereen wel dat het antwoord hoorde te eindigen op LICHAAM, maar… ‘lichaam’ is geen Gemerts woord! Sla er het uitgebreide Woordenboek van de Gemertse Taal maar op na. Dat woord kenden we niet. Geen van allen! Wij wasten ons lèjf en toen we nog wat kleiner waren werden onze ‘lèjfkes’ door onze moeders gewassen in een wasteil. Het woord ‘lichaam’ werd thuis nooit gebezigd. Dat kwam uit het ‘buitenland’ en hoorde niet bij ons. En voor zover ik me kan herinneren evenmin bij de rest van de klas. Bijgevolg was ‘GEEN LICHT AAN’ onze perfect klinkende Gemertse invulling voor ‘GEEN LICHAAM!!’ En als ik eraan terugdenk waren er toen ook al meesters en juffrouwen die, om deze met zijn allen op de speelplaats luid opgedreunde bijzondere catechismusvraag-met-antwoord, een glimlach niet konden onderdrukken. Zij begrepen en voelden wel hoe het zat! Of zou de schrijver van dit artikel dat maar hebben gedroomd?? Nee toch!

Ik had een wapenmakker

Gedicht van Johanna Oor-Prinzen

Bladerend in de Katholieke Illustratie van 4 februari 1931 (65ste Jaargang blz.428) stuitte ik zomaar op een gedicht van Johanna Oor-Prinzen. Dat is een Gemertse wist ik. Van de fabrikantenfamilie Prinzen. Johanna Prinzen werd in Gemert geboren in 1864 en overleed op haar 88ste te Geleen in 1952. Zij trouwde in 1903 te Gemert de Roermondse beeldhouwer Matheus Oor. En was zij het ook niet die model stond voor het beeld van de Heilige Elisabeth in de vroegere kapelgevel van het Gasthuis aan de Nieuwstraat (bouwjaar 1908), dat rond 2010 een nieuwe bestemming vond in de aula van Huize Ruijschenbergh? En stond Johanna Prinzen, de dichteres, zo rond haar trouwjaar of in elk geval in het eerste decennium van de twintigste eeuw ook al niet model voor de Heilige Maagd Maria in de Calvarieberg op Gemerts parochiekerkhof? In de Katholieke Illustratie van 1931 laat zij zien heel sterk betrokken te zijn tot de beeldende kunst en niet alleen tot die van haar echtgenoot de beeldhouwer. Haar gedicht in de Katholieke Illustratie blijkt geïnspireerd door een foto van de beeltenis van een biddende soldaat die een gesneuvelde kameraad uit de Eerste Wereldoorlog herdenkt in een eerdere aflevering. Het is een foto van een oorlogsmonument in een voorstad van Hamburg dat nogal afwijkt van het gebruikelijke en zeker niet opwekt tot nieuwe krijgslust. (Katholieke Illustratie 7 januari 1931, blz. 345). Een biddende soldaat op het graf van een gesneuvelde wapenbroeder dat is getiteld “Ich hatt’ einen Kameraden…”. We volstaan hier met het laatste couplet van het aansprekende gedicht “Ik had een wapenmakker” van de Gemertse Johanna Prinzen, die we als dichteres nog niet kenden:

Ik had een wapenmakker, jong en sterk.
Hij viel op vreemden bodem en geen zerk
Wijst ons de plaats waar zijn gebeente rust,
Geen moeder heeft het bleek gelaat gekust,
Dat stil en vredig op het sneeuwkleed lag.
Alleen, verlaten, tot aan jongsten dag.
Maar in “die Heimat” buigt een kameraad
De knie, terwijl hij de oogen nederslaat,
En van zijn lippen stijgt een stille bêe:
“Gij, trouwe wapenmakker, rust in vrêe.”

In een voorstad van Hamburg staat een oorlogsmonument van een biddende soldaat op het graf van een gesneuvelde wapenbroeder dat is getiteld “Ich hatt’ einen Kameraden…”.

 Het gedicht van Johanna Prinzen was afgedrukt in de Katholieke Illustratie in 1931.

 Johanna Oor-Prinzen Johanna Prinzen met haar echtgenoot Matheus Oor.

 

GH-2025-2 Oorlogsvondst op de skelet

KLIK HIER VOOR PDF-bestand

Casper Kalb

De boerderij aan de Broekstraat 36 wordt verbouwd. Het pand staat bekend onder de naam Nieuw Begijnhof. Deze naam is ontleend aan de oude hoeve (‘Begijnhof’) die aan de overzijde van de straat heeft gestaan en in 1895 is afgebrand. Broekstraat 36 is gebouwd in 1898 door kasteeleigenaar Scheidius. De familie Welten heeft dit monument enige tijd geleden gekocht en wil het aanpassen naar de hedendaagse woonwensen, maar zeker ook elementen in oude luister herstellen.

Na een lang traject van ontwerpen en bijschaven kunnen nu de feitelijke werkzaamheden beginnen. Welke blikken op het verleden laat deze verbouwing zien? We hebben Grad Welten gevraagd om het de redactie te melden als hij dingen tegenkomt die vermeldenswaard zijn. Het begint al vroeg in de verbouwing, bij het opruimen van de hooizolder. Hier zijn bericht.

Wij zijn de trotse bezitters van een monumentale boerderij op de Broekstraat en we hebben bij de voorbereidingen voor de aanstaande verbouwing een leuke vondst gedaan. Voor de verbouwing moest de oude skelft verwijderd worden. Deze skelft was nog echt een ouderwetse slietenzûlder, dat wil zeggen: dikke eiken balken, daarover dunnere eiken balken en daar weer kruislings overheen dunnere dennenstammetjes. Over die dennenstammetjes lagen weer kruislings bundels stro gestapeld en zo kwam men tot een stevig geheel, wat de verdiepingsvloer vormde en bovendien ook nog eens een prima isolerende werking had. Daar bovenop zijn een kleine 130 jaar lang iedere zomer tussen de vijftienhonderd en tweeduizend pakken hooi gestapeld (heel vroeger geen pakken maar los hooi): het winterrantsoen voor de koeien. Door het gewicht van het hooi zijn de strobundels in de loop der tijd enorm samengeperst, dus het verwijderen van deze bundels was een hels karwei. Alles moest losgestoken worden, voor we het naar beneden konden werken. En bij het loswerken en verplaatsen van het stro kwam 130 jaar aan stof vrij, een ongekende hoeveelheid stof. Gelukkig is veel stof ook een goed teken, want dat duidt op weinig of geen lekkages. En dat is alleen maar goed voor de staat van onze boerderij. Vanzelfsprekend lag ook de hele stalvloer beneden helemaal vol met stro en stof. Ook dat hebben we naar buiten gewinkeld en daar op de oude mestvaalt gegooid. Zoals het hoort rond een oude boerderij hebben wij ook loslopend rondscharrelend pluimvee. Onze haan Arie (Arie Haan) zat wat in die hoop te krabben en ik zag dat hij iets tevoorschijn kraste. Het blijkt een oud sigarettenpakje te zijn, van een mij onbekend Engels merk. Na enig speurwerk ben ik erachter gekomen dat dit merk speciaal in deze pakjes geproduceerd werd voor in het rantsoen van de geallieerde Engelse soldaten in de Tweede Wereldoorlog. Van de vorige bewoners van onze boerderij hebben we wel eens gehoord dat er in de nadagen van de oorlog geruime tijd Engelse soldaten op Broekstraat 36 gebivakkeerd hebben, maar dat deze vooral in de oude veldschuur achter op het erf verbleven (na de oorlog is daar met spelen in het zand klaarblijkelijk nog veel munitie gevonden). Toch heeft een soldaat waarschijnlijk stiekem zitten roken op de hooizolder, omdat het pakje daar terecht is gekomen. Gelukkig heeft hij dat héél voorzichtig gedaan, want de boerderij heeft de hele oorlog zonder schade doorstaan. Een bijzondere vondst bij de start van onze verbouwingswerkzaamheden. Maar wat het extra bijzonder maakt, is dat ik het Britse soldatensigarettenpakje gevonden heb in de week voor de viering van 80 jaar bevrijding. Bijzonder dat het dus tachtig jaar op de skelft gelegen heeft zonder dat iemand het wist en dat het uit het laatste beetje van de ongeveer 80 kuub stro die we afgevoerd hebben door onze haan tevoorschijn is getoverd. We vermoeden dat de rokende soldaat inmiddels gestopt is met roken, maar we blijven hem dankbaar dat hij voorzichtig gerookt heeft op onze skelft en zeker ook voor de strijd die hij, met velen, ver van huis gestreden heeft voor onze vrijheid.

FOTOBIJSCHRIFTEN:

De skelft, ontdaan van stro en de dennenstammetjes. (foto familie Welten)

 Het pakje sigaretten uit de oorlogstijd. (foto familie Welten)

 

 

 

 

GH-2025-2 Fellenoord: een scherpe verklaring

KLIK HIER VOOR PDF-bestand

Ad Otten

Fellenoord is een Gemertse oude naam aan de splitsing van het Kruiseind in de Pandelaar (richting Erp) en de Deel (richting Boekel); een plaatsnaam die al gebruikt werd in de middeleeuwen. Het zoeken naar een passende naamsverklaring is altijd weer een uitdaging. Wat betekent Fellenoord?

Het toponiem Fellenoord is niet alleen in Gemert bekend, maar het komt ook voor in Brabantse plaatsen als Eindhoven, Boxtel, Drunen en op beslist nog heel veel meer plaatsen elders in het Nederlandse taalgebied. In alle laatstgenoemde plaatsen zijn in het verleden verklaringen gegeven – denkelijk allen van elkaar overgeschreven – als die van “woeste, gevaarlijke plaats”. En dat zonder daarvoor een degelijke verantwoording te leveren. ‘Fellen’ lijkt me wat al te gemakkelijk uitgelegd als ‘woest en gevaarlijk’ en ‘oord’ als ‘plaats’. Echt zaak om eens wat uitgebreider voor Fellenoord te gaan zitten. Zeker nu die naam, heden ten dage alweer een flink aantal jaren, ook gebezigd wordt als huisnaam in de zuidpunt van de Pandelaar.

Oord is (ook) scherp en spits

In het Woordenboek van de Nederlandse Taal (WNT), deel 11 (1910) vinden we maar liefst vijftien kolommen met betekenissen voor ‘oord’. Hieronder volgen daaruit alvast een paar mij direct aansprekende teksten:
– “De oorspronkelijke betekenis van ‘oort’ was in alle Oudgermaanse dialecten: spits eener speer, dat met het in onbruik raken van het wapen zelf in het Nieuwnederlandsch is teloorgegaan.”
– “In Noord-Brabant kan ‘oord’ ook wel punt van een mes, zeis of zicht betekenen.” Het woord ‘scherpoordig’ komt vervolgens ter sprake als zijnde ‘scherphoekig’ en uit het Middelnederlandsch ook ‘die orde (= hoek) van den scilde’. Oord kan dus ook ‘hoek’ betekenen. En met ‘die orde van den scilde’ is niets anders dan de (spitse) punt van een wapenschild bedoeld. Kijken we met deze bovenstaande gegevens naar de plattegrond van het Kruiseind, waar die zich splitst in Pandelaar en Deel, dan zien we de (scherpe) hoek die de wegensplitsing daar ter plaatse vormt als een wel heel ‘scherpoordige’ splitsing. Een gelijkaardige ‘scherpoordige’ wegensplitsing vinden we ook op oude wegenkaarten tussen Eindhoven en Woensel, waar we de huidige Fellenoord bij het station aantreffen. En verdorie wanneer je vervolgens googled naar Fellenoord in Boxtel, dan levert je dat meteen een kaartje uit het begin van de 19de eeuw waar vanuit de dorpskom Boxtel één van de wegen van een opvallende ‘scherpoordige’ wegensplitsing de naam draagt van Fellenoord. Dat is de latere Eindhovenseweg in Boxtel.

De Fellenoord aan Het Kruis

Wanneer we nu uit een lijst van Martien van der Wijst1 de Gemertse toponiemen van circa 1589 “aent Cruijs aen den Fellenoort” en “aen de Fellenoordt in de Pantelaer” en uit mijn eigen aantekeningen (1527)2 “den Fellenorde in die Deelstraet” onder de loep nemen, dan hebben we hier verwijzingen naar beide poten van de scherpe hoek die nu nog steeds bijeenkomen op de plek waar we vandaag het keske aan het Kruiseind treffen. De ‘gevaarlijke’ dan wel ‘woeste’ en/of ‘onontgonnen’ betekenis voor Fellenoord is hier toch echt niet op zijn plaats. In de middeleeuwen is dit al bebouwd gebied. En dat is beslist zo ook het geval in Eindhoven, Boxtel en Drunen.

Huijs en hof After den Oude Fellenoert in 1436

Aan de hand van vele tientallen schepenakten uit Gemerts Rechterlijk Archief lijkt het almaar aannemelijker dat het toponiem Fellenoord in Gemert echt gesitueerd moet worden als zijnde gelegen in de scherpe hoek van de wegensplitsing naar respectievelijk Erp (Pandelaar) en Boekel (Deel). En dat inclusief een flink en gesloten achterland naar beide zijden. Dat leidt vervolgens ook tot de bevinding dat de daar in de 15de en 16de eeuw gelegen bebouwing eigendom was van gezeten en gerespecteerde inwoners van Gemert. Een direct aansprekend gegeven dateert uit 1436 en betreft ene Kathelijn, dochter van wijlen Heer Gevart van Hanert, voorheen commandeur van het Huis van de Heren Theutonen van de Biezen. Zij blijkt de eigenares van een huis gelegen in de (scherpe) hoekpunt van de wegensplitsing die wordt aangegeven als “huijs ende hof in Gemert After den Oude Fellenoert”.3 Zij blijkt niet onbemiddeld gezien het feit dat zij haar kinderen Willem en Beel na haar overlijden alvast jaarlijks tien mud rogge kan toe bedelen uit haar huis en hof. Het zijn weliswaar natuurlijke (=bastaard)kinderen, maar hun vader is bepaald een vooraanstaand man in de regio. Het is wijlen Lucas Meeussoen van Arlebeke! Zo rond 1390 is hij immers de schout van Gemert. En tevens leenman van de Commanderij van de Duitse Orde in Gemert. Of de huizinge van Kathelijn, het vroegere lief van de Gemertse commandeur, indertijd de enige bebouwing was After den Ouden Fellenoort, dat is vooralsnog de vraag. In 1472 is sprake van een huis ende hof en aangelegen land ‘aen den Fellenoert’ op een perceel dat bijna anderhalve hectare beloopt.4 In 1486 heeft men het vervolgens over een huis, schuur, hofstad en bijbehorend erf in Gemert naest de plaats genaamd Fellenoirde.5 Rond die tijd is in de zogeheten Bossche Protocollen ook sprake van een Gemertse familie met de familienaam Van den Fellenoert, met onroerend bezit in het centrum van Gemert in de buurt van het kasteel (nu: Ridderplein-Kerkstraat). Mogelijk nabestaanden van Vrouwe Kathelijn en de Commandeur? Dat zou zomaar kunnen.

Tot besluit: verklaring voor Fellenoord

De Fellenoord in zijn algemeenheid betreft een scherphoekig gebied of perceel. In Gemert is ‘t het grondgebied dat van oudsher uitloopt in een scherpe hoek tussen Pandelaar en Deel. Precies in die scherpe hoekpunt stond al rond 1500 een kruisbeeld. Exact in de as van de weg, precies daar waar die ophoudt en overgaat in Pandelaar naar de ene kant en Deel naar de andere kant. Dat is de plek die we vandaag de dag nog steeds kennen als het eind van het Kruiseind. En het eindpunt van het Kruiseind valt in Gemert van oudsher samen met het ‘scherpe’ beginpunt van het gebied Fellenoord. Dat het kruisbeeld op initiatief van de buurtschap vervangen wordt door uiteindelijk in 1911 een keske met vier nissen doet daar niets aan af. In één van die nissen komt opnieuw een kruisbeeld, opnieuw exact in de as van de weg. Het Kruiseind blijft het algemeen gekende Kruiseind. Pas in 1990 zal door onachtzaamheid het keske worden verplaatst en enigszins gedraaid. Eigenlijk was het de bedoeling om daar een rotonde aan te leggen. Dan wordt de vraag gesteld of het niet goedkoper is om gewoon ‘t keske wat te verplaatsen? En meer ruimte te scheppen voor het verkeer. Dat kon natuurlijk ook, als het Kruiseind maar het Kruiseind zou blijven. Wat Kruiseind? Hoezo Kruiseind? Niemand dacht nog aan een kruis exact in de as van de weg die het Kruiseind markeerde. En al helemaal niet aan de geheel vergeten scherphoekige Fellenoord die meepesant vervaagde. Maar… de naam is teruggekomen als huisnaam op een perceel dat zes- à zevenhonderd jaar geleden die naam ook al droeg. Op initiatief van buurtbewoners werd het Keske opgeknapt en een stukje verplaatst, zodat het verkeer er beter langs kon.

Noten:

  1. Martien van der Wijst, Gemertse toponiemen van 1366 tot 1802, in Gemerts Heem nr.42, lente 1971, blz. 3-12.
  2. Gemeentearchief Gemert-Bakel, Rechterlijk Archief Gemert, Gemert R102 d.d. 27.2.1527.
  3. Bossche Protocollen R1206 folio 195 dd 7-7-1436.
  4. Bossche Protocollen R1241 folio 371v dd 3-8-1472.
  5. Bossche Protocollen R1254 folio 293 dd 26.5.1486.

FOTOBIJSCHRIFTEN:

Het Kruiseind zoals het er in 1916 uitzag.

 Het Keske met op de achtergrond de woning waarop de naam Fellenoord te lezen is.

 Op het kaartje is te zien hoe het Kruiseind zich splitst in Deel en Pandelaar en daarin een driehoek vormde.

 Het Keske aan het Kruiseind voor het in 1990 bij een opknapbeurt enkele meters werd verplaatst.

 

 

 

GH-2025-2 KIEK NAW Grensoverschrijdend gedrag

KLIK HIER VOOR PDF-bestand

Paul Verhees (tekst en foto)

Wie over de Rooije Hoefsedijk van Gemert richting Elsendorp rijdt (of terug) hoeft geen paspoort te tonen. Toch passeer je er een grensovergang, gemarkeerd door een heuse grenspaal. Althans, die grens was er ooit. De paal herinnert aan een conflict uit het begin van de vijftiende eeuw. De Gemertse Peel behoorde toen al van oudsher toe aan de soevereine heerlijkheid Gemert. Maar de inwoners van Bakel, Aarle en Helmond dachten daar anders over. Ze trokken in 1408 een kaarsrechte grens tussen Bakel en Handel, markeerden die met grenspalen, en eigenden zich de Gemertse Peel toe. De Duitse Orde protesteerde bij de Hertog van Brabant en die gaf toe dat de grenspalen geen enkele waarde hadden. Echter, in plaats van de Gemertse Peel terug te geven aan de rechtmatig eigenaar, eigende hij zich het gebied zelf toe. De Duitse Orde kon het terugkopen, wat ook gebeurde. Wel liet de Orde de inwoners van Gemert de rekening betalen. Alles bij elkaar toch een vroege vorm van grensoverschrijdend gedrag, dunkt mij. Had daar niet een onafhankelijke rechter paal en perk aan kunnen stellen?

GH-2025-2 Graf van Philip Sutorius

KLIK HIER VOOR PDF-bestand

Cas Jamin

In Gemert-Bakel zijn oude grafmonumenten te vinden die de hedendaagse voorbijganger niet veel meer zeggen. Dit vormt de aanleiding om in de archieven op zoek te gaan naar die vroegere levens en tegelijkertijd de graven te beschrijven. Op het oude kerkhof van de kerk van Sint-Jans Onthoofding in Gemert is het graf te vinden van Philip Sutorius (1841-1873).

Het graf bestaat uit een blauwgrijze deksteen op een schuin aflopende roef. Op de deksteen staat de volgende tekst: “Bidt voor de ziel van zaliger den heer P.J.L.C. Sutorius geboren te Helmond 14 november 1841 overleden te Marseille 29 juli 1873 den 4 augustus daarop volgende alhier begraven R.I.P.” Op de bovenste helft van de deksteen rust in het midden ervan een half rechtopstaand Latijns kruis met Keltische symboliek (cirkel in het hart van het kruis, uiteinden van de armen voorzien van ronde vormen, bottony cross). De schuin aflopende steun waar het kruis op ligt, is versierd met een spiraal, ook een Keltisch motief.

Jeugd

Philip (Philippus Jacobus Leonardus Cornelis) Sutorius wordt op 14 november 1841 in Helmond geboren als zoon van Petrus Antonius Sutorius (1804-1886) en zijn tweede vrouw Maria Elisabeth Leonora Schouten (1813-1887)1. Zie de vorige aflevering in Gemerts Heem 2025 nummer 1 voor meer informatie over dit echtpaar. De vader van Philip is bij zijn geboorte koopman en fabrikant (katoendrukker/blauwverver)2. Het oudste kind in het gezin is Philips halfbroer Eduard (Johannes Wilhelmus Eduardus), die in 1833 is geboren uit het eerste huwelijk van hun vader. Eduard is 8 jaar oud als Philip ter wereld komt. Broer ‘Henry’ (Henricus Willebrordus Cornelis, *1840) is dan 1,5 jaar oud. Twee jaar na de geboorte van Philip komt zus Helena (Philippina Paulina Cornelia, *1843) ter wereld. Hierna wordt nog een broertje geboren, Petrus Wilhelmus Jacobus Cornelis (*1844). Hij wordt maar 6 maanden oud. In 1846, als Philip 5 jaar oud is, doet vader Petrus Antonius Sutorius zijn katoendrukkerij en blauwververij in Helmond van de hand aan de familie Van Vlissingen en verhuist met het gezin naar Weesp3. Daar gaan ze wonen aan een gracht, genaamd het Vosje, in wijk B op de Hoogstraat. Vader, moeder, hun vier kinderen, hun grootmoeder van vaders kant en hun dienstmeisje Cornelia den Dobbelsteen. Philip is 11 jaar oud als op 6 januari 1853 zijn grootmoeder Maria Christina Prinzen op 73-jarige leeftijd overlijdt in Weesp4, “na een lang en smartelijk doch zeer geduldig lijden, en tijdig voorzien van de H. Sacramenten der stervenden.” Vader Petrus Antonius is na de verhuizing in 1846 in Weesp opnieuw gestart met een textielververij en -drukkerij samen met een compagnon. De firma ‘Sutorius & Hasselenberg’. Als in mei 1847 Hasselenberg zich in goed overleg terugtrekt uit zijn vennootschap met Sutorius, gaat de firma ‘Sutorius en Co.’ heten5. In de textielindustrie wordt in toenemende mate gemechaniseerd, waarbij ook kleinere firma’s niet kunnen achterblijven6. Om investeringskapitaal aan te trekken vraagt Petrus Antonius Sutorius in 1854 een naamloze vennootschap aan. Op 25 september 1854 wordt zijn textielververij en -drukkerij opgenomen in een nieuwe N.V. in Weesp, de ‘Maatschappij tot het vervaardigen van Oost-Indische Batik’7. Hij brengt zijn woning en bedrijfsruimten onder in de vennootschap. Helaas wordt de N.V. geen succes, waardoor de aandeelhouders en directeur Petrus Antonius Sutorius rond de jaarwisseling van 1858/1859 veel geld verliezen. Petrus en zijn gezin verhuizen naar Aalst, vlakbij Eindhoven. Zoon Philip is dan 17 jaar oud. Vanuit Aalst verdedigt zijn vader zich via een ingezonden stuk in de krant tegen aantijgingen dat hij en zijn compagnon Timon Blom van Geel er met het geld van aandeelhouders vandoor zouden zijn gegaan. Eigen Leven

In 1857 trouwt Philips’ oudste broer Eduard Sutorius (23) in het Vlaamse Ronse (Frans: Renaix) met Aimee Marie Colette Brackelaire. Zij is op 14 maart 1842 geboren in het Vlaamse Zomergem en bij hun huwelijk nog maar 15 jaar. Eduard is in Ronse commissionair, oftewel een handelsagent of tussenhandelaar. Mogelijk in textiel, aangezien Ronse dan een belangrijke textielstad is. Eduard zal er voorgoed blijven wonen. Na het debacle met de Weespse N.V. vertrekt het gezin Sutorius in 1858 eerst naar Aalst. Op 10 juli 1862 wordt Petrus Antonius (57) met zijn vrouw Maria Elisabeth (48) ingeschreven in Rotterdam8. Als vorige woonplaats wordt ’s-Hertogenbosch genoteerd. De kinderen zijn intussen uitgevlogen en verblijven soms voor even op het ouderlijk nest. Zo verblijft zoon Henry (26) vanaf 3 maart 1867 een tijd bij hen. Hij is inmiddels wijnhandelaar en zijn vader is commissionair in wijnen. Philip Sutorius (24) trouwt op 28 juli 1866 in Batavia met Louise (Christine Louise) Wrück (19)9. Zij is op 25 december 1846 geboren in Meester Cornelis, vlakbij Batavia in Nederlands-Indië. Haar voorouders zijn waarschijnlijk, net als die van Philip, afkomstig uit Noordrijn-Westfalen in Duitsland. Zij woont in Batavia, maar verblijft weleens een tijd – eerst met Philip, later met de kinderen of alleen – in Delft. Waarschijnlijk hebben ze daar samen een pied-à-terre. Ze krijgen drie dochtertjes, waarvan het jongste al binnen enkele maanden na de geboorte overlijdt. Henry (26) trouwt op 2 mei 1867 in Amsterdam met Eugenie (Joséphine Ernestine Eugenie) Basquin. Zij is een dochter van een uit Frankrijk afkomstige koopman en zijn Amsterdamse vrouw van Franse afkomst. Ze krijgen acht kinderen. Op 3 februari 1870 trouwt de 26-jarige dochter Helena in Lisse met Gerardus Egidius Franciscus van der Schrieck (28) uit Amsterdam. Ze krijgen 7 kinderen.

Goede zaken en een verlies

Op 1 april 1869 gaan de broers Henry en Philip Sutorius samen een vennootschap aan, handelend te Rotterdam onder de firma ‘Gebr. Sutorius en Co’10. Tegelijkertijd gaan zij een samenwerking aan met Adolph Frederic Schrewelius, een koopman te Batavia. Dit in het kader van export en commissiehandel op en in Oost-Indië. De firma adverteert met regelmaat in kranten die in Oost-Indië verschijnen om reclame te maken voor producten die zij importeert, waaronder tafelzuren, jams, whisky, huishoudgroenten en vleeswaren11. Henry woont als koopman met zijn gezin in Rotterdam. Koopman Philip woont met zijn gezin in Batavia. De zaken gaan goed. Hun ouders Petrus Antonius en Maria Elisabeth verlaten op 12 mei 1869 Rotterdam. Het Zuid-Hollandse Lisse is hun nieuwe bestemming.

Op 25 mei 1872 wordt Petrus (67) ‘zonder beroep’ met zijn vrouw Maria (58) ingeschreven in Gemert. Daar woont dan al familie van Petrus’ moeder Maria Christina Prinzen. Tussen 1858 en 1872 heeft het echtpaar in vijf gemeenten gewoond (Aalst, ’s-Hertogenbosch, Rotterdam, Lisse, Gemert). Petrus Antonius, een geboren zakenman, is na het mislukken van de N.V. in Weesp niet meer als bedrijfsleider actief geweest. Hij werkt hierna nog wel een tijdlang als commissionair. In Gemert gaat het echtpaar wonen in de buurt van apotheek Van der Willigen (nabij Nieuwstraat 9, drogisterij ‘t Hert), waar zij de laatste jaren van hun leven doorbrengen12.

Op 5 juni 1873 verschijnt een telegram van Philip Sutorius als advertentie in de Java-bode, een dagblad in Batavia. Vanaf een Frans stoomschip meldt hij: “Door langdurige ziekte en overhaast vertrek naar Europa, niet bij magte persoonlijk afscheid te nemen van vrienden en bekenden, roept de ondergeteekende hun langs dezen weg een hartelijk vaarwel toe. Aan boord van de Neva, 5 junij 1873. Ph. Sutorius”. Voor velen is dit het eerste signaal dat Philip ernstig ziek is. Hij sterft op 29 juli 1873 op 31-jarige leeftijd op weg naar zijn vaderland in de havenstad Marseille in Frankrijk13. Ver weg van zijn vrouw Louise en dochtertjes Betsy (6) en Evangelina (4), die in Batavia zijn achtergebleven. Verwijderd ook van zijn ouders die in Gemert zijn komst afwachten. Zijn vader laat zijn stoffelijk overschot naar Gemert overbrengen. Daar wordt hij op 4 augustus 1873 op het kerkhof bij de Sint-Jan begraven.

Grote verandering en overlijdens

Tot aan zijn dood woont Philip, als koopman te Batavia met zijn gezin in de ‘Gang Scott’. Eén van de oudste en meest chique lanen van Batavia, waar de huizen omringd zijn door parkachtige tuinen en waar vele inlandse bedienden de bewoners, die veelal van Europese afkomst zijn, werk uit handen nemen. Drie maanden na de dood van Philip vindt er op 28 oktober 1873 in het huis van ‘mevrouw de weduwe Ph. Sutorius in de Gang Scott’ een openbare verkoop plaats door Van den Abeelen & Co van ‘een keurig netten inboedel’, waar de volgende spullen deel van uitmaken: “een weener rotting-ameublement, tafels, knapen, waschtafels en buffet met marmeren bladen, spiegels en gravures, mahoniehouten boekenkast, dames schrijftafel, werktafeltje, een fraaije Mahoniehouten waschtafel met marmeren blad en groote spiegel, nachttafeltjes, soliede kleer-, glazen- en dispenskasten, eettafel, banken, divans, tafels en knapen, carpetten en alcatieven, ijzeren tweeperoons-, éénpersoons en kinder-ledekanten, medicijnkastje, een piano van Pleyel zoo goed als nieuw, muziekkastje en tabouret, gaslampen, regulateurklok, porceleienen eet- en theeservies, kristal-, glas- en pleetwerk, waarbij Cristofle tafelzilver in étui. Een voet- en een handnaaimachine, zingende kanarievogels, bloementafels met bloemen, groote Japansche martevanen. Alsmede eene groote collectie fraaije bloemen en planten in potten. Zeilen en krees, keuken- en dispensgereedschappen. Een span deugdzame overwalsche wagenpaarden, een vis-à-vis, een mylord, een dos-à-dos”.

In een advertentie in de krant laat Dr. Bentley vervolgens in november 1873 weten dat hij is ‘verhuisd naar het huis, laatst bewoond door Mevr. de Wed. Sutorius, Gang Scott.

Uit passagierslijsten blijkt dat Louise Sutorius-Wrück met twee kinderen en met H. Sutorius (waarschijnlijk schoonbroer Henry) in mei 1874 met de boot is aangekomen in Marseille vanuit Singapore14. Vermoedelijk voor een eerste bezoek aan Europa na de dood van haar man Philip. In maart 1894 verblijft Louise Sutorius-Wrück tijdelijk in Delft. Haar dochters zijn dan al getrouwd en het huis uit. In maart 1894 verschijnt in verschillende kranten15 het volgende bericht: “Mevr. de wed. Ph. Sutorius, geb. Wrück, wonende te Batavia, thans tijdelijk verblijvende te Delft, heeft t.b.v. ’s Rijks Museum te Amsterdam, ten geschenke aangeboden eene proeve van kunstnaaldwerk (haakwerk), vóór ongeveer 60 jaren op Java vervaardigd door eene Javaansche slavin. Aan mevr. de weduwe Sutorius, geb. Wrück is daarvoor de dank der Regeering betuigd.”

Op 81-jarige leeftijd overlijdt Petrus Antonius Sutorius op 17 maart 1886 te Gemert. Van zijn overlijden wordt aangifte gedaan door twee buren, waaronder apotheker T.G.H. van der Willigen16. Een jaar later, op 4 oktober 1887, sterft ook zijn weduwe Maria Elisabeth Sutorius-Schouten in Gemert op 73-jarige leeftijd.

Laatste jaren van Louise

In december 1911 woont Louise Sutorius-Wrück in de Museumlaan in Batavia. Op 16 december 1911 verschijnt er een advertentie in ‘Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië’ met de volgende aanbieding: “Pension aangeboden met 1 Februari voor een gehuwd paar en beschaafde dame, adres Wed. Ph. Sutorius-Wrück, Museumlaan, Spreekuur ’s avonds van 6-7.”

Daarna drijft Louise jarenlang een bloemenzaak aan de Willemslaan 8 in Batavia17. Van 1916 tot 1922 adverteert zij regelmatig in de plaatselijke kranten voor deze zaak. Zij woont zelf bij de zaak en verhuurt op die plek in dezelfde tijd ook (een) gemeubileerde kamer(s) met volledig pension. Op die manier kan zij in haar levensonderhoud voorzien. Haar oudste dochter Betsy (Maria Elizabeth Eva Helena Sutorius) is in 1886 in Batavia getrouwd op 19-jarige leeftijd met de Nederlands-Indische zakenman Frits (Godefridus Josephus Maria) Raupp18. Ze worden ouders van een groot gezin. Haar jongste dochter Evangelina is in 1889 getrouwd op 20-jarige leeftijd in Meester Cornelis met Anthonius Albertus Servaas de Klerck, een landheer19. Ze krijgen meerdere kinderen. Het huwelijk eindigt op 13 april 1911 te Buitenzorg in een echtscheiding. Christine ‘Louise’ Sutorius-Wrück overlijdt op 23 februari 1924 te Batavia op 77-jarige leeftijd.

Noten:

  1. BHIC, BS Geb. Helmond 1841, arch. 50, inv. 3530, akte 130.
  2. W. A. J. M. Harkx, ‘De Helmondse textielnijverheid in de loop der eeuwen’, Stichting Zuidelijk Historisch Contact, Tilburg (1967), pdf via boeken.stichtingzhc.nl, pp. 67, 105, 106, 113 (tabel) en 114; G. van Hooff, ‘De familie Sutorius in Helmond’, Helmonds Heem, 1981(4), pdf via www.heemkundekringhelmont.nl.
  3. Leo Bombeeck, Vlamingen bij de Vlisco te Helmond, 25-7-2014, http://www.bombeeck-genealogy.com/index_htm_ files/Vlamingen%20bij%20de%20vlisco4.pdf; KB via Delpher, Nederlandsche Staatscourant d.d. 1-4-1844 en 17-8-1846 en 21-2-1855; Circulaire honderdjarig jubileum oprichting ‘P. F. van Vlissingen & Cie.’ d.d. 15-8-1946, Heemkamer Gemert, map 12 uit doos 9; Harkx, a.w. pp. 148-149; G. van Hooff, a.w. p. 141; Wikipedia-lemmata ‘Vlisco’ (v. 3-1-2025) en ‘Paulus Sutorius & Co’ (v. 16-6-2023); inbrabantstaateenhuis.nl/verhalen/vlisco (v. 9-4- 2020); www.monumenten.nl/monument/513003 (v. 21-4-2020).
  4. KB via Delpher, familiebericht in De Tijd d.d. 11-1-1853.
  5. KB via Delpher, Nederlandsche Staatscourant en Algemeen Handelsblad, beiden d.d. 22-6-1847.
  6. G. van Hooff, a.w. pp. 141, 147 (noot 15); Harkx, a.w. p. 149.
  7. KB via Delpher, Nederlandsche Staatscourant d.d. 21-2-1855, De Tijd d.d. 30-6-1855 p. 2 sec. Per Telegraaf, Algemeen Handelsblad d.d. 18-1-1859 p. 4 en 2-2-1859 p. 3; G. van Hooff, a.w.
  8. Stadsarchief Rotterdam, Bev.reg. Rotterdam 1862, arch. 494-03, inv. 225, blad 3157, scan p. 153.
  9. Maarten en Willy Etmans, Genealogisch onderzoeksbureau Roosje Roos, via www.roosjeroos.nl.
  10. KB via Delpher, Nieuwe Rotterdamsche Courant d.d. 3-8-1869 en Nederlandsche Staatscourant d.d. 4-8-1869 en Javasche Courant d.d. 9-11-1869.
  11. KB via Delpher, Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië d.d. 30-8-1913 & 14-2-1914 & 7-3-1914 & 28- 3-1914.
  12. GA Gemert-Bakel, Bev.reg. Gemert 1861-1879 folio 1055 en 1880-1900 folio 911 [In 1880 heeft apotheek ’t Hert huisnummer B316 en woont wed. P.A. Sutorius op B310]; BHIC, BS Overl. Gemert 17-3-1886 (P.A. Sutorius), arch. 50, inv. 2927, akte 32 [Aangifte door de naburen T.G.H van der Willigen (apotheker ‘t Hert) en dhr. Albers (boterfabrikant)].
  13. KB via Delpher, Java-bode d.d. 5-6-1873, Familiebericht in Bataviaasch handelsblad d.d. 8-9-1873 en in De Maasbode d.d. 14-8-1873, ‘Vendutie’, Java-bode d.d. 21-10-1873, ‘Dr. Bentley’, Bataviaasch Handelsblad d.d. 4-11-1873; GA Gemert-Bakel, BS Overl. Gemert 1873, arch. 11.079, inv. 39, akte 71.
  14. KB via Delpher, Bataviaasch Handelsblad d.d. 12-6-1874.
  15. KB via Delpher, Het vaderland en de Nederlandsche Staatscourant d.d. 8-3-1894 en De Haagsche courant d.d. 14- 3-1894.
  16. BHIC, BS Overl. 1887, arch. 50, inv. 2927, akte 105; GA Gemert-Bakel, BS Overl. Gemert 1886, arch. 11.079, inv. 40, akte 32; KB via Delpher, familieberichten in De Maasbode d.d. 1-5-1886 & 21-3-1886 & 20-12-1887 & 1-3- 1886 & 9-10-1887 en De Tijd d.d. 20-3-1886.
  17. KB via Delpher, Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië d.d. 13-7-1918 & 5-9-1921.
  18. KB via Delpher, Bataviaasch Nieuwsblad d.d. 30-9-1886 & 2-10-1886.
  19. Zie noot 9.

 

FOTOBIJSCHRIFTEN:

Het graf van P.J.L.C. Sutorius. (Foto Cas Jamin). G

 Stamboom familie Sutorius.

Advertentie Gebr. Sutorius & co. in Batavia van vleeswaren, whisky en Betuwe jam.

Gang Scott, tussen Tanahabang en het Koningsplein te Batavia. (Bron Universiteit Leiden, KITLV 105849, Publiek Domein).

 Advertentie Bloemhandel Mevr. de Wed. Sutorius-Wrück.

 

 

 

GH-2025-2 Gemert Vorstendom, bijna was het er nog geweest!

KLIK HIER VOOR PDF-bestand

Ad Otten

Het eeuwenoude soevereine Gemert Vorstendom van de Duitse Orde is in 1794 door Franse legers bezet. In 1800 is het door Napoleon c.s. verkocht aan de Bataafse Republiek en werd langs die weg deel van het Koninkrijk der Nederlanden. Maar… wist u dat daarna nog zeker zestien jaar serieuze pogingen zijn gedaan om Gemert Vorstendom nieuw leven in te blazen?

Bachem en De Vos van Steenwijk

Het was ene Konrad Joseph Bachem, die in 1802 namens de Grootmeester van de Duitse Orde te Wenen over ‘de kwestie Gemert’ in contact trad met de patriottische Baron De Vos van Steenwijk, minister van Financiën van de Bataafse Republiek. Bachem kende Gemert uit eigen ondervinding. Als 31-jarige jurist en balijeraad van Alden Biesen werd hij in 1786 aangesteld als gevolmachtigd commissaris in Gemert om hier, na de grote dorpsbrand van een jaar eerder, orde op zaken te stellen. Het was zijn taak om Gemert te herstellen als de rijkste commanderij van de balije Biesen. Gemert kwam onder zijn curatele.1 Die opdracht kreeg hij van landcommandeur Reischach, vorst van Gemert en tevens ambassadeur van de (hele) Duitse Orde in Den Haag. Konrad Bachem (1755-1832) was een veelzijdig en intrigerend persoon. In zijn geboortestad Bonn studeerde hij rechten. Hij kwam als jurist naar Alden Biesen, trouwde met de dochter van de later door Napoleon aangestelde Maire van Maastricht. Aan de Leuvense universiteit studeerde hij Nederlands, Frans en Engels, en louter uit interesse bestudeerde hij ook als een der eersten het zogeheten Anniversarienboek, het oudst bekende Dodenboek van de Duitse Orde, waarvan hij nota bene op het Gemertse kasteel een kopie aantrof. Daar las hij al van de twaalfde-eeuwse edelman en Duitse ridder Rutger van Gemert van wie de Duitse Orde na diens overlijden de eerste rechten over Gemert erfde, enzovoort, enzovoort. Opmerkenswaard is hier zeker ook nog dat zijn zoon het zou schoppen tot Haupt-Bürgermeister van Köln. Voorwaar geen kleine jongens die Bachems… Het was ‘onze’ Bachem die in de jaren 1802/1805 de interesse wekte om de verkoop van Gemert door de Franse bezetter aan de Bataafse Republiek op enigerlei wijze ongedaan te maken. Bij minister De Vos van Steenwijk vond hij gehoor. Niet zo vreemd wanneer je weet dat deze minister tevens commandeur was van de onder de gereformeerde Duitse Ordebalije Utrecht vallende commanderij Middelburg die door de Fransen met opheffi ng werd bedreigd. Bachem bood daartegen als uitkomst een reünie van de onafhankelijke Nederlandse gereformeerde tak van de Orde met de katholieke authentieke Duitse Orde. Kort tevoren was met de Fransen bij het Verdrag van Lunéville (9 december1801) namelijk overeengekomen dat de Orde als lid van het Duitse Keizerrijk ongeschonden zou worden gehandhaafd in haar rechten. Er werd overlegd in Den Haag, een en ander op schrift gesteld, en gecorrespondeerd met de grootmeester in Wenen. De archiefstukken zijn in elk geval bewaard in Wenen en in Utrecht. Op beide plaatsen is er recentelijk ook over gepubliceerd. In een geschiedschrijving van de Balije Utrecht wordt zelfs ronduit geschreven over de op 6 november 1802 in Den Haag gevoerde onderhandelingen tussen De Vos van Steenwijk en Bachem over de teruggave van de Commanderij Gemert waarbij het de bedoeling was die te koppelen aan de door beide partijen voorgestane reünie van de Duitse Orde Utrecht met die van Wenen.2 Ook in de daaropvolgende jaren werd hierover nog verder overlegd, maar er werden almaar geen knopen doorgehakt. Toen de Bataafse Republiek vervolgens in een crisis belandde, werd Bachem het zat en hij schreef op 31 augustus 1805 aan (inmiddels) Staatsraad De Vos van Steenwijk dat hij weliswaar met genoegen bij alle partijen nog altijd positieve opvattingen ervoer ten aanzien van een hereniging van beide Ordetakken, maar wees er toen met nadruk op dat die reünie alleen kon lukken bij de teruggave van Gemert. In Wenen wijdde in 2006 ook Ordearchivaris Bernhard Demel in diens “Unbekannte Aspekte der Geschichte des Deutschen Ordens” een aantal pagina’s aan het overleg omtrent de hereniging met een Vrij Gemert als inzet.3 Maar… het ging allemaal te lang duren. Bachem en De Vos van Steenwijk slaagden er niet meer in Gemert als soeverein vorstendommetje weer tot leven te wekken. Napoleon bleef ze gewoon een stap voor…

Autonome Duitse Orde gaat ter ziele

In september 1805 brak de oorlog uit tussen Oostenrijk en Rusland enerzijds en Frankrijk anderzijds. Op 26 december volgde de Vrede van Presburg (nu Bratislava) die een einde maakte aan 615 jaar autonoom bestaan van de Duitse Orde. Voor wat Oostenrijk betrof, werd het een keizerlijke huisorde en buiten Oostenrijk werd de Orde geseculariseerd en in feite overgeleverd aan de willekeur van wereldlijke overheden. In de alweer spoedig volgende oorlog tussen Oostenrijk en Frankrijk, kwam er vrijwel direct een eind aan het voortbestaan van de Orde in de Duitse landen. Nog tijdens zijn veldtocht vaardigde Napoleon in Regensburg (1809) een decreet uit waarbij de Orde in alle staten van de Rijnbond werd opgeheven. Van de eind achttiende eeuw nog bestaande twaalf balijen waren toen alleen Oostenrijk en Utrecht nog over. Gemert werd in 1806 deel van het Koninkrijk Holland onder Lodewijk Napoleon. En toen in 1810 Lodewijk daar van zijn grote broer moest vertrekken, lijfde Napoleon de Nederlanden in bij zijn Keizerrijk en vaardigde in 1811 al een decreet uit dat ook de Balije Utrecht ging verplichten tot opheffing en liquidatie. Maar De Vos van Steenwijk en consorten waren sterk in traineren en er werd veel gedelibereerd over de wijze van aanpak van de liquidatie. En… er kwamen andere tijden. Met name voor Napoleon.

Bachem probeert Gemert Vorstendom nu bij koning Willem I

Het Franse imperium stortte ineen. Eind 1813 zette de prins van Oranje alweer voet op vaderlandse bodem. Napoleon werd verbannen naar Elba en in 1814 ging men zich in Wenen alvast bezinnen op een grote staatkundige herordening en een institutionele reconstructie van Europa.

Even ontsnapte Napoleon nog uit zijn ballingsoord, maar vond toen al gauw zijn ‘eigenste’ Waterloo tegen een grote geallieerde overmacht en hij werd dit keer verbannen en afgevoerd naar Sint-Helena in de Atlantische Oceaan. De prins van Oranje, inmiddels Koning van de Nederlanden, herstelde bij wet van 8 augustus 1815 de Ridderlijke Duitsche Orde, Balije van Utrecht, waarbij het oppergezag over de Orde overging op de koning. Alle nog aanwezige goederen en eigendommen werden teruggegeven. Soeverein bezit heeft de balije nooit gehad. Over een hereniging met de katholieke authentieke Orde te Wenen werd niet meer gesproken. In Wenen was Konrad Bachem hofraad van de aldaar residerende grootmeester Anton Victor van Oostenrijk. In de voorbije Franse Tijd was hun alle soeverein bezit ontnomen. Maar Bachem en de grootmeester hadden hun idee wat betrof de vrijmaking van Gemert nog altijd niet opgegeven. ‘Gemert’ was indertijd op een oneigenlijke manier door de Fransen zomaar ingepikt en verkocht, en dat bood toch perspectief om met het herstel van het minivorstendom Gemert toch tenminste ‘iets’ van het illustere van de Ridderlijke Duitse Orde te bewaren? Zo moeten de grootmeester en zijn hofraad hebben gedacht, terwijl in hun directe nabijheid op het Wener Congres het Koninkrijk der Nederlanden in de steigers werd gezet met Willem van Oranje-Nassau als toekomstige koning Willem I. En was deze kroonpretendent niet ooit ‘expectant’ (=kandidaat) Duitse Orderidder? Daar moest mee gepraat worden… In het Deutsch Ordens Zentral Archiv (DOZA) worden in elk geval alweer twee brieven van Bachem gedocumenteerd van respectievelijk 13 december 1813 en van 31 januari 1814 om de mogelijkheden te onderzoeken ‘einer Rekuperation der Herrschaft Gemert unter dem Prinzen van Oranien’. Bachem bewoog op 25 oktober 1815 ook Kerpen, de vroegere landcommandeur van Biesen aan de nieuwe koning te schrijven en hem onder meer te herinneren aan de eerdere teruggave van Gemert met alle soevereiniteit en superioriteit aan de Duitse Orde op 14 juni 1662 na een veertien jaren lange bezetting door de Staten-Generaal. Bachem wilde in die brief ook gememoreerd hebben de in dezelfde zin bijna geslaagde onderhandelingen met De Vos van Steenwijk uit 1802.4 Het resultaat van deze brief is tot dusver niet achterhaald kunnen worden. Wel kan op de valreep nog uit een (onverwachte) Duitse bron van 1821 met een biografische schets van Konrad Bachem geciteerd worden: “1815 wieder nach dem Haag geschickt und er erlangte am 30. April 1816 ein sehr günstiges Versprechen vom König.”5 Het heeft er alle aanzien van dat Bachem tot zeker 1816 nog is kunnen blijven ‘dromen’ van de recuperatie van Gemert als het enige resterende vorstendommetje van de eens zo machtige Duitse Ridderorde. Hij zal het beslist ook al voor zich hebben gezien hoe in dat geval de grootmeester uit Wenen – in plaats van vroeger de landcommandeur van Alden Biesen – in Gemert zou worden ingehuldigd en uitgeroepen tot vorst van Gemert. Gemert had een blijvertje moeten worden als soeverein vorstendom van slechts 57 vierkante kilometers groot. Van dezelfde orde van grootte als nu Liechtenstein (62 km2) en San Marino (61 km2). Andorra is met 164 km2 bijna drie keer zo groot.

Tot Slot

Over de kwestie Gemert zullen ook in Haagse archieven naar verwachting nog wel nieuwe documenten komen bovendrijven. Over de hoofdpersonen in dit artikel kunnen we nog kwijt dat Godert Willem Baron de Vos van Steenwijk in 1830 overleed als landcommandeur van Utrecht. De invloedrijke ‘Gemertofiel’ Konrad Joseph Bachem overleed op 77-jarige leeftijd te Neuwied bij Koblenz aan de Rijn in 1832. Hij was daar in de regio eigenaar van een hele grote wijngaard.

Noten:

  1. M.H.J. Pennings, Gemert onder curatele, in: Gemerts Heem nr. 52, 1973, blz. 19-21. Zie ook: M.H.J. Pennings, Maatregelen na de brand van 1785, in: GH nr.48, blz. 19-24.
  2. J.H. de Vey Mestdagh, De Utrechtse Balije der Duitse Orde – ruim 750 jaar geschiedenis van de Orde in de Nederlanden, Alden Biesen – Utrecht 1988, blz. 55-60.
  3. Bernhard Demel, Unbekannte Aspekte der Geschichte des Deutschen Ordens, Wien-Köln-Weimar 2006, blz. 86-89.
  4. Idem, blz.88 5. Leipziger Literatur Zeitung, September 1821, Seiten 1889-1891.

 

FOTOBIJSCHRIFTEN:

Landcommandeur Caspar Anton von Belderbusch van wie Konrad Joseph Bachem de opdracht kreeg Gemert te herstellen na de dorpsbrand van 1785. G E

Dit beeld van edelman Rutger van Gemert staat in het gemeentearchief van Gemert-Bakel. Rutger kan gezien worden als de grondlegger van de Commanderij Gemert in het begin van de dertiende eeuw.

 Godert Willem de Vos van Steenwijk, landcommandeur van Utrecht 1824-1830.