GH-2014-02 Panoramatafel ‘Commanderij Gemert Anno 1700’

Ad Otten

In 2013 profiteert het gemeentebestuur van een noodzakelijk geworden vervanging van de riolering door meteen ook een algemeen gewenste herinrichting van de oude hoofdstraten te realiseren. Met name het Gemertse Ridderplein ondergaat een ware metamorfose doordat tegelijk het indrukwekkende kasteelcomplex zichtbaar wordt gemaakt door de verwijdering van een in 1930 aangeplante haag van douglassparren die de er toen verblijvende spiritijnse priesterstudenten moest isoleren van het dorpsleven. Het Ridderplein is nu een voor iedereen duidelijke historische site die terugvoert tot ver in de middeleeuwen en vragen oproept van wat is dit en hoe is het begonnen?

Van oudsher is Gemert een apart landje, een soeverein gebied, een vorstendom, waar tot 1795 noch Brussel, noch Den Haag iets te zeggen had. In de twaalfde en dertiende eeuw, het is de periode van de kruistochten, traden de edelman Rutger van Gemert en na hem nog een aantal leden uit het adellijk geslacht der vrijheren van Gemert toe tot de in Palestina opgerichte Teutonische Ridderorde, die na anderhalve eeuw, deels door erfrechten, de absolute soevereine macht over Gemert verwerft. Uit 1391 dateren de plannen tot de bouw van de Commanderij in het centrum van Gemert met een uniek bewaard gegeven: kasteel en kerk in één grondplan. De Orde kende immers zowel ridder- als priesterleden en ze kreeg in het eerste kwart van de dertiende eeuw van de paus het recht eigen kerken te bouwen en te bedienen.

DE PRENT VAN ROMEIN DE HOOGHE
In een panoramische vogelvluchtopname zien we vanuit het westen de Commanderij Gemert anno 1700. Links de op het oosten georiënteerde parochiekerk met een middenschip even lang als hoog. Het dubbelomgrachte kasteelcomplex met drie optrekkende bruggen is georiënteerd op het zuiden. Rechts het poortgebouw aan de kasteellaan met twee vleugels (hoeve en tiendschuur). Centraal het carrévormige hoofdgebouw en de voorburcht met een hoekpaviljoen op de zuidoosthoek met dezelfde hangtorentjes als de hoofdburcht. Op de achtergrond de aaneengesloten lintbebouwing aan de hoofdstraat. Tussen kerk en kasteel is in de verte Handel zichtbaar waar de Teutonische Orde haar eerste commanderij bezat. Op de Molenakker twee molens, eigendom van de Commanderij. Tussen voorburcht en poortgebouw is aan de gracht, de dingbank zichtbaar. Daar, op de scheiding van de domeinen van de vorst en zijn onderdanen, werd recht gesproken. Aan de andere kant van de gracht is op de markt een kruisbeeld zichtbaar en rechts daarvan valt nog net de gereformeerde kerk te ontwaren. Gemert kende in tegenstelling tot de ommelanden, vrijheid van godsdienst.
In de lucht hangt het wapen van commandeur Bertram Wessel van Loë tot Wissen, de stadhouder van landcommandeur Henricus van Wassenaar tot Warmond, vrijheer en vorst van Gemert. Beide hadden op het kasteel hun residentie, evenals trouwens de schepenbank (zegmaar de gemeenteraad) en de pastoor van Gemert. Op de Commanderij hadden alle ‘machten’ hun thuis.
De vorst van Gemert, in zijn kwaliteit van landcommandeur van Biesen, gaf aan Romein de Hooghe (1645-1708), één der Hollandse meesters van zijn tijd, opdracht tot het maken van een zogenaamde “wandkalender” van de Duitsordensbalije Alden Biesen. De prent ‘Commanderij Gemert’ is één van de 19 prentbladen (etsen, koperdruk op papier). Zoals in Gemert de residentie van de ‘vorst en heer’ ter plaatse bracht dezelfde kunstenaar in opdracht van koning-stadhouder Willem III onder meer ook Paleis Het Loo te Apeldoorn in beeld.

De panoramatafel op het Ridderplein is gerealiseerd kunnen worden dankzij giften van Jan Overeem (voorzitter Toeristisch Platform Gemert-Bakel), Heemkundekring Gemert-Gemert Vrijstaat en de organisatie van VVV Gemert-Bakel.

Bekijk PDF

GH-2014-02 De Arck van Noë (3) (slot) Eigenaars en bewoners 1777 – 1842

Marij van Pelt-Vos

Jan, zoon van Abraham Henrix van Herpen, was op 26-11-1752 getrouwd met Mechtildis, dochter van Frans Slaets. Zij woonden met hun gezin in de Molenstraat op de plek waar nu de boerderij van Kuppens (nr. 16) staat. Dit huis was hun eigendom en ook bezaten zij meerdere percelen grond in de Hel verderop in (het achterland van) de Molenstraat en wat grond in De Haag. Jan was zoals veel mensen in die tijd “schrijvens onkundig”, maar hij had een vooruitziende blik. Op 10 februari 1777 kocht hij van de familie van der Heijden de Arck met aanliggende grond en het jaar daarop nog twee huizen en land in de Haag. Deze laatste huizen verdwenen binnen korte tijd en de grond waarop zij gestaan hadden, met de percelen die er bij hoorden, werden onderdeel van het grondgebied van de Arck. Daardoor werd deze weer een flinke boerderij waar meer grond bij hoorde dan ooit tevoren. Evenals eerdere eigenaars zal Jan van Herpen de Arck verhuurd hebben, al weten we niet aan wie. Zelf bleef hij met zijn gezin, waarvan de oudste kinderen intussen al volwassen waren, in de Molenstraat wonen.
Mechtildis Slaets, echtgenote van Jan van Herpen werd op 13 augustus 1789 begraven.

Het was begin 1792 en Jan de Willem van Lijssel en Marjan Verstegen wilden gaan trouwen. Zij zochten een boerderij die ze konden huren en raakten in gesprek met Jan van Herpen. Op 28 maart verhuurde deze zijn huis en hof genaamd “de Arcke”, voor de termijn van 6 jaar, aan Jan de Willem van Lijssel. Samen met de bijbehorende groes- en teullanden was de boerderij nu ongeveer 17 lopense groot. De jaarlijkse huursom bedroeg 80 gld. en de huurder moest de erfpachten die op de Arck rustten voldoen. Elk jaar moest hij 2 vimmen strooij, met een gewicht van 800 pond, op de daken van het huis en de bijgebouwen laten leggen en dan kost en drank aan de dakdekkers verschaffen (de verhuurder zou de lonen betalen). Het huis kon met Pinksteren worden aanvaard, hof en groes met half maart en de teullanden na de oogst, bloot aan de stoppelen, alles in het volgende jaar 1793. Nu de boerderij geregeld was kon er getrouwd worden en op 20-01-1793 stapten Joannes Wilhelmus Petri van Lijssel en Maria Anna Josephi Verstegen in hun huwelijksboot: “de Arck”. De oudste kinderen zullen er geboren zijn.

Joannes van Herpen overleed begin 1795 in de Straat en op 16 januari werd hij van daaruit begraven. De scheiding en deling tussen de kinderen en erfgenamen van Jan van Herpen en Mechtildis Slaets vond plaats op 30-01-1796. Zoon Abraham was niet meer in leven. Dochter Anna en haar man Andries van Vechel (ook Frankenvoort genoemd) deelden niet mee. Zij hadden in 1795 hun part van de erfenis voor 1000 gld. verkocht aan zwager Nicolaas Rooijackers en zus Maria. Zodoende werd er gedeeld tussen de drie overblijvende dochters van Herpen: Maria, Francijn en Johanna. Maria en haar man Nicolaas kregen o.a. het ouderlijk huis in de Molenstraat en Francijn en haar man Gerardus Verschueren kregen percelen grond. Aan Willem van den Eijnden en Joanna van Herpen viel de huizinge, hof en aangelag genaamd “de Arcke” ten deel, groot 3 lopense en 39 roeden, met 8 percelen land, alles staande en gelegen in de Haag en omgeving.
Willem, de nieuwe eigenaar van de Arck, was een zoon van Petrus Aerts van den Eijnden en Joanna Arnoldi van den Berck. Hij en Johanna van Herpen, waren op 10-02-1782 getrouwd en zij woonden met hun gezin in het huis “St. Joris” aan de Markt, nu het gemeentehuis. Dat huis was eerder eigendom van bierbrouwer Antonius van den Eijnden, die een oom van Willem was. Mogelijk heeft Willem van den Eijnden vanaf het begin van zijn huwelijk, of al in zijn jeugd, bij Toonoom gewoond, in elk geval was ook hij brouwer van beroep. Toen Antonius van den Eijnden in 1789 zonder nakomelingen overleed besloten de vele erfgenamen om de door hem nagelaten goederen, bestaande uit meerdere huizen en grond, binnen de familie te verkopen. Uit deze nalatenschap had Willem van den Eijnden op 10-02-1790 het belangrijkste huis: ” St. Joris” met de brouwerij gekocht. Zo was hij eigenaar geworden van een van de vier brouwerijen die er rond 1800 in Gemert waren. Willem en Joanna woonden riant midden in het dorp. Het ging hun goed. In november 1800 kochten zij het buurhuis richting de kerk en een paar maanden later het huis aan de andere kant. Dat laatste was ene schoone doortimmerde steenen huijsinge met stallingen, schuur en hof, grenzend aan de Capelaansteeg. Dit huis kennen wij nu als “Hotel de Keizer”.

In de Arck heeft het gezin van den Eijnden dus niet gewoond. Toen Willem en Johanna de boerderij in de Haag erfden liep het huurcontract met Van Lijssel nog. Daarna verhuurden zij de Arck aan Willem, zoon van Gerardus Jansse van Gerven (ook v. Gerwen). In de Franse tijd komen we deze Willem en Hendrina Jacob Peeters van den Bergh, met wie hij sinds 27-05-1792 getrouwd was, tegen in de Bevolkingslijst van 1799. Zij wonen dan in de Haag (nr. 519), zijn beiden 40 jaar en landbouwers van beroep. Hun twee jonge kinderen, die niet met naam vermeld worden, moeten Gerardus en Jacoba geweest zijn. Van de twee in de Arck geboren kinderen bleef alleen de laatste zoon Andreas in leven. Willem van Gerven heeft met zijn gezin lang in de Arck gewoond, in elk geval tot 1835, mogelijk langer. Uit de Bevolkingslijst van 1799 blijkt dat er toen onder het dak van de Arck nog een woning (nr. 520) was. Hier woonde de 69-jarige spinster Joanna Maria van Dijck weduwe van Joannes Bloks, met haar volwassen zonen Bernard en Henri die wever van beroep was. Dertig jaar later woonde hier (nr. 50) de in Boekel geboren spinster Anna Maria van Gerwen weduwe van Johannes Rijnders, met haar dochtertjes Theodora en Johanna.
Johanna van Herpen, echtgenote van Willem van den Eijnden was 74 jaar toen zij op 16-01-1830 in hun woning aan de Markt overleed. In de Arck stierf 03-09-1835, op 78 jarige leeftijd Hendrina van den Berg echtgenote van Willem van Gerven. Hun zoon Gerardus was toen nog ongehuwd en woonde bij zijn ouders. Na het overlijden van zijn moeder trouwde hij binnen een jaar en mogelijk heeft hij met vrouw Helena Michels en vader Willem nog in de Arck gewoond en gewerkt tot deze werd afgebroken. Willem van Gerven overleed op 22 januari 1849, ongeveer 90 jaar oud.

Intussen was in 1832 het Kadaster ingevoerd. Bierbrouwer Willem Peters van den Eijnden bezat veel grond o.a. in de Hulst en de Kampen en meerdere huizen, waaronder de Arck en het huis aan de Markt waar hij woonde. De Arck, met de bijbehorende percelen grond, was gelegen in sectie I en bestond uit de volgende nummers:
285 bouwland 19,90 aren,
289 bouwland 18,70 a.
382 huis en werf 05,08 a.
383 huis 00,32 a. 384 hof 06,80 a.
385 bouwland 27,30 a.
386 weiland 27,00 a.
403 bouwland 40,30 a.
411 weiland 23,00 a.
413 weiland 38,50 a.
447 bouwland 48,20 a.
485 bouwland 31,30 a.
495 bouwland 22,10 a.

Niet lang daarna kwam er een einde aan het bestaan van “de Arck”. Al gebouwd vóór 1500 was de boerderij hoogbejaard. In de loop van de tijd veranderde zij diverse keren van eigenaar en in de akten die dan werden opgemaakt is nergens sprake van een stenen huis. Daarom kunnen we er van uitgaan dat de Arck van hout was en met leem besmeerde wanden had. Het dak was belegd met stro evenals de daken van de bijgebouwen. Van 1627-1653 was Noë Lamberts Cock eigenaar en bewoner en aan hem dankte de boerderij haar naam “de Arck”. Het perceel grond waarop zij stond met het aangelag hield vanaf 1632 steeds dezelfde vorm en was omgeven door een “hegge en grave”. De grootte bleef, tot het kadaster werd ingevoerd, 3 lop. en 39 roeden. In 1842 werd “de Arck” afgebroken. In dienstjaar 1843 werd in het Kadaster bijgeschreven dat de percelen sectie I 382, 383 en 384 waren samengevoegd tot één perceel met als nieuw nummer I 829, groot 12,20 aren en dit was in gebruik als bouwland. Nu, meer dan 150 jaar later, is de naam “d’Eèrk” nog steeds in gebruik voor die plek in de Haag waar ooit “de Arcke van Noë” stond. De in 2007 door Gemert Vrijstaat en de buurtbewoners geplaatste bronzen ark bewaart de herinnering. Bij dit monumentje past het vers hieronder:

Hiejr wonde Noë in z’n Èèrk
Haj ploegden’t laand èn dí z’n wèèrk
Hiejr hád ie d’n aord èn hiejr is ie geblívve
Dí stukske Gímmert hét ie ‘ne naom gegívve

Bekijk PDF

GH-2014-02 Evacuaties in bezettingstijd in Gemert-Bakel

Ruud Wildekamp

Na terugkeer, uiterlijk half mei 1940, van de evacués uit de gemeenten Gemert en Bakel en Milheeze hernam het leven voor hen weer z’n gewone gangetje. Hoewel in Bakel en Milheeze de Duitsers al snel militaire activiteiten ontplooiden, hadden de meeste mensen niet het gevoel dat men bezet was. Enigszins gereserveerd was er ook wel enig contact met deze militairen. In de Peel verrezen kleine gebouwen, de zogenaamde Wehrmachthuisjes, waarin de bemanningen van daarbij geplaatste zoeklichten een onderkomen hadden. Bij de boeren in de omgeving kochten deze militairen, veelal wat oudere soldaten, fruit, melk en eieren die keurig werden afgerekend. Op de zondagmiddagen werden soms zelfs enkele Duitse militairen in de plaatselijke cafés gesignaleerd. Boerenjongens onder hen staken zelfs wel eens een handje toe op nabijgelegen boerenerven.
In december 1940 bleek dat de Duitsers plannen hadden met het gebied in de Jodenpeel aan het einde van de Hazenhutsedijk. Op de 13e van die maand werd een deel van de heide tot verboden gebied (Sperrgebied) verklaard en voorzien van een eenvoudige afrastering. Begin maart 1941 kreeg de gemeente Bakel en Milheeze te horen dat er voor de Luftwaffe gebouwd zou worden bij De Rips. Wat er zou komen werd niet vermeld. De gemeente hield er daarom ernstig rekening mee dat de bewoners van dit gebied zouden moeten vertrekken. De commissie die de evacuaties van mei 1940 had begeleid werd op de hoogte gebracht van de Duitse plannen. Op 10 maart 1941 werden stukken grond gevorderd van enkele boeren in de Jodenpeel. De landbouwers H.M. van Bakel, H.M. Logtens, W. van Well en W. van Bakel moesten alle grond afstaan waarvoor zij, via de gemeente, periodiek een vergoeding ontvingen. Zij mochten op de gevorderde gronden toch hun vee laten grazen en ook het terrein betreden om dit te melken. De gevreesde evacuatie van bewoners van de Jodenpeel vond dan ook geen doorgang. Niemand hoefde te vertrekken. Toch werden zij in hun bedrijfsvoering enigszins beperkt toen de Duitsers barakken en loodsen lieten bouwen en betonnen voetstukken plaatsten. Zeer waarschijnlijk stonden de Duitsers deze agrarische activiteiten toe vanwege de goede camouflage tegen mogelijke verkenningen vanuit de lucht van hun radarstelling. Want dat is het uiteindelijk geworden.
Elders waren de Duitse militaire autoriteiten minder toegeeflijk. Zo werd voor de aanleg van het vliegveld Volkel een veertigtal woningen en boerderijen gevorderd. De bewoners kregen een week de tijd om te vertrekken en daarna werd er gesloopt. Zowel de gemeente Uden, als ook Zeeland, bouwden voor de gedupeerden vervangende woonruimte. Maar voordat die gereed was moesten zij maar ergens anders een dak boven het hoofd zien te vinden. Onder hen waren kleine boertjes voor wie het heel moeilijk wennen was in een rijtjeshuis. Deze vordering van woonruimte voor het vliegveld Volkel heeft nauwelijks betekenis gehad voor de gemeenten Gemert en Bakel-Milheeze. Mogelijk heeft een enkel gezin hier een tijdelijk onderdak gevonden. Halverwege 1941 toen het vliegveld werd uitgebreid moesten opnieuw gezinnen hun woningen verlaten. Van die groep is bekend dat het gezin Van de Heuvel tijdelijk bij familie in Gemert onderdak vond.

Evacué’s uit de kuststreek
De verdedigingsplannen van de kust tegen een mogelijke invasie door de geallieerde legers vonden in mei 1942 een eerste uitwerking. Walcheren werd door de Duitsers het meest bedreigd geacht en tienduizend bewoners, in hoofdzaak bejaarden en gepensioneerden, werd aangezegd dat ze het eiland dienden te verlaten. Woningen die dicht bij het strand lagen moesten op last van de bezetter worden ontruimd, om plaats te maken voor de bunkerbouwers. De getroffenen konden doorgaans door de betreffende gemeenten in leegstaande huizen of in noodbehuizing worden ondergebracht. Anderen trokken bij familie in. Eerst na 19 augustus 1942, na de Canadees-Britse aanval op de haven van de Franse stad Dieppe veranderde de houding van de Duitse militaire autoriteiten. Op grote schaal werden in alle kustgemeenten van Zeeland, Noord- en Zuid-Holland, ontruimingen bevolen. Woningen en soms hele wijken werden gesloopt om plaats te maken voor de aanleg van de Atlantikwall, de Duitse linie van bunkers, geschutsopstellingen, tankvallen, prikkeldraad- en andere versperringen. De grote open land- en tuinbouwgebieden achter de duinen en vliegvelden in gebruik bij de Luftwaffe werden gebarricadeerd om luchtlandingen te voorkomen. Hierdoor kwam opnieuw een stroom evacuees opgang. Van deze groep Nederlanders moest noodgedwongen een groter deel verder van de eigen gemeente worden ondergebracht. Opvang van deze groep vluchtelingen diende, zoals ook in 1940, nog steeds te gebeuren door toedoen van de “Commissie Afvoer Burgerbevolking”, nu vallende onder het Departement van Binnenlandse Zaken. Deze commissie dacht in eerste instantie ook aan onderbrenging binnen de eigen gemeente. Maar door het grootschalige karakter van deze gedwongen verplaatsingen kon dit maar gedeeltelijk worden gerealiseerd. Noodgedwongen moesten velen naar elders worden verplaatst. Daarbij verdiende onderbrengen bij familie of bekenden elders de voorkeur. Inkwartiering in een tehuis, kamp, barak of anders behoorde ook tot de mogelijkheden van de commissie. Voor de plaatsing van vluchtelingen kreeg de plaatselijke burgemeester verregaande bevoegdheden. Vordering van leegstaande woningen of gedwongen inwoning behoorden tot zijn mogelijkheden. Het gemeentebestuur van het vluchtoord diende maatregelen te treffen om de evacuees op te nemen in een zogenaamd vluchtelingenregister. Dit register diende in afschrift ook aan de Commissie Afvoer Burgerbevolking te worden gezonden. Ook de regionale distributiediensten dienden hiervan een afschrift te ontvangen zodat de bonkaarten ook aan evacués konden worden verstrekt. Voor de huisvesting van vluchtelingen werden vergoedingen voor de kwartiergevers vastgesteld. Men ontving f 4,55 per dag voor de huisvesting van een gezin van vier personen. Daarnaast kreeg elke geëvacueerde een klein zakgeld, f 2,50 per echtpaar en f 0,75 voor elk kind beneden de achttien jaren. Met kerstmis ontvingen zij een gave van 25% van het laatstgenoten weekbedrag, inclusief brandstoftoelage. Maar ook aan hen die in eigen huisvesting voorzagen kon een steunbedrag worden uitgekeerd. Deze aanvullende steun werd door de meesten echter als te gering ervaren omdat van het steunbedrag ook huur moest worden afgedragen. Klachten hierover werden doorgegeven aan het Evacuatiebureau Noord-Brabant/Limburg. Dit adviseerde daarop deze categorie dan maar in te kwartieren. Daarvoor stond dan een vaste vergoeding voor de kwartiergever tegenover, dat als huur voor de ingenomen vertrekken kon worden beschouwd. Een evacué van het mannelijke geslacht diende zich als werkzoekende in te schrijven bij een van de gewestelijke arbeidsbureaus. Eenmaal werk gevonden in de nieuwe omgeving kon een evacué, afhankelijk van het inkomen, in zijn eigen onderhoud voorzien. Bij onvoldoende inkomen kon een aanvullende steun van het rijk worden verstrekt. Deze steun werd als kwartiergeld verstrekt aan de kwartiergever naast het bedrag dat deze als huur ontving van de ingekwartierde. Weer anderen waren voldoende bemiddeld om geheel in eigen huisvesting en voeding te kunnen voorzien. Zij verbleven veelal in een hotel of pension.
Per 1 september 1942 werden de taken van het Bureau Afvoer Burgerbevolking, dat nu onder de Commissie Burgerbevolking ressorteerde, gedecentraliseerd in vijf regionale “Bureaus Vluchtelingenzorg”. Gemert en Bakel-Milheeze vielen onder het bureau Noord-Brabant/Limburg dat in Breda was gevestigd. In 1943 werd deze naam gewijzigd in Evacuatiebureau Noord-Brabant en Limburg. Aan dit bureau dienden de gemeenten een opgave te doen van grote gebouwen (kloosters e.d.), zalen en andere grotere ruimten. Op 21 december 1942 kreeg de gemeente Gemert een eerste verzoek voor de mogelijke onderbrenging van groepen van vijf of meer ouderen van dagen. Verzocht werd deze onder te brengen in pensions, ruime huizen of kleinere hotels.
We zien dat in juni 1943 al een achttal geëvacueerden in Gemert zijn ingekwartierd. Deze waren afkomstig uit Den Haag, Bloemendaal en Velsen. Hieronder de weduwe van de Britse consul, Adèle Laming-Haslinghuis en haar zoon Charles Laming, beide van Britse nationaliteit. Iets wat zorgvuldig geheim werd gehouden. Zij hadden intrek genomen in hotel De Kroon van de familie Wijn en zijn daar tot na de bevrijding gebleven.
Buiten deze geëvacueerden in Gemert waren nog vier gezinnen (22 personen) in Handel ondergebracht. Deze waren weliswaar niet als vluchteling geregistreerd maar als werknemer verbonden aan het Sint Bavogesticht te Noordwijkerhout. Deze instelling was gedeeltelijk geëvacueerd naar Huize Padua in de gemeente Boekel. De gezinshoofden waren als verpleger werkzaam geweest in deze inrichting en bij hun patiënten gebleven. Een zevental van hen vertrok al een maand later naar Venraij omdat een deel van de patiënten daarheen, naar de Sint Anna-inrichting, verhuisde.
Dat onder de geëvacueerden een behoorlijk verloop was blijkt uit de cijfers van november 1943. In die maand waren in Gemert zestien geëvacueerde personen gehuisvest afkomstig uit Den Haag, Rotterdam, Middelburg, Katwijk aan Zee en Egmond-Binnen. In februari 1944 werd nog een viertal geëvacueerden uit Zierikzee in Gemert geregistreerd. Dit waren de moeder en schoonzuster van de groepscommandant van de Staatspolitie (door de bezetter gedwongen fusie van de Gemeentepolitie en de Marechaussee) Willem Schell. In tweede instantie liet hij ook een zus en een nicht naar Gemert overkomen. In mei 1944 werd het contingent geëvacueerden in Gemert uitgebreid met vier personen, een gezin van drie en hun dienstbode, uit Duivendijke op Schouwen-Duiveland. Daarmee kwam het aantal evacués in Gemert op vijfentwintig. Dit aantal zou tot september 1944 vrij constant blijven.
Ook in de gemeente Bakel en Milheeze werden verdrevenen uit de kuststreek ondergebracht. De eersten die in november 1942 aankwamen waren twee bejaarde dames, Poldervaart en Cleveringa-Poldervaart, uit Den Haag. Zij hadden onderdak verkregen in het zusterklooster van de congregatie “Onze Lieve Vrouwe van Tegelen” te Milheeze. Het klooster ontving hiervoor een vergoeding van het rijk, verstrekt via de gemeente, als huur voor de door hen bewoonde ruimte. De dames ontvingen ook het vastgestelde zakgeld. Beide gaven aan dat hun verblijf slechts tijdelijk zou zijn en dat ze, zodra de gelegenheid zich voor zou doen, zouden terugkeren naar Den Haag. Twee weken later kwam het bejaarde echtpaar Beijerbergen van Henegouwen in de gemeente. Ook zij waren in november 1942 gedwongen om Den Haag te verlaten en kregen eveneens onderdak bij de zusters van Milheeze. In maart 1943 arriveerde de bejaarde heer de Vries in de gemeente die zijn intrek nam in het dorp Brouwhuis en twee dames Groenemeijer kwamen in maart 1943 over uit Rijswijk. Zij kregen ook onderdak in het Milheezer klooster. Uit de gemeentelijke declaraties aan het Gewestelijk Evacuatiebureau voor de uitgekeerde kwartier- en zakgelden blijkt dat de dames Poldervaart in januari 1943 al weer waren vertrokken. In juni 1943 zochten het echtpaar Van Vliet-Michielse met hun zoon onderdak in Bakel en Milheeze en direct na de kerst van 1943 deed een echtpaar uit Hillegom dat ook. In juni 1944 was het gezin Blommaert uit het Zeeuwse Clinge, bestaande uit vader, moeder en vier kinderen gedwongen hun woning te verlaten om ruimte te maken voor de bouw van bunkers. Daags na aankomst in Bakel overleed vader Blommaert, het gezin in een vreemde omgeving ontredderd achterlatend.
Augustus 1944 werd het aantal geëvacueerden in de gemeente Bakel en Milheeze uitgebreid met een echtpaar uit Haarlem. Daar de gemeente had nagelaten een opgave te doen van de geëvacueerde mannen aan het bijkantoor van het Gewestelijk Arbeidsbureau te Helmond werd op het gemeentehuis een brandbrief van de Beauftragte für die Provinz Nordbrabant afgeleverd. Daarin werd de gemeente op dwingende wijze eraan herinnerd om een opgave te doen van het aantal geëvacueerden. Een opgave die binnen drie dagen in de residentie in Vught moest liggen. Daarop werd aan hem en alsnog aan het Gewestelijk Evacuatiebureau opgave gedaan dat per 1 juli 1944 nog acht evacués binnen de gemeente Bakel en Milheeze woonachtig waren. Deze waren verdeeld over twee mannen, drie vrouwen en drie kinderen. Uit deze getallen blijkt dat ook in Bakel en Milheeze er een verloop is geweest van geëvacueerden. In augustus 1944 werd opnieuw een opgave gedaan aan het Gewestelijke Arbeidsbureau van twee mannen, een 82- en een 54-jarige. Een maand later zouden deze evacués gezelschap krijgen van grote aantallen mensen die voor het oorlogsgeweld in het zuiden van ons land moesten vluchten. Een aantal dat in Bakel en Milheeze op zou lopen tot 950 geregistreerde evacués.
Tot een andere categorie evacués behoorden de weduwe Elisabeth Terre en haar twee kinderen, geboren Rothen. Door de enorme schade, ontstaan door geallieerde bombardementen, hadden zij hun woonplaats, het Duitse Herne in het Ruhrgebiet, moeten ontvluchten. Ook hun woning was door bommen volledig vernield. Door de Duitse Nationaalsocialistische Partij werden zij en zo’n 350 andere, zogenaamde Bombenbeschädigten, voornamelijk vrouwen, in november en december 1943 naar ons land overgebracht en ondergebracht in gevorderde leegstaande woningen. Op 12 oktober 1944, dus na de bevrijding, werden deze drie Duitse onderdanen als ongewenste inwoners gedwongen de gemeente Bakel en Milheeze weer te verlaten. Zij vertrokken daarop weer naar Herne. Duitsers waren hier na de bevrijding niet meer gewenst.

Evacuatieplan van bewoners Philipsdorp naar Gemert
Een geheel andere vorm van evacuatie werd aangekondigd in een schrijven van 26 augustus 1943 van de Commissaris Afvoer Burgerbevolking van Eindhoven aan de burgemeester van Gemert. Daarin werd gesteld dat Gemert 3.500 evacués diende op te kunnen nemen voor het geval dat Eindhoven zou moeten overgaan tot een complete noodevacuatie. Deze brief werd gevolgd door een vraag om een volledige opgave van de in de gemeente aanwezige ziekeninrichtingen of gebouwen of andere ruimten die in korte tijd ingericht zouden kunnen worden als noodziekenhuis. Waarom dit voorstel om een groot deel van de Eindhovense bevolking te evacueren?
In de circulaire 21151 uitgegeven d.d. 25 juni 1943 geeft het Bureau Afvoer Burgerbevolking te ‘s-Gravenhage opdracht aan de burgemeesters van de grote steden, vooral die in het westen van ons land, een noodevacuatie of paniekvluchten van de bevolking voor te bereiden. Daarbij dienden maatregelen te worden getroffen om, indien nodig, de gehele bevolking te kunnen verplaatsen en de opvang daarvan voor te bereiden in omliggende gemeenten. De achtergrond voor deze opdracht was gelegen in een aantal, door de bezetter, uitgevoerde ontruimingen voor de aanleg van Duitse verdedigingswerken. Maar ook voor oorlogshandelingen, bombardementen of inundaties. Om in voorkomend geval hierop voorbereid te zijn dienden de gemeentelijke evacuatiediensten van de, daarvoor in aanmerking komende gemeenten, plannen daartoe te op te stellen.
De gemeente Eindhoven had in het nabije verleden al enkele malen te maken gehad met luchtbombardementen. De eerste en tevens ook het grootste was het Britse Sinterklaasbombardement van 6 december 1942 op de Philipsfabrieken. Daarbij kwamen tenminste 146 burgers om. Als een direct gevolg van dit bombardement zond de N.V. Philips op 29 juni 1943 een adviesnota naar de gemeente Eindhoven. Daarin werd dringend geadviseerd om een zone van tweehonderd tot driehonderd meter rond de fabrieken aan te merken als gevaarlijk gebied. Uit de woningen in deze zone dienden alle bewoners te worden geëvacueerd, vrijwillig dan wel gedwongen. De gemeente Eindhoven kon instemmen met het idee maar stelde dat het praktisch niet uitvoerbaar zou zijn. Door de schaarste aan bouwmaterialen in die dagen zou het niet mogelijk zijn op korte termijn voldoende vervangende woonruimte elders in de stad te realiseren. Wel werd na het bombardement de kans aangegrepen om de wederopbouw van het centrum enkele grote infrastructurele plannen te realiseren, zoals de rondweg en de hoge brug over het spoor.
De herhaling van het bombardement kwam op de 30e maart 1943. Op die dag vertrok een tiental Mosquito-bommenwerpers voor een aanval op de Philipsfabrieken tussen de Willemstraat en de Emmasingel. Negen van de aanvallers waren laag uit het noorden komen aanvliegen om de luchtafweer op de fabrieksgebouwen te misleiden. Een had kennelijk een andere opdracht en wierp zijn bommen af op de Maasbrug bij Hedel. Om 20.10 uur, in de schemer, werd op een hoogte tussen de vijftien en vijfhonderd meter aangevallen. Drie minuten later was alles voorbij. Er waren zesendertig bommen van 500 lbs afgeworpen waarvan er negentien in de stad waren gevallen. Onder de burgerbevolking waren drieëntwintig doden te betreuren. Het was nu een ieder duidelijk: Eindhoven was frontstad geworden en meer luchtaanvallen zouden kunnen volgen. Dezelfde conclusie als in Eindhoven werd ook elders in het land, in Rotterdam, in Amsterdam, Den Helder, in IJmuiden en in een aantal andere getroffen gemeenten getrokken. Door de Rijksinspectie voor de Bescherming van de Bevolking tegen Luchtaanvallen werden richtlijnen opgesteld voor tijdelijke evacuaties van personen na luchtaanvallen. Deze werden op 28 april 1943 uitgevaardigd. Daarin ging men toen nog uit van beperkte verplaatsingen van personen binnen de eigen gemeente of regio. Daarbij kon men zich richten op de voormalige evacuatievoorbereidingen van woongebieden in de omgeving van gevaartrekkende objecten die al tijdens de mobilisatie van 1939-40 waren opgesteld. De circulaire van het landelijke Bureau Afvoer Burgerbevolking, gericht aan de provinciale bureaus, ging veel verder en sprak van het ontwerpen van een organisatie voor de evacuatie van zo nodig de gehele bevolking van een stad. Het Brabantse Bureau Afvoer Burgerbevolking, onder leiding van gepensioneerd Philips-directeur, P.N.L. (Piet) Staal,¹ wees zes steden aan om een dergelijke organisatie volgens deze richtlijnen te ontwikkelen. Daaronder ook de gemeente Eindhoven. Eindhoven werd daarop verdeeld in sectoren, wijken en groepen. Aan het hoofd van elke eenheid werd een leider en een plaatsvervanger aangesteld. Voor de verschillende sectoren werden daarop opnamegemeenten aangewezen waarna de sectorleider de organisatie voor een mogelijke verplaatsing met de burgemeester van de opnamegemeente had te organiseren. Deze waren doorgaans niet blij met de opdracht en probeerden hier veelal onderuit te komen.
Ook Gemert en Bakel en Milheeze werden in het Eindhovense plan opgenomen als opnamegemeenten. De gemeente Gemert werd aangewezen om sector 24B van Eindhoven op te nemen, 3.500 personen uit het toenmalige Philipsdorp. Bakel werd in eerste instantie ingeschaald voor 1.150 evacués maar verdween uiteindelijk uit de organisatie. De plaatsing van zoveel evacués op een bevolking van toen circa 8.500 en ongeveer 800 woningen zou veel dubbele bewoning betekenen. De verplaatsing van de evacués zou te voet moeten gebeuren. In deze fase van de oorlog was ander vervoer nauwelijks beschikbaar en zou mogelijk ook tot aanvallen door vliegtuigen kunnen leiden. De sectorleider van 24B, de heer Jac Schroots, voerde op 18 januari 1944 overleg met burgemeester Vogels van Gemert en de secretaris Van den Broek over de invulling van de evacuatievoorwaarden. Daarbij hadden de voedselvoorziening en een eerste opvang de hoogste prioriteit. Gemert diende als opnamegemeente een voedselvoorraad van minstens een week aan te leggen. De evacués die in principe te voet zouden komen, zouden zelf strozakken meenemen die ter plaatse gevuld konden worden. De registratie was een zaak van de ontvangende gemeente waarvoor de evacués speciale formulieren mee zouden voeren. Binnen de organisatie eiste de N.S.B. een aparte positie op voor haar leden bij aankomst in de opnamegemeente. Deze diende te worden opgevangen door een plaatselijk lid van de beweging.
In mei 1944 deed burgemeester Vogels een vergeefse poging om onder een mogelijke evacuatie uit te komen. Hij berichtte de heer Staal dat de Duitsers inmiddels begonnen waren, op 3 kilometer afstand van het centrum, een vliegveld aan te leggen. Dit zou mogelijk reacties van de geallieerde luchtmacht kunnen aantrekken. Vogels’ bezwaar werd verworpen en op 13 juni 1944 berichtte de evacuatiecommandant van Gemert, de heer Van de Vliert, dat met het indelen van de kwartieren was begonnen en er een speciale voorlichtingscirculaire huis-aan-huis was verspreid.
Tot een uitvoering van de plannen is het niet meer gekomen. De oorlogssituatie wijzigde in september 1944 zo snel dat evacuatie van Eindhoven niet mogelijk of noodzakelijk was. Zowel Eindhoven als Gemert werden in die maand bevrijd. De grootste ‘evacuatieslag’ moest toen nog komen.

NOOT:
1. P.N.L. (Piet) Staal, geboren in 1872 te Haarlem, begon zijn beroepscarrière als onderofficier bij het Korps Genietroepen te Utrecht. September 1898 gaat hij naar de Fa. Philips & Co. (vanaf 1912 NV Philips’ Gloeilampenfabrieken) waar hij assistent van Gerard Philips wordt. Hij wordt bedrijfsleider en staat ook aan de basis van de latere afdeling personeelszaken. Tijdens de Eerste Wereldoorlog is hij, naast zijn baan bij Philips, ook evacuatie-commissaris van Noord-Brabant. In 1938 gaat hij, als onderdirecteur van Philips, met pensioen maar wordt van wege zijn grote organisatorisch talent en ervaring tijdens WO I opgedaan, aangezocht als president-commissaris van het Bureau Afvoer Burgerbevolking voor Noord-Brabant en Limburg. Hij was tevens Commissaris voor het Bureau Afvoer Burgerbevolking voor Noord-Brabant. Vanaf september 1944 opereerden er twee zelfstandige bureaus: vanuit bezet gebied in Den Haag en vanuit bevrijd gebied in Eindhoven. Dat laatste bureau stond onder leiding van P.N.L. Staal en werkte vanuit Hotel de Wildeman in Eindhoven.

BRONNEN:
-Regionaal Historisch Centrum Eindhoven, Archief Eindhoven, Luchtbescherming 1932-1945, map 396 en Bescherming van de bevolking 1943-1948, Evacuatieplan 1944, map correspondentie.
-Gemeentearchief Gemert-Bakel, AB003-490 Register van vertrokken en ingekomen personen 1943-1946; AB003-692 Bescherming van de bevolking tegen geweld. Evacuatie. Verstrekking inlichtingen betreffende evacués in de gemeente, 1942-1946; AG004-748 Registratie van geëvacueerde en gevluchte burgers, 1943-1946; AG004-1194 Zorg voor geëvacueerden en vluchtelingen: richtlijnen, 1939-1953 en AG015-1 Plaatselijk evacuatie Bureau Gemert
-Jong, L de, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 6, tweede helft 3juni ’42-mei ’44. ‘s-Gravenhage, 1975: 731-1283.
-Jong, L de, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 7, tweede helft mei ’43-juni ’44. ‘s-Gravenhage, 1976: 1282-1283.
-Kimmenade-Beekmans, A. van de, Engelsen in “De Kroon” tijdens bezetting. Delen 1 en 2 Gemerts Heem, 2008-2 en 3.
-Schell, A. Belevenissen uit hel leven van Willem Schell. Gemert, 1982.

Bekijk PDF

GH-2014-02 ‘De Ruyter’ nog aanwezig in ‘de Volksvriend’

Ad Otten

Na de brand op de Oudestraat van de achtkantige molen De Ruyter op 30 november 1887 staat ’s anderendaags in de krant:
Gemert: Gisterenmorgen 4 uur brandde alhier de wind-, graan- en schorsmolen van den molenaar W. v.d. Boomen op de Oudestraat tot de grond toe af. Niets werd gered. Naar men verneemt is de molen verzekerd, de inboedel echter niet, waaronder meer dan 100 mud rogge, alsmede de molenaarskar met paardentuig enz. Oorzaak onbekend.
Molenbouwhistoricus Paul Groen wees al in januari 2014 bij zijn eerste observaties in “De Volksvriend” – de in 1888 gebouwde stenen opvolger van De Ruyter – naar ‘oude wieken van een achtkanter’ die daar zijn hergebruikt als zolderbalken. De suggestie dat die bij ’n latere renovatie kunnen zijn ingebracht wees hij meteen van de hand omdat de zolderbalken duidelijk zijn ingemetseld in de authentieke molenromp. Behalve een uit 1670 daterende gevelsteen zijn dus ook de houten wieken van de (oorspronkelijk Zaanse) stellingmolen De Ruyter bewaard gebleven. Toch meer dan wat het krantenbericht uit 1887 meldde dat van de molen helemaal niets bewaard zou zijn gebleven. De zolderbalken in de Volksvriend bevatten op verschillende plaatsen duidelijke brandsporen.
In Gemerts Heem 1994 werd al een overzichtsartikel van de historie van de elkaar opvolgende molens aan de Oudestraat gepubliceerd onder de titel “De Ruyter en De Volksvriend”.1 Omstreeks 1864 moet Johannes de Kinderen, molenaar uit Vorstenbosch, de man zijn geweest wat betreft de aankoop en (her)bouw van de uit de Zaanstreek afkomstige meelmolen. In het patentregister van de gemeente Gemert van 1865/1866 laat hij zich ook als ‘korenmolenaar op een windmolen’ inschrijven nadat hij al in november 1863 eigenaar is geworden van het perceel bouwland waarop de molen zal worden gebouwd. Maarrr.. en dat is nieuw, wanneer de stichting van de molen en het molenhuis plaatsvindt, dan blijkt Jonkvrouw Jacoba Theodora Gerarda van Riemsdijk van Gemert (echtgenote van Mathias Heinrich Johann Lups) de eigenaresse van het perceel bouwland dat meteen daarna wordt opgesplitst in een perceel van molen en erf, en een perceel van (molen)huis en schuur. Molen “de Ruyter” blijkt dus vanaf de daadwerkelijke wederopbouw in Gemert, eigendom van de kasteelvrouwe van Gemert. De overdracht heeft plaatsgevonden op 28 juli 18652 dat is zes weken na het overlijden op het kasteel te Gemert van haar man Mathias Lüps (13 juni 1865).
Of molenaar De Kinderen als huurder of pachter op de molen actief is geweest, is nog steeds de vraag. Kort voor het overlijden van de kasteelvrouwe (25.3.1877) zijn blijkens de kadastrale gegevens de percelen van molen en molenhuis eigendom geworden van de bijzonder ondernemende molenaarsfamilie Van den Boomen, die dan ook eigenaar wordt van de standaardmolen op de Molenakker in Gemert. In 1884 vraagt de kort daarvoor getrouwde jonge molenaar Willem van den Boomen een hinderwetvergunning voor de oprichting van een stoomkoren- en oliemaalderij bij de windmolen aan de Oudestraat. De aan de straat gelegen stoommaalderij blijft bij de brand van de Ruyter in november 1887, van schade gevrijwaard. De daadkracht van deze mulder moge blijken uit het gegeven dat hij naast de in exploitatie gebleven stoommaalderij, in mei 1888 – dus binnen een half jaar na de fatale molenbrand – vergunning krijgt voor de oprichting van een nieuwe wind-, graan- en schorsmolen. Dát wordt “de Volksvriend”. Een stoere stenen beltmolen met één der langste molenwieken van ons land (28,5 meter). Zelfs boeren uit Oploo en Sint Anthonis komen helemaal door de Peel, bij molenaar Van den Boomen in Gemert hun graan brengen….
Uit de voorgeschiedenis van De Volksvriend valt tenslotte nog te melden dat Frenk van Roij zich uit het in 1963 door zijn opa gevierde 50-jarig molenaarsjubileum nog weet te herinneren dat er toen sprake van was dat de beltmolen oorspronkelijk “De Vriendschap” zou hebben geheten…

NOTEN:
1. Ad Otten, “De Ruyter” en “De Volksvriend”, Gemerts Heem 1994, nr.3, blz. 65-72; (NB: Ook te raadplegen via www.heemkundekringgemert.nl onder ‘Gemerts Heem’. Tik in zoekvenster: ‘Ruyter Volksvriend’).
2. Transportakte dd 28.7.1865 door notaris F.A. Rovers te Asten zoals vermeld in het notarieel archief van notaris MG van Kemenade [GAG Gemert-Bakel – AG 084 invnr.53 nr.177 (20.7.1876)]

Bekijk PDF

GH-2014-01 Pro Memorie 11 mei 1940

Ad Otten

Onze werkgroep ‘Gemert Vrijstaat’ heeft kort voor de feestelijke ingebruikname van het heringerichte Ridderplein in november 2013 in het straatplaveisel van het plein of in de directe omgeving daarvan, vier gedenkstenen gelegd ter herinnering aan de gijzeling van zo’n 500 personen op 11 mei 1940. Aan de grachtkant, ongeveer ter plaatse van de vroegere kiosk, ligt een steen die herinnert aan de gijzeling in zijn algemeenheid. Dan ligt er in de stoep ter hoogte van de apotheek in de Kapelaanstraat een steen die herinnert aan ‘de Paws’ van Gemert, oftewel de toen 63-jarige Bert Baggermans die daar ter plaatse door een Duitse militair werd doodgeschoten na diens weigering zich bij de gijzelaars
op het plein te voegen.

In het Binderseind (vóór huisnr.2) ligt een steen die herinnert aan de dood van de 11-jarige Nico van Vugt die in het hoofd werd getroffen door een vanuit het kasteel afgevuurde en verdwaalde Nederlandse kogel. De vierde steen ligt in de Kasteellaan op de plaats waar dienstplichtig sergeant Paul van Oostveen het leven liet, nadat hij een uur of wat eerder, nog tijdens de Duitse belegering van het kasteel, een zware verwonding opliep.

Bekijk PDF

GH-2014-01 Dakbeschot kerk Sint-Jansonthoofding is van 1726

Ad Otten

Een rondleiding over de gewelven van de kerk van Sint-Jansonthoofding is een unieke belevenis. Bij ‘daglicht’ komt daar ’n kleine 600 jaar gewelfbouwhistorie in beeld die veel vraagtekens oproept maar die voor een belangrijk deel ook beantwoord kunnen worden. Eerder is in Gemerts Heem daar al eens uitgebreid aandacht aan besteed en er is ook een op dit bijzondere object toegespitste film in de reeks ‘Mysteries van Gemert’, te raadplegen.1 En wat betreft de onbeantwoorde vragen komen er van tijd tot tijd ook weer nieuwe feiten aan het licht. Zo zit er in het dakbeschot van het oude middenschip een inscriptie met de tekst “DIT WERCK IS VERNUET ANNO 1726”. De vernieuwing, renovatie zouden
we nu zeggen, betreft de complete vervanging van tenminste het dakbeschot. De inscriptie is aangebracht in de middelste van het vijf traveeën tellende middeleeuwse middenschip. Een prent van Valentijn Klotz gedateerd 30 december 1675 laat duidelijk zien dat er in 1726 aan de hoogte en helling van het middenschip niets veranderde waaruit we af kunnen leiden dat de gebinten destijds buiten de renovatie zijn gebleven.

Die renovatie vond dus plaats zo’n 287 jaar geleden. Tellen we nog eens 287 jaar terug dan komen we uit in 1439, in welk jaar de bouw van de kerk nog in volle gang was… Mocht je denken dat nu in 2013 – na opnieuw 287 jaar – ‘ons’ aaw kerk onderhand weer toe is aan nieuw dakbeschot, dan heb je het mis. Het dakbeschot van het oude middenschip ziet er nog steeds prima uit. In 1726 heeft men uitstekend bouwmateriaal gebruikt en prima vakwerk geleverd.

Met dank aan Johanna Vogels die bij een rondleiding onlangs de foto schoot van de inscriptie.

Noten:
1. Ad Otten, Gemertse kerkgewelven, in: Gemerts Heem 2000.03 blz.3-19; voor de film “Het mysterie van de Gemertse kerkgewelven” zie: www.heemkundekringgemert.nl onder de tab ‘Historie’, kies ‘Gemertse mysteries’, scroll in de lijst van 50 mysteries naar ‘mysterie 08’.

Bekijk PDF

GH-2014-01 Een oeroude bijnaam: Vogels alias Steele

Ad Otten

Op 9 juli 1932 overlijdt de 64-jarige Martinus Vogels (weduwnaar van Katrien Maas) bijgenaamd Tinuske Steele, winkelier in de Kerkstraat. Zijn winkel was tegenover die van Jan
Wijn, bijgenaamd Jan Wip. Beide winkels hadden ongeveer hetzelfde assortiment in de verkoop en heel Gemert had het over “Wip en Steel concurreren veel!” Maar Tinuske Steele had iets aparts. Blijkens een opschrift in de winkel, zo wil tenminste het verhaal, verkocht hij ‘grote stelen en kleine stelen’. Met een vette knipoog voegde Tinuske daar steevast aan toe ‘grote(n) stelen ’t meest!’. Daarmee is hij onsterfelijk geworden. Ruim tachtig jaar na zijn overlijden klinkt ‘Tinuske Steele’ in Gemert nog steeds als bekend en vertrouwd. Jaja, het is d’n opa van Bakker Vogels, Garage Vogels, d’n Engelenburcht, de Grasmaaiers, enz. enz.

De bijnaam ‘Steele’ moet al heel oud zijn maar waar die vandaan komt is een mysterie. In Aarle- Rixtel, Boekel, Beek en Donk, en in een nog veel wijdere kring om Gemert heen, wonen al meer dan honderd jaar overal naamgenoten “Vogels alias Steele”. José van der Aa-Vogels uit Handel, wier stamboom terugvoert tot omstreeks 1600, raakte vorig jaar met dorpsgenote Anneke van Eldonk-Selten aan de praat over hun voorouders. Het begon ongeveer zo: “Weet je,” vertelde Anneke, “dat mijn opa ook een Vogels is?” Nee dat wist José niet. Annekes grootvader heette Petrus Vogels, bijgenaamd Peer Steele, zo vervolgde Anneke en toen was José helemaal verrast én geïnteresseerd want José is van origine immers ook een Steele. ‘s-Avonds nog is ze meteen in haar collectie familiegegevens van de stam-Vogels gedoken om de relatie met Anneke Selten helder te krijgen. En het duurde wel even maar die kwam klip en klaar uit de verf. De op 15 december 1749 te Aarle-Rixtel geboren en aldaar op 26 februari 1807 overleden Joannes Corneli Vogels was de eerste met Anneke Selten gemeenschappelijke voorvader. Van tenminste zover terug, dus zegmaar zo’n 250 jaar, moet dus ook de bijnaam ‘Steele’ dateren… Een bijnaam die de familie al heel lang koestert als een koosnaam en die na deze conclusie onderhand ook wel beschouwd mag worden als behorende tot ons cultureel erfgoed. Toch?

Binnen dit kader is het ook interessant om nog even stil te staan bij de familienaam ‘Vogels’, die uiteraard nog ouder moet zijn dan ‘Steele’. Op Esdonk kennen we al vanaf de zestiende eeuw een Vogelshoef (1562)1, genoemd naar de familienaam van de eigenaar destijds. Maar daar komen lang niet alle ‘Vogels’ vandaan. Ook José heeft daar nooit een link mee kunnen leggen. De oudst bekende vermelding van een Vogels in Gemert dateert (vooralsnog) van 1496. Maar in 1241 zien we in een oorkonde als voorschepen (= president-schepen) van Helmond al een H. dictus Volucris (=Vogel) vermeld.2 Zou het met hem allemaal begonnen zijn? Of was ook hij al ’n Vuggelke van een nog oudere Vogel?

(met dank aan José van der Aa-Vogels)

Noten:
1. Peter van den Elsen, De geschiedenis van een kapelgehucht. Esdonk, Gemert 1981, blz.69.
2. H.P.H. Camps, Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312, deel 1, ‘s-Gravenhage 1979, blz. 271.

Bekijk PDF

GH-2014-01 Uit het oud-rechterlijk archief van Gemert

Simon van Wetten

Ook na het uitkomen van de zesdelige serie tesbuukskes ‘Tussen herberg en hoogmis’ – de honderdste uitgave van onze heemkundekring – komt Simon in de dossiers van het civiel-crimineel archief nog heel veel voorvallen en wetenswaardigheden tegen die niet aan uw aandacht mogen ontsnappen.

1704 Boe(mannen)
Daags voor de Boxmeerse vaart komen Delis Hendricx en zijn vrouw Cathalijn uit hun huis in de Mortel. Er staat een koe voor de deur die slechts even aandacht heeft voor het echtpaar. Ze wordt namelijk op een tamelijk onrustige wijze ter linkerzijde geflankeerd door Aerdt Loeijen en ter rechterzijde door Teunis Dircx. Deze laatste probeert over de koe heen met zijn stok naar Aerdt te slaan. De koe heeft daar, arbitrair op een paar sprieten kauwend, weliswaar zo haar gedachten over, maar ze kiest geen partij. Delis en Cathalijn weten niet zeker of Aerdt ook daadwerkelijk is geraakt. Maar hij riep wel om hulp.’We treffen het met Marten Peters. Hij is 25 jaar, had toch even niets te doen en kon zodoende met alle aandacht de koe en haar secondanten beschouwen. ‘Och, ’t was maar een kort stokske waarmee Teunis sloeg. En dan nog die koe ertussen. Ik geloof dat alleen de hoed van Aerdt is geraakt.’ Het valt allemaal dus wel mee. Dankzij een koe die zich tussen de strijdende partijen opstelt.
Bron: GAG – R90 blz.6.

1706 Sterk
Een sterk verhaal behoeft ook een potje met sterk water. Ik zal u duidelijk maken waarom. Het betreft de achtenswaardige en stoere Walterus Hornkens, inwoner alhier en rector der Latijnse school. Hij is in Gemert geboren uit vrome, deugdzame en katholieke ouders. In zijn jeugd heeft hij zich altijd als een eerlijk jongman gedragen. Ook zijn rectorambt, in het doceren van de studenten, heeft hij loffelijk bediend. Toch, hélemaal compleet is Walterus niet. ‘Hij heeft zich met schieten verwond aan de linkerduim, zodanig dat die duim is afgezet. Hij heeft die duim bewaard! En nu wil hij zijn studie vervolgen, om aldus tot een geestelijke staat te geraken.’ Als ze op de Latijnse school nu ook eens het vak biologie in het curriculum opnemen, dan wil meneer Walterus bij wijze van afscheidscadeau het potje met zijn duim vast wel afstaan voor het practicum.
Bron: GAG – R91 blz.43.

1706 Heerlijke rechten
Heerlijk, die rechten van de heer. ‘Ja, voor de heer dan toch.’ Precies, voor de heer. Ú immers moet wel een paar vrije dagen opofferen. ‘Wij, Jan Anthonis Hes en Nicolaes van der Henst, schepenen van Gemert, getuigen dat alle inwoners van Gemert gehouden en verplicht zijn – en zij zijn dat ook altijd geweest – de turf van onze commandeur Van Loë jaarlijks naar hier te varen en de vruchten van Zijne Genade naar Den Bosch te brengen, althans tot aan de rivier de Aa, en het gras van de beemd van de commandeur af te maaien. Wel wordt aan de maaiers door de commandeur de kost gegeven.’ Om nu de maaitijd aangenaam te bekorten en de maaltijd daarentegen al even aangenaam te verlengen vraag ik u na te denken over het spreekwoord ‘de kost gaat voor de baat uit’. Moet dat niet zijn ‘de kosten gaan voor de baat uit?’ En zo ja of zo nee, vanuit wiens oogpunt? Dat van u of dat van de commandeur? Blijf intussen wel geconcentreerd maaien. Zo’n zeis is scherp.
Bron: GAG – R91 blz.42.

1710 Geen kalf verdronken
Als dames met elkaar ruzie krijgen, zijn het plots geen dames meer. Ordinair, gemeen, min, slecht, laag, dát zijn de omschrijvingen die wij, hoezeer het ons ook spijt, moeten gebruiken bij de gemiddelde Gemertse vrouwenruzie. Neem nu Catharijn, de vrouw van Jan la Rose en Jenneke, de vrouw van Willem Huberts. Zij zijn ontstemd geraakt door iets dat Gijsel, de vrouw van herbergier Rombout Craeijevelt heeft gezegd of gedaan. Welnu, de twee dames beramen in de concurrerende herberg van Jan Puijffelick, onder het genot van flink wat glaasjes opwekkende middelen, een zó gemeen plan, dat zij de status van dame verliezen. Zij gaan de waterput van Gijsel bevuilen, er van alles ingooien, onbruikbaar maken. Zo beraamd, zo gedaan. Catharijn en Jenneke vangen hun wraakzuchtige werkzaamheden aan met het in stukken slaan van het poortje bij de Craeijevelt-herberg en werpen de stukken in de put. Gróte stukken, het is best zwaar. ‘De duijvel, Jenneke, helpt mij heffen’, roept Catharijn. Een vensterraam, de grote asbak waarin de as van het haardvuur wordt verzameld en een kalkbak volgen. Als die twee canailles zo doorgaan is de put binnen de kortste keren gedempt. In zo’n afgelegen dorp is elke afwijkende gebeurtenis meteen een verzetje en publiek ontbreekt bij de werkzaamheden van de twee vrouwen dan ook niet. Heijlke, de vrouw van slachter Peter Theunisse, en Ariaentje, de vrouw van Dirck Verschuijl – zij heeft ocharm een bultige rug – worden derhalve door de schepenen opgeroepen om te komen getuigen. Heijlke krijgt vervolgens van onze twee ex-dames het dringend verzoek de zaken te verdraaien. Het duo betaalt om zulks af te dwingen een schelling. Echter, Ariaentje is al op de secretarie en Catharijn is wat later vol verwijt. ‘Gij hebt een valse eed afgelegd.’ Nee, integendeel, Ariaentje heeft nauwgezet en waarheidsgetrouw verteld wat er is gebeurd. Heijlke trouwens, ondanks die schelling, óók. Er ontstaat een nieuwe episode ín, en tevens opschaling ván de onenigheid, want niet alleen gaan Catharijn en Jenneke nu ook tekeer tegen Heijlke en Ariaentje, maar alle ‘dames’ halen er tevens hun mannen bij. Nog even wachten en dan wordt u er op de één of andere manier ook bij betrokken. Houd uw put in het oog.
Bron: GAG – R91 blz.69.

Bekijk PDF

GH-2014-01 Ons kent ons: Mensen van Gemert

Fotowerkgroep

Een nieuwe rubriek. Van de heel lang al actieve fotowerkgroep. Kort na de ingebruikname van de Heemkamer in 1981 opgestart door Dien Scheepers-van Kessel, de moeder van de Heemkamer. Marij van Pelt-Vos nam het stokje over. Foto’s werden gescand en op kijkmiddagen geprojecteerd. Waar werden ze gemaakt, wanneer, door wie, en wie staan er op? Ongenoemd kan hier niet blijven de door Laura Habraken ontplooide activiteit om de Collectie Duppen te duiden en ontsluiten met als jaarlijks terugkerend hoogtepunt de ‘Duppenzondag’. Met de antwoorden op de steeds weerkerende vragen “wie, waar en wanneer”, wordt meepesant het ene verhaal na het andere gelost.

We openen deze rubriek met een kijkje in het album van wijlen pater Johan J. van Houtert SCJ. De afkorting achter zijn naam staat voor de priestercongregatie van het Heilig Hart van Jezus, in het Latijn: Congregatio Sacerdotum a Corde Jesu. Opgericht in 1877 door de Franse priester Leo Dehon. In Nederland aanvankelijk bekend onder de naam Oblaten van het Hart van Jezus. Sedert 1911 kent de Congregatie een Nederlandse provincie. Johan J. van Houtert, geboren in Gemert op 16 maart 1904, was de zesde in een gezin van elf kinderen. Na de Latijnse School ging hij naar het seminarie van genoemde oblaten. In 1930 werd hij priester gewijd en op 10 augustus van dat jaar zien we afgaande op de foto’s zo’n beetje heel Gemert zijn priesterfeest meevieren. Van 1931-1963 is hij vervolgens werkzaam als missionaris in Brazilië en daarna van 1964-1974 pastor van de Portugese parochie in Amsterdam. Dan verhuist hij naar Asten waar hij op 4 december 1995 op 91-jarige leeftijd overlijdt.

Een vier jaar jongere broer van Johan, te weten Antoon geboren in Gemert 30.8.1908, wordt ook missionaris maar dan bij de in Gemert welbekende Congregatie van de Heilige Geest. Antoon viert zijn priesterfeest in Gemert in 1937. In 1938 vertrekt hij naar de missie in Angola. Op 3 maart 1960 sterft hij daar in Vila Pereira de Eca (Zuid-Angola). Hij is begraven in ‘Missie Omupanda’.

Met dank aan fam. Van Houtert en José van der Aa-Vogels

Bekijk PDF

GH-2014-01 Bij de 100ste boekuitgave van de Heemkundekring

Ad Otten

In 1941, het geboortejaar van de heemkundekring, verscheen uitgave nr.1 van ons tijdschrift Gemerts Heem. Acht bladzijden. Gestencild.

Zeventien jaar later, op nieuwjaarsdag 1958, begonnen Martien van der Wijst en Wim Vos aan uitgave nr.2. Zij waren de nieuwe en jonge gezichten in de heemkundekring. In november 1961 leverden zij Gemerts Heem nr.3. Nog steeds acht gestencilde bladzijden, maarrr… de laatste woorden toen waren: WORDT VERVOLGD!
In datzelfde jaar 1961 verscheen van de hand van de naar Arnhem verhuisde Martien van der Wijst, een eerste boekje: De beknopte geschiedenis van Gemert. Gestencild, 60 bladzijden. Van 1971 dateert het eerste gedrukte boek: ‘Gemert in oude ansichten’. Een succes. Herdrukken zijn nog steeds in den handel.

Gemerts Heem ontwikkelde zich onderwijl tot een regelmatig verschijnend kwartaalschrift, en dat terwijl de hele redactie tot 1972 buitendorps was. Martien van der Wijst (Arnhem) en Wim Vos (Den Bosch later Nuenen). Er kwam versterking in het Gemertse zelf. Na de sluiting van de Latijnse School werd rector Pennings secretaris van de heemkundekring, en er ‘daagde’ versterking van jonge gasten, die vroegen om veel en veel meer activiteit. Niet alleen van de kring maar ook van de gemeente. Voor behoud en aandacht van dit en dat. Andere visies op landschap en dorpsuitleg. 1975 was het jaar van het kleine monument. Overal in het land bracht dat een ommekeer in de monumentenzorg die zich tot dan hoofdzakelijk leek te richten op kastelen, kerken en landhuizen.

Al een paar jaar waren geen bestuursverkiezingen gehouden bij de heemkundekring. Eigenlijk durfden ze niet in zee met die jonge deels ‘langharige’ kandidaten? Waren dat niet de bezwaarmakers tegen de sloop van het Gasthuis en antagonisten van Plan-Schoorswinkel? En waren daar ook niet krakers bij van de Latijnse School? Op 15 april 1977 ging echter de kogel door de bovenzaal bij Dientje. De Heemkundekring van Gemert kreeg veruit het jongste bestuur van alle heemkundekringen in Nederland. Peter van den Elsen, Henk Giebels, Peter Lathouwers en (de wat oudere) Ad Otten kwamen in het bestuur. Nog dezelfde avond zagen vier werkgroepen het licht. Werkgroep Geschiedenis (voor verantwoord historisch onderzoek), WG Genealogie (stamboomonderzoek), WG Dialect (Wim Vos kwam terug in Gemert), en niet te vergeten een uitgebreide redactie voor publicaties. Als garantie voor de te bewaren eenheid: in elke werkgroep (minstens) één bestuurslid.

Vier maanden later (augustus 1977) rolde al Bijdrage nr.1 tot de geschiedenis van Gemert van de drukpers onder de titel “100 Jaar Bejaardenzorg” met grote dank aan Ad Marinus, directeur Huize Ruijschenbergh. Hij had vertrouwen in het nieuwe bestuur. Hij regelde zuster-overste Monica Goossens in de redactiecommissie, beloofde de helft van de oplage af te nemen en gaf ruimte aan een fototentoonstelling die in 3 dagen door 3000 mensen werd bezocht. “100 Jaar bejaardenzorg”, dat schrijver dezes mocht schrijven, was toen al bijna uitverkocht. De formule voor het succcesvol uitgeven van volgende ‘bijdragen tot de geschiedenis van Gemert’ was meteen duidelijk. “We moesten samenwerken.” In 1978 rolden nr. 2 en nr.3 van de drukpers. Het was bij gelegenheid van respectievelijk de opening van de nieuwe Komschool aan de Elisabethplaats en vrijwel gelijktijdig de opening van de nieuwbouw van het Macropediuscollege. De Geschiedenis van het Lager Onderwijs in Gemert (door Peter van den Elsen) en Georgius Macropedius (door Henk Giebels).

Peter Lathouwers verzamelde alle krantenberichten over Gemert van 1880-1900; Wim en Piet Vos werkten aan ‘De Vaktaal van de Gemertse handwever’. Dát werden de boeken bij de opening van de Heemkamer in april 1981, waarmee we onze eigen expositieruimte kregen. Boven op het gemeentearchief… Vóór die tijd waren echter al een stel boeken meer uitgegeven. We dekten de behoefte aan een geheel herziene “Beknopte geschiedenis van Gemert”. We waren hartstikke goejekoop. We werkten vur niks, mar toch waren we ingegaan op de vraag naar een (nog) goedkopere boekuitgave… Zes weken voor het in De Mortel te vieren feest van het 75-jarig bestaan van de kerk, vroeg het kerkbestuur of we een bouwgeschiedenis van hun kerk konden leveren om nagenoeg gratis aan de parochianen te kunnen aanbieden. ’t Parochiememoriaal uit de bouwtijd en andere authentieke
bronnen zaoten in ’n trummelke op de pastorie. ’t Was héél kort dag, maar dat trummelke mee naar huis nemen kon echt niet!? Dat was tegen de regels van de bisschoppelijk archivaris. Marinus Rijkers kwam toen naar de pastorie met een kruiwagen en daarop het kopieerapparaat van de Mortelse Rabobank. Hij kopieerde alles.

Zoals in De Mortel werden 12 zgn. busselkes over uiteenlopende onderwerpen waarvan de oplage niet al te hoog kon worden ingeschat, zelf geschreven en zelf gelay-out. Met dank aan de Zetterij van De Streek. In het verlengde van Gemert in oude ansichten kwam er nu ook een serie “Gemert-in-beeld” met als eersteling het kostelijke Gímmerse Negossie (Tineke Mols & Carin Gerrits).

Samenwerking bleef voorop staan. Met de harmonie, de schutsgilden, de ondernemersvereniging, Stichting Esdonkse kapel, de Congregatie van de Heilige Geest, oorlogsveteranen, Boerenbondsmuseum, Wit-Gele Kruis, NCB-afdeling Gemert, Parochies Gemert en Handel, Dorpsraden van Elsendorp en De Mortel, Genealogische en heraldische verenigingen, Vrijwillige Brandweer, Rabobanken van Gemert, De Mortel en Elsendorp, de Indische Gemeenschap, de VVV, de gemeente, enz. enz. zelfs met ‘nen Helmondse historicus (Giel van Hooff).

Diepgaand historisch onderzoek werd nooit uit de weg gegaan. Evenmin de samenwerking met de Rijksdienst voor oudheidkundig bodemonderzoek (met dank aan Jan Timmers en Ton Thelen) of een internationale coöperatie met bijv. Historisch Studiecentrum Alden Biesen (Ton Thelen). Ten tijde van de opgraving van het Hooghuis werd in een landelijk verschijnend historisch tijdschrift al geschreven over de meest actieve heemkundekring van Nederland en over boekuitgaven van bovenlokaal belang. De status aparte van Gemert kwam uit de verf en Vrijstaat Gemert is intussen al bijna erkend als een soeverein vorstendom van de Teutonic Order. De in de ondergrond bewaard gebleven plattegrond van het eerste kasteel van Gemert (het Hooghuis) werd blootgelegd. Ook het uitgebreide complex van een uit 1210 daterende watermolen. Onderwijl werd de plaatselijke Drukkerij Vos uitgedaagd zich te meten met de van Gemert geboortige Laurentius Torrentinus waarover omstreeks 1550 in Italië werd gepocht als zijnde de beste boekdrukker ter wereld (met dank aan Frans Slits). En wat te denken van de nog almaar uitdijende lokale oorlogsgeschiedschrijving (met dank aan Anny van de Kimmenade en Ruud Wildekamp), van ‘Toen ons Moeder skruwde’ (Bertus van Berlo), en van de indrukwekkende ‘Enkele Reis Indië-Gemert’ (Rob de Haas)? En hoe wil je nu een kasteel restaureren zonder daarvan de bewoners en de bouwgeschiedenis te kennen? Trots mogen we zijn op kostelijke ‘museumgidsen’ van het kerkpatrimonium van Handel, en dat van Sint-Jans Onthoofding “In volle glorie”. Dan hebben we het nog niet eens gehad over de Gemertse Woordenboeken van de gebroeders Vos. De serie Gemertse Verhalen. En de deels digitale bronnenpublicaties, opgestart met het Vredegerecht van Gemert en De afstamming van alle Gemertenaren van Karel de Grote (met dank aan de Werkgroep genealogie onder aanvoering van Wim Jaegers en Willy Ivits c.s.). En niet te vergeten natuurlijk de transcripties en indices van alle Gemertse schepenprotocollen. Van 1473 tot 1811. Een goudmijn voor elke onderzoeker in Gemerts archief. Daarmee zijn we aanbeland bij Simon van Wetten. Historicus én taalkunstenaar, met een hele lijst van publicaties achter zijn naam. Vandaag: auteur én presentator van de 100ste uitgave van onze heemkundekring. Ja, 100 boekuitgaven! Tis bekant nie te geleuven….

Twee dingen nog:
1) de geweldige samenwerking met onze huisdrukkers Vos en Van Lankveld.
2) het initiatief van Rob de Haas voor de website www.heemkundekringgemert.nl. Niet lang daarna kreeg het heemkundekringbestuur een nieuwe scheut in de persoon van Niels Arts. Met hem wordt sedertdien flink inhoud gegeven aan Rob’s ambitie om die website uit te bouwen tot dé EERSTE BRON en vraagbaak wat betreft historie en andere wetens- en opmerkenswaardigheden van Gímmert. Van verschillende kanten groeit nog de bijstand en inbreng. Alle uitverkochte boeken en alle meer dan één jaar oude afleveringen van Gemerts Heem komen op die website. In zoekvensters kun je daar STRAKS vanalles intikken én terugvinden. STRAKS zín ik, már is ’t naw alnie de meest geraadpleegde website van een heemkundekring of geschiedkundige vereniging in ons land?
Gemert, 21 november 2013

(de recensie)
Tussen herberg en hoogmis – de 100ste uitgave
Het moest er natuurlijk uitspringen. En dat doet het ook. Naar inhoud en naar vorm. Een pakketje van zes tèsbuukskes bijeengehouden door een kunstig passende omslag en een touwtje met in een strik een wensbriefje oknogok. Handwerk uit de familiekring van auteur Simon van Wetten. Geen wonder dat er een koper was voor twee pakketjes tegelijk. Eén om te lezen en van de strik te ontdoen, en één om helemaal gaaf met strik-en-al te bewaren achter glas in een vitrine. Geen wonder ook dat de pakketjes nu al op enige tientallen na zijn uitverkocht. Ruim 750 bladzijden ‘krimmeneele zaken’ van Gemert uit de periode 1500-1813 zijn er in gebundeld. ‘Krimmeneel’ in de Brabantse betekenis van ‘apart’, ‘geweldig’ en ‘skon’ tegelijk. Wie wil daar nou geen kennis van nemen? Simon schrijft bovendien geschiedenis met een knipoog en menige anekdote bezorgt een glimlach, en dat niet in de laatste plaats door het kunstige taalgebruik van de auteur. Ja, de 100ste uitgave heeft iets heel aparts.

Bekijk PDF