GH-2003-01 Over de auteur Martien van der Wijst

Wim Vos

Martinus Adrianus van der Wijst werd op 2 april 1934 geboren te Gemert in De Haag als zoon van Antonius van der Wijst (1884-1946) en Allegonda van den Berk (1896-1984). Van zijn inwonende oudoom Antonius Pius van den Berk (1872-1947) leerde hij de eerste echte oude Gemertse woorden tijdens de talloze wandelingen die hij en zijn zus aan zijn hand maakten in het mooie Gemertse land.

Martien bezocht de Komschool van 1941 tot 1947 en daarna de Latijnse School te Gemert. Zijn medeleerlingen verbleven veelal in “kosthuizen” in het dorp, maar Martien kon aan het eind van een welbestede dag gewoon naar huis in de Achterhaag naar het boerderijtje van zijn ouders. Na zijn gymnasiale opleiding hield hij het in 1953-’54 bijna een jaar uit in het noviciaat van de Paters van de H. Harten in Ginneken. Hij ruilde de toog in voor het uniform van de Stoottroepen om zijn militaire dienstplicht te vervullen van 1955-’56. Hij “kwam op” in Venlo-Blerick, en via Kampen  Apeldoorn en Schalkhaar sloot hij in Stroe zijn legercarrière af als korporaal-administrateur bij de Limburgse Jagers.

Na deze episode deed Martien examen voor de Rijksarchiefschool en liep daartoe stage op het Rijksarchief in Den Bosch van 1956-’59.

Daarna was hij tot 1969 werkzaam in het Rijksmuseum voor Volkskunde “Het Nederlands Openluchtmuseum” te Arnhem. Na een kortere periode (1970-’73) bij het Hulpdepot van de Rijksarchiefdienst te Schaarsbergen in Gelderland werd Martien, die wel van afwisseling hield, aangesteld bij de Gemeente Heerlen in Limburg als chef de bureau bij de dienst Archief en Museum. Ook personeelszaken hadden zijn interesse en zo kwam hij terecht bij de personeelsdienst van die gemeente. Daarna kreeg hij nog te maken met stadsontwikkeling, milieuzorg (contacten met 18 milieuorganisaties) en de herindeling van de gemeentes in Zuid-Limburg. Voor zijn werk moest hij nogal eens naar de Raad van State in Den Haag. Na zijn pensionering in 1999 is hij in Heerlen blijven wonen.

Tussen alle bedrijven door was er ook nog tijd voor zijn huwelijk met de Remonstrantse Hermine Koning (1936-2001), met wie hij meer dan 36 jaar lief en leed gedeeld heeft . Twee dochters en een zoon zijn uit hun huwelijk geboren en er is ook al een kleinkind. Daarnaast had Martien nog tijd en zin om actief te zijn in de politiek: van 1971-’73 was hij lid van Provinciale Staten van Gelderland voor D’66. In 1977 begon hij aan de Rijksuniversiteit Leiden de studie rechtsfilosofie, die hij in 1983 bekroonde met het doctoraal examen.

Naast zijn interesse in de geschiedenis van Gemert en het Gemertse dialect is Martien ook geïnteresseerd in de geschiedenis van Limburg (speciaal Heerlen) en publiceert daarover. Verder is hij actief in de Zuid-Limburgse afdeling van de N.V.S.H. (Nederlandse Vereniging voor Sexuele Hervorming) en de Landelijke Commissie van Toezicht van die vereniging. Hij is ook medeoprichter van La Lune, de Loge Sittard van de Vrijmetselarij en functioneert in de loge als “redenaar” en “voorbereider”.

In Gemert is Martien secretaris geweest van de Heemkundekring en lange tijd hoofdredacteur van ons blad tot 1973. Hij woonde toen al in Arnhem. Al die tijd, maar ook daarna, heeft Martien gedegen bijdrages geleverd voor Gemerts Heem. Een volledige bibliografie is hier onmogelijk, maar we noemen in ieder geval zijn grotere publicaties over Gemert: Beknopte Geschiedenis van Gemert (1ste druk 1961, 2de herziene druk 1972, 3de druk, wederom herzien, aangevuld en nu ook fraai geïllustreerd 1980), Gemertse Woordenlijst (speciaalnummer van Gemerts Heem, nr. 61, 1975-’76), Gedaachte èn Gedeechte (vertalingen in het Gímmers van gedichten van de Limburgse dichter Nic. Bout, 1979), en samen met W.J. Vos, Gemerts Woordenboek, Een keuze uit de woordenschat van het dialect van Gemert (1996). Dat zijn liefde voor Gemert nog niet voorbij is bewijst dit speciaalnummer van Gemerts Heem.

Bekijk PDF

GH-2003-01 Herinneringen aan De Haag, een halve eeuw geleden

Martien van der Wijst

 Geboren in De Haag in Gemert in 1934 bezocht ik in de jaren 1941-1947 de Komschool, de jongensschool in de Schoolstraat, en in de jaren 1947-1953 de Latijnse School in de Ruijschenberghstraat. Over de laatste periode heb ik eerder al geschreven in Gemerts Heem (jaargang 1987, blz. 74-83). Hier schrijf ik over mijn herinneringen uit de kinderjaren. Als ik over de kerk spreek, wordt de “oude” kerk in Gemert-centrum bedoeld, de kerk van de Sint-Jans-Onthoofdingsparochie, waar we in de lagereschooljaren bijna dagelijks de “kindermis” van ’s morgens half acht bijwoonden. Dat hoefde alleen niet als ik erg ziek was, wat zelden voorkwam, of als mijn ouders zich hadden verslapen, wat nog minder gebeurde.

Geschiedenis

Mijn vader stierf op 15 december 1946 en in 1947 stierf een andere huisgenoot, de oom van mijn moeder, van wie ik veel dialectwoorden leerde en overnam en wiens foto te zien is op het omslag van Gemerts Heem 1975/1976 nr. 61 (de Gemertse Woordenlijst). Ik vermeld deze sterfgevallen vooral om aan te geven dat mijn moeder vanaf 1947 alléén de zorg had voor ons als kinderen van 13, 11 en 3 jaar en voor huis en hof. Het huis was een oud boerderijtje, Saksisch type, zoals men dat noemt, dat omstreeks 1918 als rentenierswoning werd gekocht door twee ooms en een tante van mijn moeder, Graard en Toon en Wouterina van den Berk, van wie de laatste altijd “Ketrienmoet” werd genoemd door mijn moeder. In het Gemerts betekende het achtervoegsel “moet” in vroegere tijden “tante”.

Mijn moeder, een dochter van “Tienus van d’n Bèrk” en “Miej Joste” (Joosten) die op De Berglaren woonden in de boerderij die ongeveer stond op het huidige adres Dribbelheidseweg 8, woonde bij haar twee ooms en haar tante als dienstmeisje van 22 jaar, nadat haar oudere zus, zoals het verhaal gaat, er de brui aan gegeven had. Komend van een vrij grote boerderij op de Kivitsbraak in Bakel zullen de bewoners van het huis in De Haag, toen genummerd B 26, wel hebben moeten wennen om verschillende redenen. Het boerenbedrijf was, omdat men immers wilde rentenieren, teruggebracht tot één paard, en dat alleen in de eerste jaren, één koe (in het begin nog even twee, waar de stal ook geschikt voor was, de potstal), een paar varkens elk jaar vanaf big tot slachtvarken en een toom kippen van een stuk of dertig. Dus maar een klein gedoentje.

Er was dan ook maar een paar bunder grond beschikbaar, bedoeld voor eigen gerief aan aardappels, veevoer, weiland, hooi en graan (haver en rogge). Het land lag deels bij het huis, zich uitstrekkende tot aan de Rips en deels in De Ark (in dialect “d’Èèrk”) ongeveer tien minuten lopen van huis, vlak bij de later zeer bekende kersenboomgaard, groot en goed omhegd, van “Graard Tùwse” of “D’n Tùws” (Gerardus Melis) uit de Voorhaag, later het huis van Smulders, nr. 22 en uiteindelijk afgebroken voor de aanleg van de bocht in de Komweg. “Graard” was een broer van “Hannes Tùwse”, ook landbouwer, maar wonend in de Achterhaag, helemaal aan het eind, thans De Haag nr. 105. Als vierde boer in De Haag (als ik mijn ouders gemakshalve maar tot de boeren reken, omdat ze zo door de buurt gezien werden) was Janus van den Elsen, thans De Haag 49, waar de bekende beeldhouwer Toon Grassens (“Tontje de Gras”) woont. Verder had men in De Haag de boerenhuizen van “Meriejn” Verstappen (nu de huisnummers 54A-60 voor de nieuwgebouwde huizen) en van Vogels (“De Voogel” of “’t Vùggelke” genoemd), die later, elders in Gemert wonend nog de leeftijd van 100 jaar bereikte en daarvóór ook al de krant haalde in verband met een bezoek aan de koningin.

Ik gebruikte hier de benamingen Voorhaag en Achterhaag, zoals de twee delen van De Haag, gescheiden door de “aanhaking” van de Ruijschenberghstraat toen en ook nu nog in de volksmond worden genoemd. Op grond van die benaming heeft het gemeentebestuur, op influistering van pater prof. dr. Ed. Loffeld, indertijd met ingang van 1 september 1955 besloten deze twee benamingen tot officiële straatnamen te bombarderen, gevolgd door een huisnummer-omnummering. Dit viel bij de bewoners, vooral in de Achterhaag, heel slecht. Ik werd wat later (in 1958) voorzitter van de nu nog bestaande en bloeiende buurtvereniging “Gemert Noord-West” (Achterhaag, Ruijschenberghstraat e.o.) en ook secretaris van de Heemkundekring. Met steun van de laatste heeft de buurt toen de naamwijziging weer ongedaan kunnen maken op grond van het (door pater Loffeld kennelijk over het hoofd geziene) feit, dat De Haag al eeuwenlang Die Haghe had geheten in volle lengte tot aan de Haageijk. Dat er tussen de twee delen een soort onzichtbare muur bestond, was een andere zaak. In die Haag, of zo men wil Achterhaag – want tot dat deel van De Haag zal ik me in het vervolg van dit verhaal beperken – kwamen rond 1918 de drie genoemde, ongehuwde, “Kinderen van den Berk”, zoals ze in de gemeentelijke registers werden genoemd, terecht temidden van fabrieksarbeiders, en dat was, denk ik, óók wennen. “Graardoom” stierf trouwens al in 1920 en “Ketrienmoet” in 1929, zodat mijn moeder toen met “Toonoom” overbleef en niet lang daarna erover begon te praten, zoals ze later vaak vertelde, dat ze wel aan trouwen dacht. Dat gebeurde dan ook in 1932. Haar “ridder op het witte paard”, mijn toekomstige vader, “Tontje” van der Wijst, had inderdaad in zijn jonge jaren bij de cavalerie, “’t pèèrdevòlk” gediend als militair. Over die periode gaf hij later als oordeel: “Toen vuulden ik me héél wa”. Nu reed hij op een fiets van het merk “De Mol” (fabriek Roosendaal) met de bijzonderheid dat de lamp van het voorlicht niet boven het voorwiel zat, maar ernaast, dicht bij de grond. “Tontje” woonde en werkte toen bij zijn zus Jana, getrouwd met Dorus van den Elsen (één dochter: Anna) in de Neerstraat in Bakel. De fiets was in De Haag zijn normale vervoermiddel, ook voor fietstochtjes samen met mijn moeder, die toen omwille van het gemak haar witte “póffer”, die ze tot dan toe droeg, verving door een zwarte hoed, die niet zoveel wind ving. Andere broers en zussen van mijn vader, wiens ouders omtrent de voorlaatste eeuwwisseling vanuit Boekel/Volkel via Boekel naar Gemert (Groeskuilen) emigreerden, waren Dorus (Kranerijt/Handel), Graard (Venhorst), Marinus (Boerenbond Gemert), Tonna, getrouwd met Piet van Lijssel (Groeskuilen) en Hanne, getrouwd met Driek Verkuylen (veehandelaar Lieshout). Ook zij lieten zich in De Haag later vaak zien. Toen ik “Nòg zon dèbberke wás”, zei een wegwerker (“putjessköpper”) (ik meen Van den Elsen, bijgenaamd “de Snörkerd”, ook afkomstig uit Uden) op mij wijzend tegen mijn moeder: “Dè’s dan Tienes d’n Börger”, daarmee aangevend dat mijn grootvader Tinus van der Wijst (getrouwd met Mieke van der Wijst, geen familie) in Uden/Volkel de bijnaam “D’n Börger” droeg. De herkomst van mijn vader kwam soms nog tot uiting als hij iets wat “deftiger” zei dan wij gewend waren. Zo zei hij, toen hij ziekelijk en moe werd: “Ik kan nie wandele” (in plaats van “waandele”. Die verschillen hebben mijn belangstelling voor dialect wellicht ook vergroot. Het belangrijkste wat ik van mijn vader geleerd heb is, dat je tevreden moet zijn als iets goed is en niet altijd naar nog meer of iets beters streven. Dat zei hij toen hij eens een paaltje in de grond had geslagen: “Ónthaw dè, jónge, nie nòg ‘ne kaër slon, dor mákt ’t nie bítter mí, meskien wél slèchter”. Overigens zeg ik met een variatie op een bekend gezegde: ik kreeg van mijn ouders van ieder mijn part: van mijn moeder mijn handen, van mijn vader mijn hart.

Integratie

In die jaren had men in Gemert, veel duidelijker dan nu, drie bevolkingsgroepen: boeren, arbeiders en mensen uit de “straot”, burgers. De “integratie” (om dat moderne woord maar te gebruiken) van die drie bevolkingsgroepen is één van de dingen die mijn jeugd zo interessant heeft gemaakt. De onderlinge verschillen leidden tot verwondering, soms afkeuring en heel vaak grapjes.
Marij(ke) Vos, mijn vroegere buurmeisje en thans actief lid van de Heemkundekring, heeft mij eens verteld dat haar moeder, “Marietje Krómmenèkker” (Van den Crommenacker) toen ze klein was, soms mocht gaan slapen bij “Toon èn Trieneken Bèrk”. Ze vond het daar heel fijn. “Dè waore van die goej aawverwétste mènse”, zei ze later, “èn dor han ze van die haël hárde laakes”. Dat waren echt linnen, zelf gesponnen lakens, die voor de “logeerpartij” speciaal uit de kast werden gehaald. Alles moest degelijkheid zijn. Ook de kleding. Zelfs mijn pakken, toen ik een klein jongetje was, werden uit degelijke stof door een kleermaker gemaakt (bij Verhagen in de Voorhaag bijvoorbeeld) en ook de kleren van mijn zus, Marietje, waren sterk en stevig. Dat was bij de “arbeiders” vaak anders. Ik herinner me nog, hoe “Annie de Gras” (Grassens), sedert het bouwen van de woningen (in 1947) aan de overkant van ons huis één van onze buurmeisjes, op de zondagmorgen in een fleurig, kort, dun rokje (als een prachtige, knappe barbiepop) bij ons kwam binnenlopen om een bosje selderie te komen halen voor de soep die ze op dat moment aan het koken waren. Mijn moeder verkocht aan de buren allerlei spullen die wij in de tuin hadden en er waren weinig dingen die we niet hadden. Ze vroeg voor die selderie een stuiver (geloof ik, of nog minder), maar daarvoor liep ze dan ook op elk gewenst moment, ook als het regende, “d’n hòf ” in om dit te gaan plukken. Zo verkocht ze ook soms een handvol wit zand, dat wij zelf gebruikten om het blad van de blankhouten tafel uit de woon/eetkamer en onze klompen te schuren. Mensen uit de buurt hadden “niets” in hun hof, al hadden ze wel plaats genoeg voor groente. Wij zorgden dat we altijd ons “gerief” hadden; zij hadden een andere mentaliteit.
Mensen uit de “straot” werden door de andere partijen wel als opschepperig gezien. Ze werden dan ook bij contacten met onze buurt, vooral als ze “nieuw” waren, kritisch bekeken. Zo ging over Willem Vos, de (latere) vader van Marijke voornoemd, toen hij pas “verkering” had met één uit de buurt, het verhaal, dat hij altijd zo’n grote sigaar in de mond had, dat iedereen ervan overtuigd was, dat hij die wel in zijn mond stak maar ze nooit “ánstokte”. Dan bleef ze groot. De werkelijkheid was echter natuurlijk anders. Hij kwam trouwens gewoon uit de Pandelaar en dus niet echt uit “de straot” (Nieuwstraat tot en met Binderseind). Alleen al de omstandigheid dat iemand een ander/”hoger” beroep had of meer “mí hoggerhaand” in aanraking kwam (de Gebroeders Vos bouwden als aannemer minstens zes van de huizen in de Ruijschenberghstraat) en het feit dat Willem “liep als een burgemeester”, gaven aanleiding tot opmerkingen hier en daar. Bij ons thuis kwam “veul vòlk óvver de vloewr” en dan hùrde wél ’s wa”. Er was trouwens niemand in de buurt die niet geaccepteerd was. de integratie was groot. Ook “dèfteg praote” viel zelden goed. Toen iemand eens hoorde dat diezelfde Willem eens met zijn horloge in de hand bij een ei dat gekookt werd, stond te kijken en toen zei: “Me dunkt, je kunt ’t er wel uitnemen”, gaf dat ook stof tot praten en lachen. Toch had Willem veel belangstelling voor dialect, zoals ik zelf later wist. Ook zo’n verhaal, een anecdote die duidelijk aangeeft dat men in de buurt niet hield van deftigheid als het gewone mensen betrof of zich als rijker/beter voordoen dan de werkelijkheid eigenlijk toestond, betreft een gezin, waar men vanaf de straat hoorde, dat ze zo “hárd skaarzden ovver d’ren burd” als ze aan het eten waren. Ze gedroegen zich alsof ze méér waren dan anderen maar ze hadden nauwelijks voldoende te eten. Anderzijds werd er natuurlijk ook gepraat over de boeren en hun “lompheid”. Werd er dan echt geroddeld in De Haag? Nee, er werd alleen “geprot”. Er was (meer dan) voldoende sociale controle (om het nog eens modern te zeggen). Mijn moeder zei altijd: “’t Is már praot”, daarmee bedoelend, dat het wel werd gezegd, maar dat alles “nògal lòsliejp”. Ze zei ook: “De mènse moete praote, want de staën kannen ’t nie”.

Buurkinderen

Door de vele contacten in de buurt, onder meer door de verkoop van fruit, eieren en diverse andere dingen, allemaal in het klein, want we moesten er eerst zelf goed van eten, hoorden we veel en konden we het met iedereen goed vinden, wellicht ook omdat we niet te vaak bij elkaar over de vloer kwamen.
Als kind mochten we bijvoorbeeld maar hoogst zelden bij anderen gaan spelen, maar alle kinderen waren bij ons welkom, als we maar “áchter de port” bleven. Daar was ook voldoende plaats vóór de deur en achter het huis. Kennelijk waren er meer buurmeisjes dan buurjongens, want ik was, in mijn herinnering, vaak aan het spelen met mijn zus, Marietje, en diverse meisjes, die veelal enkele jaren ouder waren dan ik. Zo noem ik Lientje (Lina) en Annie Jonkers, Joke Jagers en Nera Smits. Van Gerrit Jonkers herinner ik me vooral een diepgaande discussie over het bestaan van Sinterklaas. Ik denk dat ik toen een jaar of acht was. Door Lina werd ik aan het handje meegenomen naar de Grote Bewaarschool op Nazareth. Van Annie kreeg ik spelenderwijs wat ik nu zou noemen seksuele voorlichting, waarvoor ik haar nog altijd dankbaar ben, want thuis werd dat meestal afgedaan, zoals overal, met de woorden: “Dor kaomde látter wél aachter”.

We speelden verstoppertje (“meuskenbèèrge”), “hinke”, touwtjespringen, knikkeren, met poppen en poppenwagens, met een karretje (“kaarske”), maar het meeste “moederke speule”. Ik was dan altijd de vader en werkte als boer buiten. Dat wil zeggen, dat “moeder” en de kinderen in één van de bijgebouwen, bakhuis, hok, “zaandhòk” of “krèèjgenhòk” “woonden”. Mijn taak was vooral om “thuis” te komen met “èrpel”, die bestonden uit grote kluiten aarde, die dan “geschild” werden door er een klein laagje af te krabben met een houten mes, dat door mijn vader zo gemaakt was, dat het niet te scherp was. Verder legde ik vrij grote oppervlakten “wei” aan en land en boomgaard en een “hòf” , door gras uit te strooien, en takken en takjes in de grond te steken. Op de meest ongelukkige momenten (in mijn herinnering) werden we door mijn moeder naar binnen geroepen om te komen eten en daarna waren al mijn “velden” door loslopende kippen vernield. Hoe mijn zus en ik speelden met een “kaarske” en de schraag, werd eens door een pater van de H.H. Harten op de foto vastgelegd. Die pater kwam elk jaar rente uitbetalen van een lening, welke rente dan, geloof ik, grotendeels direct weer als schenking mee terugging naar het klooster in “Rooj” (Sint-Oedenrode). Eén van de mooiste poppen van mijn zus is eens in de nacht “buiten blijven slapen” en was daarna, vooral in haar gezicht, onherkenbaar verminkt. Sinterklaas zal wel weer een nieuwe gebracht hebben, maar zo’n mooie en lieve pop was eigenlijk onvervangbaar. Met Sinterklaas lag de tafel in de woonkamer op 6 december ’s morgens heel vroeg (want Sinterklaas kwam in de nacht) altijd helemaal vol met snoep, speelgoed en vooral (warme) kleding voor de komende winter. Dat was allemaal zo veel, dat wij niet te veel aan de buurkinderen mochten laten zien, omdat die veel minder kregen en “spiegele” (anderen de ogen uitsteken) natuurlijk niet mocht.
Ik noemde een paar kinderen van Jonkers, die naast ons woonden. Hun oudere zussen, Dora, die naar het klooster ging, en Maria kwamen vóór mijn tijd vaak bij ons over de vloer evenals Leo en Harry, welke laatste eens vreselijk geschrokken is, volgens de verhalen, doordat een varken(tje) tussen zijn benen doorliep en hem van de grond tilde. Van Leo is bekend, dat mijn vader hem in de oorlog, toen niemand na zonsondergang op straat mocht komen, eens aantrof bij de hiervoor genoemde boomgaard van “Graard Tùwse”, waar beiden heen gelopen waren, omdat daar een haas of konijn in een strik was gelopen en “de hele buurt bij mekaar schreeuwde”. Van Maria weet ik nog, dat haar “vrijer” eens bij mijn moeder kwam en zei, dat er over hen “geprot worde”, waarna mijn moeder zei: “Òch jónge, wa kaomde doen?”, waarna de ‘jónge” vertrok.

Bewoners van De Haag

Het is hier wellicht de plaats om aan te geven wie er verder een halve eeuw geleden in De Haag woonden. Ik laat me daarbij onder meer leiden door een opgave uit een Register van  huisnummering, lopend tot 1950, en een Register met gewijzigde huisnummers d.d. 19-09-1955, met gegevens die mij beschikbaar werden gesteld door Marij van Pelt-Vos. Zoals gezegd was ons huis het eerste links van de weg vanaf de Ruijschenberghstraat, daarvan gescheiden door onze grote hof/boomgaard.
Aan de andere kant woonde Bert Jonkers, “de Jónker”, zijn vrouw Anna en hun kinderen. Vroeger hadden ze in een klein huisje gewoond met een lemen vloer, nu in een groot nieuw huis, zoals er meer waren gekomen. Als men dan over “ons huis” sprak, werd er soms verwezen naar hypotheeknemers uit “de straot”, zoals “Lien Put” (hoek Voorhaag/Haageyk) die door anderen als de echte eigenaar werden gezien.
Door de nieuwbouw verbeterde de straat echter zienderogen. Voorbij Jonkers was er een pad dat naar een wat verder van de weg gelegen huis liep, waar “Koop” Vermeulen woonde met zijn vrouw Hanne en een aantal kinderen. Ik herinner me “Koop” vooral zoals hij samen met mijn vader, ieder aan één kant van het prikkeldraad, op het veld stond, leunend op schop of riek, pratend over de dingen van de dag. “Koop” had heel lang als losser van schepen bij het kanaal gewerkt en daarover vertelde hij graag en hij zei dan altijd, dat zijn schouder door dat werk zó hard was geworden dat je er met een riek niet doorheen kon steken. Hij was invalide/afgekeurd, ook door werk in de Peel en mocht eigenlijk helemaal niet met de schop werken. Hij liet dan ook, als hij een motor hoorde stoppen op straat, de schop langzaam neer en wandelde dan met de handen op de rug huiswaarts, want het zou controle kunnen zijn. Een sterke uitspraak van hem was: “‘r Kömt ‘nen tejd dèt ‘r gebrèk is án stoom mènse”. Volgens hem werd er veel te veel “geleerd” door de kinderen en vervolgens zou er dan niemand meer “echt werk” willen doen.

Dan stond er met de lange gevel langs de weg het boerenhuis van “Meriejn” Verstappen en Mien, zijn vrouw (die later aan de andere kant van de straat heeft gewoond op nr. 91), ook met kinderen. Vervolgens weer een alleenstaand huis van “Gónde Put” (Rooyackersvan der Putten) en haar gezin. Bekend was de zoon “Driekske Put”. Dan een rijtje huizen, dwars op de weg staand, drie, meen ik, waar later het bekende “bakkertje” Minten woonde. De meest bekende voor mij/ons was daar Truus “Put” met haar man Toon Gruyters, zoon en twee dochters. In één van deze huisjes zou vroeger, volgens de verhalen, een oud vrouwtje gewoond hebben dat zelf bier brouwde en daarvoor hop plukte “op ’t stígje” (anderen zeiden “in ’t stígje”), een zandweg (nu geheten Kleikampen), die begon recht tegenover het huis van Bert Jonkers voornoemd.
Voorbij die huisjes had je twee woningen onder één kap. Het eerste werd bewoond door Harrie van Dooren, een goede vriend en kaartpartner van de oom van mijn moeder, en “Til Krómmenèkker” (Van den Crommenacker). Daarnaast “Driek Broek” (Van den Broek) met vrouw en kinderen. Driek zat met mij in het bestuur van de buurtvereniging en ik herinner me van hem het verhaal dat hij eens op “Boereng” (Boerdonk) verdwaald was in de dikke “mòk” (mist). Driek stond bekend om zijn rechtstreekse en rake opmerkingen en ook zijn verhalen waren zó dat je alles meebeleefde, zoals ook zijn “doolen in de mòk”, waarbij het een wonder was dat hij het nog kon navertellen. Zo “bundeg” kon hij het vertellen.

Tenslotte hadden we aan deze kant van de weg de weverij van “thuiswever” “Jas d’n Botter” (Hendriks) en Miet, die vooral bekendheid verwierf door haar winkeltje met “koloniale waren”, snoep en alles wat verder bruikbaar en eetbaar was. Daarachter was ook nog een woning (of twee), waar ik me vooral Piet van der Velden herinner van een carnavalsviering in “De Fállie” samen met onder meer “míster” Veldpaus (ook bestuurslid van de buurtvereniging) en zijn vrouw, waarbij dansen op een tafel toch aantrekkelijker bleek dan een wandeling naar het Esdonks kapelleke, wat ik had voorgesteld, daar ik meende dat dit daar niet zo ver vandaan stond.

De overkant

Aan de andere kant van de weg lag de flinke boerderij van de eerder genoemde “Hannes Tùwse”, later Harrie van Zeeland en Bertha met dochter Annie en zoon Jan. Mijn zus heeft hier jaren gewerkt en ik heb er geholpen bij het “bízzeme plukke”, zoals diverse mensen uit de buurt dat deden. Marij Vos weet nog te vertellen dat nergens de “okstèppelkes” zo lekker waren als hier. Achter die boerderij, richting De Kampen, stonden nog een paar woningen, waar onder anderen Bert en Miet van der Velden woonden. Dan krijgen we, terugkomend in de richting van ons huis aan die andere kant van de weg een rij woningen die ” skungs” op de weg stonden. Hier woonden de familie Martinali, bekende Gemertse toneelspelers en het gezin van “Monnes van Hawt” (Hermanus van Hout), waarbij het meest bijzondere was dat de kinderen allemaal een andere kleur haar hadden, van echt blond via mooi rood tot donker.
Dan kwam de familie Hendriks-Van Berlo (“De Klumper”) en in hetzelfde blok van twee eerst Drieka Jaspers, een vriendelijke vrouw met een zware stem en later in dat huis Toon de Wit met Bertha en “’n héél tòffel joong”. Toon was vele jaren een zeer gewaardeerd penningmeester van de buurtvereniging. Mijn broer Rini kwam graag in dat grote gezin, omdat het er altijd zo gezellig was. Hun kinderen waren bij mij thuis ook altijd welkom en ik heb nog eens een paar liedjes opgenomen op de bandrecorder, onder meer “Brandend zand”, gezongen door Jo.
Dan kwam het boerderijtje met de eindgevel naar de straat, waar de eerder genoemde Vogels woonde. Vervolgens krijgen we een lange rij woningen met de voordeuren aan de straat. Eerst Bert Verhofstad en zijn “zeun”, “Tontje Stèèrke” (Sterken), Dennemans en aan het eind “Meriejn de Pénneng” (Pennings) die onder meer fietsen repareerde. Daarnaast in een losstaand huis “d’n aawe Pénneng”, “Líndert”, die in kippen handelde en bij ons elk jaar de oudste kippen kwam ophalen, die te oud waren om te leggen of iets anders mankeerden. Die kippen waren herkenbaar aan de ring om hun poot, omdat de jong aangeschafte kuikens elk jaar een andere kleur ring kregen. “De Pénneng” kwam de oude kippen in het donker van de “hoord” (een verhoging met horizontale stokken, waarop de kippen sliepen in de “hénnekoj”) oppakken, omdat ze daar rustig waren, maar ook elk jaar had hij er één meer in zijn baalzak gestopt dan hij had geteld. Mijn moeder stond erbij en zorgde dat alles weer in orde kwam. Van de vrouw van de “hénnekrímmer” wordt verteld dat ze, als de kinderen vroeger moesten binnenkomen en niet genoeg “aprènsie” (haast) maakten, riep: “Èn naw kaomde hiejr, anders staëk ik ‘w án ’t més”. Dus “goej vòlk már raw”.

De mensen in De Haag waren strikt eerlijk, maar dat begrip was/is bij zakenmensen soms iets rekbaar. Zo werd ook de bewoner van het volgende huis, Willem “Put” (met het volgens sommige mensen komische uithangbord ‘W.C. van der Putten, schildersbedrijf’) van een “handigheidje” verdacht. In de oorlog moest er bij ons een ruit ingezet worden. We hadden een stevig stuk glas in voorraad. Willem gaf er direct in het midden een snee overheen met zijn glassnijder en constateerde toen dat de beide stukken te klein waren. Hij haalde thuis een passende ruit maar van veel dunner glas. De andere stukken nam hij mee. Jaantje “Put”, zijn vrouw, had ook een winkel met “koloniale waren”. Zij mopperde altijd dat de mensen niet alle boodschappen bij haar haalden maar alleen datgene wat ze onverwacht te kort kwamen. Daar had ze gelijk in maar de prijs bij haar was soms ook wel “‘ne grooëte sènt” (een munt van 2? cent die toen nog bestond) hoger, denk ik. Bij “Putjes” waren ook studenten van de Latijnse School “in de kaost” een aantal jaren. Het was één van de “kaostheus” zoals er in Gemert meer waren, onder meer bij “de dametjes Van der Asdonk” op “’t Huukske” (Schoolstraat) voor externe studenten van buiten Gemert, uit het hele land. Willem had ook enkele volières en meende veel verstand van vogels te hebben.
Daarnaast woonde “Tontje” Smits, de vader van Nera, die ik eerder al noemde en die trouwde met Wim Huybers, eerste secretaris van de buurtvereniging, en van Cor, die later “‘ne skonne winkel” had in de Haageyk. Dan krijgen we “Naares” Verhofstad, zijn vrouw Dien Bekkers en de kinderen. Zij woonden naast het “stígje” met aan de andere kant Sjef “de Jaager” (Jagers), zijn vrouw Cato Vermeulen, een zus van “Koop” en de elders in Gemert wonende “Aënèèrm” (“Eenarm”), en hun dochter Joke, die ik ook eerder al noemde. Cato “lág aaltejd óvverhooëp mí (iemes aojt) de buurt”. Ik vraag me nog af hoe dat kwam. Misschien vooral door de nabijheid van het “stígje”. Er reed wel eens een kar te dicht langs de hoek van de heg en er liep ook nog een pad achter “d’n hòf” door. Wat ik vooral prachtig vond, was de grote lichtgekleurde hond, Argo, die achter de tralies in zijn hok te zien was.

Als je achter de tuin van Sjef “de Jaager” door liep, kwam je bij het grote, in het vrije veld van “d’Èèrk” staande huis van Jochem “de Rejt” (Van de Rijt) die daar woonde met de zussen “Ketrien” en Mietje, een onderwijzeres. Jochem was jager en had een mooie bruine hond, Molly. Ook hield hij bijen. Na zijn dood kwamen er successievelijk zijn erfgenamen wonen, naar men zei, omdat ieder van hen meende dat Jochem “wél wa daojte ha gehad” waarvan echter niets meer terug te vinden was. Vooral in en nabij de bijenstal werd intensief gezocht en gegraven naar de pot met geld. Later heeft een van de bewoners, Frans, het pad langs het huis afgesloten tot groot ongenoegen van de buurtbewoners, die daar veelvuldig gebruik van maakten, en van het gemeentebestuur. Verordonneerd werd dat de op het pad geplante heesters allemaal weer weg moesten en wel vóór een bepaalde dag en uur. Dit had tot gevolg dat de bewoner in de stromende regen al die struiken aan het uitgraven was tot groot leedvermaak van de toekijkende buren, al dan niet met paraplu, die er wel een nat pak voor over hadden om dit schouwspel te zien. Diverse bejaarde buurtgenoten hadden voordien moeten getuigen dat het pad al heel lang een openbare weg was. Men ging erover naar “d’Èèrk”, “de Paandeler” en “’t Kraojséngd”, dit laatste via “d’n Bluumert”. In d’Èèrk stond ook een huis met twee woningen onder één dak, waarin aan de ene kant de familie Van der Aa woonde (zoon Harrie wordt verderop in dit verhaal nog genoemd) en aan de andere kant Frans van Lieshout en later Ben de Rover (Rovers) vooral bekend doordat hij altijd en overal de meters van “’t leecht” kwam opnemen. Daarna woonde daar ook nog een jongeman uit De Mortel, die mij eens vertelde, dat zijn grootste ideaal was om spion te worden. “Ge had ze in sorte” daar bij ons in de buurt. Dit huis in d’Èèrk deed me denken aan de ark van Noë.

Vanuit ons huis konden we “De Rejt zien woone” tot in 1946/1947 drie blokken van elk twee woningen tegenover ons huis werden gebouwd, waarvoor ook een “skon rééj kánniedasse ewég moes”. Deze huizen werden tegelijk gebouwd met de rij woningen links vooraan in De Deel en waren van hetzelfde type. De aannemer had hout opgeslagen in onze schuur. Op zekere dag/avond is daar een vracht opgehaald, waarvan later niet zeker was of dit gedaan was door de aannemer zelf (om dat te verdonkeremanen) of door een ander/medewerker. Hout was direct na de oorlog moeilijk te krijgen, ook voor bouwondernemingen.
In de nieuwbouwwoningen woonden op zeker moment Toon van den Elsen en Ietje Slits, Nardje van Vugt met zijn vrouw “Merie” (de ouders van de in 1940 bij het kasteel doodgeschoten Nico) met hun kinderen, Toon “de Gras” (Grassens) met zijn vrouw Anna, afkomstig uit de Voorhaag en ouders van onder meer de eerder genoemde “Tontje” en Annie, Jan van den Elsen met zijn vrouw Fien. Zij heeft enorm veel zorgen gehad en bleef altijd blijmoedig. Als er iemand hoog in de hemel komt, dan verdient Fien dat. In het laatste blok woonde Hannes Vos met zijn gezin (eerder een familie Mekers, die niet “van dees kante kwam” en tenslotte de familie Van Eupen als opvolgers van “míster” Van Nistelrooij, die eens bij hem thuis probeerde mij te leren een wiskundig probleem op te lossen zonder gebruikmaking van wiskunde, wat hem niet lukte.

Voorbij die huizen werd wat later een “Zweeds” houten huisje gebouwd, waar eerst “míster de Visser” en later “juf Noor” (met haar moeder, de weduwe Blietgen-Brunet) woonde, die ons eens vertelde, dat ze zo graag op de jongensschool (Komschool) werkte, omdat jongens eerdervergeven en vergeten dan meisjes en toch later op de meisjesschool (Nazareth) ging werken. Zij heeft mij het lezen en schrijven bijgebracht, voor zover ik dat al niet een beetje thuis had geleerd, maar heeft afgeraden een klas over te slaan, wat mijn ouders hadden gevraagd, omdat iktwee dagen te laat jarig was om naar school te mogen. Een gevolg is wel geweest dat ik heel dikwijls samen met Peter van den Crommenacker (van de Oudestraat) 1e en 2e beste van de klas was. Peter had altijd een hoger punt voor zingen.
Naast juf Noor woonde Tonna Goossens en Hannes Royackers (inwonend) en dan in de kleine, later mooi gerenoveerde huisjes allereerst Hanneke “Hèèj” (Van Schijndel) alleen. Je kon haar vaak tegenkomen, wandelend, met een breiwerk. Het was een vinnig vrouwtje, “nie óp d’r meundje gevalle”. Toen wij eens vroegen, wat bij haar de perziken kostten die ze verkocht, vroeg ze eerst: “Moet ‘r hébbe?” en toen we niet gauw “ja” zeiden, zei ze: “Dan hoewfd’ ’t ok nie te weete”. Deur dicht. Bekend was dat de genoemde jager Jochem bang voor haar was en vlug naar binnen ging als hij Hanneke zag aankomen. Toch was zij beslist geen heks of iets dergelijks, zoals anderen in Gemert dat wel waren volgens de geruchten.
Naast Hanneke was het “winkelke” van “Sják” en Hanneke Goossens (later verhuisd naar achter in de Pandelaar). Ook zij hadden “koloniale waren”. Hier heeft mijn moeder voor het eerst margarine gekocht en die zonder dat iemand het wist in het botervlootje op tafel gezet, wat bij gebruik de uitroep opleverde: “Wa’s dè naw” Wa hédde naw in haojs geháld?” Dit was in de tijd dat winkeliers wettelijk verplicht waren een bordje met het woord “Margarine” op hun winkel te hangen, als ze die verkochten, om mensen te waarschuwen voor “kunstboter”.
In het derde huisje woonde toen Hannes “Teute” (Martens), familie van de latere “Martens Manufacturen” in de Haageyk. Dan kwam de boerderij van Janus van den Elsen en zijn vrouw Miet met de zonen “Tídder” (Theodoor, de latere Norbertijn) en Antoon (de latere boer) en de dochters Cato en Doortje, met wie mijn moeder wel schriften met oude liedjes uitwisselde. Bij hen leende de buurtvereniging altijd de wagen voor bevrijdings- en carnavals-optochten. Ook zij woonden op de hoek van een “stígje” en hadden ook wel eens last van wat nu “hangjongeren” heet. Miet zei dan een beetje lijzig: “Dor hédde de bènde wír”. Zij was een zus van de genoemde Tonna Goossens en van Stien, die in het voorste hoekhuis met Driek Krol in de Ruijschenberghstraat woonde.

De Ruijschenberghstraat

Al wil/zal ik mij beperken tot de Achterhaag, toch ontkom ik er niet aan om ook enkele bewoners uit de Ruijschenberghstraat te noemen, ook omdat er een achttal woningen met “d’ren hòf” aan onze grond grensden (hof, boomgaard en grasland tot aan de Rips), alleen gescheiden door kippengaas en hier en daar een dunne ligusterheg.

Eerst iets over een paar bewoners aan de andere kant van de weg. Ik noemde zoëven Stien Goossens. Zij was bij ons om twee redenen bekend. Ten eerste, omdat ze zo graag snoepte. Ze vertelde herhaaldelijk dat ze graag vroeg naar bed ging en dan een trommel met koekjes meenam. Ten tweede, omdat ze zo nieuwsgierig was. Het hielp niet eens als ze daarop betrapt werd. Mijn vader kwam eens door de Ruijschenberghstraat met een handwagen met daarop een deel van een gesloopte auto (voorstuk met de twee deuren eraan) dat hij gratis mocht meenemen op de Boerenbond en waarvan hij meende dat het goed bruikbaar was als hok voor kleine kuikentjes. (Tussen twee haakjes: mijn moeder bleek er niet zo blij mee te zijn). Toen Stien iets zo hobbelend hoorde aankomen – zo’n handwagen was niet geluidloos – liep ze hard naar buiten en riep al van verre: “Wa hédde naw gelaaje?” Mijn vader zei: “n nééj fernaojs!” en Stien liep even hard weer naar binnen. Vermeld moet ook worden Martien Manders, die ook zo van de buurt hield en er prachtig over vertelde en schreef. Hij kwam wel eens bij ons thuis kaarten, “rikke”. Als hij won, riep hij steeds “Tetèèteboem!” Zo kreeg hij bij ons die bijnaam. Ik heb hem dat in 1996 op de dialectdag nog kunnen vertellen. Zo zie je ook hoe iemand een bijnaam kan krijgen.

Aan het eind van onze “hòf” woonde “Pietje Krómmenèkker” met zijn dochters Nella en Marietje, de latere vrouw van Willem Vos en daarnaast de zoon “Jehan Krómmenèkker” met vrouw “Merie” en enkele kinderen. De zoon Piet(je) heeft later bij mij in Arnhem nog eens geslapen toen hij daar als stagiaire een kamer zocht. Het “aaw Pietje” was een heel “hèl mènneke”. Ik herinner me nog dat hij hartje winter in zijn achtertuin wat stookhout ging halen zonder jas en de oom van mijn moeder, hem zo ziende, riep: “Marditte, Pietje in z’n hémpsmawe”. Pietje was ook het middelpunt bij de oranjefeesten direct na de oorlog. Hij won op 75-jarige leeftijd nog een hardloopwedstrijd van de veel jongere Bert van der Velden en danste “as ‘ne jónge kèèrel” de “zevensprong”. Als mijn moeder de peren plukte achter in de ‘hòf”, vroeg ze de naaste buren altijd om een emmer te halen, die ze dan vol peren deed. Mede daardoor is er altijd een goede verstandhouding geweest.
Een huis verder woonden Door en Nol van den Akker, broer en zus. Bij hen mocht ik om de zoveel tijd een stapel “Katholieke Illustraties” ophalen. Een mooie gelegenheid weer eens “baj te praote”. Dan kwam Van der Ven met de dochter “Zusje” en twee oudere broers van haar, Willy en Jo, die ook nog in het bestuur van de buurtvereniging heeft gezeten. Vervolgens Til Bijnen en dan “Bontje de Gras”, ook een profeet, gezien zijn uitspraak bij het begin van de oorlog (ik stond erbij toen hij dat tegen mijn vader zei): “D’n orlòg is in viejr daag afgeloupe, kiek ‘r már ’s no”.
Dan kwam “Gónde Dooke”, de moeder van de vrouw van de eerder genoemde “míster” Van Nistelrooij, die er later kwam wonen. Tenslotte, tegen de Ripspad aan, de familie Ypenburg, de directeur van Raymakers’ textielfabrieken. Met hen hadden we ook goede contacten, ook met de dochters Annelies, Judith en Hillie. Zij waren protestant, wat in de katholieke omgeving bijzonder was, maar het waren zo’n lieve mensen, dat dit zeker van invloed zal zij geweest toen ik later op een protestant meisje verliefd werd en ermee trouwde.

Kerk en geloof

Mijn vrouw, met wie ik meer dan 36 jaar mijn leven deelde, was praktiserend lid van een protestantse kerk, de Remonstrantse Broederschap. Bij dat woord herinnerde ik me heel helder dat wij op school in de geschiedenisles uitgebreid waren geïnformeerd over de strijd, in het begin van de zeventiende eeuw, tussen de Remonstranten onder leiding van Arminius en de Contraremonstranten met als leider Gomarus. De strijd ging vooral over de predestinatie (de voorbeschikking van het lot van de mens). Arminius koos met zijn Remonstranten voor de visie, die ook de katholieken hadden, werd ons dan verteld, van de vrije wil. Dat was voor mij zonder meer geruststellend.

Al op jonge leeftijd, eind lagere school, interesseerde ik me heel erg voor godsdienst. Ik weet nog dat ik toen een briefwisseling had met een jonge kapelaan uit Helmond met als onderwerp bewijzen voor het godsbestaan. Bij mij wilde het er niet in dat het bewijs gehaald moest worden uit het oude en nieuwe testament, nota bene boeken die door diezelfde God waren geschreven of ingegeven.
Het adres van de kapelaan had ik hoogstwaarschijnlijk uit de “Sint-Jansklokken”, het toenmalige bisdomblad, één van de vele godsdienstige bladen die we thuis lazen. Ik noem verder “Christus Koning” van de kapucijnen, het “Familieblad (van de Broederschap van de Heilige Familie, waar mijn vader lid van was), veel missieblaadjes en diverse almanakken van kloosterorden en congregaties en de jeugdbladen “De Engelbewaarder” en “De Kleine Engelbewaarder”. Ook heb ik rond die tijd gecorrespondeerd met een mohammedaan. We zouden niet proberen elkaar te bekeren, was de afspraak. Toch is de correspondentie na niet zo lange tijd door hem beëindigd, omdat volgens zijn zeggen alles wat ik schreef toch te veel een christelijke ondertoon had. Ik vind het nog steeds jammer dat die brieven niet bewaard zijn. Veel diverse papieren zijn verloren gegaan toen een grote eiken kist op zolder, waarin alles werd bewaard, eens niet goed afgesloten werd en muizen er nesten in maakten en alles zodanig vervuild en vernield hadden, dat het niet meer bewaard kon worden. De eiken kisten zijn later verkocht aan mensen die naar Canada emigreerden en geen geld maar wel “spullen” mochten meenemen en die overal bij de boeren “antiek” opkochten. Toen zijn ook onder meer de oude schouwbordjes “geëmigreerd”.

Hoewel kerk en godsdienst toen het hele leven “doordrenkten” (men spreekt wel van het rijke Roomse leven), voelden wij het niet als een last. Weliswaar probeerden we soms te ontkomen aan het meegaan naar het zondagse lof op zonnige namiddagen en hebben we ons wel eens verstopt, maar de vraag: “Béénde dan sóms ’n jùdje?” (alsof Joden niet naar de tempel/synagoge gingen) was voldoende om ons aan onze “plicht” te herinneren. We woonden ook maar ruim vijf minuten lopen van de kerk. Bewondering kon je hebben voor hele gezinnen die “baj alle weer” van afgelegen boerderijen naar de kerk kwamen. De kerk bezoeken en andere “verplichte” gewoonten zoals het dagelijkse rozenhoedje met litanie, bidden voor en na het eten, bedevaarten en processies, de kruisweg en nog diverse andere gebruiken waren even gewoon als naar school gaan. Belastend werd het over het algemeen niet gevonden, al was het extra vroeg opstaan en wassen met het uit de pomp of put gehaalde water, waarop in de winter stukjes ijs dreven, geen pretje.

Hoe sterk was het geloof? Ik denk dat vrijwel iedereen in De Haag zich hield aan de kerkelijke verplichtingen van op zondag naar de kerk en geen slafelijke arbeid verrichten, minstens één maal per jaar biechten en in de Paastijd de heilige communie ontvangen. Men voldeed er ruim aan, ook wat betreft dopen, trouwen en begraven, al waren de boeren en de mensen van boerenafkomst in de buurt wat meer kerks samen met andere wat oudere mensen en vrouwen die “‘r d’n tejd vùr han”. Trouw werd ook steeds een “kèrmenaoj/kèrmenèèj” naar de pastoor gebracht als we geslacht hadden. In ruil daarvoor kreeg de brenger soms een kopje thee van de pastoorsmeid.
Heel druk was het altijd als ergens in de buurt de rozenkrans, drie dagen achtereen, gebeden moest worden wegens een sterfgeval. Dat gebeurde in het sterfhuis als men daar ruimte genoeg had voor “zo veul vòlk” en daartoe werden er lange stevige planken gebruikt (jaren lang in onze schuur opgeslagen) die met de uiteinden telkens op twee stoelen werden gelegd om zoveel mogelijk zitplaatsen te krijgen. Zo zat bij de sterfgevallen in 1946 en 1947 ook bij ons “d’n hèrd” vol. Ik vermoed dat zo’n bijeenkomst (hoe droevig ook) toch ook een welkome onderbreking was van de dagelijkse sleur en men kwam ook nog eens ergens. Tevoren werd het overlijden door de “naaste buren” bij iedereen aangezegd. Toen later de kerk als plaats van bijeenkomst voor de rozenkrans werd gebruikt, slonk de belangstelling duidelijk.

Ik schreef eerder dat het samenleven van boeren, fabrieksarbeiders en mensen uit de “straot” mijn jeugd zo interessant maakte. Ook het meebeleven van veranderingen in geloofsbeleving en kerksheid is belangwekkend te noemen. Ik geloof daarbij eerder in een ontwikkeling dan in een plotselinge breuk. Misschien een ontwikkeling die men te laat opmerkte. Als men toch aan een breuk wil denken, dan bestaat die eerder uit plotselinge veranderingen in de kerkelijke wetgeving. Zo herinner ik me nog heel goed de schok die het mijn moeder gaf toen het niet meer verplicht was vanaf 24.00 uur nuchter te zijn als men de communie wilde ontvangen. Daarvóór hield ze, lopend naar de kerk, zelfs haar mond stijf dicht als het regende of sneeuwde, omdat men niets mocht “nuttigen”. Toen ineens mocht men alles eten tot een uur voor de communie en gewoon blijven drinken. Daarvóór was zelfs het innemen van medicijnen met een slokje water een punt van discussie, waarover in het “Familieblad” vragen werden gesteld. Ook het “plotseling afschaffen” van de vasten maakte de kerk als het ware ongeloofwaardig en schokte het vertrouwen. Mijn vader was wat “gemakkelijker”. Hij was wel een man vol godsvertrouwen, wat hij onder meer uitte met de in een boekje gevonden uitspraak “Telkens als er een konijn wordt geboren, laat God een kool groeien”. Hier en daar bestond ook een soort onnozel opzien tegen de geestelijken, wat tot uiting kwam in bijvoorbeeld een bekentenis van Mart Sleegers uit de Voorhaag: “Ik wis aajgelek nie dè ‘ne pestour ok oojt no ’t heuske (w.c.) mós”.

Een andere karakteristieke uitspraak van mijn vader was: “As óns sort mènse nie in d’n hímmel kömt, dan kanne ze d’ren hímmel wél afbraëke”. Ik geloof dat in De Haag in tegenstelling tot wat in de bijbel staat over de drie goddelijke deugden (geloof, hoop en liefde), waarvan de liefde de grootste zou zijn, dit bij de mij omringende “gelovigen” de hoop was, het vertrouwen dat alle leed, gemis, werk, inspanning en versterving niet voor niets was geweest. Ik herinner me uit mijn prille jeugd ook een discussie over de vraag, wie er in de hel zou komen, een vraag die toegespitst werd op Hitler, de ergste misdadiger die men zich kon indenken. Toch was de conclusie dat ook hij niet in de hel zou komen misschien, want wat een mens in zijn (korte) leven doet, kon toch nooit zo erg zijn dat men daarvoor eeuwig in het vuur zou branden onder duivelse kwellingen. Eeuwig werd namelijk in onze (kerk)boekjes als volgt omschreven: Een vogeltje raakt met zijn vleugel elke eeuw één keer een harde rots en als die rots daardoor helemaal is weggesleten, is er van die eeuwigheid nog geen fractie afgegaan”. Het vagevuur sprak ons meer aan. Dat was “mí ‘ne gloejege béssem óvver oewe reug gon”. Dat verdiende iedereen wel, kort of lang.

Als ooms van mij op bezoek kwamen, werd er wel gepraat over mijn toekomst, “waa’k wo worre látter”. Voor jongens uit de buurt lag dat meer voor de hand: “gon wérke zo gaow as ’t kós”. Priester worden, waar ik wel voor voelde, werd beoordeeld met: “Jao, jónge, dan hédde ‘we kaost gewónne”. Ook de genoemde karbonades, die dan bij je thuis gebracht werden, spraken tot de verbeelding van mijn ooms” “Ge moet pestour zien te worre”. De geestelijkheid werd echter ook kritisch bekeken. Bijeenkomsten op de pastorieën met drank en gerechten die ‘ne gewoone mèns” niet kende, bevorderden niet de eerbied en het ontzag. Als de pastoor bij “de Kaorst” in de winkel kwam om sigaren te kopen en dan zei: “Het soort dat ik moet hebben, ligt hier niet in de rekken” (men moest die speciaal “achter” halen), viel dat niet goed. Men sprak dan met heimwee over pastoor Poell, die “’t béd woróp ie is gestörve al án iemes ha toewgezít”. Kloosterlingen zoals de kapucijnen van Handel (die “bèrrevoets” liepen in ruige kleding) werden meer bewonderd dan wereldheren, omdat die paters “‘r maër vùr dínne”. Het antwoord op de eerste vraag van de katechismus: “Waartoe zijn wij op aarde?” luidde: “Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor in de hemel te komen”. Dit werd echter veranderd in: “Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor hier en hiernamaals gelukkig te zijn”. Dat “hier” werd door velen maar al te goed verstaan.

Ik ben daarna naar de Latijnse School gegaan, heb de gymnasiale opleiding met veel plezier en voldoening voltooid, leerde er heel wat enthousiaste jongens en jonge mannen kennen, die het als roeping zagen datgene te doen wat het meest zinvol leek in het leven (zulks eveneens in het noviciaat in Ginneken), maar niemand uit mijn aanvankelijke klas heeft uiteindelijk nog voor het priesterschap gekozen. Het was een “aflopende zaak”.

In die tijd verdwenen uit de huizen ook de aan de muur hangende godsdienstige platen achter glas (zouden we die tegenwoordig “posters” noemen?), de huiszegens en wijwatervaatjes en de beelden. De arbeiders bleken hierbij, zoals bij veel dingen, wat eerder en wat moderner dan de meer traditionele boeren, maar dat de beelden ook uit de kerken moesten verdwijnen, werd niet begrepen. Dat mannen hun hoed of pet afnamen als ze langs de sacristie van de kerk liepen (ter hoogte van het hoogaltaar en de godslamp) en de kinderen en vrouwen zonder hoofddeksel dan “Geloofd zij Jezus Christus” moesten zeggen, lijkt méér dan een halve eeuw geleden.
Herinneringen aan liedjes in school en kerk zoals “Gekomen is uw lieve mei, Maria” en “Maria te minnen, wat ’n zalig genot” en het refrein van een kerstliedje “En buiten ruist het”, maar vooral de bruisende galm tot in de hoge gewelven van de kerk bij het “Tantum Ergo” en het “Te Deum” zijn mij even goed bijgebleven als de verre tonen van de processie voor de vruchten der aarde, waarbij mijn moeder de Latijnse woorden: “Te rogamus, audi nos” vertaalde met: “Hier en daar een touwtje los”. Het katholieke geloof was vooral een blij geloof.

Oorlog en bevrijding

Mijn eerste kennismaking met de aanstaande oorlog was de inkwartiering van “Hollandse” soldaten, die een aantal paarden hadden gestald in het achterhuis van ons boerderijtje, waar overigens geen vee stond behalve één koe en twee varkens. We woonden, zoals ik eerder schreef, in een boerderijtje, maar waren geen boer maar wel “zelfverzorger”, wat in de oorlog veel voordelen had.
De hoogtepunten uit die periode waren de geboorte van een veulentje (wat eigenlijk niet kon en niet mocht, maar wat blijkbaar een vergissing was, want dragende merries mochten niet “geleverd” worden), de hoge sneeuwlagen en sneeuwhopen, waarvan gezegd werd dat die “nooit meer weg zouden gaan”, en tenslotte het feit dat de militairen bij ons wel eens eieren kwamen kopen die ze “morgen zouden betalen”, waarna ze letterlijk met de stille trom vertrokken. Eén keer heeft een soldaat zijn schuld bij mijn vader, die achter bij de schuurdeuren aan het werk was, betaald, waarna hij bij mijn moeder meteen nieuwe eieren kocht, die hij, naar later bleek, niet tegelijk betaald had.

Op 10 mei 1940 aten we ’s middags rijstepap toen ik hoorde dat de oorlog begonnen was. Merkwaardig is het dat een mens dat soort dingen het beste onthoudt. Nu is rijstepap ook wel iets bijzonders in die zin dat wij als kinderen altijd te horen kregen dat men in de hemel rijstepap at, maar dan wel met suiker en van gouden lepeltjes. De volgende dag hoorden wij ook dat de Duitsers tot aan het eind van de Ruijschenberghstraat, dus net om de hoek van De Haag, de mannen uit de huizen hadden gehaald om op het Borretplein, het latere Ridderplein, maar meestal “de mèrt” of “’t mèrtvèld” genoemd, als menselijke schutting te dienen bij de beschieting van het kasteel, dat door een aantal Nederlandse soldaten enige tijd werd verdedigd. Mijn vader en oom werden dus net niet opgehaald. Ik was toen zes jaar en dat alles maakte op mij wel indruk. Wat ik me verder herinner zijn de verhalen over de Nederlandse soldaten die vanuit het kasteel door de gracht vluchtten naar De Kampen, het hele gebied achter De Haag met akkers, velden, weilanden, struiken, windhagen, sloten, bosschages en enkele boerderijen, waar ze zich nog wekenlang konden schuilhouden.

De oorlog zelf was voor ons geen tijd van honger en gebrek. We hadden immers zelf aardappels, rogge, vlees en fruit en groenten van eigen grond. Het was meer de tijd van surrogaat, zoals bij de koffie. Gelukkig hadden de oom van mijn moeder en mijn vader net op tijd een aantal grote pakken pijptabak kunnen kopen van Frans van de Rijt, die altijd met een fietsenmand vol tabak langs de deur kwam. Bij ons kon hij alles lossen. Een groot deel van de oorlog konden ze daarmee volop hun pijp stoppen en daarna heeft mijn vader nog korte tijd “eigen teelt” gerookt. De oom van mijn moeder heeft (in 1943, denk ik), toen de tabak bij hem op was, zijn pijp voorgoed opgeborgen tot grote verbazing van iedereen, want onder het bordje aan de muur: “Een tevreden roker is geen onruststoker” (of was het toch “Wie de pijp niet roken kan, heeft er het genot niet van”?) waren de rookwolken voordien eigenlijk nooit weg te denken.

De “eigen teelt” is een verhaal apart. Deze werd geteeld op een klein stukje akker achter de “hénnekoj”, het terrein waar de kippen liepen. Het was wel een uitkomst voor de fervente roker maar erg bewerkelijk. Na het plukken van de bladeren hadden deze een hele bewerking nodig, onder meer het “fermenteren” in een bad met een vloeibare stof en het daarna drogen en droog houden. We zagen altijd hele rijen tabaksbladeren hangen, buiten of op de zolder. Op het laatst van de oorlog heeft mijn vader alle nog op het veld staande planten met een schop in stukken gehakt, om “dien boocht” nooit meer terug te zien. Andere mensen uit de buurt kwamen daarna zelfs de kleine stukjes blad nog oprapen, omdat ze het zonde vonden die zo maar in de grond te stoppen.
Nog jaren daarna zagen we op die plek steeds weer enkele tabaksplanten groeien en bloeien, zodat ik ze me nog heel goed kan herinneren.

Weer andere mensen maakten er een gewoonte van overal, in mijn herinnering vooral bij de kerkdeuren, sigarettenpeuken op te rapen en deze dan weer te verwerken in nieuwe, zelf gedraaide sigaretten. Afgezien van het op de grond spugen in de achterste banken van de kerk (grote kladden belandden op de tegels, steeds na veel gerochel) was dat peuken rapen en roken één van de smerigste dingen die ik in mijn kinderjaren heb gezien.
Wat ik overigens ook erg vies vond was het volgende. Op zekere dag kwamen er enkele mensen vragen of ze de bladeren uit de boomgaard bij elkaar mochten harken en meenemen. Dat mocht. De bladeren bleken gebruikt te worden om er surrogaatkoffie van te maken. In de boomgaard liepen ook altijd kippen, een dertigtal of meer, en nu vond ik het zo ontzettend smerig dat die bladeren met “hénnestrónt” voor koffie moesten dienen.

Aan het feit dat je in winkels alleen maar wat kon kopen als je bonnen had, waren wij zo gewend geraakt dat we niet meer anders wisten. Wel hoorden we mijn moeder vaak klagen over de slechte kwaliteit van of het gebrek aan goederen, zoals zeep. Soms waste ze kleding met gebruikmaking van as in plaats van zeep. Die as verzamelde ze vooral onder de “vèèrkeskít-tel” in het bakhuis, een enorme ijzeren buiten- en binnenketel, waarin het eten voor de biggen/varkens, zoals aardappels, bieten, pluksel en meel, werd gekookt. Ook de was werd “gekokt” voor die in de wasketel over de “róbbel” (wasbord) en naar de bleek ging.

Verder was de oorlog voor ons toch wel een “rustige” periode, mogelijk ook omdat de radio (wij zeiden toen nog “het” radio, die we sedert de oprichting van de KRO in huis hadden) verzegeld op het gemeentehuis stond. Enkele andere mensen in de buurt hadden ook radio, maar dat was “distributie” en geen eigen toestel. “Buurlui” mochten hun fietsen bij ons tussen de bonenstaken zetten om te voorkomen, dat de Duitsers ze vorderden, hoorde ik later vertellen. Ook al hadden de fietsen geen luchtbanden meer maar harde banden, gemaakt van repen van oude autobanden, de mensen wilden ze toch niet kwijtraken.
Heel bijzonder was dat je ’s avonds na 20.00 uur niet meer buiten mocht komen en interessant was ook de verduistering van alle ramen. Er mocht geen spleetje zijn waar licht door kwam.
Indrukwekkend waren in de oorlog de vliegende bommen. Zolang ze in de lucht geluid maakten (net iets anders dan een vliegtuig) of hun lichtjes bleven branden, was er niets aan de hand, dan vlogen ze wel verder. Vaak stonden we buiten naar de lucht te kijken. Als ze niet meer bromden werd de zaak penibel, want dan kwamen ze naar beneden. Verschillende keren meenden we dat het zover was. Je moest dan gauw onderdak zoeken. Minstens één keer bleek de V1 of de V2 terechtgekomen te zijn in het kanaal bij Beek en Donk. Zoiets hoorde je dan de volgende dag. Het verhaal dat die bommen door water werden aangetrokken, stelde ons niet helemaal gerust. Erg vaak zijn we overigens niet in huis gevlucht. Een geschikte schuilplaats was de kelder, maar daar was het altijd zo koud. Ook kropen we wel onder de tafel in de woonkamer. De oom van mijn moeder vond zijn bedstede, waar hij ook elke middag een uur of wat een dutje deed, de veiligste plaats. Hij lachte ons uit als we over veilige plaatsen praatten en zei dan, naar zijn bedstee wijzend: “Meeng vinge ze dor nie”. Mijn vader is een keer begonnen met het graven van een schuilkelder, zoals diverse mensen die in hun achtertuin hadden, maar dat was een moeilijk karwei en toen binnen niet al te lange tijd bleek, dat het niet echt nodig zou zijn, stopte hij er mee.

Spannend vond ik het wel, toen tegen het eind van de oorlog de Duitse soldaten in het open veld in “d’Èèrk”, waar wij “knöllekes” door anderen wel “pisknöllekes” genoemd aan het plukken waren, met hun gewone geweren op laagvliegende “Engelse” vliegtuigen begonnen te schieten. Ze raakten ze nooit, dat meenden wij wel te weten, daar moesten we als kind zelfs om lachen, maar het was spannend, omdat je maar nooit wist of er teruggeschoten werd en of er misschien zelfs bommen gegooid zouden worden.

Spannend waren af en toe ook wel de “ontvoeringen”, zowel door de Duitsers als door ondergrondsen. Soms wist je niet eens, als er iemand “meegenomen” was, door wie dat gebeurd was, want vooral als kind wist je niet “aan welke kant iemand stond”. De wereld van de volwassenen was bar ingewikkeld, vooral in dit soort zaken. Wel volgden we de verhalen als een interessante vervolgserie, want als er van de ene kant een actie was ondernomen, werden er van de andere kant weer represailles genomen. In dat kader pasten de vermoorde slachter Verstappen van de broers Verstappen aan de Haageijk en Wintermans, de directeur van “’t romfebriek”, maar vooral een Beek en Donkse landwachter of NSB-er die in de Achterhaag, ergens tussen “’t Vùggelke” en “d’n aawe Pénneng” in de zomer van 1944 bij een familie, die er maar “éfkes” gewoond heeft, “in de kaost” kwam. De vrouw van die familie kende ik een beetje, omdat ze wel eens fruit of eieren bij ons kwam halen. De vreemde kostganger, zo hoorden wij als kind, was op een avond met een smoesje van huis gehaald en ergens in De Kampen doodgeschoten. De familie waar hij in de kost was werd er op aan gekeken maar mijn moeder bleef de vrouw gewoon helpen als ze iets kwam halen. “’t Zén tòch ok mènse,” zei ze dan. Misschien komt het wel door deze “reality” dat ik nooit boeken als “Arendsoog en Witte Veder” heb gelezen in die jaren. Mijn vader is ook eens flink bang geweest, toen hij, samen met de al enkele keren vermelde kippenhandelaar Pennings, via een omweg door de Haageijk uit de Hoogmis (“de lééste mis”), naar huis wandelde en “De Pénneng” toen zo onverstandig was om naar enkele net voor de bevrijding terugtrekkende Duitsers te stappen en te zeggen dat naar de “Heimat zurückkehren” maar het beste was. Mijn vader is toen maar op enige afstand van zijn metgezel gaan lopen, omdat hij er stellig van overtuigd was dat er door de woedende Duitsers geschoten zou worden.

Verder was het voor ons heel bijzonder dat, ook net vóór de bevrijding, op zekere dag de Duitsers een aantal kanonnen bij ons in de boomgaard en op het veld neerzetten, verborgen achter en onder heggen en struiken. Dat was toen de bevrijders het dorp al naderden. Toen ook werd Gemert beschoten. De kogels hoorden we door de bladeren van de bomen fluiten. Dat was ook weer één van de gevaarlijke momenten en zo hebben we dat ook beleefd. Later zagen we een gewonde (wie het was, weet ik niet) afgevoerd worden vanuit De Haag door de Ruijschenberghstraat. Indrukken van de beschieting kregen we vooral bij het bekijken van de deuren van de garage van Van den Elsen helemaal vooraan in De Haag (naast Café [Z]Onder de Boompjes). De vele gaten en beschadigingen daar zijn nog jarenlang te zien geweest. Een heel mooi moment was de bevrijding, het binnentrekken van de tanks in Gemert. Wij stonden toen met zijn allen in de Molenstraat voor de bioscoop.
Overal vreugde en uitgelatenheid. De stoere koppen die boven de tanks door de open luiken staken, waren indrukwekkend. Wat me vooral bijgebleven is als jongen van tien was dat de grote meisjes zo gek deden tegen de soldaten. Mij interesseerden meer de grote bisonkoppen op de tanks en wagens.
Daarna volgde een tijd waarvan ik vooral het volgende heb onthouden: overal in en door de velden, over heggen en door tuinen lagen veel draden voor (telefoon)verbindingen. Op de vreemdste plaatsen kwam je die tegen, hele bossen soms. Later werden ze afgedankt en achtergelaten en nog jaren lang had iedereen sterke draad om iets vast te binden. Verder werd parachutestof veel gebruikt voor het maken van jurkjes en bloesjes voor meisjes. Van de soldaten in de Komschool (wij kregen les in het postkantoor, bij notaris Penders en nog op andere plaatsen) kregen we schapenvlees. Dit was eigenlijk voor de varkens, maar ik weet nog heel goed hoe lekker het smaakte. Het was al goed gebraden en zo werd het door de militairen, die alles in overvloed hadden, “weggekiept”. Liefhebbers van sigaretten en chocolade (iedereen zei “tjoklat”) kwamen ruim aan hun trekken. Mensen uit de buurt gingen werken voor de soldaten, aardappels schillen en weet ik wat verder.

Veel werd er gepraat over de gevolgen van de bevrijding. Ook over de vraag, wie er aan de verkeerde kant had gestaan of net niet. Kleine potjes hebben ook oren en wij vingen nogal wat op in die tijd, ook over gewone mensen uit de buurt en anderen, aan wie wij nooit iets bijzonders hadden gemerkt, ook over “zwarthandelaren”. Bij de “ondergrondsen” werd toen ook dokter Verbeek genoemd, iets wat ons niet verbaasde, want voor hem hadden we altijd veel bewondering gehad. Hij was onze huisarts en kwam vaak aan huis. Hij kwam altijd heel laat ’s avonds, soms in de nacht en zei dan tevoren: Ga maar rustig op tijd naar bed en laat de deur los, dan vind ik mijn weg wel.” Mijn ouders zeiden ook wel eens dat het goed was dat pastoor Poell vóór de oorlog gestorven was, want “die zou het er bij de Duitsers niet levend afgebracht hebben, omdat hij zo rechtlijnig was”.

Een aantal gebeurtenissen na de bevrijding was zo mooi dat ik er nog steeds met plezier aan terugdenk. Bijvoorbeeld de muziek van de Schotten, die gelegerd waren in de schuur van Van den Elsen (nu Toon Grassens) en die gekleed in hun fraaie rokjes luid spelend op de doedelzak door De Haag trokken. Mijn zus weet nog dat wij appels aan hen uitdeelden.

Een heel bijzondere gebeurtenis op school mag ik niet onvermeld laten. Ik denk dat het kort na de bevrijding was dat wij op de Komschool gedurende enkele dagen een heel bijzonder “spel” speelden, waaraan werkelijk alle jongens meededen en moesten meedoen. De helft van alle jongens (meisjes waren er niet, want het was, zoals gezegd een jongensschool) bond toen een zakdoek om de arm en de andere helft niet. De ene helft – welke weet ik niet meer – was zogenaamd NSB-er en de andere helft niet. De scheiding liep willekeurig door alle klassen heen en het maakte eigenlijk niet uit waartoe je behoorde. De bedoeling was alleen – en dat werd ook duidelijk in praktijk gebracht – dat degenen mèt een zakdoek om de arm overal en telkens weer slaags raakten met degenen zonder en omgekeerd. Het was een primitief “bendespel”, lijkend op de Westside Story. Wellicht door ingrijpen van de schoolleiding kwam er even plotseling als het begonnen was, weer een eind aan. De oorlog was afgelopen.

Huis en hof

Als er bij ons iemand thuis was, en dat was eigenlijk altijd wel het geval, waren noch de voordeur, noch de achterdeur op slot. Iedereen kon zo binnenkomen. Afspraken tevoren werden nooit gemaakt, tenzij misschien als men kwam eten of langer wilde blijven. Telefoon hadden we trouwens niet. Bij veel mensen was het gebruikelijk door de achterdeur binnen te komen, maar bij ons zou men dan, om de achterdeur, ’t “staldùrke” (of “zèjldùrke”) te vinden, zowat om het hele huis hebben moeten lopen. Bij ons was de voordeur de normale ingang en deze was niet langs de straat, men moest eerst door het altijd openstaande “pùrtje” bij het hek. Aan de binnenkant van de deur zat een bel, klokmet-klepel-model, die geluid gaf als men de deur opendeed. Dit was om te horen dat er iemand kwam, zodat we konden gaan kijken wie er was en wat ze kwamen doen.

Door die voordeur kwam men in een groot vertrek dat geen speciale naam had, maar aangeduid werd met “in haojs”. “In haojs” stonden twee hoge, donkerbruine, grote kasten en een kleinere met op elk daarvan kruis- of heiligenbeelden al dan niet onder stolpen, engeltjes, kandelaars en (lege) siervazen van (soms heel dun) glas, groen met bloemenmotief of zilverkleurig. Op de binnenzijde van één van de kastdeuren (de “snoepkast” schreef mijn moeder altijd de namen van hen die nog schuld hadden, wat voor iedereen zichtbaar was als mijn moeder de deur opendeed om wisselgeld te pakken. Aan de muren hingen wandplaten met apostelen en evangelisten, Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes, een engelbewaarder die een kind vasthield dat op een gevaarlijk bruggetje zat, en verder een oude klok met koperen gewichten en een spiegel met een kambakje eronder. Men had rechtdoor, onder een schouwrand met bordjes door, uitkijk op het (met hout en turf gestookte) kookfornuis, waarnaast, niet zichtbaar, het “braandhool”, een ingebouwde grote bak met “stook” (brandstof) en het “spèkkèske” daarnaast (inderdaad met zijden spek en andere vleeswaren en een grote pot zout) en aan de andere kant van het fornuis, evenmin zichtbaar en in een donkere gang, die naar de stal leidde, de eerder genoemde bedstede, die de enig overgeblevene was in het (in 1918) verbouwde huis.

Vanuit “in haojs” rechts was de deur waardoor men “óp de geut” kwam met daar de deuren naar de kelder en naar de opkamer, via welke men ook weer over een trap op de zolder kwam. “Óp de geut” was later, toen er waterleiding kwam, de kraan en een aanrecht. Daarvoor hadden we de pomp “óp de vùrstal”, een deel van het achterhuis. Bijzonder “óp de geut” was het “skróbhool”, een gat onder in de buitenmuur, waardoor het schrobwater weggeveegd kon worden.
Vanuit “in haojs” links kwam men in “de kaamer” (woonkamer), waar ook de maaltijden werden gebruikt, behalve in de zomer, wanneer men, althans in mijn allerprilste jeugd, “in haojs wonde”.
Vanuit “de kaamer” kwam men in “’t kímmerke” (de slaapkamer), aanvankelijk voor mijn ouders en heel kleine kinderen, later voor de “vrouwen”, terwijl toen de opkamer de mannenslaapkamer was. Als kind sliep ik ook in “de kaamer”, ook op de vele avonden dat er gekaart en gerookt werd. Deze kamers waren ingericht zoals het dagelijkse gebruikt vereiste, in “de kaamer” met de plattebuiskachel in de winter, want deze werd in de lente opgeruimd en in de herfst of vroege winter weer “gezét”. Verder een leunstoel (“‘ne lèùje stoewl”) en aan beide zijden van de kachel elk ook een grote stoel, waarvan de biezen stoel ” de zèùrg” was, in het algemeen bestemd voor “d’n bás”. Er stond ook een mooi lichtbruin geverfde, grote kast, inbreng van mijn vader bij hun trouwen, met daarop een beeld van de heilige familie en vaasjes (vrij modern) door mijn vader ooit gewonnen als prijs bij schietwedstrijden op “d’n Boerenbónd” en daarin enkele boeken en de kleren van mijn vader, scheergerei, onder meer minstens één “skárs” (scheermes) en diverse kleinigheden, zoals horlogekettingen, medailles en speldjes, die wij als kind zelden te zien kregen, want de deuren gingen altijd vlug dicht en op slot. Alle vloeren in de genoemde vertrekken waren van ouderwetse plavuizen.

In het achterhuis was de schelft voor hooi en stro, de schuur voor geriefhout, turf en kolen, de stal met de genoemde “vùrstal” en de “pòtstal” voor de koe in de jaren veertig, het varkenshok, en afgeschot het “èrpelhòk”, waar ook een grote trog stond, waarin mijn moeder het deeg klaarmaakte voor het brood, dat ongeveer om de week werd gebakken in “d’n bákooven in ’t bákhaojs”. Alleen “stuut” (fijn wittebrood) haalden we wel bij de bakker, Tieneske (later zoon Harry) van den Hurk in de Haageyk. Ook voor enkele buren werd er wel eens “‘ne mik in d’n oove gezét”. Vermeldenswaard is “’t heuske” (wc) zonder deur, maar ingebouwd in het “èrpelhòk”, zodat men toch wat “beschermd” zat, bestaande uit een zitplaats van dik hout met een rond gat erin, waaronder een erg grote ton, die uiteraard af en toe geleegd werd. Dit zorgde voor mest samen met de stalmest, de kippenmest, eventueel van konijnen, en kunstmest (waar mijn vader, als jongere generatie, voorstander van was) en waarbij ik me de namen (chili)salpeter, (patent)kali, super(fosfaat) en vooral thomasslakkenmeel nog herinner, alles bestemd voor land, wei, tuin en boomgaard.

Nergens heb ik ooit zo’n grote verscheidenheid aan fruit gezien als bij mij thuis. Anderen hadden zich meestal gespecialiseerd in een bepaald soort fruit of vooral één soort appels (voor de verkoop), maar bij ons was het toch meer liefhebberij. Vandaar dat mijn vader zich ook bezighield met enten en oculeren, om weer andere soorten en rassen te krijgen. Zo hadden we een kersenboom met drie soorten kersen aan één boom. Hij hielp ook de buren desgewenst wel daarbij. Ook hadden we allerlei soorten bloemen, waarvan ik hier de “atènsieja” (hortensia) al noem, omdat die grote struiken zo opvallend waren. Ze stonden vooral bij de achterdeur, waar uit een buis het afvalwater door de muur kwam vanaf het “gùtje” zoals de “vùrstal” waar de pomp stond ook wel werd genoemd. Het water liep dan door een sleuf, een “grip”, waaraan ook wel eens de naam “zoej” werd gegeven en waardoor de “atènsiejas” voldoende water kregen. Hier stond ook de “skraag”, een houten, zelfgetimmerde stellage, waarop de was na spoeling hing uit te lekken. Ook dat water werd hier “umgekiept”. Groente was er ook genoeg, maar die vonden we vooral op het “vèld” achter de boomgaard en de “hénnekoj”. Het woord “hénnekoj” werd zowel gebruikt voor de loopruimte van de kippen, inclusief de boomgaard als voor het “binnenhòk”, een fors houten bouwsel met aan de voorkant grote ramen met bovenraampjes om te luchten en een deur, waardoor je naar binnen kon lopen, geheel gedekt met golfplaten en met rondom aanalle kanten houten wanden, bedekt met een soort ruw asfaltpapier om eventuele spleten af te dichten, zodat de kippen (altijd van het ras witte leghorn) ook in de winter bij strenge kou “wèèrm zaate”. Dat asfaltpapier zag er heel netjes uit met dien verstande dat op de achterkant door twee neven van mij grote letters waren ingekrast, wat ons jarenlang hinderde, maar wat niet vervangen werd, wellicht ingegeven door de mentaliteit van “alles blijven gebruiken, zolang het enigszins mogelijk is”, een soort zuinigheid die mijn vader er ook toe bracht bakken met verroeste, oude, kromme spijkers, “naagel” te bewaren, dan hoefde je niet “èlk hoondsgezééjk no de straot”. Alles was altijd nog bruikbaar.
Laten we een rondgang maken en dan beginnen in de “hénnekoj”, waar de meeste fruitbomen stonden. Het was allemaal hoogstam, andere kenden we niet. Om fruit te plukken, iets wat mijn moeder altijd deed, was een ladder (“laër”) nodig, jarenlang een zelfgemaakte, later een gekochte, omdat die langer en toch lichter was. Wat appels betrof hadden we (met tussen haakjes het aantal globaal aangegeven): sterappel (4) met mooi rood vlees, wilde sterappel (1) wat zuur, oogstappel (5) vroeg rijp, wat moderner, vrij droog en wat flauw, maar we aten ze al voor ze goed rijp waren omdat we dan een tijd lang geen appels hadden geproefd, glasappel (1) glazig en sappig, keizer Alexander (1) de grootste appel die ik ken, niet de lekkerste, wat bonkig, notarisappel (1) neutraal, goudrenet (3), “witte streufappel” (2) de naam zegt het al, kennelijk geschikt om als schijven in de “streuf” (pannenkoek) te gebruiken, wijnappel (5) even na de oogstappel rijp, maar sappig en lekker en met  een mooi rood wangetje, goudpippels (6), meestal aangeduid met “van óns bùmke”, misschien meegebracht bij de verhuizing of zelf “uitgevonden”, juinappel (“jungappel”) (2) de hardste en houdbaar tot in de lente, cox orange (2) ook moderner en bijzonder van smaak, en tenslotte de “zuujte”, waarbij ook de naam voldoende zegt. Vervolgens hadden we een tiental pruimenbomen, variërend van ronde witte, via moderne rood-gele tot spitse blauwe. Ze stonden in een rij op de afscheiding van “boogerd” en “vèld”. Er stonden verder een zestal perzikenbomen her en der verspreid, niet groot en met vruchten die niet altijd lekker waren. Peren hadden we een achttal, denk ik, variërend van jutteperen, een paar naamloze kleine gevlekte peren, via de moderne claps(e) tot Noordhollandse suikerperen achter “in d’n hòf”, heel grote bomen, waarbij de vruchten in de top door de hoogte niet geplukt maar afgeschud werden. Hiermee zijn we in “d’n hòf” langs de straat gekomen, waar behalve enkele bomen, vooral bessenstruiken stonden, zoals rode bessen, witte bessen en zwarte bessen, alsmede kruisbessen, samen misschien vijftien struiken. Hier vonden we ook frambozen en aardbeien en verder spruitjes, waar in de winter in de sneeuw de “”koldeuve nie af kósse bliejve”. Aan de straatzijde van “d’n hòf” stond een hoge beukenheg van een meter of twintig lang, in de meimaand voor de hele buurt beroemd door de aanwezigheid van enorm veel meikevers, die ’s avonds bij mooi, wat broeierig weer rondvlogen en waar iedereen jacht op maakte. Ikzelf had het voordeel ook aan de binnenzijde van de heg te mogen lopen, maar ook op straat vlogen ze volop. We noemden ze “keevelaors” of “mölders”. De laatste naam was soms ook voorbehouden aan de wat wit, als met meel bestoven, diertjes, waarvan de helder bruine (waarvan wij meenden dat dat de “mènnekes” waren) zich onderscheiden. De naam “meikevers” was niet zinloos, want je zag ze alleen in de maand mei. De eerste van het jaar heb ik ooit gevangen op 7 mei, onderweg met de fiets van De Mortel naar huis. De “keevelaors” verdwenen in luciferdoosjes of in potjes met gaatjes in het deksel voor lucht en met voldoende beukenblaadjes als voer. Je kon ook een dun naaigarendraadje aan een achterpootje binden en ze dan laten vliegen, ook binnen in huis bij het lamplicht, al dan niet na het zingen van het liedje “Mölder, mölder, téélt oew gèld èn go dan án ’t vliejge”. Ze spreidden dan hun vleugels en “snoorsden ewég”. We hadden ook verspreid over het “ángelòg” (grond bij het huis) kersenbomen, zoals witte, waaronder spekkersen en harde knappers en zwarte en morellen.

Mijn moeder hield met een buks de vogels, vooral spreeuwen, zoveel mogelijk uit de kersenbomen, waarvoor ze soms heel vroeg expres opstond. Ze schoot altijd in het wilde weg omdat het geluid ze al verdreef. Ik gebruikte de buks soms om mussen te schieten. Ik schoot dan wel raak, iets wat in die tijd mocht en heel gewoon was. We hebben de mussen wel eens gebakken en opgegeten. Mijn vader gebruikte de buks vroeger om hele zondagmiddagen te schieten op een schijf, die tegen het bakhuis hing. Hij deed dat samen met een oom van mij, Janus van Lijssel uit De Mortel, en soms samen met iemand uit de buurt of met mij. De loden plaat onder de papieren schietschijf smolten we zelf om, als ze te doorzeefd was. Met diezelfde oom ging mijn vader ook wel op kwartelvangst. Die vogeltjes werden in een kooi gezet, die ook aan het bakhuis hing, en het was de kunst ze tot zingen te brengen, “slon” heette dat geluid maken, door de kooi af en toe te verduisteren. Die oom was getrouwd met een zus van mijn moeder, terwijl zijn broer, Piet van Lijssel van de Groeskuilen, getrouwd was met een zus van mijn vader. Deze was een expert in het vinden van vogelnestjes. Als hij bij ons kwam, zag hij overal “vùggelkes haawe” wat wij die er elke dag langs liepen nog niet ontdekt hadden.
Op het veld teelden we diverse soorten groente, zoals sla, spinazie, prei, selderie, wortels en “haëte wòrtelkes” (kleintjes), witte, rode en savoye kool en “moes” (boerenkool), spruitjes, tuinbonen (“flòdderbonne”), staakbonen (aan lange staken opklimmend) en stokbonen (korte, apart staande struikjes), rabarber, uien (jung) en sjalotten, bieslook en nog veel andere groente, te veel om op te noemen. Als de tuinbonen voldoende groot waren, aten we die dagenlang, met uitgebraden vet eroverheen, en ook sla en andere groente aten we zolang we ze in de tuin hadden, al probeerde mijn moeder wel te variëren. De maïs was voor de kippen. Er is ook ooit hennep verbouwd (op z’n Gemerts “kènnep”) om touw van te maken. Vlas (voor linnen) heb ik niet meer gekend in De Haag. Spurrie en serredella, zoals veel boeren hadden, vond men bij ons ook niet. Wel voederbieten en ook wortels gezaaid op het roggeveld. Als aardappels hadden we “bíntjes” (bintjes), bevelanders en rooie ster, later vervangen door ijsselster. Deze waren voor onszelf, maar grotendeels voor de varkens, vooral de kleine en de oude aardappels. Voor de volledigheid noem ik even het ras van de varkens. Dat waren aanvankelijk Duitse landvarkens met hangende oren en later yorkshire (wij zeiden: “jòrksiere”) met opstaande oortjes.

Bloemen hadden we ook in alle soorten. Grote struiken “krèèjnaagel” (seringen) en “balrùskes” (wat overigens helemaal geen rozen waren, geloof ik) naast de vlier bij de put. Er stonden ook op de grens bij Jonkers vlieren met takken, die hol zijn, en waarvan wij fluitjes en schietbussen maakten. Grote struiken rozen verder in diverse kleuren, waarbij vooral de kleine rode klimroosjes tegen de muur opklimmend aan de achterkant van het huis te vermelden zijn. In de “pèrkskes” in de aangelegde tuin die we vanuit “de kaamer” zagen, zien we píttertonniekes” (primula’s) in alle kleuren, viooltjes, “lievermanne” (duizendschoon), “sint-jaansbloeme” (margrieten), roodgekleurde “mèjzuuntjes” (madeliefjes), “fliejrbluumkes” of “flierkes (muurbloem), “snuffelkes” (grasanjer), “póppeskoentjes” (monnikskap), “vlinderkes” (ééndagsbloem), maar ook “poslíllies” (gele narcis) en pinksterlíllie” (witte narcis), “spikkellíllies” en “staëkneuze” (bolderik), “teejbluumkes” (een andere naam voor muurbloem) en vooral veel “hémpsknùpkes” (moederkruid). Ook hadden we witte en roze “flòkse”. Mijn zus kreeg als bruidje in de processie altijd witte “flòkse: in de hand, herinnert ze zich. Voor de ramen in de kamer en in “d’n hèrd” (“in haojs”) stonden altijd volop begonia’s en geraniums. Kamille hadden we vooral op het “vèld” om er kamillethee van te ztten, die altijd hielp bij kou, hoest en verkoudheid of griep. Als klein kind hadden wij ook al ieder een eigen “höfke”, maar ik groef de planten te vaak uit en keek, volgens mijn moeder “te dik no de wòrtelkes”. Het mooiste vond ik wel de bloem die ik later leerde kennen als “herfsttijloos”, omdat je de bloem altijd zag zonder bladeren, die pas later kwamen. Ook veel mensen in de buurt hadden nogal wat bloemen, zoals Sjef de Jager en De Rijt en Ypenburg. Bij Jonkers hadden ze een mooie gouden regen en bij Van den Acker op het “Huukske” (Schoolstraat) hadden ze een plant, waarvan de bladeren veranderden in chocolade, als je ze in je klomp of schoen legde, dat wil zeggen, dat ze bruin werden met gele puntjes, zoals chocolade met kleine stukjes noot erin. Soms zag je ook “blèùjkírze”, een soort kersenbomen die wel bloeiden, heel mooi roze zelfs, maar waaraan geen vruchten kwamen. Dat was volgens mijn ouders en vooral de oom van mijn moeder “már niks”.

Zeden en gewoonten

Er waren meer dingen die ze bij ons thuis “már niks” vonden. IJsjes kopen, bijvoorbeeld. “Ge kriet ‘r niks van in oewen baojk” was het vaste commentaar, als wij er om vroegen, omdat anderen ze wel kregen. “Vat már ‘nen appel.” Ook kauwgom was uit den boze. “Wa lopte te nírke (herkauwen)?” kregen we te horen, als we het toch eens probeerden. In het algemeen werd snoepen al gauw als “vaëge” (onnodig lekkere dingen eten) beschouwd. De veertigdaagse vasten met het snoeptrommeltje was voor ons (en zo heb ik het mijn verdere leven ervaren) een goede training om je af en toe eens iets te ontzeggen. Gaan zwemmen in het zwembad in Beek en Donk, wat diverse buurtgenoten deden, was bij ons te modern en niet nodig. In bomen klimmen en “vùggelkes aojthaale” was om een andere reden verboden, namelijk te gevaarlijk. Misschien overdreven zorg van onze (wat oudere) ouders leidde er ook toe, dat wij niet aan schaatsen en “glibbere” of “slippere”  toekwamen, want als het glad of erg koud was, werden we zoveel mogelijk binnen gehouden.

Het gebeuren op straat beleefden we vooral van achter de poort en dat was toch al veel. Op zomerse dagen werden tafel en stoelen buiten voor het huis gezet en iedereen die over straat langskwam, groette, riep enkele woorden zoals: “’t is ‘r naw goewd án” of bleef even praten. Dagelijks zagen we de fabrieksarbeiders met hun kruikje naar de fabrieken van Raymakers en Van den Acker wandelen, door De Haag of over de Ripskant, het pad tussen onze grond en de Rips. Zo gauw ze “de skaojfel hùrde” (de fabrieksfluit), gingen ze op pad om te gaan klokken (hun werkkaart uit het ene rek in het andere overplaatsen). Mijn ouders hebben talloze malen gezegd, dat dit toch een armzalig bestaan was, “ánwaandele as de skaojfel gí”, vergeleken met hun vrijheid. Zo kwam dat over.

Iedere dag begon in de straat met geluid van melkemmers van boeren en meiden die gingen melken, behalve in de winter als de koeien op stal stonden. Later kwam de “romkaars”, de kar die melkbussen ophaalde bij de boeren, het “romkaarske” of “romwággentje” van Jan de Jager, de melkboer, rustig heen en in draf weer terug door de straat, soms de petroleumkar van de olieventer van “De Automaat”, die ook een tijdschrift bij zich had met een stripverhaal, dat elke keer eindigde met de zin “En hoe het Pijpje Drop vergaat, staat in de volgende Automaat”. Boerenkarren zagen we, fietsen en auto’s (ik weet helaas niet wie in De Haag de eerste auto had), luxe paarden, vooral als er een concours hippique ging komen, de hengst van Frans Donkers met zijn grote poten, natuurlijk de kolenboer met zijn zwart gezicht en altijd een zak op de schouder en in de herfst “‘ne klòtboewr” met turf. Niet te vergeten de “skojers”. “‘nen Botteram mí spèk kaande kriejge, as ge hónger hét”, zei mijn moeder, maar ze wilden liever geld. Ook “d’n tòdkrímmer” of “ze weefke” (uit Boekel) kwam langs voor vodden met een weegapparaatje, maar mijn moeder woog zelf de vodden eerst en dan nog lieten ze zien dat hun apparaat het “eerlijk” anders aangaf. Een handelaar met “lappe stòf” uit Den Bosch was ook een vaste straatfiguur. Hij had altijd haast, liep drie keer weg als mijn moeder een schandalig laag bod deed, maar kwam altijd weer terug.

Ook kleine criminaliteit zal wel bestaan hebben in De Haag. Er werden dieren geplaagd en mishandeld. Ik ken een geval van het opblazen van “kikvòrse” (kikkers) (wat wij afschuwelijk vonden) en zelfs incest schijnt eens voorgekomen te zijn, al kende men toen dat woord nog niet. Dieren die het ook wel eens moeilijk hadden, waren de koeien op het eind van de herfst, als ze nog in de wei stonden en het koud kregen. Ze gingen dan “ralle” (hard loeien) en braken nog wel eens uit de wei en liepen door de straat en de tuintjes. ’s Zondags laat zag je wel eens een “zatlap” lopend of met de fiets “óp haojs án doen”. In de oorlog reed er een tank door de straat, waarbij de porceleinen voorraadpotjes in het rek hevig rinkelden. Dat was eens wat anders.

De religie kwam tot zijn recht in de straat, als de processie er door trok en iedereen een heilighartbeeld versierd voor het raam had gezet. Kwam er een geestelijke met “Óns Haër” (de hostie) op weg naar een zieke door de straat, dan hoorde je op je knieën te vallen tot hij voorbij was. Meeleven met de kerk was normaal in grote en kleine dingen. Toen kardinaal Mindszenty in 1948 in Hongarije werd gevangen genomen, was dat een schok die ook tot De Haag doordrong. Toen de dames Van Lin (“aojt de Straot”) mijn broer als pasgeboren kind in zijn bedje zagen liggen, was hun uitroep: “Net ’t Kindje Jezus in het kribbetje”. Toen ik eens een dood “nuchtere” kind mooi opgemaakt in het kistje zag liggen bij buren, moest ik ook echt aan een engeltje denken, zoals zo’n kind dan ook genoemd werd als het was “gehímmeld”.

Burenhulp was vanzelfsprekend. Er werden allerlei dingen uitgeleend. Wij leenden (volgens een nichtje, dat bij ons soms kleren kwam verstellen, wij zeiden: “ze kömt nèèje”) aan de buren ook serviesgoed uit als daar bezoek kwam en omgekeerd leende mijn moeder altijd elk jaar bij Jonkers het “kolmés”, een heel bijzonder mes, waarmee men een hele kool kon afschaven om er zuurkool van te maken. Die burenhulp kwam ook geweldig tot uiting toen bij ons het bakhuis afbrandde. Alle mannen uit De Achterhaag hielpen bij het blussen en personen die je nauwelijks kende, zoals Tum de Pénneng, spanden zich in alsof het hun eigen zaak was. Ook gemeenschappelijke droefheid kenden we, bijvoorbeeld toen Martien Goossens in Indië was omgekomen en Harry van der Aa, een schoolvriend van mij, als militair in Suriname op een mijn liep en niet meer terugkwam. Bruiloften werden goed gevierd met een incidenteel gevormd feestcomité van buren, later het vaste bestuur van de buurtvereniging. Communiefeesten waren niet overdadig maar wel gezellig, zoals dat van mij, toen we mochten aanzitten aan een broodmaaltijd bij onze bakker. Verjaardagen werden bij mij thuis nauwelijks gevierd, soms zelfs straal vergeten. Wel vierden mijn moeder en haar zus Hanne (die op dezelfde dag jarig waren) elkaars verjaardag met een cadeautje, dat altijd bestond uit kopjes en schoteltjes. Verjaardagen van buren of buurkinderen kende ik niet. Bij het 12?-jarig huwelijksfeest van mijn ouders (in augustus 1944) werd één buurmeisje (Lina Jonkers) uitgenodigd. Wij als kinderen hadden toen als geschenk met ons geld uit de spaarpot bij Jan “Wip” (Wijn) een ingelijste plaat van papier gekocht, voorstellende Sint Michaël of Sint Joris op een paard met een lelijke draak erbij, één van de weinige dingen in de winkel (in oorlogstijd) waaruit we konden kiezen. Wij waren er heel blij mee, maar, helaas, mijn moeder vond het “um skrik van te kriejge” en het schilderij verhuisde onmiddellijk naar de rommelzolder. Later heb ik het aan een neef kunnen doorverkopen.

Ik geloof dat De Haag geen echte armoede kende volgens de begrippen van toen en ook geen rijkdom “al lotte nie in oew pòrtemeneej kiejke”. Soms was er kritiek op de overheid, bijvoorbeeld toen iedereen verplicht werd waterleiding aan te leggen, ook als men lekker put- en pompwater had. Er werd gezegd: “Lot ze uurst már in de Kampen ánlégge, wor de mènse gèt (vies bruin water) moete drinke”. Toen bleek dat niet alleen het putwater bij officiële testen werd afgekeurd, maar ook het leidingwater dat men stiekem van elders had gehaald, werd de weerstand nog groter. De gemeente werd echter ook wel eens geprezen. Toen iemand in de oorlog een slachtvergunning ging aanvragen voor een varken, zei de ambtenaar alleen: “De mensen vragen te veel” en sloot het loketraampje. “Dan weet ik genoeg” mompelde de aanvrager en het varken werd geslacht.

De Haag was niet alleen een straat, maar ook een echte leefgemeenschap, een dorp op zich bijna, met dichtbij, op kleine loopafstand werk (de twee fabrieken), winkels (al winkelden wij bij Lien “Hèèj” aan het Kruiseind, een gezellige vrouw, die echter steeds volwassenen liet voorgaan en ons als kinderen liet wachten tot ze “aojtgetajekt” waren), de school (waar míster Van der Velden in de zesde klas een neger uit Suriname over zijn land liet vertellen, de eerste echte neger die ik ooit zag), de kerk (waar wij bank 7 langs de muur aan de “vrouwenkant” hadden gepacht) en “de” kerkhof (waar de “dooj” “‘r ónder gestòpt worre). Het was ook gemakkelijk dat we vanuit De Haag zo de velden in konden wandelen. Ook mensen “aojt de Straot” maakten daar veel gebruik van.
De meeste mensen uit De Haag kwamen “nérges”. Wij kwamen op de Berglaren bij tante Nel en oom Kobus van den Berk, die “aawjónk bèj mekaar zaate te woone” om er op 8 december (de feestdag van Maria Onbevlekt Ontvangen) “Sintreklosse- weefke” te vieren, dat wil zeggen, nogmaals “ónze klómp te zétte”, en met Pasen om de “de Posvoogel aojt te haale”, met andere woorden eieren te zoeken en te eten.
Verder kwamen we bij familie in Gerwen (Graard van den Berk), De Mortel (Cathrien van den Berk, getrouwd met Janus van Lijssel), in Venhorst (met de fiets “dùr de Kleus”) en in Deurne op de kermis elk jaar bij goede vrienden van vroeger, waarvoor al weken tevoren een taxi werd besteld bij Van der Asdonk op “’t Léngderéngd”. Onze ouders hadden er toen geen vermoeden van dat hun kinderen en kleinkinderen later even goed de weg konden vinden in Pretoria, Bombay en Orlando als zij in ” de Kréngelhoek” en “de Vlojeneengd”.

Toen ik in de jaren vijftig Gemert voorgoed verliet, vroeg de gemeentesecretaris, “Sjèkske Broek” (J.A.L.M. van den Broek): “Wa dénkte dan te vinge, wa ge hiejr nie hét?” Dat was behalve het hiervoor reeds genoemde (vrouw en kinderen), het Openluchtmuseum, het Rijksarchief, de studie Rechtsfilosofie in Leiden, steeds een prettige werkkring en heel veel mensen in een rijke variatie. Soms denk je dan terug aan de roep van de koekoek in de Kampen, het prachtige lied over Adeleskedobbeldoeskedij, een meisje dat boven haar stand mocht trouwen, welk lied op familiebijeenkomsten favoriet was, de helder gezongen liederen die weerklonken bij de familie Vermeulen of de zang van de familie Jonkers, die zich beperkte tot: “Holder de bolder, er zit een koe op zolder”. Allemaal herinneringen aan De Haag, een halve eeuw geleden.

Martien van der Wijst, Heerlen, 31 december 2002.

Bekijk PDF

GH-2002-01 Gerard van Lankveld (1947)

Ton Thelen

Voor het zestigjarig bestaan van de Heemkundekring in 2001 heeft Gerard in opdracht van de vereniging een klok gemaakt. Om dit te memoreren is de omslag van het tijdschrift Gemerts Heem dit jaar gewijd aan het werk van Gerard. Zoals gebruikelijk bij de omslagontwerpen van de voorbije jaren wordt ook een kennismaking met het werk van de kunstenaar in het eerste nummer van de jaargang opgenomen. Voor velen zal een kennismaking overbodig zijn, want met Gerard en zijn werk is Gemert al vele jaren vertrouwd. Zijn prachtig geschilderde woonhuis en de kleurrijke en fantasievolle bouwsels op zijn werkplaats en in de hof trekken de aandacht. Als klokkenmaker doet hij tot de verbeelding spreken met de fraaie klokken in de Openbare Bibliotheek, het Commanderij College, het Gemeentehuis en nu laatstelijk met de klok die een plaats krijgt in de Heemkamer. Wie goed rond kijkt, ziet op sommige schoorstenen opvallende windwijzers, zoals op het gebouw van de huisartsengroepspraktijk ’t Gasthuis. Allemaal objecten in een geheel eigen en variabele stijl, getuigend van een fascinerende betekeniswereld. Ook in verscheidene tentoonstellingen in Gemert is die wereld aanschouwbaar gemaakt met de wonderlijke objecten die uit zijn handen zijn gekomen. Over bekendheid en aandacht heeft Gerard allerminst te klagen. Vele tentoonstellingen buiten Gemert zijn gevolgd en menig artikel in krant en tijdschrift is aan het werk van Gerard gewijd. Dat is jaren terug wel anders geweest.

Bevrijding van vernedering en niet-erkenning

Een lange strijd om erkenning is eraan voorafgegaan, een strijd waarin hij de zo eigen betekeniswereld heeft opgebouwd, die onder de latere naam van ‘Monera’ al zijn werken bestempelt. Het is een wereld die niet alleen zijn objecten omsluit, maar ook zijn plaats bepaalt en in zijn beleving, denken en doen verankerd ligt. Zij kwam voort uit de persoonlijke strijd om zijn anders-zijn en unieke kwaliteiten begrepen en gewaardeerd te doen worden. Op indringende en aansprekende wijze is dit verhaald in het boek Gerard van Lankveld, samengesteld door Hans Glaudemans en Johan Claassen. Het is het verhaal van Gerard zelf, van het gevecht om aanvaard te worden, de onbegrijpende en ‘vijandige’ wereld om hem heen te overtuigen van zijn kunnen en waarde. Die persoonlijke strijd ligt inmiddels achter hem. Het is nu weliswaar stiller geworden in Monera, maar de betovering van een oorspronkelijke en zuivere kunstzinnige verbeelding bleef. Daarin beleeft hij een wereld voorbij de eenvormige nuchtere zakelijkheid, het recht-toe-recht-aan-denken, de fantasieloze reproductie, voorbij het belang van zichzelf bevestigende instituties en instellingen; een wereld met een eigen tijdregime, waarin het niet draait om productiviteit en geld, om het werken alleen en het als maar meer, waarin de mens telt om wie hij is en niet vanwege status of stand; een wereld zonder de saaiheid van het alledaagse, de vervlakking van het huisje-auto-boompje-beestje. De grote strijd is voorbij, maar Monera bestaat nog steeds, al is het niet meer om zich daarmee af te zetten, in het besef van ieders kwetsbaarheid.

‘Het verhaal van Gerard’ kwam uit in 1976, in een beperkte oplage van 200 exemplaren. Je kon daarop intekenen bij gelegenheid van een tentoonstelling over zijn werk op het kasteel van Gemert. Dat was mijn eerste kennismaking met Gerard en zijn wonderlijke objecten. Hoewel ik gefascineerd was door wat ik zag, stond ik onwennig tegenover een boek over een nog zo jonge kunstenaar. En om nou de eerste de beste dag dat ik in Gemert was komen wonen, meteen al boeken over Gemert aan te schaffen, leek mij wat al te haastig. Naarmate ik Gerard beter leerde kennen en waarderen, had ik spijt van mijn eerdere beslissing. Pogingen om het boek nog bij een naar ik hoopte wat minder geïnteresseerde bezitter los te kunnen krijgen, lukte niet. Toen ik bij toeval toch nog een exemplaar wist te bemachtigen, begreep ik na lezing van het boek waarom mijn pogingen op niets waren uitgelopen. Wie eenmaal zo’n boek heeft, doet het niet van de hand, maar koestert het als een prachtig getroffen zelfportret van Gerard en de sleutel tot het verstaan van zijn werk. Voor wie niet op het boek van Hans Glaudemans en Johan Claassen had ingetekend, kwam in 1990 een ’tweede kans’ om nader kennis te maken met de denken belevingswereld van Gerard. Dat jaar verscheen een kinderboek, geschreven door Annette Colen, met als titel Geert, de klokkenmaker. Op een zeer toegankelijke en aansprekende wijze vertelt zij over de moeizame weg die Gerard is gegaan om te laten zien wat hij kon en wat hij waard was. Op de lagere school kon hij niet zo goed mee, waarna de overstap werd gemaakt naar het speciaal onderwijs, “waar het leren wat langzamer ging”. Hier “joegen [ze] je niet zo op, maakten je niet zenuwachtig en deden flink wat aan handenarbeid”. En dingen bedenken en maken, dat kon en wilde hij. “Van de andere kant was het lastig dat je niet bij de gewone kinderen van de buurt hoorde. Je werd méér uitgescholden en je wist niet zo vlug iets terug te zeggen.” Al wist hij voor zichzelf wel dat hij iets kon, hoewel hij nooit goed in leren was, voelde hij zich door de omgeving wel als dom behandeld. Dat zijn gedrag ook anders was, maakte het nog erger.
Na heen en weer-geschuif kwam hij te werken op de Gemeentelijke Sociale Werkplaats in Helmond. Ook het werk daar deed hem geen recht en het gevoel van uitsluiting door leeftijdgenoten verminderde niet. De ontmoeting met een oude werkbaas, die op een uurwerkfabriek had gewerkt, stimuleerde. “Dat jaar maakte Geert zijn eerste eigen uurwerk. Toen ook begon Geert te begrijpen dat hij toch zo stom nog niet was.” De doorbraak kwam na de inzending van zijn klok naar het Museum van Nijverheid en Techniek te Amsterdam, voor een ontwerpwedstrijd van de ‘Jonge Onderzoekers’. Een jury rekende zijn klok tot de bekroonde inzendingen. Tijdens de finale, uitgezonden door de VARA-televisie, behaalde hij een derde prijs. Zowel vanuit Gemert als van daarbuiten ontving Geert blijken van lof en belangstelling. “Vanaf die tijd wist Geert dat hij niet dom was, maar juist bijzonder. Het had alleen wat pijn en moeite gekost om daar achter te komen.” Met deze bemoedigende, pedagogische boodschap dat je bij jezelf moet blijven, geloven en vertrouwen in wat je kunt, dat je nog niet de mindere bent ook al ben je anders, sluit dit kinderboek. Het werd 1991 uitverkozen door de Stichting Nederlandse Kinderjury.

Doorbraak

De klok waarmee hij voor het eerst in de schijnwerpers kwam, draagt de Oosteuropees klinkende naam van ‘Cizar Gorot’, wat staat voor ‘Keizerstad’. ‘Cizar’ afgeleid van Ceasar, een strijdvolle figuur die hem aansprak in een periode die vol was van strijd. Het is een astronomisch uurwerk, dat niet alleen de tijd meet, maar ook de stand van de zon en de planeten geeft en de dag-, week- en jaartelling. Minutieus en kunstig geschilderde torentjes, uit latoenkoper, ijzer en blik opgetrokken, bekronen de klok en verbeelden een imaginaire Russische stad die de geheimnisvolle en mystiek aandoende sfeer oproept van de Russisch-orthodoxe cultuur. Op deze klok, gereed in 1964 (uitgebouwd in 1966 en gewijzigd in 1969) volgde een tweede, nog ingenieuzer astronomisch uurwerk, eveneens met een Russische stad bekroond en de naam dragend van Gorot Mir, wat zoveel betekent als ‘stad van de vrede’. Het jaar zelf, 1967, toen hij landelijke belangstelling verwierf, was een jaar van grote triomf: het Jaar van de Heerlijkheid, Anno Cum Gloria, in de Latijnse benaming die Gerard eraan gaf. Dat jaar schakelde in een reeks van jaren, beginnend in 1962 met Anno Preludium, het Jaar van het Voorspel, toen Gerard zich bewust begon te worden van wie hij was en wat hij kon, terug begon te vechten tegen het onbegrip, de geringschatting en pesterijen die hij in zijn omgeving ontmoette. Goedbedoelde bemoeienissen om hem een plaats te geven in het reguliere, dat wil zeggen ‘normale’ arbeidsbestel brachten hem niet dichter bij de zelfontplooiing en erkenning waarom hij vroeg.

Paradijsvogel?

Gerard bond de strijd aan, een strijd op vele fronten; daarover vertelt hij uitvoerig in het boek dat in 1976 uitkwam; dat wordt in vele artikelen die aan hem en zijn wonderlijke objecten zijn gewijd, steeds weer aangehaald als een strijd tussen twee werelden, die van een zelfgecreëerde staat gericht tegen een ‘buitenwereld’ die hem dwong tot aanpassing aan waarden, wetten en regels waarnaar hij zich niet kon en wilde voegen. Heel zijn belevings- en betekeniswereld wordt daartoe herleid, zijn scheppingsdrang daarop teruggevoerd. Zoveel nadruk op de frustraties uit zijn schooltijd en werkomgeving, op het zich afzetten tegen de omgeving, op zijn ‘onaangepastheid’, op zijn anders-zijn in denken en spreken, op de fantasievolle werkelijkheid die bescherming en tegenwicht biedt, en de welhaast geromantiseerde, minzame sfeertekening van zijn leefomgeving roepen het beeld op van de zonderling, van de ‘paradijsvogel’ die onbezwaard leeft in een gesloten virtuele werkelijkheid en obsessief voortbouwt aan zijn fantasiewereld. Dit beeld doet Gerard en zijn werken geen recht. Het vervangt de stigmatisering in het verleden door een stigmatisering naar het verleden. Soms lijkt het opgeroepen beeld meer ingegeven door een hang naar sensatie, door de behoefte aan belevingsprikkels, dan dat het een serieuze poging is tot het verstaan van Gerard, van Monera en van zijn werken. Het gaat hier meer om de eigenaardigheden van de persoon dan om de eigenaard van zijn beeldende scheppingskracht. Om die te verstaan zullen wij anders moeten kijken, moeten wij ons vertrouwde perspectief verwijden. Daartoe daagt Gerard de toeschouwer op zijn wijze uit. Verwijzend naar de veelbetekenende naam ‘Monera’ legde hij uit dat daarin ook het begrip ‘moneren’ besloten ligt, dat “staat voor attenderen, aanwezig zijn om in de weg te liggen”, waarmee hij doelt op de gebaande weg die wij bewandelen. Bij gelegenheid van een tentoonstelling in Bakel (1995) lichtte hij heel plastisch toe: “Ik hou van een beetje voeren, de mensen wat op de kast jagen. Dan krijg je direct een hoop praat en als ze dan fanatiek zijn, waar ik wel van hou, komt er een hoop los.” De strijd tegen personen en instanties is de uitdaging aan onze instelling geworden. Niet alleen zijn voorwerpen stelt hij te kijk, maar in zekere zin ook onszelf met onze vertrouwde denkbeelden en -kaders.

Geert, de klokkenmaker

De klok Cizar Gorot waarmee Gerard buiten zijn directe omgeving trad, was het begin van een hele reeks van schitterende uurwerken. Waren deze in eerst instantie gemaakt voor hemzelf, om zich in zijn strijd tegenover de buitenwacht te bewijzen, later volgden opdrachten van (semi)-publieke instellingen en van particulieren. De kennis van het klokkenmaken heeft hij zichzelf eigengemaakt, aan de hand van boeken, aanwijzingen van anderen, maar vooral proefondervindelijk aan de hand van de klokken en uurwerken die hem in reparatie waren gegeven. Op die wijze leerde hij de verschillende vaste verhoudingsgetallen tussen de tandwielen, leerde hij de techniek van de overbrenging. Hij bouwde uitermate ingenieuze uurwerken, voorzien van een ingewikkelde en uitgebreide tijdmeting, een en al in beweging, maar ook heel eenvoudige klokken, die door hun rudimentaire overbrengingsmechanisme echter niet minder fascineren. Al die klokken getuigen van groot vakmanschap en dwingen bewondering af. Zij zijn ontstaan vanuit een idee, dat in en door de vormgeving zijn uiteindelijke gestalte kreeg. Als er al een ontwerptekening aan ten grondslag ligt, waarvan hij de vaardigheid heeft geleerd op het Vakcentrum in Uden, dan nog is het resultaat geen volgzame uitwerking daarvan. Elke klok is weer anders, maar ondanks de verschillen in de overwegende stijlkenmerken is elke klok in zijn vormentaal en detaillering herkenbaar als een product van de werkplaats Monera. Alle onderdelen en ornamenten zijn zelfgemaakt, fraai afgewerkt tot in de kleinste details. Om precieze tandwielen te kunnen maken, construeerde hij eigen gereedschap, dat even vernuftig als sierlijk is.

Na de eerder genoemde twee ‘Russischorthodoxe’ klokken bouwde hij vanaf 1975 aan een hoge, staande astronomische klok, in empirestijl uitgevoerd. Centraal daarin prijkt het astrolabium, dat ook in de eerdere klokken is aangebracht. Het basisprincipe van een astrolabium is kortweg gezegd het meten van de tijd aan de hand van de posities van de sterren, de aarde en de maan in hun omloop om de zon. In deze klok is dit uitgewerkt tot een uitermate ingewikkeld instrument waaraan een veelheid van tijdbepalingen is af te lezen: het uur van de dag, de dag van de week, de maand, zonsopgang en zonsondergang, de stand van de maan, het moment van zons- en maansverduistering, de tijden van het jaar, de perioden van de sterren uit de dierenriem. Een schijf met daarop de sterrenkaart draait eens in de 24 uur geheel rond en voegt daaraan na 365 dagen één omwenteling toe.
De toepassing van een astrolabium in een klok kwam in de tijd van de Renaissance in zwang. Vooral in Duitsland en de Nederlanden bracht dit bijzonder kunstig bewerkte uurwerken voort. Deze tot kunstwerken uitgegroeide oorspronkelijk wetenschappelijke instrumenten staan in verscheidene musea te pronken. Daartussen zou het ‘Horlogium Imperiale’ allerminst misstaan.
De klok is voorzien van 20 schildjes met daarop de symbolen van de jaren van strijd en overwinning en draagt als tekens van het onvergankelijke en onverwoestbare, van kracht en vaderland een braamstruik en eikentak. Majestueus, met een keizerlijke allure, toepasselijk gedoopt als ‘Horlogium Imperiale’, markeert de klok de innerlijke verrijking uit de voorbije jaren, uitgedrukt in de jaarnaam ‘Viginti Annorum Imperio Purgatos’, te verstaan als ‘door twintig jaar van opperbevel gelouterd’.

Het zijn zeer persoonlijke klokken die Gerard heeft gemaakt, zowel naar de wereld van de maker als naar de wereld van de opdrachtgever; beide zijn daarin herkenbaar en in die dubbele zin is elke klok uniek en tikt een eigen verhaal. Vier klokken in opdracht en voor een publieke plaats bestemd brengen beide werelden in samenspraak met elkaar.
De eerste opdracht kreeg hij in 1974; het moest een klok worden voor de Openbare Bibliotheek. Deze statige ‘St. James clock’ is uitgevoerd in een gotische stijl en voegt zich naar de stilte die in een bibliotheekruimte heerst. In januari 1984 leverde hij een astronomisch slingeruurwerk af aan het Macropedius College, dat thans is opgegaan in de brede scholengemeenschap het Commanderij College. De omloop van de tijd gestuurd wordt door de beweging van een giek waaraan een kogeltje aan een draad zich beurtelings om vier verticale spillen slingert. Elke keer dat het kogeltje verspringt, is een halve minuut verstreken. Twee wijzerplaten geven de tijd weer: de ene wijst de uren aan, de andere de omloop van de aarde om de zon. Beweeglijkheid, aandacht en techniek zijn in de klok leerzaam samengebracht. De klok kreeg een Griekse naam, waarvan de passende betekenis luidt: bewegingen en wentelingen rond twee centra. Het Grieks verwijzend naar de humanistische geleerde Macropedius, van Gemertse komaf, die zich beijverde voor de invoering van het Grieks op de Latijnse Scholen. De inspiratie voor deze klok deed Gerard op aan een klein model dat hij in het Utrechtse klokkenmuseum aantrof. Eenzelfde bewegingsmechanisme is ook aangebracht in een klok die hij voor een particulier maakte.

In 1984 verstrekte de Gemeente Gemert hem de eervolle opdracht om een klok te ontwerpen voor de hal van het gemeentehuis. Voor hem een bijzondere blijk van erkenning, een teken van overwinning en verzoening. Sedert de vorming van een progressief college was er een andere wind gaan waaien. “Als ze me acht jaar geleden gevraagd hadden om zoiets voor de gemeente te maken, had ik het niet gedaan.” Ondermeer via de politieke partij de Werkgroep Gemeentepolitiek, voortgekomen uit de progressieve jongerenbeweging MIC (Most Independent Community) waarin hij als gelijke was opgenomen, had hij zich immers in de afgelopen jaren krachtig afgezet tegen het beleid en de zijns inziens regenteske houding van de Gemertse overheid, die hij kwalijk nam dat zij hem in 1974 uit de WW had verplicht om te werken op de Gemertse kwekerij van de sociale werkplaats de Helso. Een aanvankelijk vreugdeloze tijd, waarin hij zich wederom achtervolgd voelde door het stempel van onvolwaardigheid en onaangepastheid en beklemd in een situatie die niet bij hem paste. Die beklemmende druk viel wat weg toen hij nog maar vier dagen hoefde te werken. Pas echt ruimte kwam er nadat hij een tweede (onbetaalde) vrije dag kreeg en het werk zelf volwaardiger werd sinds het instituut van sociale werkplaats uit de directieve en bevoogdende sfeer gehaald was.
Eind januari 1988 was het moment van de onthulling daar. De klok in rococoachtige stijl is ontworpen als een torenuurwerk, zonder slinger maar met een groot draaiend wiel. Hij gaf hem de naam ‘Lento Macom Brio’, ‘langzaam maar met glans’. ‘Fabriqué par l’empire de Monera’ staat erop geschreven. Het is een speelse parodie op de spreekwoordelijke ambtelijke traagheid, waar alles over vele schijven loopt. Elke vier seconden tikt de klok maar één keer. Is het een onvoorziene weerbarstigheid van de techniek, of is het de eigenzinnigheid van de klok, die zich zozeer aanpast aan de omgeving dat de traagheid soms naar stilstand nijgt? Die eigenzinnigheid is niet zonder risico. In de dynamiek en efficiency uitstralende verbouwing van het gemeentehuis lijkt hij zijn dominante plaats in de strakke inrichting van de hal te hebben verspeeld. Als laatste klok in deze rij het neogotische uurwerk dat Gerard in 2001 voor de Heemkundekring maakte. De vormgeving sluit aan bij de architectuur van het gebouw, de voormalige Latijnse School, waarvan de kapel op de bovenverdieping in gebruik is als werkruimte van de vereniging, de Heemkamer.

Veelzijdigheid

Gerard gaf Monera niet alleen zijn eigen tijdmeting, maar voorzag zijn staat ook van verdedigingsmiddelen als vliegtuigen en een duikboot, bouwde transportvoertuigen zoals stoomtreinen en stoomtractor, werkte aan communicatiemiddelen als telefoon en filmcamera, construeerde natuurkundige instrumenten zoals een drukweerstand, voltmeter, barometer, vochtigheidsmeter, weerstation en bol en ring van ‘s-Gravenzande, evenzovele hoogstandjes van een verbluffend technisch kunnen; richtte monumenten en gedenktekens op, herinnerend aan zijn strijd en overwinning; schiep objecten van kunst en cultuur zoals een gotische kapel, bijzondere, in primaire kleuren geschilderde houten objecten met scharnierende en schuivende delen, ontwierp sierraden, brillen en muziekinstrumenten; bracht een postzegel uit en betalingsmiddelen; gaf de staat als symbool van eigen identiteit een driekleurige vlag, voerde een eigen taal in en schreef zijn geschiedenis. Sommige objecten zijn nog niet voltooid. Niet alles is tot uitvoering gekomen, zoals een fontein die bestemd was voor een plaats bij het zwembad. Apart is het object dat hij in 1987 maakte voor het jongerencentrum De Bunker. Een hele grote uitgestoken tong, van multiplex gemaakt, staat voor de felheid, het swingende en uitdagende van de jeugd. Het zou vele pagina’s vullen om al die objecten te vernoemen, te beschrijven in hun prachtvolle, uitermate gedetailleerde vormgeving, om hun betekenisvolle benaming te vermelden en hun schepping te duiden tegen de achtergrond van zijn levensverhaal, waarmee zij zo sterk verbonden zijn.

Zijn werk nader beschouwd

Een fascinerende wereld opent zich, waarover een zweem van vroeger hangt. Het is een wereld waarin betovering, verstilde rust, liefdevol vakmanschap en schoonheid een contrapunt vormen in de beweging van de tijd naar eenvormigheid, rationaliteit en functionaliteit. Als ik Gerard daarin aanspreek, gaat hij helemaal op in zijn wereld, maar keert tussentijds zichzelf en zijn rijk relativerend terug tot de werkelijkheid van alledag, waarin voor hem van alles mis is.
Het werk van Gerard van Lankveld, die zichzelf soms vernoemt naar Macropedius, doet Bas Roodnat denken aan de mentaliteit van waaruit de Zwitser Jean Tingueli zijn fantasiemachines maakt, met de vreemde voertuigen van de Nederlander Joris Michielsen, en nog het meest met de vliegtuigen van de Belg Panamarenko (Henri van Herreweghe). ‘Macropedius’ en Panamarenko: “levend in een zelfgeschapen wereld waar gedachten en fantasieën door buitenstaanders nauwelijks te volgen kronkelwegen bewandelen die altijd uitkomen in een kunstwerk. Bovennormale ambachtelijkheid en handvaardigheid gaan samen met de verbeelding van een kunstenaar.” (NRC, 15 augustus 1997) Is bij de genoemde kunstenaars in mindere of meerdere zin sprake van commentaar op een steeds heviger gemechaniseerde en gecomputeriseerde samenleving, bij Gerard gaat dit volgens hem verder in de creatie van het enige land waarin hij leven kan, zijn Monera (NRC, 9 april 1987). De vergelijking met het werk van deze kunstenaars doet ook enigszins denken aan de fantasievolle apparaten van de Brabander Gerrit van Bakel, die in zijn ‘machinekunst’ de harmonie trachtte te herstellen tussen mens en machine, natuur en kunst, en aan de mysterieuze sfeer die de Limburger Michael Huisman in zijn mechanische objecten oproept. Toch is elke vergelijking ook weer een beperking van het authentieke en unieke in de kunst, die zich slechts bij benadering vertalen laat in de begrippen en categorieën die wij daarop aanbrengen. Geldt dat ‘onvermogen’ niet evenzeer waar wij de complexe wereld van Monera willen verklaren en benoemen? Ook de werken van Gerard roepen een tegenbeeld op. Zij zijn de veruitwendiging van een gedachte werkelijkheid. Hoewel Monera ontegenzeglijk deel van Gerards persoonlijkheid is geworden in zijn strijd tegen mensen en instellingen, is het de vraag waar de grens of liever gezegd de overgang ligt tussen een gedachte en geleefde eigen werkelijkheid. Zeker waar wij zien dat kunst en performance vaker in elkaar overgaan, waar de kunstenaar zelf deel uit maakt van zijn kunst, of zich in zijn leefstijl daarmee verbindt, is die vraag niet eenvoudigweg te beantwoorden.

‘Geofictie’

De wereld van Monera strekt zich ook in ruimtelijke zin uit over de naaste en verre omgeving. Straten, wijken, gebouwen, kanalen en beken in Gemert kregen geheel eigen Oost-Europese namen. Deze geografische aanduiding bleef niet tot Gemert beperkt. Zijn rijk breidde zich over geheel Noord-Brabant uit. Deze zogenoemde ‘geofictie’ kent vele bedenkers en vele vormen. Hoewel doorgaans geboren uit onvrede met de werkelijkheid, kennen wij haar ook als literaire vorm of als doordachte constructie. Wat haar bedenkers met elkaar verenigt, is de toewijding waarmee de fictieve werkelijkheid in hun leven een plaats inneemt. Het genre omspant een breed spectrum, met aan het ene uiterste een fantasmagorische werkelijkheid waarin de bedenker zich geheel terugtrekt, en aan het andere uiterste een louter aan de voorstellingskracht van de bedenker ontsproten fantasiewereld. Het rijk van Monera beweegt hier ergens tussenin. Op meesterlijke wijze balancerend op het dunne koord tussen werkelijkheid en fictie voert de taalkundige Roland Tweehuysen de lezer mee naar het land van Spokanië, dat bestaat uit een eilandengroep, met Berref als het centrum van het koninkrijk. Als een niet van andere te onderscheiden reisgidsen bracht uitgeverij Gottmer de op Berref toegespitste beschrijving van Spokanië uit in haar bekende Dominicusserie (2000). Aan dit land gaf Tweehuysen ook een eigen taal, die hij in heuse grammatica’s en woordenboeken vastlegde. Het hebben van een eigen taal, in mindere of meerdere mate systematisch uitgewerkt, van beeldende taal tot voertaal, is een veel voorkomend zo niet inherent onderdeel van de fictieve werkelijkheid.

Tot spreken gebracht

De begrippen en woorden die Gerard gebruikt om zijn rijk op de kaart te zetten, om in taal zijn denk- en belevingswereld uit te drukken, zijn even origineel als de objecten die hij maakt. In hun samenstelling, opeenvolging, ritme en klank brengen zij de beleefde en de gedachte werkelijkheid met elkaar in samenspraak. Niet alleen de wereld om hem heen, met zijn waarden, opvattingen, normen en regels stond hem tegen, ook de taal: “Het Nederlands klinkt niet, is zakelijk, uitgedroogd.” Zo heet een stoomwagen ‘Res Novis Imperatoris’, dragen twee stoomlocomotieven de namen van ‘Hyphaestos’ en ‘Syntalan’, is de filmcamera en tevens projector het ‘Ocula Magica’, meet het ‘Triantaresnium’ temperatuur, vochtigheid en luchtdruk, zijn de monumenten niet zomaar gedenktekens, maar rijzen op als ‘Obélisque de Libération’, ‘Place de la Victoire’, als het ‘Macropedius State Railroad Memorial’, of verheffen de staatsvlag als teken van oorlog, overwinning, vrede en hoop in het ‘Autel de la Nation’. Het zijn meer dan slechts opsierende namen. Objecten en taal zijn de kunstzinnige verbeelding van een anders geordende wereld.

Die orde is niet uniform of lineair, zoals ook de taal een complexe verbinding van betekenissen is. De meertaligheid van Monera is daarom geen samenraapsel zonder zin, maar welgekozen om een specifieke ervaring, beleving of stemming tot uitdrukking te brengen. Behalve de objecten en de ruimtelijke omgeving is ook de geschiedenis van Monera geschreven in die zo eigen betekenistaal. De jaren zijn meer en meer in barokke zinspreuken weergegeven. Gerard koos hiervoor het Latijn, dat de onalledaagsheid van zijn wereld beeldend verwoord. Het is geen ‘potjes-Latijn’ zoals wel wordt aangenomen. Ook hierbij gaat het hem om schoonheid en perfectie. Zijn zelfgedachte benamingen en zinspreuken zijn door de uit Gemert afkomstige classicus Frans Slits in een gaaf en welluidend Latijn omgezet. In een ets die Gerard in 1982 maakte ter herdenking van het twintigjarig bestaan van Monera heeft hij de jaaraanduidingen voorzien van de bijbehorende symbolen. Zij schrijven de geschiedenis van strijd, overwinning en verzoening, van verandering, groei en kracht. In cyrillisch schrift aan de onderzijde van de gedenkprent: Bevrijding van vernedering en niet-erkenning.
De jaarnamen worden steeds veelzeggender; een enkele is het Grieks vertaald. Zij rijgen aaneen tot een gedicht door de tijd. Stemmingen wisselen elkaar af.Na de loutering volgen een aantal jaren zonder naam; een periode van versukkeling, waarin de inspiratie moeizaam bevochten moet worden. In 1986 heeft Gerard zich hervonden en krijgt de geschiedenis weer naam. Nog enkele klankrijke jaarspreuken daaruit:
Bracchiis iterum tensis gaudio sublatis, wederom van vreugde de armen ten hemel geheven 1986
Quinque tenus facibus alui quas ipse ardentis, tot vijf fakkels die ik zelf heb gevoed terwijl ze brandden 1987
Vexillum lucem annos per viginti vidit, gedurende twintig jaar heeft het vaandel al licht gezien 1988
Arma in profundum proiecta in pertuum sunt, de wapenen zijn voorgoed in de diepte geworpen 1990
Me aspexerunt spei lumina, de lichten der hoop hebben mij aanschouwd 1991
Triginta fasces deni sunt colligati, dertig roeden te tienen samengeboden 1992
Angor me pugna prohibebat, de beklemming deed mij de strijd beletten 1993
 Nos laurae ImperatorisFolium unicum aurum sumus, wij zijn het enige gouden blad aan ’s keizers lauwerkrans 1997
Quinquaginta aetatis anni quasi catena serti, vijftig levensjaren als een ketting aaneengeregen 1997
Sine splendore annus, jaar zonder glans 1998
Languido ex torpore ad splendorem revertimus, uit de matte dofheid zijn zij teruggekeerd tot de glans 1999

Monera leeft en bouwt voort

Met het verstrijken van de tijd is de tijd voor Monera niet verstreken. De felle strijd is weliswaar gestreden, maar dit maakt Monera nog niet tot een relict van een verleden. Monera is even denkbeeldig als werkelijk gebleven, even constant als veranderlijk. In de overwinning uit de strijd ligt de kiem van groei en rijping.

Monera is niet alleen fictief op de kaart gezet, maar ook aanschouwelijk. Het centrum van het rijk laat zich niet moeilijk vinden. De luiken en boorden van zijn woonhuis heeft Gerard in de passende kleuren opgeschilderd, in een negentiende-eeuwse stijl, en voorzien van de kenmerkende emblemen. Wie daaraan nog achteloos voorbij mocht gaan, wordt teruggeroepen door opvallende bouwsels in de hof.
Bovenop de werkplaats prijkt een hoge toren, in Russisch-Armeense, Byzantijnse stijl opgetrokken, vermengd met andere stijldetails, helder geschilderd, en voorzien van helder klinkende luiklokken. Daarnaast verheft zich een sierlijk duifhuisje en roept een kerkje de mystieke sfeer op die Gerard zo in de Oost-Europese, religieuze cultuur aanspreekt. Ook deze bouwsels zijn in dito-stijlkenmerken uitgevoerd.
Omzomende bomen zijn als in een totaalconcept tot bijpassende vormen gesnoeid. Unieke bouwsels in hun soort. Een soort die als zodanig in zijn eigenzinnige verschijningsvorm voor het eerst in Engeland werd ontdekt, maar zich ook over het Europese continent wijd verspreid heeft.In zijn even eigenzinnige boek, onder de titel van Follies, Bizarre bouwwerken in Nederland en België (1995) leidt de kunsthistoricus Wim Meulenkamp de lezer naar de vele onontdekte of niet herkende locaties van deze ‘practical jokes’ in de bouwkunst. Een folly is een bouwkundige dwaasheid, die zich niet stoort aan regels van architectuur. Follies zijn strikt persoonlijk, geschapen omwille van zichzelf en omwille van zijn maker. “Met hun bizarre stijl, vorm of verhaal fungeren zij als de stenen spiegels van de ziel.” Wie mocht denken dat ze een nieuwigheid zijn van onze hedendaagse cultuur vergist zich. Het voorkomen daarvan gaat terug tot het begin van de achttiende eeuw. Op zijn zwerftocht door Nederland en België heeft Meulenkamp ook Gemert aangedaan. Maar moeilijk kon hij zich losmaken uit de wereld die Gerard omgeeft.
Even breed als het spectrum van de geofictie is het fenomeen van de follies. Sommige olijk, met een knipoog naar de toeschouwer, andere zijn op zich mooie, prachtige of erotische bouwsels, maar ook duistere, dreigende of waanzinnige bouwwerken behoren ertoe. Dergelijke “vreemde bouwsels tonen op een scherpe manier het dunne onderscheid tussen prestige en waan”, aldus een inleidende opmerking bij de presentatie van een tentoonstelling in Gent, opgezet rond het thema van macht en waan; een tentoonstelling waar ook het werk van Gerard vertegenwoordigd was.

Over de grens

Aandacht voor zijn werk heeft Gerard volop genoten, in de pers en door de vele tentoonstellingen buiten Gemert. In 1971 was een selectie uit zijn werk te zien op de tentoonstelling ‘Keuze b. 1971’ in Het Kruithuis in Den Bosch. Hij exposeerde hier samen met andere kunstenaars als Arie Berkulin uit Beek en Donk en Victor van Kooten uit Breda. Onder de inzendingen noemde mr. Ton Frenken de schitterende verzinsels van Gerard als de meest verrassende. Gevoelig voor stemmingen drukte Gerard de wat onaangename sfeer die rond deze tentoonstelling hing uit op de hem kenmerkende wijze: ‘Exposium Solvitas’. In 1978 was zijn werk te aanschouwen in Het Oude Raadhuis te Beek en Donk, het jaar daarna in De Pronkkamer te Uden. De tentoonstellingen volgden elkaar snel op: 1980 in de Commanderij van St. Jan in Nijmegen, 1982 in het Jan Cunencentrum te Oss, in De Krabbedans in Eindhoven en het Lucas-ziekenhuis in Ugchelen. Ook Sint-Oedenrode schonk in deze jaren aandacht aan zijn werk. Het Cultureel Centrum De Vaart in Hilversum exposeerde zijn werk in 1984. De Heemkamer Barthold van Heessel te Aarle-Rixtel nam zijn werk op in 1986, de gemeentelijke expositieruimte De Kunstzaal te Hengelo volgde het jaar daarop. In 1990 was zijn werk weer te zien in Beek en Donk. Met het accent op de vernuftige techniek presenteerde de Faculteit van het Industrieel Ontwerpen van de Delftse Technische Universiteit een selectie in 1991. Bij deze gelegenheid hield Gerard ook een lezing. Het Philips-concern te Eindhoven toonde eenzelfde belangstelling voor zijn ingenieuze natuurkundige apparaten. In 1995 was zijn werk te aanschouwen in het gemeentehuis van Bakel. Het meest vergenoegd was Gerard met de tentoonstelling in 2000 te Gent en in 2001 te Dresden. “Gandavo aethera carpens Dresdam alis volvavi, op de vleugels van Gent naar Dresden”, dichtte hij als jaarspreuk voor 2000. Bij de tentoonstelling te Gent wil ik wat nader stilstaan.

Aan de groots opgezette herdenking van de geboorte van keizer Karel V in 1500 te Gent leverde het Museum Dr. Guislain een “eigen-zinnige” bijdrage met een ’tegententoonstelling’ rond het thema van macht en waan. Aanleiding daartoe was het historische gegeven dat de familiale dynastie waartoe hij behoorde een reputatie had op het vlak van erfelijke en psychische aandoeningen. De lokatie van de tentoonstelling, de gebouwen van een voormalige negentiende-eeuwse en voor die tijd zeer moderne psychiatrische instelling, gaf aan de bezinning op dit thema een uitermate indringend karakter. Onder de titel ‘Gestoorde Vorsten’ riepen de samenstellers op “om de al te evidente scheiding tussen macht en waan anders te bekijken, kritisch te bevragen en verwonderd te zijn om de banden die hen binden”. Naast koningen, keizers en presidenten wiens macht naar het hoofd gestegen is, die iets hebben met waanzinnige, megalomane projecten, zijn er “de ‘anders- normalen’, die bezeten door de zin naar macht, een eigen schijnwereld ontwikkelen’. Wat moest Gerard op deze tentoonstelling? Drs. J.M.C. van Berkum, voormalig directeur van het Museum De Stadshof te Zwolle dat ook werk van Gerard in de collectie had, motiveert dit onder verwijzing naar de strijd van Gerard tegen een omgeving die hem miskende, waartegen hij zich teweer stelde door een eigen wereld te scheppen: “een virtueel imperium, dat hem in de rol van Macropedius leiderschap verleent.” Deze typering van de persoon en zijn werken verengt volgens mij te zeer de betekenis die Gerard aan zijn Monera ontleent en verleent. De denkbeeldige werkelijkheid waarnaar hij ontsnapte aan de als vijandig ervaren druk uit de omgeving, wordt hier ‘bevroren’ op het moment van het ontstaan. Men kan ook de andere vraag stellen of het beeld van ‘Macropedius onder de ongeletterden, keizer temidden van de dorpelingen’ ook niet de betekenis heeft van omkering van de werkelijkheid, van een spiegel naar twee kanten.
Het thema van de tentoonstelling ‘andersnormalen’ nodigt uit tot bezinning over de invulling en beleving van de beide componenten van dit zo geschreven begrip. De wederkerigheid daarvan waarschuwt voor stigmatisering, voor onze neiging om in categorieën te denken. Ik houd het op een door Meulenkamp aangehaalde uitleg van excentriek als ‘ex-centrisch’, gelegen buiten het centrum, en laat de invulling daarvan open.

Bekijk PDF

GH-2001-04 Duitse les op Nazareth

Ad Otten

Dien van Kessel is geboortig van 1929. En zij maakte het mee dat ze in die oorlogsperiode er na de zesde klas ook nog een zevende leerjaar aan vast moest plakken. Want op de Nazarethschool zou toen ook ‘Duits’ geleerd gaan worden. ‘Dat is wel prettig zei een zuster ons,’ zo vertelt Dien, ‘omdat er in ’t Deutsches Lehr- und Lesebuch für die Niederländische Volksschule ook liedjes en versjes staan.’ Dien leerde dus tijdens de bezetting op school Duitse liedjes en ook bijvoorbeeld aftelversjes. Ze kent er nog steeds van buiten: ‘Eins, zwei, drei, du bist frei. Vier, fünf, sechs, alte Hex. Und-so-weiter und-so-weiter…’.
Dien zingt er meteen ook een liedje achteraan van: ‘O, wie wohl ist mir am Abend, mir am Abend, wenn zur Ruh’, die Glocke läutet, die Glocke läutet! Bim-bam, bim-bam, bim-bam.’ ‘Dè lied zongen we meerstèmmig, èn ‘r wiejr op de Nazereth toen wa af gebimbamd jonge, dè zèg ‘k oew,’ zo vertelt Dien, ”t bimbamde gelejk durrín!’

Bekijk PDF

GH-2001-04 Vooroorlogse juffen van Nazareth

Ad Otten

Al voor de oorlog gaven er niet alleen zusters maar ook verschillende juffrouwen onderwijs op de Nazarethschool aan het Binderseind. Zo zien we hier op de foto maar liefst zeven onderwijzeressen poseren voor de hoofdingang van de school aan de in de volksmond zo genoemde Nonnenpad. Deze pad liep vóór de uitbreiding van het schoolgebouw in 1934 en de tegelijk aangelegde speelplaats daarachter, nog helemaal door om via een brugje over de Rips uit te komen op de Molenakker en de Stroom. We kennen niet alle personen op de foto. Van links naar rechts To Werts, een onbekende juf, Nolda Slits, nog een onbekende juf, Mies Hendriks, Riek Vrins en Mien van Venrooy. Eén van de onbekende personen is wellicht Juf Stevens. Het zijn allemaal ongetrouwde juffen want regel was toen dat elke juf haar ontslag kreeg wanneer ze in het huwelijk trad. De foto moet dateren van kort voor het uitbreken van de oorlog.
Bovenstaande informatie is van Dien Scheepers-van Kessel die in april 1940 juist begon in de vijfde klas. Van de zusters in het onderwijs herinnert Dien zich nog heel goed Zr. Corona, bij wie ze in de vijfde kwam, maar ook Zr. Laurentia, die de zesde deed en Zr. Wilhelmina, het hoofd der school, en verder de zusters Nimpha, Veneranda en Dominica die stonden voor de bewaarschool en de eerste en tweede klas.

Wie helpt ons
aan de namen van de ontbrekende juffrouwen?

Bekijk PDF

GH-2001-04 De madam van Rue du Chateau

Ad Otten

We zaten in het gemeentearchief van Gemert weer eens naast elkaar. Wim van de Vossenberg en ik. ‘Zeg Ad,’ zei Wim opeens, ‘hier heb ik iets dat jou wel zal interesseren. Weet je hoe het Ridderplein in de Franse Tijd heette?’ Ik suggereerde iets van ‘de Merkt’ of van ‘le Marché’ op zijn Frans, maar ik wist natuurlijk wel dat Wim iets heel anders als verrassing in petto had. Want zo ken ik Wim onderhand wel. Welhaast elke dag kun je hem ergens in een archief of in een of andere heemkamer tegenkomen. Is het niet in Gemert dan is het in Den Bosch. En elke keer heeft hij weer iets aparts.
‘Van de Kapelaanstraat tot de Virmundtstraat heette het toen,’ Wim hield om de spanning op te voeren, even de adem in: ‘Rue du Chateau!’ En vervolgens liet hij zijn bron zien: De Volkstelling van 1797 in de Commune Gemert. ‘En,’ ging hij verder, ‘kijk hier ‘ns, in jouw geboortehuis op het Ridderplein (nu: Otten Mode), daar woonde toen Madame de la Court. Zij was de weduwe van de in 1792 overleden drossard Peter Adrian de la Court. En kijk eens wat haar beroep was. Madame de Lieu! En nou moete gij me maar eens vertellen wat dat is?’ Tja en dat wist ik natuurlijk ook niet, maar duidelijk is wel meteen wat voor een kostelijke bron Wim daar zomaar weer bij de kop heeft genomen. Een bron met per straat en per huis de hoofdbewoner, diens beroep, het aantal medebewoners etcetera etcetera. Tja ‘madame de lieu’. Wat zou dat nu kunnen betekenen? De plaatselijke madam? Zoiets kennelijk. De Fransen hadden dan wel vrijheid, gelijkheid en broederschap gepropageerd maar kunnen verhinderen dat er in Gemert zich nog steeds iemand liet betitelen als ‘de plaatselijke madam’ daar hadden ze geen stokje voor kunnen steken!? Weet je trouwens hoe de meisjesnaam luidde van de weduwe van Drossard De La Court? Nou zij heette Marianne (!) van Gemert. En voor Mariannes hadden Fransen een zwak, dat is bekend. Zij was oknie niks, want zij was een dochter van (bouw)meester Martinus van Gemert, oud-president-schepen van Gemert, en haar stiefzoon Paulus de la Court zou het onder koning Lodewijk Napoleon maar liefst brengen tot landdrost van Brabant. Tja, madame de lieu!?

Bekijk PDF

GH-2001-04 Achturense mis in de Kampen

Martien Verbruggen

Na de opvoering van de Donderdagse Mis aan de Zuid-Om in het vorige nummer van Gemerts Heem mag de Achturense Mis in de Kampen niet onvermeld blijven.

Op 11 november 1779, zo laten de schepenprotocollen ons weten, deelde Gijs van Fried Verhofstadt als kindskind van Sieur Gijsbert van Maenen mee in een erfenis, waarbij hem naast brouwerij De Wildeman aan de Markt onder andere een stuk land ten deel viel “in de Campen tussen de agtuurense misse en kinderen Leen Philipse“. Ook hier wordt dus een stuk grond kort door de bocht aangeduid met de mis die uit de opbrengsten ervan moest worden gelezen of gezongen. Voor de oorsprong van deze benaming moeten we in dit geval waarschijnlijk te biecht bij de fundatie van Egidius van Nouwenhuys, die in 1516 in de Gemertse kerk het Sint Jorisaltaar stichtte. Van zijn fundatie maakte ook een stuk grond in de Kampen deel uit en het lijkt niet te gewaagd om dat perceel in verband te brengen met de benaming “achturense mis”. In 1744 werd de fundatie Nouwenhuys door de erfgenamen van Servaas en Maria Judith Verhofstadt overgenomen en uitgebreid met Donderdagse Mis om acht uur. Deze laatste stichting is door pater Van den Elsen uitvoerig beschreven in het Officieeel kerkbericht van 18 maart 1917. In een artikel genaamd “Een Donderdagsche Mis” maakt hij zijdelings gewag van nog een tweede donderdagse mis, naast die van de familie Verhofstadt. Deze mis was in 1491 door de gebroeders Gerard en Willem Berniers gesticht en werd ook in de tijd van pastoor Strijbosch, rond 1600, ter ere van het H. Sacrament gezongen en wel met diaken en subdiaken. Zou dat dan misschien de donderdagsche mis zijn waarnaar het stuk grond bij de Beekse Dijk vernoemd was?

Hoe dan ook, die donderdagse missen waren heel speciaal en hadden met name te maken met de verering van het H. Sacrament. Volgens een aantekening van pastoor Gautius (pastoor van 1692 tot 1736) werden elke woensdagmiddag in de kerk de lauden van het H. Sacrament gelezen of gezongen hetgeen eveneens met een stichting te maken had. Op donderdag volgden dan kennelijk meerdere missen, en ter afsluiting werd op zaterdagmiddag om vier uur nog de litanie gezongen en de zegen met het H. Sacrament gegeven. Toen pater Van den Elsen in 1917 zijn artikel schreef werd nog elke donderdagmorgen om zes uur (!) een gezongen mis opgedragen met “uitstelling” van het H. Sacrament.

Hopelijk is met deze duit in het (kerke) zakje het fenomeen ‘donderdagse mis’ weer een beetje duidelijker geworden.
En as ge ’t nie geleuft moete oewen aajge misse mar kaëre!

Bekijk PDF

GH-2001-04 Enkele merkwaardigheden van de Handelse Kapel

Peter Lathouwers

Al lezende door de diverse publicaties over het Handelse bedevaartsoord in voorbije eeuwen valt het je op dat er vaak gesproken wordt over de vele pelgrims die Handel bezochten. Op bijzondere feestdagen waren het er soms duizenden. Toegegeven, een flink aantal auteurs van die publicaties schreven elkaar na, maar er zijn ook authentieke verslagen zoals die van de rectoren Strijbos en Moraeus. Strijbos schrijft dat er in 1598 duizenden pelgrims Handel aandoen en dat de religieuze activiteiten zowel binnen als buiten plaats vonden. Buiten stonden altaren en biechtstoelen opgesteld waar diverse priesters van ’s morgens vroeg tot laat in de middag biecht hoorden.
In 1628 meldt Moraeus dat er op tweede Pinksterdag (Handelse kerkwijdingdag) 4000 bedevaartgangers het bedevaartsoord bezochten. Dat is ruim 31/2 keer het aantal dat nu jaarlijks met de Valkenswaardse bedevaart naar Handel komt. Het zal daarom niet verwonderen dat er toen van heinde en ver priesters werden aangetrokken voor het houden van biechtmarathons.
En wanneer men bedenkt dat het vloeroppervlak van de zeventiende eeuwse kapel maar ’n derde was van het huidige vloeroppervlak dan vraag je je af hoe al dat volk in zo’n klein kapelletje kon? Niet dus, het toenmalig kapelletje kon slechts zo’n 400 mensen herbergen.

In defilé langs Maria

Buiten in de openlucht werden altaren en biechtstoelen opgericht waardoor er toch aan een behoefte werd voldaan. Maar zoals bekend, je bent niet in Lourdes, met al zijn kerken en kapellen, geweest, als je niet de grot met het Mariabeeld hebt bezocht. En zo kwamen ook de toenmalige bedevaartgangers naar Handel om het wonderbare Mariabeeld te zien en te aanbidden. In eerste instantie bevreemdt het dat de kleine zeventiende eeuwse kapel behalve de toch ruime “voordeur” onder de toren ook nog twee zijdeuren in de zijgevels (noord en zuid) had, die precies tegenover elkaar waren gelegen. Deze zijdeuren zijn sinds de grootscheepse vergroting en restauratie van 1896 dichtgemetseld maar als zodanig aan de buitenmuren nog duidelijk zichtbaar aanwezig.
De Mariatroon bevond zich destijds in het midden van de kapel. Sporen in de vloer geven aan dat het hekwerk rondom de troon pal langs de denkbeeldige looplijn tussen de twee zijdeuren stond. Dit moet de oplossing zijn geweest voor de duizenden pelgrims die vaak tegelijk de Handelse kapel van Maria wilden bezoeken. De twee zijdeuren en de positie van de Mariatroon gaven op de drukbezochte hoogtijdagen de bedevaartgangers de mogelijkheid om in defilé langs het Mariabeeld trekken. Het moeten de Duitse Orde-heren geweest zijn die het hier beschreven defilé voor Onze Lieve vrouw van Handel via de zijdeuren mogelijk hebben gemaakt. Dat lijkt althans wel heel aannemelijk door het feit dat zij boven de zijdeuren hun wapenstenen lieten inmetselen. Alle pelgrims maakten op die manier direct kennis met de grote weldoeners van de Handelse Kapel. En… (hint voor de monumentenzorgers) die wapenstenen zagen er in het verleden heel wat kleuriger uit dan nu. Immers een wapensteen zonder kleur die is gewoon niet af, òf verwaarloosd, òf niet onderhouden.

Holle ruimtes

Nog regelmatig blijkt dat oude kerken maar mondjesmaat hun geheimen prijsgeven. In 1937 zakte spontaan een deel van de vloer van de Handelse kerk in, waardoor een tot dan toe onbekend gebleven graf werd ontdekt, met de, naar later bleek, stoffelijke resten van kluizenaar Hogardus Verhofstad (†719). En in oktober 1990, bij de laatste opknapbeurt van het interieur van de Handelse kerk, toen het stucwerk van de wanden werd verwijderd, kwam ook weer iets te voorschijn. Bij het verwijderen van loszittend metselwerk kwamen er twee holtes voor de dag die een nadere beschouwing waard zijn.

Een ziekenzaaltje??

Onder het balkon (oksaal) achter in de kerk, kwam links van de kerkingang een getoogde en getraliede opening in de muur tevoorschijn, waarachter zich een houten luik bevond met een rechthoekig gat van ca. 10 x 5 cm.. Deze opening moet bij de bouw van de nieuwe toren, nu ruim 100 jaar geleden aan de buitenzijde zijn dichtgemetseld. Oorspronkelijk vormde deze opening een verbinding met een kamer naast de oude toren, een van de twee aanbouwsels aan weerszijden van deze toren (zie bijgaande foto en plattegrond). Deze kamer was van buitenaf bereikbaar met een deur, maar was niet toegankelijk vanuit de kerk zelf.
Het traliewerk met het houten luik doet denken aan een zogenaamd ‘slot’ binnen een klooster, echter slotnonnen en -monniken kwamen hun klooster niet uit dus kan het vertrek daar niet voor bedoeld zijn geweest. Aannemelijker lijkt het dat het vertrek achter het tralievenster, werd gebruikt voor het onderbrengen van bedevaartgangers met een besmettelijke ziekte. Om ze, zonder gevaar voor de omgeving, toch aan de misviering en Mariaverering deel te kunnen laten nemen, zouden ze in deze kamer ondergebracht kunnen zijn. Via het kleine gat in het luik kon men de mis horen en de communie uitgereikt worden. We moeten daarbij bedenken dat de hoorafstand toen ongeveer de helft korter was dan nu. Na verbouwingen van 1708 en 1896 kreeg de kerk pas zijn huidige lengte.
Een andere holle ruimte bleek een eenvoudige nis, juist voor de eerste ingang tot de huidige biechtkapel vanuit het middenschip, in de noordgevel. De onderkant van de nis lag op vloerhoogte en was ongeveer 1,25 m. hoog. Mogelijk dat de nis verband houdt met het altaar in het priesterkoor dat tot 1708 in dit deel van de kapel bevond. Mogelijk diende de nis als opbergruimte voor ampullen en/of andere liturgiebenodigdheden. Een andere mogelijkheid is dat ze op enigerlei wijze verband houdt met de zijaltaren die werden opgericht na de kapelvergroting van 1708. (zie illustratie votiefschilderij 1726) Dat zou betekenen dat in de zuidgevel ook een dergelijke nis zou kunnen zijn. Het bovenstaande is deels gebaseerd op veronderstellingen. Voor andere suggesties hou ik me graag aanbevolen.

Bekijk PDF

GH-2001-04 800 jaar “zwart op wit”

Ad Otten

Gemert heeft een aparte geschiedenis. Toen de Fransen in 1800 Gemert verkochten aan de Bataafse Republiek kwam er definitief een eind aan een reeds 600 jaar bestaande ‘status aparte’. Gemert was een Vrijheid van de Duitse Ridders. Op het kasteel naast de kerk, in het centrum van zijn soevereine heerlijkheid, resideerde de vrijheercommandeur. Hij was dé grootgrondbezitter van Gemert, hij besliste over leven en dood, stichtte en financierde de parochie én de latijnse school, hij claimde het recht van wind en water, hij was eigenaar van een 25-tal van de grootste boerenhoeven in de gemeente, enzovoort enzovoort.

Duitse Orde: Zwart op Wit

Van het kasteel van Gemert is van oudsher bekend dat de poorten, staldeuren en luiken werden beschilderd met zwarte zandlopers op een wit veld of omgekeerd. Wit-zwart waren de kleuren van de Duitse Orde, die waren afgeleid van het zwarte kruis op het witte schild waarmee ze in de middeleeuwen in ‘een heilige oorlog’ op kruistocht trok. Op de prenten van Valentijn Klotz en Josua de Grave uit 1675 zijn die witzwarte zandlopers op Gemerts kasteel al zichtbaar. Of ook de andere bezittingen van de Orde, zoals de kerken van Gemert en Handel, en verspreid in de gemeente molens, hoeven en huizen en bijvoorbeeld ook de Latijnse School van die wit-zwarte zandlopers waren voorzien, is niet zo duidelijk aantoonbaar omdat daarvan geen oude prenten zijn bewaard gebleven. Maar desalniettemin zijn er voldoende aanwijzingen dat op of bij die genoemde objecten tenminste een of andere wit-zwarte aanduiding als aannemelijk mag worden verondersteld. Temeer omdat de kleuren van de Orde golden als een soort van onroerend-goed-verzekering. Want kwam je aan het bezit van de Heer van de Heerlijkheid, dan was je nog niet jarig. Dat was algemeen bekend.

Ridders van Gemert: Wit op Zwart

De kleuren wit-zwart voor Gemert gaan nog een stuk verder terug dan de vestiging van de Commanderij van de Duitse Orde in Gemert. Het toeval wil namelijk dat de adellijke familie Van Gemert, die kort na 1200 de Orde in Gemert binnenhaalde, zich manifesteerde in dezelfde kleuren. Zij het dan in omgekeerde volgorde. Want terwijl een Duitse ridder zich ‘wapende’ met een zwart kruis op een wit (=zilveren) schild, zo deed de adellijke Van Gemert dat, met drie witte (=zilveren) plompenbladeren op een zwart schild.

Identiteit in verval

In de Franse Tijd moest de adel een (heel) stapje terug en daarmee geraakten ook de adellijke kleuren die waren overgegaan op hun heerlijkheden wat in een verdomhoekje. En in die tijd was er ook geen ‘borger’ meer te vinden die zich nog tot de kleuren van zijn vroegere ‘heer’ bekende. Hij zou wel gek zijn! De adel had afgedaan. Heel duidelijk was dat ook zichtbaar in de naamswijzigingen die Gemertse herbergen ondergingen. De gezagsgetrouwe uithangborden van De Keizer en De Duitse Grootmeester verdwenen uit het straatbeeld. Van de laatste herberg is bijvoorbeeld bekend dat die zijn naam wijzigde in die van ‘De Borger Compagnie’. Onder het motto ‘Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap’ werd alles herordend en gelijkgeschakeld. Zo werd de Duitse Orde in 1794 uit haar Vrije Heerlijkheid Gemert verjaagd, haar bezit in beslag genomen en werd Gemert net als andere plaatsen en heerlijkheden ‘gedemocratiseerd’ tot een doodgewone gemeente. Toen evenwel eind 1813 het onafhankelijke Koninkrijk der Nederlanden in de steigers werd gezet, en twee jaar later Napoleon werd afgevoerd naar St. Helena, kwamen de oude vertrouwde kleuren op heel veel plaatsen toch weer terug. En… ook de herbergnamen. Het is opvallend dat ten tijde van het uitbreken van de Belgische Opstand in 1830 in Gemert nieuwe herbergnamen als De Kroon, De Gouden Leeuw en De Keizer opgang maakten. Na de Franse Tijd werden de gemeenten van het koninkrijk der Nederlanden nu zelfs geprest om ‘kleur’ te bekennen, dat wil zeggen zij moesten zich conform de regels der heraldiek een gemeentewapen aanmeten. Op veel plaatsen werden de oude wapens van de vroegere Heren der Heerlijkheid weer van stal gehaald. De plattelandsgemeenten in het katholieke Noord-Brabant vormden daarop de grote uitzondering. Zij, die zolang verstoken waren geweest van de openlijke uitoefening van de katholieke eredienst, kozen veelal voor hun parochieheilige in goud op een veelal hemelsblauw schildveld. De gemeente Gemert echter had de intentie om haar in de historie gewortelde kleuren van ‘zwart op wit’ getrouw te blijven. Zij koos voor het wapen van de inmiddels opgeheven Duitse Orde, dat wil zeggen voor het zwarte kruis op een wit veld en het wapen beladen met een hartschild met een opvliegende zwarte adelaar in een gouden veld. Toch zou de gemeente Gemert een qua kleur ander wapen worden toebedeeld. Daar men op het gemeentehuis in Gemert niet beschikte over kleurpotloodjes had men met arceringen en stipjes trachten aan te geven welke kleuren het wapen moest krijgen. Die arceringen en stipjes werden in Den Haag echter anders geïnterpreteerd als ze bedoeld waren en zo kreeg de gemeente Gemert het hier niet bedoelde en heraldisch onjuiste wapen zoals dat nu nog wordt teruggevonden onder de dakrand van het oude gemeentehuis op de hoek van de Kerkepad en de Kerkstraat: Een zilveren kruis op een gouden veld beladen met een hartschild van zilver en een zwarte adelaar. Dit misverstand had uiteraard geen invloed op de kasteelkleuren want die bleven gewoon zwart met wit. Adriaaan van Riemsdijk, die in 1813 het kasteel had aangekocht van de Franse Domeinen, had de oude kleuren gerespecteerd. Dat respect voor de historie behield Van Riemsdijk ook toen hij een aantal jaren later in de adelstand werd verheven en hij zijn familienaam officieel verlengde tot ‘Van Riemsdijk van Gemert’. Toen de nieuwe jonker kort na 1830 zijn adellijk bezit in Gemert uitbreidde door aankoop van de staat van de vroegere hoeven en molens van de Duitse Orde werd Gemert zoetjesaan weer de zwart-witte gemeente van weleer. Dat kwam met name tot uiting toen tussen 1870 en 1880 het hele kasteelbezit grondig werd opgeknapt door kasteelheer Jonkheer Scheidius die niet alleen veel aandacht schonk aan het kasteel en het park maar ook aan de hoeven. Hij was ook de bouwheer van de zwart-witte kasteelhoeve buiten de grachten. Tot 1875 was die hoeve nog gevestigd in de vleugels van het poortgebouw aan de buitengracht. Scheidius riep in Gemert ook een boerenbond in het leven en hij liet ook zijn boerderijen buiten het kasteelcomplex (weer) voorzien van wit-zwarte zandlopers. Bij de bevolking maakte hij zich zo populair dat hij, nota bene als protestant, door een vrijwel volledig rooms-katholieke bevolking werd verzocht om wethouder te worden in het gemeentebestuur. Daar had hij echter geen tijd voor liet hij in een bedankbrief weten en spijtig voor Gemert verhuisde hij al in 1879 naar elders. Intussen droegen al wel her en der verspreid in de gemeente zijn bezittingen de zwart-witte zandloper op hun (stal)deuren en luiken. Scheidius verkocht in 1881 het kasteel met de kasteelhoeve aan de Franse paters Jezuiten, maar hij en zijn familie zouden nog tot diep in de twintigste eeuw een omvangrijk onroerend-goed bezit in het buitengebied van Gemert aanhouden. Dat kon evenwel niet verhinderen dat in de loop van de twintigste eeuw het aantal zwart-witte hoeven door verkoop, brand, sloop of meer nog gewoon aojt èrremoej heel snel terugliep naar uiteindelijk nog slechts één boerderij: De Hoewf! Bejaarden hebben ondergetekende nog verteld hoe zij zich de zwart-witte staldeuren en luiken van de boerderijen op Milschot en Tereiken konden herinneren, terwijl van De Kokse Hoeve aan de Aa in die hoedanigheid nog een paar tekeningen uit 1895 zijn bewaard gebleven. Maar dat is dan ook alles wat er in de tweede helft van de twintigste eeuw van de oude Gemertse identiteit nog was overgebleven.

Voorbeeldfunctie Gemert voetbal

De bevolking van Gemert bleek overigens die kleuren niet vergeten. Na eerst GVV Gemertania in 1906/1907 waren het vervolgens de voetballers van rk GVV Gemert in 1912, die zich opwierpen als de nieuwe vaandeldragers van de Gemertse identiteit. Over de kleuren die zij zouden verdedigen is nooit gediscussieerd. Van meet af aan waren zij de wit-zwarten en dat bleven ze. Het ging immers om de eer van het dorp! In navolging van de succesvolle plaatselijke voetbalclub staken uiteindelijk ook andere Gemertse sportclubs zich in (overwegend) zwart-witte tenues. En toen in de afgelopen jaren zeventig de gemeente Gemert zich een eigen gemeentevlag aanschafte, koos het gemeentebestuur unaniem voor de van de Duitse Orde gekopieerde vlag die bij thuiswedstrijden al gedurennde tientallen jaren had gewapperd, eerst op het voetbalterrein aan de Molenstraat en vervolgens op het Sportpark Molenbroek. Een sjieke witte vlag met een zwart kruis, incluis de  opvliegende zwarte adelaar op een goudgeel vlak in de bovenhoek aan de vlaggenstok. Maar er waren nog bemoeizuchtige buitenstaanders die afbreuk probeerden te doen aan de kleurvastheid van de Gemertenaar. Het was rond het monumentenjaar 1975 dat zich ten gemeentehuize een ambtenaar van de Rijksmonumentenzorg vervoegde. Hij kwam ter inspectie van uit te voeren restauratie- en onderhoudswerkzaamheden aan het kasteel. Op rijkskosten lunchte hij bij De Keizer waarna hij een wandeling maakte door de kasteellaan om daar tot de bevinding te komen dat die zandlopers op de luiken van het poortgebouw ‘zijn’ rijksmonument toch een wat al te Duitse uitstraling gaf. Het wit vond hij té wit en het zwart té zwart. Tja, en omdat niemand in Gemert een al in het vooruitzicht gestelde rijkssubsidie wilde mislopen, werden niet lang daarna de zandlopers op die luiken van het poortgebouw, zij het met tegenzin, ondergeschilderd. Dat lot, al was dat meer uit armoede, was toen ook de deuren en luiken van de kasteelboerderij in de Hoef beschoren. Nadat Jan Vereijken medio jaren zeventig de boerderij van de paters van de H. Geest in eigendom had overgenomen, heeft hij die deuren en luiken echter alweer snel in de oude toestand teruggebracht omdat dat zijn boerderij toch wel wat meer aanzien gaf…

Er wordt weer gewerkt aan de eigen identiteit

De eigen identiteit geraakte na de oorlog overal in de versukkeling. Alles moest overal hetzelfde. Dat was praktischer en dus goedkoper. Van elk kerkhof wilde men zelfs een oorlogskerkhof maken en ter ondersteuning van deze algemene versoberingsactie werden van hogerhand zelfs ‘schoonheidscommissies’ in het leven geroepen.
Het heeft lang geduurd maar gelukkig is dat (on)tij toch gekeerd. Elke plaats mag weer zijn eigen kleur hebben en het werken aan een eigen identiteit wordt zelfs allerwege gestimuleerd. Ook in Gemert zijn daar voorbeelden van. Zo’n vijftien jaar geleden opperde iemand in de gemeentelijke monumentencommissie het idee om de gemeentelijke monumenten te voorzien van een monumentenschildje in de kleuren zwart-wit, naar het voorbeeld maar ook ter onderscheiding van de blauw-witte rijksmonumentenschildjes. Iedereen reageerde enthousiast. Ja, dat was nou eens een goed idee. Om onduidelijk gebleven reden is het van de uitvoering van dat plan overigens nooit gekomen al schijnt het nog wel in het vat te zitten dat geen verzuring kent. En wie weet misschien komt het er toch nog van, tegelijk met bijvoorbeeld de uitvoering van het heel recentelijk door de gemeente Gemert-Bakel gepresenteerde reconstructie-plan voor het buitengebied.
In dat reconstructieplan is namelijk een zogeheten ‘luikenproject’ opgenomen dat wil stimuleren om oude boerderijen weer opnieuw van luiken te voorzien en die indien mogelijk (in Gemert) ook weer te verven in de bekende zandloper zwart-wit.

In het jaar 2000 gaven panden in de Kromstraat, in de Pandelaar en vervolgens Hotel De Hoefpoort al een voorzetje. Ook van gemeentewege werd toegezegd haar best te doen bij het zoeken naar mogelijkheden om meer uitdrukking te geven aan de zwart-witte, onderhand 800 jaar oude identiteit van Gemert.
Er zijn mogelijkheden genoeg. Waarom bijvoorbeeld wordt het oude gemeentewapen boven de oude voordeur van het gemeentehuis niet onderhouden zoals het hoort. En waarom herstelt men niet
ook de witte bruggen over de Rips tegenover het kasteel. Ja, want ook die maakten deel uit van de authentieke uitstraling van Gemert. Kijk maar eens op oude prenten en schilderijen. In het achterland van het kasteel waren zelfs de weipalen gewit.
En natuurlijk zijn er kritikasters die dat ‘wit-zwarten’ allemaal maar flauwekul vinden. Of dat dat alleen het kasteel voorbehouden zou moeten blijven. Klets natuurlijk. Zo iemand moet je meteen afschepen en doorsturen naar de voetballers van Gemert met de opdracht hen van tenue te doen verwisselen en dat het niet uitmaakt in welke kleur ze zich willen steken als het maar geen zwart-wit is…

Bekijk PDF

GH-2001-04 Óp èn nír no de skool

Riet Donkers-van den Acker

(dialectspelling W.J. Vos)

 ’t Gí tíggeworreg zo dik óvver ambáchtelek wèèrk. Waj zaoge vruuger nie anders: iejt maoke mí d’r haand èn wa kléén gerízzep, anders han ze niks.

Twímol daogs óp èn nír dùr de Gímmerse straote kónne waj dè allemol bekiejke 1. Um goewd half zeuve – ’n pár dikke botteramme in de tès – kwaome waj uurst langs de boeren aojt de Deel, die mí dikke straole de romme in d’n ímmer mólke. Dan wejter de Deel in stón de mölder al te kiejke wor de winkd stón. Toon Pénnengs, d’n bákker 2, kwam steevaast ‘ne mutserd aojt de mejt trékke um d’n oove nòg wa óp te stooke.
In ’t Kraojsánd waoren Truus èn Grárdá Mikkers 3 de gruunte- èn fraojtkaar al án ’t laoje, ok in de winter as ’t nòg dónker waor. Lien Hèèj 4 wás ok al wákker. Tòch waore dan baj veul mènse de vènsters nòg deecht.
In de Haagééjk ha Lien Put 5 d’re winkel al oope. Ze kwam aojt de zésuuremis èn dan koonde al terèècht. In de Niewstraot, baj sméd Verhoewve 6, stón alles in vuur èn vlaam, dor worde al mí ejzer gerammeld, már ge maocht nérges nie bliejve ston want dan kwaomde te laot in de kéérk. We blívve goewd án de rèchse kant want al was ‘r nie veul verkaër, ’t waor tòch óplétte. Baj bákker Berkulin 7 rook ’t zo lèkker, ’t wátter kreegd’ in oewe mónd, már dè wás mendínnen óvver as ge in de Kérkstraot baj Frunte 8 langskwaomt, zo stónk ’t ‘r no laër.
Klòkke zeuve, òf iejt aër, waore we in de kéérk. Sóms waor dè ‘nen hílle zit, már d’r waoren aald ’n pár nónnen um óns in de gátter te haawe.
No de mis óp ‘nen drieklèts 9 no zuster Bergit 10 mí de botteramme. We kwaomen uurst nòg langs sméd Krómmenèkker 11. Die ha pas e grout vuur. Um óns aëtlust nòg wa óp te wékke, mósse waj nòg langs twaë bákkers, V’n Ínbèèrge èn Van Tóngere 12. Zuster Bergit stón óns al óp te waachte mí ‘ne mour kòffie òf wat ‘r vùr dùr moes gon. Haët wás ie wél. Alle aojthoeke van Gímmert waore vertíggewordegd. De Groeskaojle, aachter aojt de Paandeler, de Broekstraot, de Deel èn de Kampe, de Doonhèèj èn va Kòks.
No d’n botteram rèècht no de spùlpláts. Waj waoren dan dik d’n uurste. Lèkker tikkertje doen mí ‘ne slinger (‘kierie-je-án-de slinger’) hèrs èn dwèrs óvver de haël spùlpláts. Ge waort wír aojtgeraosd as ge de klas in móst tòt half twèèlf.

As we no haojs gónge, kónne we d’n andere kant van de wég goewd bekiejke. ’t Begós al mendínne baj Van Tóngere, dor rook ’t zo lèkker èn ge had dan mee al wír hónger. Tígge Sintreklos èn Kòrsmes stón d’r zoveul skons aojtgestald. Baj slejter Rémme 13 bén ik nòg noojt nie binne gewíst, wél baj Wèrtse, de mèlkboewr 14, want die verkaocht ok án haojs. We kwaome langs d’n Boerenbónd 15 èn dor keeke we dik òf ónze vádder òf d’n buurman sóms daor wás mí de kaar, dan mönde we meerèèje. We kwaomen ok langs De Kejzer, sóms stónne d’r ’n pár outos èn die mósse goewd bekeeke worre. Dè wás toew nòg ’n bezienswaordeghajd. Baj Janse 16 waore ze dik tunnekes biejr án ’t lòsse, èn waj már hoopen dèt ‘r ’s zon tunneke de kant van de straot óp zò rólle. Jaones Bèkkers 17 zaogde veul mí keeste sjouwe vól gruunten òf fraojt. Die gónge mí d’n báktranspòrtfiets no de klante. Nölleke Beeke 18 stón dik in ’t dùrgebónd; òf ie zèèlf rokte weet ik nie, wél dèt ie alles verkaocht wa te rooke wás. Baj Kandelaors, de snèèr 19, zaot ‘r leecht iemes mí gekraojste baën óp tòffel um de triejgdrèùj aojt de klaër te haole. Baj kapper Voogels koonde ok zoue no binne kiejke. Sééjkes, nèèjmesienes èn skoewn 20, die han aald ánloup. Baj De Gaowe Lùw 21 liejpe van die platneusheundjes roond.
Dan kwaomde in de Kérkstraot baj de Kaorst 22. Wan bedrejveghajd! Dor worde wa gelaojen èn gelòst. Ge koond dor ok aachterum d’n Bonnegang (òf ’t Kaorstegèèngsken) in. “f dor ok nòg mènse wonde, weet ik nie. Ik bén ‘r noojt nie wízze kiejke. Dan kreegde driemol Wejn, uurst d’n boek- èn kantoorboekhandel, dan de haojshawdeleke artiekele, dor wír naëve Hotèl De Kroon. Grádje Haorste wás ánneemer 23, dus ok veul bedrejveghajd. Jòs Koole Sánnietèèr 24 toen al, elaën ’t woord kéénde waj toew nòg nie. Baj kèùster Van de Wèrf 25 koonde terèècht um ’n haajlege mis te bestélle, már ok vùr kárse èn devoosielichjes. Óp d’n hoek ha Klímmènt z’n kapperszaok 26.

In de Niewstraot, óp d’n anderen hoek, wonde sláchter Gèrrets 27. ’t Vlís worden ‘r oopenbaar aojtgebínd, zo goewd as gehákt drèèjen èn zult maoke. ’t Góng ‘r nètjes no toew, már tòch stónne waj daor már zèlde stil. Naë, dan Frènske Dónkers, d’n drogist 28, as dor dieje grouten héngst óp straot stón, in toom gehaawe dùr Jan van d’n Broek, òf as ie óp de waoge mós, dan stónne de skoljoong mí gruupkes te kiejke. De drogisterééj mósse waj ok nòg al ’s binne. Dè dínne we gaër want van Ketos 29 kríggen we nògal licht ‘nen bròk, bevobbeld kètjesdròp. Alles wat ‘r án die rèchse kant wonde, ha wél ’n bedrejfke òf handel. No Joo van Eupe 30 mönde waj alle jaor ‘ne kaër hín um klaër te gon paase vùr de kindhajdsóptòcht. As ge d’r vlug baj waort, mönde nòg aojtkiejzen ok. Annèt èn Merie van de Linde 31, han klírázzie, stòffen èn ok ’n hoedezaak. Van Gènd èn Loos ha toew nòg már aën p.k. Bákker Rojmans ha aald zoveul lèkkers in de eetelaazje ston, ’t zien elaën al dí oewe maog umdrèèje. Juuweliejr Rejne 32 kríg ok nòg wél wa ándaacht. Már umdè ge hónger had, liejpte tòch már wír gaow dùr. Dan hadde Van Brussel, al wír ‘nen bákker, èn dan kwaomde óp d’n hoek langs Pikwalle 33; die ha vanalles: braëkgoewd, snoep, rookgerèèj èn dingen um de boel te versiejre.
Baj Jan Bras 34 án de Haagejk, kónne waj in de zommer óns lindebluumkes kwejt. Dor verdiende waj óns kérmesgèld mí. De mooj skoentjes baj Strejbòsse 35 kríggen ok de noddege ándaacht. De skonste eetelaazje wás aald die van Mikkers, wa die vèrregmákte, dor stóm oew kénderverstaand host baj stil. Haël wa tejd hébbe waj mí óns neus tígge die kléén eetelaazje geston. Mí Posse, mí Sintreklos òf Kòrsmes, èn dè allemol in sjeklaa. De vòlgende wás Van Lankvèld, fietse èn nèèjmesienes. Leejo èn Nèlleke va Kòl 36, alwír ‘nen bákker. Piet Paëters 37, de fietsemaoker, dor mósse waj hín mí ónze kepòtte fiets. “nze vádder èn óns moeder han elaën nòg már ‘ne fiets, dus kwaome waj daor nie veul. Baj Mártens kwaome waj as óns moeder ’t stòpgárren óp ha. “ns moeder kwam in diejen tejd nie zoveul in de Straot. In die kriezesjorre ha niemes nie veul aojt te gaëve. “ns moeder kwam místal elaën sóndes már in de Straot. Zoue sukkelde waj óp haojs án.

Toch han we nòg laang nie alles gehad. De vòlgòrde zal wél nie híllemol klòppe, már in ’t Kraojsánd hadde nòg ’n stél kefees, ‘ne klírmaoker, ok wír mí de baën óp tòffel. De pèèrdesláchter 38 nie te vergaëte, èn Jan de Vòs mí z’n busónderneemeng 39. Èn Jan de Klant 40, ónzen bákker in dien tejd. Dor mósse waj géést gon haolen as óns moeder zèèlf mik bákte. ’t Ròggebroud, dè ónze vádder bákte, dor wás gínne géést vùr noddeg. Ónze vádder ha aald zonne pindòl van díg in de kèlder ligge van de vùrrege waëk.
Dan waore waj óp d’n hoek baj Jaones Versteege 41 án ’t kèske. Die wás ok al wír klírmaoker, már haj hiejl ok kefee èn d’n tram die stòpte d’r. Dan hád ie ok nòg ‘nen danszaol, már gedanst hébbe waj d’r kwèlk. Die pláts wás óns bítter bekéénd van ’t rozzekrans bidde vùr Sèffe as die wír ’s bediend waor. Místal twaë kírres in ’t jaor, driej aovende, driej rozzenuudjes. Aojtaajndelek góng ze tòch nòg doud kòrt vùr d’ren hónderdste verjaordág, zon físt hé ze óns nie mír gegeund.
Uurst kwaome waj nòg langs sméd Van der Wejst 42. Mártien va Kèssel ha ’n táksiebedrejf èn Mátje Dénneman lapte de kepòtte skoewn óp. As waj wír ’s ’n riemke van óns skoewn kepòt han, ha haj dè gaow verhólpe. …fkes ónder ’t nèèjmesien èn waj kónne wír vort no skool of no haojs.
Dan kwam de bekéénde boerderééj van Juppe èn Nèlle, òf aajgelek van Sèffe 43, want ok al wás ze bekant hónderd, ze kómmendeerde nòg alles. Ze góng saoves nie te béd vùr de koej óp stal stónne. Ok midden in de zommer nie. As we de Tiejn Gebooj 44 vùrbaj waore, wonde daor de daames Smieth. Die han snoep vùr ‘ne sènt èn die brèèjde zòkken èn kawse tíggen ’n vergoedeng. Dor naëve ha Dirk va Kèssel z’nen handel in sie-gaore. Dor hadde ok de wég no ’t Slötje. Wat ‘r dan nòg kwam wás óns allemol bekéénd, dè waor nèt as taojs.

NOTEN:

1. Riek ging van 1933-1939 naar de Nazarethschool vanuit de Deelse Kampen.
2. Bakker Pennings, hoek Deel – Pandelaar achter ’t kèske. Huis en bakkerij zijn geruime tijd na de oorlog afgebroken om de uitgang van de Deel te verbreden.
3. Mickers, aan de rechterkant van het Kruiseind als men richting kerk liep. Het huis met luiken, schuin tegenover ’t Kèske, waar achterom groenten werden verkocht, staat er nog steeds.
4. Zelfde kant van het Kruiseind, iets verder op.
5. Hoek De Haag – Haageik.
6. Tegenover de uitmonding van de Molenstraat.
7. Het pand tussen de pettenfabriek van Jos van Elten, nu verdwenen en het oude gasthuis, waar later de fritestent van Van den Acker was gevestigd, inmiddels ook verdwenen.
8. De leerlooier, net voorbij het ‘oudste huis’ uit 1677, vroeger Vogels, links van het Fruntegèèngske.
9. óp ‘nen drieklèts: op een drafje.
10. Nazarethschool.
11. Smid Rein van den Crommenacker, Binderseind.
12. De bakkers Van Eenbergen en Theo van Tongeren aan het Binderseind. Van Tongeren aan dezelfde kant als de Nazarethschool.
13. Komende vanaf de Nazarethschool, restaurant pizzeria ‘Al vesuvio’, Binderseind 24.
14. Vroeger een boerderij vlak bij de straat, waar nu, verder van de straat, het grote winkelpand staat, dat onlangs een nieuwe klassieke gevel heeft gekregen (G.Werts).
15. Waar nu de Rabobank staat.
16. Toen Borretplein, nu Ridderplein.
17. Groentewinkel Bekkers, nu Café De Landman.
18. Tabakswinkel voorbij Bekkers.
19. Kleermaker Kandelaars, Ridderplein.
20. Seijkens, naaimachines en schoenen, idem.
21. De Gouden Leeuw, nu Ridderhof.
22. Corstens, nu bloemisterij ‘Johanna’.
23. Aannemer Hendriks, Kerkstraat.
24. Jos Colen Sanitair, loodgieter, Kerkstraat.
25. Koster van de Werff, Kerkstraat.
26. Kapper Clement, hoek Kerkstraat – Virmundtstraat.
27. Slager Gerrits, hoek Virmundtstraat – Nieuwstraat, later Slagerij Brouwers, nu Van Rijssel.
28. Drogisterij ’t Hert, Nieuwstraat. Frans Donkers verkocht ook veeartsenijmiddelen en hield een kampioendekhengst, Bombo geheten.
29. van Ketos: van Cato (na een voorzetsel krijgt een naam eindigend op een klinker een naamvals -s).
30. Jo woonde in het nu witte huis waar later dierenarts Van Bommel zich vestigde met de gevelsteen van Toon Grassens, Nieuwstraat 25.
31. Later Schijvens Mode, Nieuwstraat 31.
32. Juwelier Reijnen, hoek Grootmeesterstraat – Nieuwstraat, tot voor kort drogisterij ”t Kruidvat’.
33. Bakker van Brussel en de winkel van Van Berlo (alias Pikwal), resp. voor en op de hoek Nieuwstraat – Molenstraat.
34. Jan van den Elzen, net voorbij Café Ermers, hoek Molenstraat – Haageijk; beide panden nu afgebroken en vervangen door een parkeerterrein.
35. Schoenmaker aan rechterkant van de Haageijk, komende van de kerk.
36. Afgebroken, waar nu de uitmonding van de Vondellaan is.
37. Nu fiatgarage Peeters, Kruiseind.
38. Paardenslager Snijders, Kruiseind, in het voorste van een rij witte huizen, rechts, komende van de kerk.
39. Jan Vos, oudoom van redacteur W.J. Vos. ‘Janoom’ was de eerste (?) Gemertenaar die een paar bussen bezat. Tot lang na de oorlog had hij in het tweede pand, naast slager Snijders een tabaks- en snoepwinkel, tot hij naar de overkant verhuisde en daar de winkel voortzette tot op hoge leeftijd.
40. Bakker van Zeeland, nu shoarmazaak, Kruiseind.
41. Nu dansschool Van Esch, Kruiseind 87.
42. Naast de dansschool, de Deel.
43. De boerderij van Van den Elzen, aan de rechterkant van de Deel komende vanaf het kèske, tussen Denneman en het huis van Mies Jagers, de architect. Jup en Nel waren broer en zus.
44. ‘De Tien Geboden’, een rij huizen uit de eerste helft van de 20ste eeuw, gebouwd van dezelfde rose betonsteen als het kèske op de hoek van de Deel – Pandelaar.

Bekijk PDF