GH-2000-01 Tis Krimmeneel – Diefstal in de kapel van Handel
Wim van de Vossenberg
In zijn boek Het Gemertse weversoproer van 1849, beschrijft Henk Giebels op boeiende wijze de woelige periode die Gemert beleefde in het midden van de vorige eeuw. Armoede en hongersnood, die zich manifesteerden in Nederland en andere delen van Europa, lieten zich ook gelden in Gemert met o.a. als gevolg een toenemende criminaliteit. Een groot aantal van de misdrijven hadden betrekking op voedseldiefstal.
Anselmus Smits, wever, 31 jaar oud, en Joseph van Brundel, timmerman, 48 jaar oud, werden in 1848 opgepakt op verdenking van diefstal van twee schapen in de nacht van 1 op 2 maart. Niet ver van de schapenstal slachtten zij de twee schapen en namen het vlees en de vachten mee naar huis. Anselmus en Joseph werden voor dit vergrijp in ‘s-Hertogenbosch tot een tuchthuisstraf van vijf jaren veroordeeld. Een jaar eerder bleek Anselmus Smits ook al veroordeeld wegens diefstal.1
De diefstal in de kapel
In de nacht van 17 op 18 april (2e – 3e paasdag) 1854, omstreeks middernacht, werd er ingebroken in de kapel van Handel. De inbrekers hadden van tevoren een ladder ‘geleend’ uit de open schuur van Klaas Hoevenaars (bewoner van de ‘Oude Kluis’, Pastoor Castelijnsstraat 33). Met behulp van deze ladder klom men naar een van de ramen in de noordgevel. Daar werden vervolgens 10 ruitjes uit het lood genomen zodat een persoon er doorheen kon klauteren. Met een touw, aan een raamstijl vastgebonden, kon de inbreker zich in de kerk neerlaten. Waarschijnlijk is vanuit de kerk de buitendeur geopend om een tweede persoon binnen te laten. Daarna konden de inbrekers hun slag slaan.
Hun oog was gevallen op de Mariatroon met het genadebeeld, die toen nog midden in de kerk stond. Het slot van de glazen kast, met daarin het Mariabeeld, werd met een beitel opengebroken en ze beroofden de Mariatroon van: ‘Het beste witte kleed van O.L. Vrouw, twee zilveren kroontjens van het Moeder Godsbeeld en van het Kindeke, een zilveren schepter, een oud gouden kruisje met schuifje’. In zijn verslag aan de bisschop schrijft rector de Wit dat ‘het hoofd van het beeldje is gebroken, daar het kroontje met eenige schroeven vastgeschroefd was’. Waarschijnlijk bedoelde De Wit dat het hoofd geschonden raakte bij het losrukken van de vastgeschroefde kroontjes. Daarnaast hadden de dieven ook ‘het bekleedsel van het tabernakel, waarin een Alziende Oog in het goud geborduurd was, losgerukt en ook mede genomen’.
Op 18 april, ’s morgens werd de ladder op de grond aan de noordgevel aangetroffen en braaksporen van een breekijzer of beitel in de deur van de sacristie. Blijkbaar had men zich eerst via de deur toegang willen verschaffen tot de kerk.2
Tegen de lamp
Op 26 april werden Anselmus Smits en Peter van Bree gearresteerd wegens landloperij door de Boxtelse marechaussee. Anselmus was toen krap een jaar uit het tuchthuis ontslagen. Verborgen onder hun kielen trof de marechaussee een breekijzer en twee beitels aan. Smits had het breekijzer en een beitel met een touw om zijn nek hangen. Beide landlopers verklaarden tegen de marechaussee dat men op weg was naar de burgemeester om het aldaar in te leveren. De wijze waarop de twee mannen het gereedschap bij zich droegen deed de marechaussee iets anders vermoeden. Anselmus Smits en Peter van Bree hadden hun kosthuis in Den Bosch, bij Gijsberdina van den Berg. Was het simpel loslippigheid of waren er andere reden? In ieder geval vertelde de hospita aan een van de latere getuigen dat haar inwonende gasten een diefstal in de Handelse kapel op hun geweten hadden. Ook wist ze van het touw dat de inbrekers aan het raam hadden laten hangen en waren volgens haar ‘de belegsels van de klederen (van het beeld) vals’. Volgens Gijsberdina waren de kleden bij Fort Isabella (Den Bosch) in de grond gestopt en was Peter van Bree naar Den Haag afgereisd om daar de buitgemaakte zilveren voorwerpen te verkopen bij ene Joseph Huijsmans. Op 6 mei werden bij Fort Isabella twee zijden lappen uit de grond gehaald. Bij de inbeslagname door de politie verklaarde ze dat ze die van Anselmus Smits had gekregen.
Tegenstrijdig
Anselmus Smits en Peter van Bree werden in Eindhoven in het huis van bewaring vastgezet. Tijdens deze detentie zou Anselmus de diefstal opgebiecht hebben aan Joseph Lamsgaart (niet duidelijk welke functie Lamsgaart in het huis van bewaring had) met allerlei bijzonderheden die overeenstemden met de eerder gemelde details. Later, tijdens de rechtszitting, zou Smits dit overigens weer ontkennen. De alibi’s van beide delinquenten waren ook niet geheel sluitend. Smits zou de hele paasweek in Den Bosch geweest zijn, later verklaarde hij dat hij op 2e paasdag in Schijndel was. Van Bree was in Den Bosch gebleven maar gaf later toe dat ze gezamenlijk waren uitgegaan. Smits kon zich overigens niet meer herinneren waar hij de nacht van de diefstal uithing. Hagenaar Joseph Huijsmans bevestigde het verhaal van Gijsberdina van den Berg over de reis van Peter van Bree naar Den Haag. Van Bree ontkende aanvankelijk zijn reis naar Den Haag maar wist later te vertellen dat hij naar Den Haag was geweest om ‘naar den welstand van Huijsmans te komen vragen’. De gereedschappen die op Smits en Van Bree gevonden werden, en volgens hen bestemd waren voor de burgemeester van Boxtel (?), waren volgens getuigedeskundigen gebruikt bij de inbraak in Handel. De maten van de beitels en het breekijzer stemden overeen met de braaksporen.
In naam des konings regtdoende….
Op 11 december 1854 werden Anselmus Smits en Peter van Bree door de Eindhovense arrondissementsrechtbank schuldig bevonden aan de diefstal ‘bij nagt met braak en inklimming door meer dan een persoon gepleegd op eene plaats die niet als bewoond huis wordt aangemerkt of daarmede gelijkgesteld’. Bij het vonnis werden de eerdere veroordelingen als verzwarende omstandigheden meegewogen. Derhalve werden zij veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar en acht maanden. Gijsberdina van den Berg werd als medeplichtige aangemerkt door het gestolen goed te helen en te verbergen. Zij kreeg een straf van 5 jaar opgelegd.
Gezamenlijk werden ze ook aangeslagen voor de proceskosten van ƒ 121,95. Het gestolen goed werd aan de rechtmatige eigenaar teruggegeven en het inbraakgereedschap veroordeeld tot vernietiging.3 Op 24 januari 1855 diende voor de arrondissementsrechtbank te ‘s-Hertogenbosch het appèl dat de veroordeelden tegen het vonnis aantekenden. De rechter in ‘s-Hertogenbosch bevestigde echter het vonnis en ander maal werden de veroordeelden aangeslagen voor appèlkosten ad ƒ 126,63.4
Een staartje…
Zoals eerder vermeld deed rector De Wit verslag aan zijn bisschop waarbij hij ook schreef dat het hoofd ‘gebroken’ was. Blijkbaar was hier onduidelijkheid ontstaan aangezien het bisdom in een brief aan rector Van de Laarschot, 1889, opmerkt dat De Wit in zijn schrijven niet vermeldde dat het hoofd verdwenen zou zijn. Blijkbaar is er in die tijd discussie geweest over de authenticiteit van het Mariabeeld, althans van het hoofd ervan. Het bisdom eindigt de brief dan ook met de opmerking ‘wij vinden het mitsdien raadzaam alles (m.b.t. de authenticiteit) eenvoudig status quo te laten’, kortom wij praten er niet meer over.5
NOTEN:
1. Henk Giebels, Het Gemertse weversoproer van 1849, Gemert 1999, p. 26 e.v.
2. Archieven Parochie Handel: Ziel- en afleesboekje, begonnen in 1718 door Rector Luijten, p. 13, verslag van de diefstal door rector De Wit; Correspondentiemap brief d.d. 2-5-1889 van bisdom aan rector Van de Laarschot; idem brief d.d. 21-4-1854 van bisdom aan rector De Wit.
3. RANBr. 116.01.03 Boek 23 Rol 2688 no. 2690 dd. 11 december 1854
4. RANBr. 116.01.01 Boek 85 Rol 2164 no. dd. 24 januari 1855
5. zie 2
GH-2000-01 Het Gemerts Schepenprotocol – deel III
Simon van Wetten
Lang geleden, in de tachtiger jaren van de 20ste eeuw, begon ik met stamboomonderzoek. De stamboom van de Van Wettens zou ik, zo was mijn aanvankelijk streven, tot Adam aan toe blootleggen. Maar toen ik Darwins tijdgenoten in mijn voorouderlijke lijn passeerde, stuitte ik op schier onleesbare krabbels. Ik schreef mij daarom in voor een cursus Oud Schrift, die in het gemeentearchief van Helmond, door de toenmalige archivaris Flip van Maarschalker-Weerdt, met verve en kettingrokend werd gegeven. Tijdens de laatste bijeenkomst stelde iemand voor om dóór te gaan. Zes van de ruim twintig cursisten wilden dat wel. Op het eind van de daarop volgende ‘gevorderdencursus’ zei opnieuw iemand: “We gaan dóór.” De resterende vijf lazen op den duur alles: inktvlekken, restanten van middeleeuwse niesbuien, handschriften van Parkinsonlijders (paralysis agitans), noem het maar op. De andere vier heren déden iets met hun vaardigheid. Ik herinner mij nog dat één van hen een kenner was van zeer oude Duitse postzegels, met Gothische letters.
Maar ik deed niets. Totdat Flip zei: “Ik ben een Van Wetten tegengekomen in het Helmonds schepenprotocol. Als jij de kopieën mee naar huis neemt en transcribeert, dan dring je door tot de diepste wortels van je stamboom en wij hebben er hier op het archief ook nog wat aan.”
Het bleek het begin van een acht jaar durende queeste. Prachtig werk, want je leert zo’n laat-middeleeuwse “stad” (plusminus 2300 inwoners) zo goed kennen, dat je het hele project als een soort teletijdmachine zou kunnen beschouwen. Echter, mijn hart ging altijd uit naar de geschiedenis van Gemert. Omdat mijn vader, lid van een rasechte Gemertse familie, een baan in Amsterdam had, bracht ik slechts een deel van mijn tijd in Gemert door. Juist daarom leerde ik alles wat Gemert te bieden had, zeer te waarderen.
Zodoende ben ik nu al weer ruim vier jaar bezig met het Gemerts schepenprotocol. De tienduizendste akte is inmiddels ‘gepasseerd.’ Het blijft prachtig werk. De combinatie van (een kopie van) een oude akte, een tekstverwerker en kilo’s inlevingsvermogen (mijn vrouw noemt het fantasie) vormt nog steeds een prima machine voor tijdreizigers. In de inleidingen van de transcripties noem ik de bulk van al het materiaal ‘de kiezelstenen.’ Maar ik beloof dan tevens om van de diamantjes tussen de kiezelstenen bij tijd en wijle verslag te doen in “Gemerts Heem.” Hier volgt derhalve deel III.
Beroepen
We weten allemaal wel dat onze streken in de middeleeuwen een typische agrarische maatschappij vormden. Dus op een verdwaalde smid, timmerman, herbergier of cremer (marskramer, koopman) na was iedereen teulman, boer. Toch blijkt uit de schepenprotocollen dat er alleen al op het kasteel een heel scala aan beroepen vertegenwoordigd was. Bekend is de rentmeester, die voor de commandeur de landgoederen en andere bezittingen beheerde. Maar er was ook een scheffenaer, eigenlijk ook een soort rentmeester, misschien wat meer een huisbestuurder of hofmeester. In 1601 is ene Peeter Henrix stalmeester op het huis van Gemert. En in 1603 verschijnt Jan Lamberts voor de schepenen en noemt zich becker op het huis van Gemert. Verder maakte de commandeur gebruik van de diensten van knechten, zeg maar soldaten en ook was er een vorster in het dorp, een voorloper van de dorpsveldwachter of, oostelijk van hier, van de boswachter. In de volgende akte komen zij in actie:
Willem Eymbrechts soen die men die IJsserman noemt, heeft binnen Gemert een mes gebruikt (zo kom je aan je bijnaam). De breuk (boete) heeft Willem ontvloden en de knecht van de landcommandeur heeft hem achtervolgd en opgebracht naar het vorsterhuis van Gemert.
In 1552 vertelde Jan Jacops dat hij eertijds portier van het huis van Gemert was en Jan Becker, anders dan wat zijn naam doet vermoeden, fourneerde het wild voor de maaltijden op het kasteel; hij was in 1555, het jaar waarin Karel V aftrad als keizer, de jeger des huijs van Gemert. Bartholomeus Emonts was den Bouknecht op het kasteel en of we het onder de beroepen mogen scharen weet ik niet, maar Aelke van Eijsden stond in 1561 te boek als de moeder op ’t Huijs van Gemert.
Buiten de muren van het kasteel zijn ook nog wat buitenissige beroepen te noteren. Merten de Voest was in 1518 koijman (koeieman) tot Binderen en hij beheerde dus de koestal van de adellijke nonnen aldaar. In 1515 komen we Willem die Volre tegen, die trots vermeldt dat hij in zijn tijd knaep van het Sint Kathelinegilde binnen de stad van ‘s-Hertogenbosch was. De meest toepasselijke naam is die van Dierick Schrijver, die, eveneens in het begin van de 16de eeuw, als secretaris voor de Gemertse schepenbank de pennenveer hanteerde, waarvan u en ik nu de (pennen)vruchten plukken.
Prijzen
Wat kon je vijfhonderd jaar geleden met een gulden doen? De volgende impressie maakt dat duidelijk:
– Een koe: 6 gulden min 5 stuivers (in 1501), 24 gulden (in 1600). Het prijsverschil kan aan de eeuw tijdsverschil, maar ook aan de kwaliteit van de runderen in kwestie hebben gelegen. En soms leken de koeien trouwens wel voor niks: De schout vroeg aan Jen van Boert: “Waar heb je die koe gehaald?” En dat Jen toen zei: “In de hof van Jan Corstiaens.” En dat de schout toen zei: “Wie heeft u dat geraden?” En dat Jen toen zei: “Dat heb ik mezelf geraden.” (Een conversatie uit 1524!)
– Veertig schapen: 16 gouden Peters (een Peter is ook een gulden).
– Acht bijenstokken: 16 Peters.
– Ymen (dat zijn ook bijen): 19 Rijnsgulden.
– Spijkers: per honderd een braspenning (ongeveer 6 cent).
– Zeilen op de molenwieken: een malder (ongeveer een halve mud) rogge.
– Een malder rogge: 15 Peters.
– Twee hoeven (onbelast, met zeer goed land): 4100 Carolusgl.
– Twee paar schoenen (hooghschoenen): 3 gulden. Dat moeten wel stevige stappers zijn geweest, want ik ben ook een prijs van 4 stuivers tegengekomen, voor één paar schoenen weliswaar, maar je kreeg er nog een hoed bij.
– Een gelezen mis: een halve stoter (een munt van steeds verschillende waarde).
– Een gezongen mis: een stoter.
– Een Philippusgulden = 27 stuivers.
– Een Keijsergulden = 21 stuivers.
– Een Gouden Leeuw = 48 stuivers.
– Een Dobbelen Keijsergulden = 32 stuivers.
– 12 Philippusgulden = 16 Rijnsgulden.
Verder had je nog – ik vermeld dit voor de Euro-adepten – een blanck, een oude groote, oortgens, penningen, moerkens, deniers, negenmennekens, vuureijsers, Franse cronen, roesenoebels, Henricusnoebels, ducaten en dobbelducaten, souvereinen, Hollandse daalders, matten, hoetgens, Vlaamse nobels, Vlaamse placken, gouden realen en Gelderse rijders en ga zo maar door.
Woorden en begrippen
Taal is aan verandering onderhevig. U en ik weten dat van vóór het Groene Boekje, en de menschen van voor de oorlog kunnen daar nog meer over vertellen. De protocollen puilen uit van woorden die wij niet meer kennen of gebruiken. Een hele kleine bloemlezing:
Heerke en vrouke: opa en oma.
Nijkijnder: schoonzonen, -dochters.
Uuijtsetsel: uitzet.
Vermombert: onder voogdij (vrouwen en mannen tot 25ste jaar).
Ganckbaer geld: echt, goed geld, dat van hand tot hand gaat.
Heijmaet: het recht om hei te maaien, meestal een dag per week.
Scupstoel: (overdrachtelijk) op de schopstoel zitten, elk ogenblik kan er iets vervelends gebeuren. Oorspronkelijk was de veroordeelden met de handen op de rug omhoog geslingerd werden.
Pijntasseboeck: een pitancie is een tractatie, een uitdeling van eten en drinken, en de pastoor hield in een boek de administratie van deze bedeling bij.
Oeverman: de opperscheidsrechter van de mindelijcke peijsmakers, vredestichters bij conflicten.
Sitteke, achter niet geplenckt: een zetel met een gesloten kistje of kastje er onder, maar dit speciale exemplaar was dus niet helemaal intact.
Tuyn: tuin. Niet opmerkelijk? Nou en of! Altijd werd een tuin aangeduid als hoff. Slechts één enkele keer (even los van het Gemertse toponiem Boontuijn) ben ik dit woord als aanduiding voor een stukje grond bij het huis tegengekomen.
Bastardije: het recht van de heer, de (land)commandeur, om in te grijpen in het erfrecht van onechte kinderen, van de bastaarden. Zo was ene Ansem van Wel in 1508 woonachtig aan de Beverdijk. Toen hij stierf, en nadien Ansems vrouw, heeft heer Jan Matteliaen van Eynatten, landcommandeur en heer tot Gemert, zijn hand geslagen op de goederen die Ansem in zijn leven bezittende was. Dit uit kracht van bastardijerechten. Maar o, feodale onrechtvaardigheid. Halverwege de 16e eeuw verwekte heer Wijnant van Eijnatten, commandeur van Gemert, vijf kinderkens bij Katelijne, dochter van Gerit Valx. Hij was niet met haar getrouwd, maar bezocht haar blijkbaar regelmatig en zorgde voor een aardig onderkomen voor Katelijne, namelijk het huis ‘bij den Hubert’ in wat nu de Ruyschenbergstraat is, ongeveer op de plaats waar de Latijnse school staat. In 1570 vernemen we, na het overlijden van heer Wijnant: “Hoewel het hier gebruik en recht is dat de natuurlijke en bastarde gueden na haar sterven aan de heer zullen terugvallen, is nu door de edele en gestrenge heer Johan van Ghoer, landcommandeur der Ballien Biessen, om bede wille, goeder heeren ende vrienden en met de overweging dat de kinderen dan beter opgroeien, vergund en toegelaten dat, indien enige der kinderen (van heer Wijnant en Katheline) mochten overlijden, de anderen, de levenden dan in de nagelaten bezittingen mogen delen.”
Hoe zag Gemert er toen uit?
De laatmiddeleeuwse dorpsplattegrond van Gemert krijgt dankzij de mededelingen in de schepenprotocollen steeds meer contouren. Een paar aardige voorbeelden: Het dorpse karakter werd benadrukt door het feit dat er in 1514 een hoeve bij de kerk stond. Een hoeve met beesten! Ook in de buurt van de kerk woonde Lenart Falx, die achter zijn huis een wijngaard én een grote kastanjeboom had, een combinatie die me voor de rijping der druiven niet zo bevorderlijk lijkt. Een stukje van de Merckt wordt uitgetekend door een schepenakte uit 1601 waarin een huis aan die Markt in tweeën werd gedeeld. Het ene deel wordt omschreven als het noordwaartse einde aan de Merckt, neven des heerenerf en de gemeijnstraet. De koper zou hebben de hoogkamer met de middelwand, maar dat was niet zeker; er kon van “des Ordens wege” protest komen omdat die hoogkamer wellicht op grond van de Duitse Orde was gebouwd. Het andere, zuidwaartse deel, lag neven de gemeijnstege en het Cappellaenshuiske en de gemeijnstraat. Dus het handelt hier naar alle waarschijnlijkheid over het huidige “De Keizer”-perceel op de hoek van het Ridderplein en de Kapelaanstraat. Waar de Beek (de kasteel-Rips) het huidige Binderseind kruist, stond een herberg met schuur en erf, met – zo vlak bij het kasteel – de toepasselijke naam “den Herenherberg van Gemert.” In de Haageik, zo ongeveer in de bocht naar de Nieuwstraat toe, stond het Gasthuijs, een voorloper en mengeling van ziekenhuis, verpleegtehuis en asielzoekerscentrum. En – we hebben er pas nog gegraven – Jan Claes Mijssen kocht in 1517 een huis bij de watermolen, geheten den Domhoff, neven de Royspe en de weg waarover men naar de watermolen gaat, naast het Molenwiel en het Sandervoirt. Twaalf jaar eerder was er al sprake van een wijer, een meertje in de Molenstraat. Bij de wijntmoelen, ter hoogte van de huidige ‘Eendracht,’ werd in 1560 voor een belendend stuk grond (of gebouw of andere molen?) de naam “De Beer” gebruikt.
Opmerkelijk
Er zijn altijd weer van die mededelingen in de oude geschriften die niet te rubriceren zijn. Te uitzonderlijk, te opmerkelijk. Waar zou de schout van Gemert bijvoorbeeld al die valken voor nodig hebben gehad? En was Denemarken anno 1501 het land waar je die beesten gunstig kon inkopen? Voer voor vogelaars en valkeniers! Die schoutet van Gemert heeft Meeus den Pelser ingehuurd om te trecken in Deenmercken ende heeft bescheyen te hebben elke rode valk voor twee gouden gulden, de giervalk voor vier enkele gulden en een gheertersell (een mannetjesvalk) voor twee gouden gulden en een haegersserts valck van eender mate voor twee gouden gulden. De schout zal Meeus de vrije kost geven in het weggaan en het terugkomen.
Hoe modern is het begrip gemeentewerf? Volgens mij was er al één in 1505: Degene die vindt dat de weg te slecht (te quaet) wordt of degene die de weg beter hebben wil, kan het gereedschap op die gemeijnt gaan halen om daarmee de weg te maken.
Bent u, als Gemertenaar, wel eens beducht? “Want wij, ingezetenen en naburen tot Gemert, over menig jaar geprivilegeerd zijn geweest in vrijheid te zitten en zonder oorlog te ondervinden. Dit privilege is onssen heren ten profijt van de onderzaten verleend door de paus en door de hertog van Brabant en de hertog van Gelre en meer goede heren. Zo zijn wij in het jaar 1512 zeer beducht geweest, omdat na (de slag bij) Woerden sommigen van ons vanuit Venlo of uit het land van Gelre ontboden waren; we vreesden het voorrecht kwijt te raken.” Vrijdags op St. Sebastiaan 1512
Je geheugen begint bij tien! Hoe u dat moet zien? Nou, de schepenen in 1570 doen condt dat voor hen gekomen zijn Weltken Eijnschen (50 jaar, 40 jaar geheugen), Emmenijs Loeijen (ook 50 jaar en ook 40 jaar geheugen), Willem Hoegers (idem) en Anthonis Jan Goeben (40 jaar en 30 jaar geheugen). Allen verklaren dat Lemmen Lemmens en zijn voorvaderen hebben gevaren en gedreven over de stege die daar gelegen is in ’t Aarle, om zo op zijn land te komen. Dat is wel dertig jaar of meer in vrede en rust zo gegaan.
Opmerkelijk is ook de hele serie pachtcontracten met betrekking tot de pacht der Gemertse molens, in het begin van de 16de eeuw. De 45 mud rogge, 6 pond guetscruyts (specerijen) en onderhoudsverplichtingen van de wind-, de wateren de rosmolen waren blijkbaar te veel. Het molenpachtcontract als wurgcontract? Ja, want de mulder die ondertekende, deed dat altijd voor een periode van zes jaar, met de mogelijkheid om tussentijds, na drie jaar, weer bij de commandeur op te zeggen.1 Welnu, tussen 1502 en 1513 hebben maar liefst zes mulders een poging gewaagd, maar geen van hen maakten de zes jaar vol. Sommigen zelfs de drie jaar niet. Typisch dat er met al dat meel toch geen droog brood viel te verdienen op de Gemertse molens.
Hoe groot schat u anno 1519 de Italiaanse invloeden in De Mortel in? Na het lezen van de volgende zin wat groter wellicht: … een sester rogge uit een akker te Gemert in de Mortel in de Smacht en uit een huis geheten d’ell Morteli aldaar.
De restauratiewerkzaamheden in en aan de St. Janskerk zijn ook niet van vandaag of gisteren: In 1517 bleek dat het corpus van onze kerk het hard nodig had gerepareerd te worden. In 1529 waren er een aantal schenkingen tot timmeringe en reparatie van de kerk en in 1531 wordt vermeld dat er een nieuw Onze Lieve Vrouwe-altaar is gemaakt en dat het vlak bij de preekstoel is geplaatst.
Voor de feministen onder u een zinnetje uit 1532: Hanrick Willems Jan Willems die Outste heeft gegeven aan Ansem Jan Bonenberch, tot een wettig ‘wijf’ en beddegenoot, zijn zuster Dierckske. Nou, vooruit, als tegenwicht: Wouter Hanrick Stevens krijgt van Katherina, weduwe van Dierck Gebackemans voor zijn getrouwe arbeid – al die tijd dat hij bij Katherina heeft gewoond – de eenmalige som van 10 Rijnsgulden en hemden en schoenen, voor zijn arbeid en hooien, want daar heeft hij nog nooit loon voor gekregen (1533).
Over plezierige vooruitzichten: Jenneke Strijbosch zal het bed hebben, waarop haar ouwelui zullen sterven.
Verder wil ik u uitnodigen een keer op dinsdag of vrijdag naar de vroegmis te gaan: Jouffrouw Margriet dochter van Goessen Stewich, nog gaande en staande met haar volle verstand, overleggende de zekerheid des doods, heeft aan de Heilige Geest van Gemert al haar goederen vermaakt. Dit ten behoeve van de armen binnen Gemert. De Heiligegeestmeesters zullen met raad der schepenen doen celebreren twee zingende missen, ten eeuwige dagen (dus nu nog?!), op het Heilig Kruisaltaar, de ene op dinsdags, de andere op vrijdags te vroegmisse. De kerk van Gemert zal elk jaar één Rijnsgulden hebben, voor wijn, brood en licht, en de Heiligegeestmeesters zullen elk jaar 4 stuivers hebben voor hun arbeid. De priester die de twee missen doet, zal dat doen om een redelick loen.
Jouffrouw Stewich begeert ook nog dat men zal zorgen voor een eerlijke verlichting, met vier toortsen en twaalf pond was. Eén toorts moet naar ‘Baex’ worden gebracht, de andere naar Weert naar het Minderbroederklooster. De twee overige toortsen zijn voor in de Gemertse kerk, de ene voor het Onze Lieve Vrouwe-altaar, de andere voor het Heilig Kruisaltaar. Elke priester die de vigelie zal helpen zingen krijgt twee stuivers per mis.
Als jouffrouw Margriet ter erden bestaet begeert zij dat drie schepenen zullen gaan teren. Ze mogen drie Heiligegeestmeesters meenemen en de kosten moeten door die Heiligegeestmeesters worden betaald. Margriet wil ook dat elk jaar in de vasten de armen zes tonnen bier krijgen. (Is dat vasten of is het dat niet?). De priester die na de mis van het altaar zal aftreden zal voor de ziel van jouffrouw Margriet een plorare (jammerbeklag?) lezen en wijwater werpen – 8 juni 1536.
Tenslotte een persoonlijke noot. Eén mijner voorvaderen, met het technisch talent dat ik altijd ontberen moest, kwam met zijn uitvinding naar Gemert!
Even een apart kopje, dat vind u toch wel goed?
Een goklustige uitvinder
DE WERELD DER TECHNIEK IN DE LATE MIDDELEEUWEN
Wat een spektakel in Gemert, op die vrijdag voor Pinksteren 1534! Het hele dorp uitgelopen! Goed, in het dorp zelf woonde maar een haffel mensen, maar ze zullen vanuit Boekent en Essing en de Pandelaar en de Verrehei toch ook wel zijn komen kijken? Wat was er dan te zien? Er was een Hellemonder te zien. Nee, niet ophouden met lezen. Los van het feit dat die Helmonder een Van Wetten was – en dan wordt het al een stuk interessanter – moet u ook weten dat we hier van doen hebben met een geniale uitvinder. Bovendien pleit het voor de man dat hij sinds zijn huwelijk in de Mortel woonde. Jacop Herberts soen van Helmont had reeds een paar weken eerder aangekondigd dat hij met de Gîmmertse mensen een weddenschap wilde aangaan.2 Hij zou een korenmolen op een wagen zetten waarmee hij zou kunnen malen een mud rogge zonder rutselen of rad, zonder wind of water, binnen een dag. Hoeveel mensen zouden gewed hebben dat zo’n wonderbaarlijk apparaat onmogelijk kon bestaan? Daar kwam Jacop met zijn schepping naar Gemert! De schepenen stonden er de hele dag bij en zagen dat er nog wel meer dan een mud rogge werd gemalen. Er had zelfs nog wel een mud gekund. “Zo zou je,” aldus de schepenen, “een heel leger aan het eten kunnen houden.”3 Jacop had de weddenschap gewonnen. Hij legde met het gewonnen geld de basis voor het enorme familiekapitaal, waar wij, Van Wettens, nu nog steeds naar zoeken.
VERANTWOORDING
De gebruikte aktes zijn terug te vinden in het Rechtelijk Archief Gemert, R99 t/m R103 en R106 t/m R109 en R112, eerste deel (t/m akte no. 450).
Met dank van jouffrouw Margriet dochter van Goessen Stewich aan de auteur (?).
NOTEN:
1. Zie ook: Ad Otten, De watermolen en zijn omgeving, GH 1998 nr.4.
2. Jacop was een zoon van Herbert Jans zoon van Wetten. Vier generaties eerder was stamvader Jan vanuit Opwetten in Helmond komen wonen en verwierf toen ook de achternaam Van Wetten. Jacop ging sinds zijn verhuizing naar de Mortel ook wel als “Van Helmont” door het leven, maar zijn enige zuster Catherijn bleef in Helmond wonen en gewoon Van Wetten heten (RA Gemert 109, akte 45 en 46).
3. Zie ook: Ad Otten, Introductie van een wagenmolen in 1533, GH 1985, nr.1.
GH-2000-01 Ploesterdonk 1300-1600

B
Inhoud GH 2000-1
Het Gemerts schepenprotocol – Simon van Wetten
Een goklustige uitvinder – Simon van Wetten
Tis Krimmeneel: Diefstal in de kapel van Handel – Wim van de Vossenberg
Ploesterdonk 1300 – 2000 – Ad Otten
Nieuwe Gemertse spelling – Piet Vos
Bekijk PDF
GH-2000-01 Een goklustige uitvinder

Inhoud GH 2000-1
Het Gemerts schepenprotocol – Simon van Wetten
Een goklustige uitvinder – Simon van Wetten
Tis Krimmeneel: Diefstal in de kapel van Handel – Wim van de Vossenberg
Ploesterdonk 1300 – 2000 – Ad Otten
Nieuwe Gemertse spelling – Piet Vos
Bekijk PDFGH-2000-01 Tis Krimmeneel: diefstal in de kapel van Handel
Inhoud GH 2000-1
Het Gemerts schepenprotocol – Simon van Wetten
Een goklustige uitvinder – Simon van Wetten
Tis Krimmeneel: Diefstal in de kapel van Handel – Wim van de Vossenberg
Ploesterdonk 1300 – 2000 – Ad Otten
Nieuwe Gemertse spelling – Piet Vos
Bekijk PDFGH-2014-02 Wie kent wie? Mensen van Gemert: Fotograaf Jan Duppen
Laura Habraken
Jan Duppen, geboren in Nijmegen op 20 juli 1902, gaat als jongeman werken als bakker op Huize Padua. Hij woont er ook. In een kamer boven de bakkerij.En hij bakt er niet alleen brood maar ook taarten en met Pasen produceert hij zelfs eieren van chocolade. In 1928 trouwt hij met Tonia Gruijters uit Gemert en verhuist hij naar het Kruiseind. Daar blijkt hij weldra gevestigd (op huisnummer A88) als fotograaf en winkelier. Uit de jaren tachtig van de negentiende eeuw mogen dan misschien wel de fotografen Gijsbers en Van de Crommenacker bekend zijn gebleven, maar Jan Duppen noemt zijn winkel niettemin ‘Eerste Gemertse Fotohandel’. Jan rijdt motor, wordt lid van Harmonie Excelsior en in korte tijd kent iedereen hem als dé fotograaf van Gemert.
Jan en Tonia krijgen vier kinderen. Joop wordt geboren in april 1929, Harrie in 1932, Frits 1933 en Nellie 1935.
In de enorme negatievencollectie die de heemkundekring van zoon Joop mocht ‘erven’, maar ook al in de reeds aangelegde collectie van de heemkundekring en in bijv. de collectie-Loffeld van het gemeentearchief worden heel wat ‘plaatjes’ aangetroffen van vóór de Tweede Wereldoorlog die Jan Duppen op de gevoelige plaat vastlegde. Zeker ook uit de tijd van de mobilisatie. Overal waar Nederlandse soldaten ‘lagen’ lijkt Jan Duppen voor de families thuis wel foto’s te hebben gemaakt van ‘onze’ soldaten. Bij de Pandelaarschool, bij café Onder de boompjes, enz. enz. De meeste soldaten waren Limburgers en dan vooral Zuid-Limburgers. Van de Tapijnkazerne in Maastricht. Omdat Jan Duppen achterop al zijn foto’s een stempel zette met zijn naam wordt tot op de dag van vandaag nog steeds door families uit Zuid-Limburg contact gezocht en geïnformeerd naar foto’s van Jan Duppen uit Gemert.
Vervolgens werd Jan ook door de bezetter aangezocht voor het maken van foto’s zoals bij de begrafenis van de twee landwachters in de zomer van 1944. En natuurlijk was Jan als fotograaf paraat bij de intocht van de eerste bevrijders. De vernieling door Brits granaatvuur van de panden van Bergmann, dokter Beukers en Van den Acker in de Nieuwstraat legde hij vast. En op een foto is ook te zien dat alle dakpannen van Café Onder de Boompjes in die bevrijdingsoperatie van het dak werden ‘geschud’.
Maandenlang verbleven er in Gemert heel veel geallieerde militairen en voordat die weer naar het front moesten lieten ze snel nog even een foto maken bij Jan Duppen in het Kruiseind. Poserend achter op de plaats, vaak met Gemertse mannen, vrouwen, jongens en meisjes. Die foto’s werden dan naar huis gestuurd en soms was dit wellicht het laatste bericht dat men van hun jongens ontving.
Jan Duppen kocht ook een filmcamera en de familie trok er veel op uit. Zo is er een mooie film dat er naar de Handelse Bergen wordt gewandeld. Zoon Joop heeft dan als 14 of 15-jarige al een fotocamera om de hals hangen. Fotograaf in opleiding. Vader Jan maakt in die bevrijdingstijd kostelijke foto’s van zijn zoon. Skon tijdsbeelden ook.
GH-2014-02 Kuswissel van de Nederlandsche Posterijen uit 1902
Ad Otten
Bijgaande curieuze postkaart werd vermoedelijk als een soort nieuwjaarskaart verstuurd op 30 december 1902 door Adriana Holtus uit Helmond naar de jonge Juffrouw Jos(ephine) Prinzen wonende in de Kerkstraat in Gemert. Het is een ‘kuswissel’ van de Nederlandsche Posterijen, waarop je in kunt vullen hoeveel kussen je wilt versturen. Echt waar. Adriana Holtus vulde in: 100.000.000, in letters ‘honderdmillioen’. Op de kaart staan 10 ringen met teksten zoals ‘liefde heelt alles'(4), ‘mijn liefde wat wilt gij nog meer'(5), ‘ik heb een vurig verlangen naar u'(8), en ‘gij alleen kunt mij gelukkig maken'(10). Adriana kruiste ring 9 aan met de tekst ‘gij zijt geen ogenblik uit mijne gedachten’. Nieuwsgierig geworden naar Adriana en Josephine en hun relatie?
Josephine naar wie de kaart verstuurd werd is een dochter van textielfabrikant Johan Theodor Prinzen en Anna Maria Verschure die het monumentale, in 1889 gebouwde, Prinzenhuis bewoonden naast Hotel De Kroon. Josephine werd in Gemert geboren op 23 juni 1895 en was dus 7 jaar oud toen ze de kuswissel ontving. Adriana Holtus zal een tante of een vriendin des huizes zijn geweest.
GH-2014-02 Locomotief ‘Meteora’ in Berlijn en ‘baggerkoning De Nul’ in Monera
Ton Thelen
Gerard van Lankveld neemt met de locomotief Meteora deel aan de tentoonstelling in het Künstlerhaus Betanien, in Berlijn. Met het thema Das Mechanische Corps volgt de tentoonstelling het spoor van de fascinerende verbeeldingswereld van de Fransman Jules Verne (1828-1905), waar de nieuwe tijd van de onbegrensde technologische vooruitgang betreden wordt. In Berlijn mag het werk van Gerard zich meten met dat van vele internationaal bekende kunstenaars, onder wie de Belg Panamarenko.1
Op 13 juni 2014 bracht Dirk de Nul van de firma Jan de Nul Group (Aalst-België), wereldleider in de bagger, een bezoek aan Gerard van Lankveld. Gerard maakte voor deze firma behalve de duikboot op de foto ook een klok en een baggerschip. De firma is de grootste sponsor van het Museum voor Outsiderkunst Dr. Guislain, in Gent. Bij het bezoek aan Gerard waren ook aanwezig Patrick Allegaert en Annemie Cailliau, de coördinatoren van het museum Guislain. In dit museum neemt het werk van Gerard een prominente plaats in.2
NOTEN:
1. De tentoonstelling loopt van 5 juni tot en met 3 augustus. Kottbusser Strasse 10, D-10999 Berlijn. www.bethanien.de
2. Zie
GH-2014-02 Pand Macropedius te koop
Ad Otten
Ja, het pand van Macropedius staat te koop en ‘nee’ het is niet het pand dat van Macropedius is geweest of waar hij geboren is. Het betreft Macropediusplantsoen 34, gebouwd door de gemeente beginjaren vijftig in de twintigste eeuw, waarvan het bezit een tien jaar later overging op woningcorporatie Goed Wonen. De straat is indertijd genoemd naar de van Gemert geboortige humanist en schoolleider Georgius Macropedius (Gemert 1487-‘s-Bosch 1558), die internationale bekendheid verwierf door met name zijn toneelstukken in het Latijn. Zijn tegelijk vergriekste en gelatiniseerde naam is afgeleid van de eigenlijke naam Joris van Lankveld. Toen de straatnaam in 1953 werd vastgesteld ging men er nog van uit dat Georgius alias Joris in deze buurt was opgegroeid op het Huis Lankveld (nu bekend als Het Slotje). Intussen weten we dat hij gesproten is uit een bastaardtak van de adellijke familie, die bezittingen had in de Gemertse buurtschappen De Haag en Heuvel. Maar hoe het ook zij, in een nis boven de voordeur van het pand aan het Macropediusplantsoen is in februari jongstleden een reliëf-in-terracotta geplaatst van deze ‘grote’ Gemertenaar. Met instemming van Goed Wonen heeft ‘onze’ Stichting Gemert Vrijstaat aan de op Het Slotje woonachtige kunstenares Maria Rijkers gevraagd om naar een uit 1572 daterende prent de ‘gemene broeder’ Macropedius te portretteren. En die ‘waakt’ nu over het pand dat sedert enige tijd te koop staat.
Bekijk PDF