GH-2007-03 “Dor kömt de Paws án mí z’n staars”

Wim Vos

 Bij het invoeren van woorden van een fiche, gedateerd 7 december 1974, kwam ik de volgende notitie tegen over ‘de Paws’ (Bert Baggermans + 11 mei 1940 op 63-jarige leeftijd). Ik heb de informatie van ons moeder Anna Vos-Baggermans (1900-1985) die het weer had van onze Tante Jans (Johanna) Baggermans (1886-1965), een Gemertse, ongetrouwd, ex-pastoorsmeid bij pastoor Knegtel van de (gesloopte) H.Hartkerk in Helmond, die na haar pensionering een tijdlang bij ons inwoonde. De Paws liep (ik denk rond Kerstmis) rond met een ster aan een stok met een touwtje waarmee hij de ster op en neer kon laten gaan (als ik het goed begrepen heb). Volgens Tante Jans riep men dan: “Dor hédde de Paws mí z’n staars” -of- “Dor kömt de Paws án mí z’n staars.” Ons moeder heeft het liedje dat de Paws daarbij zong (eigenlijk meer een “dreun”) en dat ze van Tante Jans gehoord had, op 7 december 1974 voor het nageslacht op een oude envelop genoteerd in haar toen al wat beverig handschrift (maar haar geheugen was nog prima). Hier is het:

Hedde van verre een ster zien blinken?
Sterre, je moet er zo stil niet staan,
Je moet met ons naar Bethlehem gaan,
Bethlehem is die schoone stad
Waar Maria met heur kindeke zat.
Klein was het kindeke, maar groot is God,
Die hemel en aarde geschapen had.

(Spelling van ons moeder, interpunctie en hoofdletters van mij – WV).

Waar de Paws deze tekst vandaan had, weet ik niet. Misschien kent iemand van onze lezers de bron. Het kan een bestaand kerstlied zijn.

Bekijk PDF

GH-2007-03 Haanrijden

Ad Otten

In de Tilburgse Universiteitsbibliotheek vond Antoon Vissers uit Deurne een opgetekende Gemertse curiositeit uit de 19de eeuw. Van August Sassen is bekend dat hij erg veel oude volksgebruiken, scheldnamen, kinderrijmpjes, spelen e.d. verzamelde. Hierna volgen zijn notities betreffende het haanrijden in Gemert.
In de eerste helft der negentiende eeuw werd te Gemert gedurende de drie vastenavonddagen nog haangereden. Daartoe werd een levende met zeep besmeerde haan met den kop omlaag opgehangen aan een touw, dat over de straat gespannen was. De medespelers worden dan om beurten op een handkar in snelle vaart onder het beest gevoerd. Hij die den kop afrukte, was overwinnaar en kreeg den haan als prijs. Het spel raakte te Gemert omstreeks 1860 in onbruik.

Bekijk PDF

GH-2007-03 Zeventiende-eeuws Gimmers

Ad Otten

In de zeventiende en de achttiende eeuw bestond er voor het schrijven van het Nederlands nog geen ABN en ook geen officiële spelling. Dat heeft er toe geleid dat men vandaag de dag in verschillende authentieke archiefbronnen soms meteen herkent waar een bepaald archiefstuk is opgemaakt of tenminste uit welke regio het afkomstig is. Dit geldt met name voor de sterk aan een plaats gebonden archiefstukken, met name wanneer die werden opgemaakt door burgers die zich niet bedienden van ambtelijk taalgebruik. Het meer geuniformeerde ambtelijk taalgebruik is al heel oud. Maar er waren ook vroeger al ‘ambtenaren’ die zich weinig gelegen lieten liggen aan wat in ambtelijke kring als gebruikelijk gold. Een voorbeeld daarvan is de borgemeester uit vroeger eeuwen. Hij had een heel andere taak als de huidige burgemeester, die we moeten vergelijken met de schout of drossard van toen. Borgemeester was vroeger de algemeen gangbare benaming voor wat tot voor kort ‘gemeenteontvanger’ werd genoemd. Hij, in vereniging met minstens één compagnon, beheerde de gemeentekas en haalde de belasting op. Borgemeester was een allesbehalve dankbaar baantje en daarom werden elk jaar uit de bevolking weer twee of drie, soms zelfs 4 nieuwe borgemeesters door het gemeentebestuur ‘aangewezen’. Ze werden dan gemeenteambtenaar voor de periode van één jaar en niet langer. Het spreekt voor zich dat het wel personen moesten zijn die de gemeenschap voor de uitoefening van dat ambt capabel achtte. Het ging per slot van rekening over de financiën van de dorpsgemeenschap. En het zijn met name de stukken die in de archieven zijn bewaard gebleven van de financiële verantwoording van deze borgemeesters, waarin men zoveel prachtige voorbeelden kan vinden van het plaatselijk taalgebruik. Het zal niemand echt verbazen dat ook toen al een perd een perd was en geen paard. Dat het meervoud van ‘perd’ niet ‘perden’ maar ‘peerden’ was. En zo is er in de zogeheten ‘borgemeestersrekeningen’ nog heel veel meer oud-Gimmers van eeuwen her overgeleverd. En dan hebben we het nog niet eens over de bijlagen van de borgemeestersrekeningen waaronder de door de verschillende borgemeesters indertijd opgespaarde kwitanties. Voor speurders naar oud plaatselijk taalgebruik een kostelijke bron. En: het blijkt echt niet zo moeilijk om bij de per individu weer verschillende spelling van toen, toch de juiste gebezigde klank te vinden. Want iemand vertrouwd met het dialect van nu, ‘hoort’ bij het lezen van die oude teksten gewoon de Gemertenaren van toen. In de door hen indertijd gebezigde spelling herken je vrij gemakkelijk het huidige dialect en er rest geen andere conclusie dan dat de uitspraak van toen voor heel veel woorden vrijwel identiek moet zijn geweest aan die van nu. In het hiernavolgende volgen daarvan een aantal voorbeelden zoals ondergetekende die uit Gemertse rekeningen van de borgemeesters uit 1627 optekende.

‘Gemmert’ ipv ‘Gemert’
‘Remundt’ ipv ‘Roermond’
‘Summeren’ ipv ‘Someren’
‘Liessent’ ipv ‘Lieshout’
‘Eindoven’ ipv ‘Eindhoven’
‘hum’ ipv ‘hem’
‘knint’ ipv ‘konijn’
‘kninde’ ipv ‘konijnen’
‘vorsse kabbeljauen’ ipv ‘verse’
‘inden Graef’ ipv ‘in Grave’
‘het graft’ ipv ‘de gracht’
de uitdrukking ‘nie ewech konnen commen’
‘hetghenighe’ ipv ‘hetgeen’
‘seuven patrijssen’ ipv ‘zeven patrijzen’
‘gebrocht’ ipv ‘gebracht’
‘gecommen’ ipv ‘gekomen’
‘Heesick’ ipv ‘Heeswijk’
‘Van de Crommenecker’ ipv ‘Van de Crommenakker’
enzovoorts enzovoorts.

Duidelijk is dat de oude borgemeestersrekeningen laten zien hoe oud ons eigenste Gimmertse taalgebruik wel niet is. De rekeningen van de Gemertse borgemeesters verdienen daarom op het vlak van ’taol’ nog een veel uitgebreider onderzoek.

Bekijk PDF

GH-2008-02 Het Mysterie van De Mortel

Ad Otten

“Hij kon ’t wel maar Hij deed ’t niet!”

Iedere christen weet dat tegelijk met Christus op Golgotha ook nog twee moordenaars werden gekruisigd. En misschien is ’t ook wel bekend dat één van die moordenaars berouw toonde en de andere niet, en dat die

laatste – toen alle drie de kruisen waren opgericht – Christus iets moet hebben toegevoegd in de trant van: ‘als jij zo goed bent in het verrichten van wonderen, waarom tover je ons dan niet van dit vervloekte kruis?’ Christus kon daaraan niet voldoen want zo was het nu eenmaal niet voorspeld. Maarrrr…. dat Hij het wel gekund zou hebben is in De Mortel, heel uniek verbeeld. Kijk maar eens goed naar de foto’s van het uit 1933 daterende wegkruis op de splitsing van de St.Antoniusstraat en de Kastanjelaan. Met één hand komt Christus echt helemaal los van het kruis en dit is géén trucage.

Bekijk PDF

GH-2008-02 Van ST. Jan de Doper tot St.Jan’s Onthoofding

Ad Otten

VAN ST.JAN DE DOPER TOT ST.JAN’S-ONTHOOFDING

In het in 1700 door Pastoor Gautius aangelegde parochieregister kan men op folio 19 lezen dat de tussen 1438 en 1454 gebouwde nieuwe kerk in Gemert indertijd als patroon koos St. Jan Baptist en als medepatroon St.Wilbert. Joannes Baptist is Johannes de Doper dat is duidelijk. Maar hoe komt ’t toch dat we het tegenwoordig altijd hebben over de kerk van St.-Jan’s Onthoofding en nooit meer over de kerk van St.-Jan de Doper? De verklaring moet m.i. gezocht worden in het gegeven dat er weliswaar twee zogenaamde heiligendagen bestaan van Sint-Jan maar dat de

volledige naam van de heilige is “Jo(h)annes Baptist’s Onthoofding”. En… dat nu de aanduiding St.-Jan’s Onthoofding wordt gebezigd en vroeger die van de benaming St.Jan Baptist of op z’n Nederlands: Sint Johannes de Doper. Doorgaans wordt van een heilige de sterfdatum aangehouden als heiligendag. Maar Johannes de Doper is van oudsher een uitzondering op deze regel omdat niet alleen zijn sterfdag maar ook zijn geboortedag wordt gevierd (resp. 29 augustus en 24 juni). De reden daarvan is, dat hij (conform Lucas 1, 39-56) Jezus reeds gehoord zou hebben voor zijn geboorte en daardoor ‘vervuld werd van de Heilige Geest’ (zie: www.heiligen.net).

De ‘overgang’ in Gemert van de benaming van St. Jan de Doper naar St.Jan’s Onthoofding kan worden geïllustreerd aan de bijgaande pagina’s uit het trouwboekje van Gerard Vereijken en Hendrika Hazenveld. Zij trouwden in oktober 1935. De 4de voor de wet en de 10de voor de kerk. Bij het kerkelijk huwelijk werd de stempel gebruikt met het opschrift ‘Parochiae Sancti Joannis Baptistae in Decollatione’ (‘decollare’ is het latijnse werkwoord voor onthoofden). De ondertekening is van pastoor Poell. Het echtpaar kreeg vijf kinderen in resp. 1936 (Bert), 1937 (Cor), 1941 (Claartje), 1944 (Leentje) en 1947 (Joke). De twee eersten werden gedoopt in de kerk van “St.Jan Bapt.” en de drie laatsten in “St. Jan’s Onth.”

De opmerkzame lezer van bijgaande foto uit het trouwregister heeft misschien al opgemerkt dat tussen de huwelijksdatum en de geboorte van de oudste zoon (Lam)bert maar zes maanden zit. “Jao”, lachte Bert, “onze pap èn ons mam waoren ’n bietje te laot getraowd!”

Bekijk PDF

GH-2008-04 Het mysterie van De Mortel (2)

Ad Otten

In Gemerts Heem 2008.02 lieten we zien dat Christus in De Mortel met zijn linkerhand liet zien “dat Hij het wel kon (van het kruis afkomen), maar toch niet deed!” De bijgaande foto laat zien dat Hij dat ook met zijn rechterhand duidelijk maakte!

2008-4 kap1

Bekijk PDF

GH-2008-04 Van Roesp (roestwater) tot Rips

Ad Otten

De Rips, bevat veel ijzer. Duidelijk is dat te zien aan het roestbruine water of – meer nog – aan de roestbruine bodem in het riviertje. Op plekken waar het water stilstaat, is soms een dun olieachtig laagje op het water zichtbaar. Dit laagje wordt gevormd door ijzerbacteriën en is een (onschuldig) natuurlijk goedje. Het ijzerhoudende water vormde in de loop van de tijd een harde laag ijzeroer, dat vroeger ook wel werd gewonnen om ijzer van te smelten. Her en der in de Gemertse ondergrond worden ook nu nog geregeld ijzeroeraders of losse ijzeroerklompen gevonden. Een voorbeeld daarvan dateert uit de tijd van de aanleg van de Zuid-Om. Ten behoeve van archeologisch onderzoek werd het tracé zorgvuldig en machinaal afgeschaafd. Maar toen men stuitte op een ijzeroerbank was het gedaan met schaven want aan die Gemertse ijzeroerbank viel gewoon niks te schaven.

De klompen ijzeroer wist men echter ook wel te gebruiken in het Gemertse. Zo is de Lourdesgrot in de kloostertuin van Nazareth van ijzeroerbrokken opgeworpen, evenals de calvarieberg op het kerkhof van de Nazarethzusters in dezelfde tuin en ook de calvarieberg op de splitsing van St. Antonisstraat en Kastanjelaan in De Mortel.

Van al dat ijzer in de Gemertse ondergrond vinden we ook in de archieven een getuigenis en wel in de naamgeving van het riviertje De Rips. In vroeger tijd blijkt Rips namelijk te zijn geschreven als Ruesp, Roesp of Roisp en over de betekenis daarvan zijn in de loop der tijden al heel wat ‘bomen’ op gezet, maar naar mijn mening is alleen de betekenis van ‘roestwater’ buiten kijf.

Bekijk PDF

GH-2008-04 Ghere Beke

Ad Otten

2008-4 kap4

Op een foto uit 1993 (dat is kort voor de uitbreiding van het kerkhof) zien we een brede sloot, die nu alleen nog bestaat vanaf het punt waar de Scheidiuslaan uitkomt op de Ridder Rutgerlaan en vandaar loopt in de richting van de Jezuïetenlaan tot aan de oversteek van de West-Om. Deze sloot maakte van oudsher deel uit van de grens tussen de Commanderij van Gemert en het domein van de vroegere Heren van Gemert (’t Hooghuis en ’t Hofgoed). Vóórdat eind jaren veertig van de vorige eeuw in de Jezuïetenlaan woningbouw werd gepleegd liep deze sloot door tot aan De Rips ter hoogte van ’t wevershuis van Jas (Hendriks) d’n Boter. Het is niet onmogelijk (om niet te zeggen heel aannemelijk) dat deze sloot het restant is van de zgn. Ghere Beke die al in 1326 wordt genoemd en vanaf 1400 deel uitmaakt van de (toen nog enkele) omgrachting van het Duitsordens kasteel. Na de aanleg van de buitengracht en poortgebouw (1607) is deze Ghere Beke vanaf de Merckte in zuidelijke richting verlegd naar de plaats die we nu kennen als de bedding van de (kasteel)Rips. Kort vóór het gereedkomen van deze uitbreiding van het kasteelcomplex worden voor de Gemertse schepenbank nog tien ‘ervaringsdeskundige’ getuigen opgeroepen aangaande het onderhoud van ‘den grave’ tussen de Herenhoeve (dat zijn de landerijen van de kasteelboerderij) en de landerijen van het Hofgoed. De conclusie is eenduidig: van oudsher was het de eigenaar van het Hofgoed die opdraaide voor het vegen van deze ‘grave’. (RA Gemert R112 f.141v-142v d.d. 20.9.1605).
Interessant is verder nog dat de naam ‘Ghere Beke’ kan worden verklaard doordat deze beek komende van de Kieboom, achterlangs de panden Binderseind 2-8, ‘geerend’ dwz schuin het tracé van de oude hoofdstraat overstak, om vervolgens aan de zuidoostpunt van het kasteelcomplex de gracht (nu binnengracht) direct van water te voorzien. De Ghere Beke moet vervolgens aan de noordwestpunt van diezelfde gracht weer in een eigen bedding haar stroombeloop hebben vervolgd richting De Rips aan het (achter)einde van De Haag.

Bekijk PDF

GH-2008-04 Kasteel van Willem Jagers

Ad Otten

2008-4 kap5

Van 1956 tot 1993 voer bij de Koninklijke Marine een mijnenveger met de naamHr. Ms. ‘Gemert’ en boegnummer M841. Aan boord hing een door zekere Willem Jagers gemaakt olieverfschilderij van het Gemerts kasteel, dat wil zeggen, een kleurrijke afbeelding, die naar verluidt kort voor de doop van de mijnenveger gemaakt moet zijn naar een 18de eeuwse gravure. Het is meteen duidelijk dat het hier een situatie betreft van vóór de grote renovatiewerkzaamheden die het kasteel onderging in de periode 1735-1744. Het linksonder tegen de boom geplaatste gemeentewapen van Gemert van veel later tijd ten spijt. De weergave van het kasteel blijkt bovendien niet erg nauwkeurig en dat zal de gravure die als voorbeeld diende ook wel niet zijn geweest. Boven in de hoofdburcht zijn hele raampartijen verzonnen en de ophaalbrug van de koer van de voorburcht naar de hoofdburcht zit maar liefst een hele verdieping te laag…
Nadat besloten werd tot de sloop van de mijnenveger Gemert heeft de Marine het schilderij aangeboden aan de Congregatie van de Heilige Geest, de eigenaars van het kasteel, en daar hangt het nu in ‘de soos’ van het hoofdgebouw.

Bekijk PDF

GH-2008-04 “Perpetuum” in plaats van “pertuum” natuurlijk

Ad Otten

Met uitzondering van Frans Slits en Wim & Piet Vos, maar dat zijn ook dé talenknobbels van onze heemkundekring, heeft niemand het gezien. Op de achterflap van deze jaargang heeft telkens een fout gestaan. ‘Pertuum’ moet zijn ‘Perpetuum’. Ja natuurlijk zegt nu iedereen. En wij ook! Frans, Wim & Piet bedankt voor de reactie. Op de laatste pagina van deze jaargang hebben we het toch nog kunnen corrigeren. Dank ook namens de keizer van Monera Carkos Vlado zelf.

2008-4 kap6

Bekijk PDF