GH-2011-02 Bierviltjes van Gemertse Bieren
Ad Otten
In Gemerts Heem 2007 nr. 3 wezen we al op Bierbrouwerij De Driekleur in het Kruiseind te Gemert die meteen na de Tweede Wereldoorlog ook al was het maar heel kortstondig probeerde een eigen pilsener bier aan de man te brengen. Wim Jaegers verrastte nu de redactie met bierviltjes van de laatste in Gemert operationele bierbrouwerij. Een viltje van vóór de oorlog uit de tijd van bierbrouwer Willem Verbakel (De Zwaan) en eentje van direct na de bevrijding toen de Gebroeders Averdieck uit Den Haag, poogden nieuw leven in de brouwerij te blazen met ‘De Driekleur’.



Bekijk PDF
GH-2011-02 Boek over oorlogsvliegvelden in Gemert-Bakel
Ad Otten
In het vorige nummer van Gemerts Heem schreef Ruud Wildekamp een interessant artikel over het door de Duitsers in 1944 aangelegde vliegveld op het landgoed De Sijp in Gemert, dat vanwege het meest nabijgelegen kerkdorp De Rips ook daarnaar werd genoemd Schattenplatz (ook wel: Ausweichplatz) De Rips. Het artikel werd afgesloten met ‘wordt vervolgd’, maar dat vervolg gaat, zo is door onze redactie inmiddels besloten, uitmonden in een compleet boekwerk.
De ‘Flugplatz De Rips’ kreeg na de bevrijding door de geallieerden een Canadees vervolg voor de ondersteuning van de geallieerde opmars. Daarnaast was een paar dagen na de bevrijding er al speciaal ten behoeve van de Britse Tactical Headquarters onder leiding van generaal Dempsey (toen gevestigd in het poortgebouw van Gemerts kasteel), een vliegveldje voor lichte vliegvelden in gebruik genomen op Paashoef. Dat laatste is overigens amper twee weken operationeel en niet van erg groot belang geweest in de geallieerde operaties. Ook bij Helmond werd een dergelijk vliegveldje voor lichte vliegtuigen aangelegd in de Zwanenbeemd, langs de weg van Aarle-Rixtel naar Helmond. Doordat het wat langer heeft bestaan en van daaruit ook artilleriegeleiding werd gedaan heeft het wat meer bijgedragen aan de oorlogvoering. Dat kan zeker gezegd worden van het vierde oorlogsvliegveld. Dit vliegveld gelegen bij Brouwhuis in de gemeente Bakel en Milheeze, langs de weg tussen Helmond en Deurne, werd gebouwd door de Britse genie en bijna geheel uitgevoerd in bakstenen. De Engelsen noemden dit hun ‘Opus Magnus’, hun machtigste werk. Van begin januari tot half april 1945 vlogen vanaf hier jachtbommenwerpers naar doelen in Duitsland en bezet Nederland. Daarmee heeft dit vliegveld wezenlijk bijgedragen aan de bevrijding van ons land en de ondergang van Nazi-Duitsland.
Ruud Wildekamp weet na gedegen en heel specialistisch onderzoek zoveel bijzondere zaken te vertellen over deze Gemert-Bakelse oorlogsvliegvelden dat besloten is er een afzonderlijk en bijzonder rijk geïllustreerd boekwerk aan te wijden met veel fotomateriaal uit tot dusver nauwelijks geziene Duitse en Britse militaire bronnen. Het boek zal worden uitgebracht op de bevrijdingsdag van Gemert, Bakel en Helmond: 25 september 2011!
Bekijk PDFGH-2011-03 Tramspoorplan over Schoorswinkel
Ad Otten
In 1883 werd Gemert, zoals men elders in deze aflevering kan lezen, aangesloten op een tramspoorwegennet. Natuurlijk is daar heel wat denk- teken en rekenwerk aan voorafgegaan. En een heleboel plannen zijn om wat voor reden dan ook bijgesteld of gewoon niet doorgegaan. Zo stuurde Anton Vissers uit Deurne een plantekening uit 1881 voor het gedachte tracé van de stoomtram vanaf Hotel De Keizer in de richting Beek. Het Binderseind werd gevolgd aan de uiterste westkant van de straat. De drie elkaar opvolgende haakse bochten via het Stereind naar d’n Heuvel werden voor de tram kennelijk wat al te moeilijk bevonden. Voorgesteld werd daarom te kiezen voor een ruime buitenbocht ter hoogte van het kèske en vervolgens achter ‘Smèd van Roij’ om, koers te zetten naar ‘d’n Heuvelse Pad’ in plaats van het Provinciale wegtracé te volgen. Via D’n Heuvelse Pad kwam men vervolgens met een flauwe bocht weer op d’n Heuvel uit om vandaar de weg te vervolgen naar Beek, Aarle-Rixtel, Helmond. Het is er nooit van gekomen. De indertijd geproduceerde tekening (1881) laat ons wel een heel informatieve plattegrond zien van de toenmalige bebouwing in dit gedeelte van Schoorswinkel. We zien zelfs de broeikas ingetekend in de tuin tegenover het poortgebouw van het kasteel. Die broeikas is er dus heel waarschijnlijk al geweest in de tijd van Scheidius.

GH-2011-03 De onzichtbare hand van Maria
De Duitsers mochten niet over Handel
Ad Otten
Op 10 mei 1940 vielen Duitse troepen Nederland binnen. Een van de belangrijkste hoofdlijnen waarlangs werd opgerukt liep van Gennep-Mill-Uden-Veghel naar Tilburg. In Uden vestigde General-Oberst Von Küchler, commandant van het 18e Duitse Leger te Uden zijn hoofdkwartier in het Missiehuis aan de weg tussen Uden en Volkel. Onder zijn commando viel ook een vliegeenheid waarvoor hij de beschikking kreeg over het bij het Missiehuis gelegen voetbalveld. Met verkenningsvliegtuigjes kon de General-Oberst nu contact onderhouden met zijn superieuren ins Vaterland. De vliegroute liep over Handel en dat moet voor één der vliegers problemen hebben opgeleverd. We citeren uit: ‘Broeder Gerardus’ In Uden stond een huis…, in: Sint Michaels Almanak, 1947, blz. 78: De vliegtuigen stijgen en dalen op ons terrein, zodat het al spoedig een toeloop van mensen veroorzaakt, die nog nimmer een vliegtuig van zo nabij gezien hebben. Het zijn meestal jachtvliegtuigen: koeriers die van het front naar het achterland boodschappen brengen. Een geregelde vlucht wordt ingesteld via Gemert, naar Duitsland. Als treffende bijzonderheid wordt hier vermeld, dat in die dagen door een der Duitse vliegers werd gevraagd, wat het voor een kapel was, even buiten Gemert. Hij had herhaaldelijk opgemerkt, dat zijn machine telkens afweek, zodra hij boven die kapel kwam. Het was de Mariakapel van Handel.
Bekijk PDFGH-2011-03 Gemertse analyse van bedrijfsfusie
Ad Otten
Met oud-textielondernemer Felix van den Acker evalueerde ondergetekende het kort tevoren in samenwerking met een team van Omroep Centraal verfilmde “Mysterie van het Gemerts Bont” (zie www.heemkundekringgemert.nl; toets ‘video’ en kies ‘mysterie nr.40’). Opnieuw kwam ter tafel de verklaring voor het feit dat sedert de jaren zestig van de vorige eeuw nagenoeg alle weverijen uit Nederland verhuisden naar lagelonenlanden, maar niet die uit Gemert. Felix zoekt de verklaring in het feit dat de Gemertse weverijen zich zijn blijven specialiseren en dat zij investeerden in kwaliteit, terwijl de weverijen van Helmond, Tilburg en die uit Twente, van de ene fusie in de andere rolden en alleen maar groter en groter werden. Intussen is gebleken dat er niet voor kwantiteit maar alleen voor ‘kwaliteit’ in Nederland markt is gebleven. Over de ondernemingsfusies in de textiel bracht Felix vervolgens nog ’n heel bijzondere en gevatte ‘wijsheid’ te berde. In ’t Gímmers! Een wijsheid die we de lezers van Gemerts Heem niet willen onthouden: “As ge twaë ímmers wátter hét, ‘nen ímmer skon wátter èn ‘nen ímmer vòl wátter, èn ge doet die baj mekaor, dan kriede twaë ímmers vòl wátter.”
Bekijk PDFGH-2011-04 Penitentie van pastoor Poell aan d’n Antichrist
Ad Otten
Achtergrondgeschiedenis: Rond 1900 richtte Pírke Slits een alternatieve boerenbond op in Gemert. Hij had zijn lidmaatschap opgezegd van de plaatselijke NCB-afdeling omdat er in strijd met de statuten familieleden in het bestuur zaten. Pírke vroeg voor zijn nieuwe vereniging aan de pastoor (Van Beek 1880-1915) een geestelijk adviseur, maar de pastoor weigerde aan die wens te voldoen. Één katholieke boerenbond voor Gemert vond de pastoor genoeg. Toen Peerke zijn vereniging toch doorzette gold die vereniging in de ogen van de pastoor en de goegemeente als een anti-christelijke club. Maar Peerke liet zich niet kennen. In de Gemertsche Courant van 1 januari 1912 plaatste hij een advertentie met de tekst “Zalig Nieuwjaar van d’n antichrist”, en hij pachtte voor zijn gezin een bank voorin de kerk. Z’n hele leven behield hij de bijnaam van ‘d’n Antichrist’ maar hij droeg die met ere.
In 1915 kreeg Gemert ’n nieuwe pastoor in de persoon van Lambert Poell die gold als bruggenbouwer en sociaal voorman. Op de reünie van de familie Corstens gehouden op 12 november 2011 vertelde de 94-jarige Annie Vermeer-Corstens (1917) de volgende anekdote: “Het moet zijn geweest in het begin van de jaren dertig. Onze pap (Henri Corstens) was wethouder in Gemert. Pírke Slits, bijgenaamd d’n Antichrist en partijgenoot van onze pap in de gemeenteraad, kwam met een brede glimlach uit de parochiekerk. Onze pap zag ‘m en vroeg waarom hij zo’n lol had. Pírke vertelde toen dat hij had gebiecht bij pastoor Poell en dat hij “as pínnetènsie van Poelekes tiejn Onzevádders èn tiejn Weesgegroetjes moes bidde vùr de kattelieke Gímmerse vereenegingen…”.

GH-2011-04 Anekdote van de bevrijdingsdag
Ad Otten
Antoon van Gerwen van de Oudestraat vertelde het. Het was 25 september 1944. Hij ging ’s morgens op de fiets naar de kerk. Het was druk op straat. De Duitsers trokken terug. De ene militaire wagen na de andere. Veel tanks ook. Vanuit het kasteel trokken ze via De Mortel richting De Rips en verder de Peel in, om zich in te graven ter hoogte van Venraij en Overloon. Uit de colonne maakte zich een Duitse militair los die Antoon staande hield en hem vroeg of hij zijn fiets kon kopen. Een tientje bood hij en een geweldige fiets was het ook niet. Maar toch besloot Antoon om hem te antwoorden dat hij zijn fiets niet wilde verkopen. Hij haalde zijn schouders op, maakte een gebaar van verontschuldiging en voegde zich vervolgens weer in de militaire colonne. Antoon fietste door en stalde zijn fiets tegen de kerk. Toen hij drie kwartier later buiten kwam kon hij zijn fiets nergens meer vinden.

GH-2009-01 Anni van Bokhoven
Ton Thelen
Landschappelijke beelden sieren de omslag van het tijdschrift dit jaar. In Gemert is Anni bij velen bekend als de maakster van de grote vogel (1985), die jarenlang in de hal van het gemeentehuis naar de bezoekers ‘prikte’. Met de verbouwing van het gemeentehuis was er geen plaats meer voor dit markante object. Ook van andere bedrijven heeft zij opdrachten gekregen om daar de ruimte met een kunstobject te verlevendigen. Meer dan haar objecten kenmerkt haar kunst zich door de schilderkunstige verbeelding van het landschap. Landschap niet als een natuurlijk gegeven, maar als de uitdrukking van ervaringen, belevingen en betekenissen. Het zijn denkbeeldige landschappen, die tal van herinneringen en voorstellingen met elkaar verbinden. Opvallend is de afwezigheid van de mens. Dit is echter schijn. Op intrigerende wijze veronderstelt elk landschapsbeeld zijn aanwezigheid, als de waarnemer en betekenisgever. Zij creëren een innerlijke ruimte, waarin bewustzijn en onderbewustzijn met elkaar verbonden zijn in een zowel aanwezige, voorstelbare werkelijkheid, als in een verborgen wereld. Het landschap ontstaat uit een innerlijke stroom die zichtbaar wordt gemaakt als een te beleven werkelijkheid, toegankelijk want herkenbaar, maar tegelijkertijd ook verborgen als uitdaging voor de beschouwer. Zijn zoektocht volgt op eigen wijze de zoektocht van de kunstenaar, waardoor het verbeelde landschap een weidsheid van beleving en betekenis krijgt, zich openbaart als een onbegrensde en grenzenloze werkelijkheid . Elke ogenschijnlijk eenduidige betekenis of beleving verwijst naar de gelaagdheid van het onderbewuste en het verborgene, zowel transparant als versluierd, dat zijn geheimen als het ware nimmer geheel prijsgeeft. Zowel beelden als woorden schieten tekort om die innerlijke werkelijkheid van de landschappelijke verbeelding tot uitdrukking te brengen. Dat maakt de landschappen die Anni schildert zo boeiend; zij nodigen uit om daarin te verwijlen. Een ervaring die nimmer dezelfde is, maar steeds weer anders.
Na enkele jaren gewerkt en de sociale academie gevolgd te hebben, besloot Anni haar kunstzinnige talent de ruimte te geven. In 1978 schreef zij zich in voor de opleiding Plastische Vormgeving aan de Academie voor Kunst en Vormgeving in ‘s-Hertogenbosch, een hele overstap om weer een dagopleiding te volgen. In 1983 studeerde zij af. Daarna volgden vele exposities, in de regio alsook ver daarbuiten: Apeldoorn, Weert, Lage Zwaluwe, Vierlingsbeek. Voorts heeft zij haar werk in de voorbije jaren ondergebracht bij Kunstuitlenen in onder meer ‘s-Hertogenbosch, Eindhoven, Utrecht en Maastricht en thans meer in de regio. Aankopen van haar werk geschiedden door de gemeente Gemert, de Kunstuitleen te Helmond, Utrecht en Maastricht. En naar diverse particuliere collecties in Nederland en België heeft haar kunst zijn weg gevonden. Anni is vaak te vinden in haar atelier, in het voormalig klooster Nazareth.
Bekijk PDFGH-2010-01 Ellen Brouwers Designing Art
Ton Thelen
Ellen Brouwers is geboren in Gemert (1 mei 1960). Zij is opgegroeid op het platteland waar haar ouders, Noud Brouwers en Nella Swinkels een gemengd bedrijf hadden op de hoeve ‘Paashoef”. De omgeving van de boerderij, stimuleerde haar creativiteit. Als in de zomer de stallen weer waren schoongemaakt en geverfd, werden deze als speelplaats gebruikt, een plek waar de fantasie alle ruimte en mogelijkheden kreeg. “Als er al eens verf over was, gebruikte ik deze om dozen te schilderen en met eikels en steentjes maakte ik bijzondere composities.” Al was zij nog nooit op vakantie of in een museum geweest, toch bouwde zij haar eigen, wisselende tentoonstellingen: “Ik was altijd bezig met vormgeving en ruimte.”
Een toekomst in de kunst lonkte, maar het onzekere kunstenaarsbestaan – haar ouders meenden dat met kunst geen droge boterham was te verdienen – deed haar aarzelen. Echter na drie jaar werkzaam te zijn geweest in de zorg, besloot zij toch haar koers te volgen en schreef zich in aan de Academie voor Beeldende Vorming in Tilburg. Zij studeerde in 1991 summa cum laude af. Hierna specialiseerde zij zich verder in de zeefdruktechnieken aan het Grafisch Atelier in Den Bosch en in portretfotografie aan de fotovakschool te Amsterdam. Daarnaast maakte zij vele studiereizen naar onder andere de Verenigde Staten en India. Deze zijn een bron van inspiratie door de ontmoeting met andere culturen, ruimtelijke structuren, architectuurstijlen en mensen in hun verscheidenheid. Indrukken die fotografisch zijn vastgelegd in een onuitputtelijk archief.
Op het land rondom de boerderij staat nu een prachtig beeld. “Het houdt de herinnering aan mijn jeugd vast, het is een dankbare terugblik op wat die tijd mij gegeven heeft.” Het kunstwerk bestaat uit twee op glas geprojecteerde foto’s van een paarde(n)bloem. Deze sieren een weelderig begroeide berm langs de Oost-Om, de randweg om Gemert. Het is een opdracht van de gemeente in het kader van het project ‘bermbeelden’, gerealiseerd in 2000.
De tussen-n in de naam is geen toegeven aan de spellingsherziening, maar wijst op de toewijding van beide ouders. “Mijn vader is namelijk gek op trekpaarden en moeder houdt van bloemen. Zij hebben ook het karakter van een paardebloem: eenvoudig, sterk en puur. Zij hebben nooit iets willen verbloemen. Tussen de glasplaten ligt hun leven en eigenlijk ook het mijne. Dit was tevens het begin van mijn latere grote liefde en passie , het Werken Met Glas”
“Eigenlijk ben ik nu in de voetsporen van mijn vader getreden, want een boer is eigenlijk een kunstenaar. Kijk maar eens hoe gewassen in prachtige lijnen over de akkers verdeeld worden. De boer heeft als enige invloed op het hele productieproces, van zaad tot pluizenbol,” aldus Ellen bij de onthulling van de paarde(n)bloem. Zo vergaat het een kunstenaar ook: aanpassing, flexibiliteit en creativiteit paren aan zakelijkheid en bedrijfsmatigheid. Na de opleiding aan de Academie bleek het toch moeilijker om creatief bezig te zijn dan verwacht. Met een schenking van haar ouders maakte zij haar eerste monumentale beeld dat een plaats kreeg in de voortuin van haar woonhuis. Dit was het begin van haar behoefte aan het maken van monumentale kunst en het besef dat werken in opdracht een wezenlijk onderdeel is van het creatieve proces. Langzaam kwamen de opdrachten binnen. Enkele jaren later vestigde zij zich op het bedrijvenpark in Oisterwijk, in een modern, onder architectuur gebouwd, ruimtelijk atelier/woonhuis. In de loop der jaren is haar kunstenaarschap zeer veelzijdig geworden. Dit is mede te danken aan haar overtuiging dat voor haar kunstenaar zijn een combinatie is van creatief kunstenaarschap en ondernemer. Haar uitdaging komt vanuit de behoefte om haar kunst te voegen naar de wensen van de opdrachtgever. In die zin is haar werkwijze te vergelijken met de negentiende-eeuwse (kerkelijke) kunstateliers, zoals van Cuypers, Oor en Nicolas in Roermond, Van der Geld in ‘s-Hertogenbosch en Custers in Eindhoven.
“Ik werk samen met architecten, bouwers, woningbouwcorporaties. Mijn kunst wordt een geïntegreerd onderdeel van een gebouw, of een zelfstandig object in een ruimtelijke omgeving. Ik werk vanuit verschillende disciplines, een gemengd bedrijf net als bij mijn ouders.” In haar voornamelijk door glazen ramen transparante atelier komen cultuur en natuur bijeen. Deze verbondenheid komt vaak terug in haar kunstwerken. Werkomgeving en leefomgeving zijn op elkaar afgestemd: “Ik ga niet naar mijn werk, maar zie mijn werk als mijn leefwijze.”Ook dat verwijst naar het leven op de boerderij.
Beeldend kunstenaar, fotograaf, ontwerper, vormgever, een zeer veelzijdig kunstenaar die een variatie aan projecten en kunstwerken heeft gerealiseerd. Gebruik makend van diverse technieken, materialen en vormen. Een waar kunstbedrijf. Kunst wordt door haar gebruikt om een object, een gebouw of een openbare ruimte een onderscheidende identiteit te geven, steeds zoekend naar een balans tussen schoonheid, duurzaamheid en bruikbaarheid.
Een lange lijst van opdrachtgevers (onder andere bedrijven, banken, overheden, woningbouwcorporaties en architecten) over geheel Nederland verspreid, bevestigt haar landelijke reputatie. Enkele opmerkelijke en bijzondere projecten worden hier uitgelicht. In opdracht van de chipfabrikant NXP, producent van halfgeleiders, maakte Ellen een kunstwerk in de patio voor de Fifty Two Degrees toren in Nijmegen. Een futuristisch ontworpen, geknikte hoogbouw, een creatie van Francine Houben en Francesco Veenstra van het Delftse bureau Mecano. Vanwege het visionaire ontwerp is aan hen de International Design Award toegekend. Het kunstwerk dat Ellen realiseerde, bestaat uit drie glazen panelen en beeldt een vrucht uit, Nexperia genaamd. Het is bedoeld als natuurlijke tegenhanger van de harde hightechomgeving. De kleur van de vrucht straalt warmte uit naar de omgeving. De vrucht als symbool van het groeiproces in de natuur tegenover het proces waaruit de halfgeleider is opgebouwd. De hartvorm staat voor het kloppend hart van de onderneming en van de mens die in samenwerking een product voortbrengt. De nervatuur verbeeldt de longen die zowel de zuurstof aan het bedrijf als aan de mens leveren. Het lijkt een netwerk dat tevens staat voor het wereldwijde netwerk van het bedrijf. Onder invloed van de seizoenen en de tijd van de dag krijgt het kunstwerk steeds een andere uitstraling. Het kunstwerk en de halfgeleider zijn beide overbrengers van informatie. Door zich tussen de panelen te verplaatsen, kan de toeschouwer zijn eigen beeld scheppen. Op 14 augustus 2007 verrichtte ministerpresident Jan Peter Balkenende de openingshandeling van het gebouw.
Voor Unisoft in Waalwijk ontwierp Ellen in 2009 de glazen gevelwand voor het nieuwe kantoor, ontworpen door ARCEAU architecten, Uden. Unisoft levert software voor fashion retailers en ondersteuning aan modedetailhandelsketens. Via associatie van kleding die op de huid wordt gedragen met netwerk en communicatie/advies ontstond de vormgeving van het patroon op de glaswand van huidmondjes en weefstructuur. De transparantie verbindt ook hier natuur en cultuur. De speling van het licht projecteert een wisselend patroon op de binnenruimte en biedt omgekeerd een veranderlijke blik op de buitenwereld. De dynamiek van het bedrijfsproces wordt hierdoor naar twee zijden benadrukt.
Voor de parkeergarage van de High Tech Campus in Eindhoven ontwierp Ellen in opdracht van Philips de glaswand (2007). De vormgeving is geïnspireerd door het gedrag van vissen in een aquarium: auto’s in beweging, rondjes draaiend, in een ordelijk patroon heen en weer, stilstaan op een tijdelijke plek, om dan weer verder te gaan. Zo zijn ook onze gedachten, dynamisch, voortdurend op zoek naar, even verwijlend. Het ontwerp van de garage is van INBO Stedenbouwkundige Adviseurs – Architecten, Groep Eindhoven. Door ING Real Estate, IPMMC Vastgoed en LSI Project Investment werd Ellen geselecteerd om een kunstwerk te maken voor de centrale hal van het nieuwe kantoor van het Centraal Bureau voor de Statistiek in Heerlen, dat is ontworpen door Meyer en Van Schooten Architecten b.v. te Amsterdam.
Het kunstwerk is 15 meter hoog en heeft een doorsnede van 4 meter en is gemaakt van vol glas. Het is opgehangen aan een apart daarvoor aangebrachte staalconstructie die de hal overspant. Op de plaats waar eens duizenden arbeiders via de mijnschacht diep de aarde in daalden om het zwarte goud te delven, rijst het majestueus op als een
boorprofiel door honderden miljoenen jaren. “Het gaat over tijd en verbeeldt de gebruikers van deze markante locatie uit het verleden, het heden en de toekomst.”
De glazen zuil staat symbool voor het afstervingsproces van de reuzenboom die hier eens in de oertijd groeide en door een immens lange tijd heen in zwarte steenkool veranderde. Het is ook een ode aan de mijnwerkers. Waar zij Barbara als patroon voor de bescherming tegen een ongewisse dood vereerden, waakt nu een nieuwe patroon, Odonata Statistica, over het welzijn van de werkers van vandaag de dag. Als een van de weinige indertijd levende dieren heeft de libelle, met een vleugelspanwijdte van wel een meter, de tijd overleefd en staat daarom symbool voor de onvergankelijke, wederkerende tijd. Een bezoek aan het museum Naturalis in Leiden, bracht Ellen oog in oog met het fossiel van de reuze libellevleugels die door een mijnwerker destijds in Heerlen zijn gevonden. Het groene woud, de libelle, de opmeting van de mijngangen en de tijdsbalk vertellen de kijker een geschiedenis die tot op de dag van vandaag doorgaat. De registratie van de tijd is de nieuwe opdracht die op deze plek dagelijks vervuld wordt. Op de plaats van de bok van de mijnschacht prijkt vandaag de waterjuffer, Odonata Statistica. Om de twaalf uur verandert de kleur van het licht dat van binnenuit de kolom doorstraalt.
Van geheel andere aard, maar wel te maken met tijd, is het ontwerp van een Levenskluis. De eerste in een reeks die de Dela plaatste bij het crematorium ‘De Maaslanden’ in Nieuwkuijk. Uitgangspunt voor het ontwerp is degedachte dat vandaag, morgen gisteren is, en bij de dood de nabestaanden niet met lege handen staan, maar tastbare herinneringen aan en van de overledene dierbare steun en troost bieden. “Een levenskluis bestaat uit drie kamers. Eén kamer waar de urn in rust verblijft. Eén met attributen die je zelf mee wilt nemen op de laatste reis. De derde en voorste kamer geeft door het transparante venster de ander een blik in jouw leven. De drie kamers tezamen tonen wie de mens was en hoe men hem zal herinneren: als het vertrouwde gezicht, de goede vriend, de grote liefde.” Op 2 juli 2009 is de Levenskluis officieel in gebruik genomen.
Bekijk PDF
GH-2010-04 Gemertse sigaren 2
Ad Otten
Op de ‘Gemertse Sigaren’ in het vorige nummer van Gemerts Heem kwamen nogal wat reacties. Reden te meer om in het gemeentearchief eens na te speuren wat er van de tabaksnijverheid in Gemert zoal valt te achterhalen. In de Franse Tijd werd met de zogeheten Patentwet een nieuwe belasting ingevoerd. Het ‘recht van patent’ werd geheven op alle handel, neringen, beroepen en bedrijven en ook op enige andere objecten van weelde of vermaak. Van 1805 tot 1891 is die belasting geheven en in het gemeentearchief zijn daarvan een aantal patentregisters bewaard gebleven waar alle belastingschuldigen werden ingeschreven met beroep etc. Deze registers zijn voor Gemert slechts van een beperkt aantal jaren bewaard gebleven. Een stel uit de Franse Tijd en een doorlopende reeks van 1850 tot 1866. En in deze laatsten vinden we de ‘eerste’ sigarenmakers en tabakskervers van Gemert genoteerd.1 En dat waren niet de eerste de beste. Zo werd in de jaren 1862 tot en met 1866 genoteerd als sigarenmaker en tabakskerver met 5 knechten zekere J. Haest aan het Binderseind. Het betreft óf de burgemeester van Gemert of diens broer. Verder vinden we over de hele periode 1850-1866 ingeschreven Arnoldus van Eupen in de Nieuwstraat als tabakskerver, winkelier, slijter en agent van een brandwaarborgmaatschappij. Idem Hendrik van der Putten (winkelier en tabakskerver) aan Haageik. Verder betaalde Adrianus van Berkel, kastelein van De Kroon, ook voor het recht van patent als tabakskerver, en aan de Markt van Gemert staat in 1850 als ’tabakskerfster’ te boek de winkelierster Weduwe Hendrik van Zeeland. De kroon spant echter Hendrik Corstens als tabakskerver, winkelier en koopman met twee knechts. Zijn debiet stijgt van 1850 tot 1866 van 2400 naar 4900 gulden. Toch moeten we de tabaksnijverheid van Gemert zien als betrekkelijk kleinschalig. Indrukwekkend is overigens wel de waarde aan ’tabak’ bij de inventarisatie van de inboedel van wijlen Johannes Hendrikus Corstens in 1897. Tabak en snuif in zijn sterfhuis wordt getaxeerd op Fl. 7755,20. Daarbij geteld voor Fl. 3593,50 tabak die de overledene bij zijn zus Geertruida heeft opgeslagen én nog sigaren voor Fl. 1252,60 komt het totaal op Fl. 12.601,30, een bedrag dat nu volgens een gangbare omrekeningstabel overeen zou komen met een kleine 350.000 gulden oftewel ruim € 150.000.2
In 1875 wordt de Hinderwet ingevoerd en tot en met 1926 verleende de gemeente Gemert 188 hinderwetvergunningen. Van allemaal zit een dossier in het archief en in chronologische volgorde werden de vergunningen ook ingeschreven in een register. Pas in 1898 zien we de eerste vergunning voor een sigarenfabriek met drogerij. Maar dan volgen er spoedig meer. Tot en met 1950 kan een lijst worden aangelegd van 22 verleende hinderwetvergunningen voor sigarenmakerijen, tabakskerverijen en/of droogkamers. Opvallend is dat er maar liefst 20 van de 22 dateren uit de periode 1898 – 1920 en slechts 2 uit de periode 1920-1950.3 Kennelijk zijn er na 1920 minder strenge overheidseisen voor het opstarten van een eenvoudige sigarenmakerij want we kennen een aantal namen van ‘fabrikanten’ die in de hierbijgaande lijst van verleende hinderwetvergunningen niet voorkomen, zoals Marinus Vos en Pauwke Verhees, terwijl we in het voorgaande Gemerts Heem Thé van Schijndel al leerden kennen als zelfstandig sigarenfabrikant in 1917 terwijl we die in de lijst hieronder pas tegenkomen in 1936.
Ook de gemeentelijke jaarverslagen zijn een bron voor de wederwaardigheden van de tabaks- en sigarennijverheid in Gemert. In het jaarverslag vanaf 1880 zien we telkens ’tabak’ genoemd als één van de invoerproducten uit het buitenland. Het verslag van 1880 meldt 1 sigarenfabriek waar 2 volwassen mannen en 2 jongens werken, verder 3 tabakskerverijen met 7 mannen en 2 jongens als personeel. Tien jaar later is er van die ene sigarenfabriek geen sprake meer maar nog wel van de 3 tabakskerverijen met 7 man personeel.4 In 1898 start boterfabrikant Keunen in de Molenstraat ook een onderneming in de sigarenfabricage. In 1900 heeft hij 7 man personeel. Zijn fabriek wordt niet opgenomen in de tabel “Staat der Fabrieken” maar in de tabel “Staat van de voornaamste Ambachten”. Het voorbeeld van Keunen vindt navolging: In 1902 telt Gemert al 6 ‘sigarenmakerijen’ met in totaal 34 man personeel (incl. 16 jongens). Constant is gebleven het aantal van 3 tabakskerverijen met dan 9 man personeel.
Vanaf 1903 maakt het jaarverslag van de gemeente verschil tussen een sigarenmakerij en een sigarenfabriek. Kennelijk trekt ze een grens bij 10 man personeel. Willem van de Kemenade, zoon van de notaris, is dan een sigarenfabriek begonnen in het smalle maar statige herenhuis dat iedereen in Gemert (nog) kent als het pand van D’n Dup. De tekeningen bij de hinderwetaanvrage laten zien dat het pand van boven tot onder en van voor tot achter wordt aangewend voor de sigarenfabricage. In 1903 telt Gemert inmiddels 7 sigarenmakerijen met in totaal 38 man personeel (incl.17 jongens) en 1 sigarenfabriek van 18 man personeel (de helft jongens). In 1906 komt het aantal werknemers in de tabaksnijverheid op 100 man personeel. Het getal sigarenfabrieken is dan toegenomen tot 4 stuks (te weten: Van Kemenade, Keunen, Van den Acker, Verbrugge) totaal 66 man personeel (incl. 26 jongens), verder 5 sigarenmakerijen met 25 en 3 tabakskerverijen met 9 man personeel. Een jaar later zakt de personeelstand naar 93. Twee sigarenfabrieken zijn dan weer teruggevallen op de status van ‘sigarenmakerij’. De twee overgebleven sigarenfabrieken Van Kemenade en Verbrugge hebben dan respectievelijk 21 en 22 werknemers. In 1908 16 en 21. Het schommelt in de tabak.
In 1909/1910 richten werknemers in de Gemertse tabaksnijverheid een eigen afdeling op van de Katholieke Sigarenmakersbond. Harrie Verhagen, één van de oprichters van d’n bond (zijn broer Johan was voorzitter), werkte toen bij sigarenfabriek Verbrugge in het Haageijk. Wanneer Harrie in 1980 zijn 70-jarig lidmaatschap viert van de Vakbond verhaalt hij in een interview uitvoerig over zijn belevenissen als sigarenmaker in Weekblad de Streek.5 “Bij Verbrugge had je het premiestelsel. Je kreeg dan ‘s-morgens de tabak en dan moest je zoveel sigaren uit een pond halen. Ik draaide er zo’n 300 per dag, ik was de vlugste niet, maar ook de lodderste niet. De beste sigarenmakers verdienden hier zo’n 8 à 9 gulden in de week.” Harrie werkte bij Verbrugge van ’s morgens 7 tot ’s avonds 7. Hij maakte er ook een staking mee die maar liefst 11 maanden duurde. Van d’n bond kreeg Harrie toen 6 gulden per week uitbetaald. Met de Gemertse sigaren zijn we nog niet klaar. Daarom staat hier: ‘Wordt Vervolgd’ .
NOTEN:
1. Omrekeningsformule van Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis [IISG] zie: www.iisg.nl/hpw/calculate-nl.php – laatst gewijzigd: 9 februari 2009; het betreft de koopkracht van een bedrag in een bepaald jaar (i.c. 1897) vergeleken met nu. Met dank aan Anette de Lange.
2. Gemeentearchief Gemert-Bakel, Zie: Studiezaal Map ‘Patentregisters’; Vgl. Ad Otten, Gemert in de Pruikentijd, in: Gemerts Heem 1982 nr.3 p.94-95.
3. Gemeentearchief Gemert-Bakel AG003 invnrs. 2307 en 2308; Deze inventarisnummers zijn registers van verleende hinderwetvergunningen. Van alle verleende vergunningen zijn afzonderlijke dossiers met situering en plattegronden invnrs. 2309-2496 (NB In de lijst is achter elke hinderwetvergunning het specifieke dossiernummer).
4. Gemeentearchief Gemert-Bakel AG003 invnrs. 124-126 (jaarverslagen van 1880 tm 1908)
5. Weekblad De Streek 7 mei 1980, Harrie Verhagen 70 jaar bij de Bond (interview door Paul Rijerse en Bertus van Berlo); Zie ook: “Aan de Arbeid”, Busselke 12, uitgave Heemkundekring Gemert 1 mei 1989, blz. 37-42.