GH-2011-01 Pictura Mundi

Ton Thelen

Het werk van Hans van Vroonhoven opent naar een andere werkelijkheid, in een eindeloos lijkend universum, waar je als het ware ingezogen wordt, gefascineerd door een mysterieuze betekeniswereld. Zij wekt een verlangen op, dat niet gestild wordt, maar voortdrijft, zonder te vervreemden.

De omkadering op de wijze van de middeleeuwse miniaturen versterkt deze gewaarwording. Warm van kleur, in een doordachte en subtiele schakering, doemen als komend uit een andere wereld soms vormen en patronen op uit een surrealistische werkelijkheid, doch nooit duister, beklemmend of ontluisterend zoals in de wereld van Jeroen Bosch. Het is dat weloverwogen samenstel van kleur, vorm en ruimte, dat een afglijden van de aandacht naar een bizarre gewaarwording voorkomt, waardoor je er met een blij gevoel van kunt genieten en van de speelsheid die soms erin opduikt.

Hans van Vroonhoven (Eindhoven 1941) volgde zijn opleiding aan de Akademie Industriële vormgeving Eindhoven, de afdeling grafisch ontwerpen en vrije grafiek. Hij kreeg er ook schilderlessen van Kees Bol, Frans Smeets, Jan Gregoor en Frans Zwartjes. Na deze opleiding, die hij met lof afsloot, vestigde hij zich als zelfstandig ontwerper. In die bijna 35 jaar voerde hij vele opdrachten uit voor grote ondernemingen in binnen- en buitenland. Zo ontwierp hij voor Koninklijke Eijsbouts, de klokkengieterij te Asten een nieuwe bedrijfsbrochure, waarvan de firma hem trots berichtte dat vooraanstaande opdrachtgevers en vormgevers in Japan, Hong Kong en Singapore unaniem positief waren over het resultaat.

Van 1986 tot 2006 was hij daarnaast docent aan de afdeling grafisch ontwerp en multimediale vormgeving aan de Designopleiding Sint Lucas in Boxtel.In zijn vrije kunstenaarschap dat na een succesvolle carrière volgde, ontwikkelde hij zich tot een grensoverschrijdend kunstenaar. Zo kreeg hij vanaf 1992 vele tientallen tentoonstellingen in binnen- en buitenland.

Een nieuwe stap zette hij in 2003 naar de wereld van de Exlibris, de eigendomsmerken van de boekbezitter. De oudste voorbeelden in de Nederlanden dateren uit de tweede helft van de 16de eeuw, na de uitvinding van de boekdrukkunst. Ze zijn in hout gesneden of in koper gegraveerd.

Gaandeweg ontwikkelde het exlibris zich van een praktisch eigendomsmerk – ter bescherming van het kostbare boekenbezit – tot een vorm van gebruikskunst. Pas tegen het einde van de 19de eeuw nam de populariteit toe. De grootste bloei beleefde het exlibris in de jaren 1920-1960. Thans lijkt het wat ‘overspoeld’ door de in groten getale voorgedrukte, algemene exemplaren die in menige boekwinkel te koop zijn. Zij kunnen zich echter niet meten met de originaliteit van het persoonlijke ontwerp, dat nog veel liefhebbers trekt en kunstenaars inspireert, zoals Hans van Vroonhoven.

Bekijk PDF

GH-2011-03 Een geval van volksetymologie ánsielie-je, (án)soelie-je

Wim Vos

Al weer negen jaar geleden publiceerde Prof. dr. Jos Swanenberg in Gemerts Heem een interessant artikel over de positie van het Gemerts dialect tussen het Noord-Meierijs en het Peellands1.

In dit artikel wil ik het echter niet hebben over dialectgrenzen, maar over het woord soelie-je dat ik van Jo van den Elzen hoorde in 1999 en 2001 en publiceerde in een lijst2.

Als betekenis gaf ik toen ‘soebatten, smeken’. Bij nader inzien heb ik in mijn Database voor de tweede druk van het Gemerts Woordenboek het synoniem van soebatten ‘smeken’ laten vervallen, omdat ‘smeken’ gebruikt wordt in een serieuzere context, ‘soebatten’ is meer ‘zeuren, vleiend iets los proberen te krijgen’. Maar dit terzijde.

Swanenberg gebruikte een paar woorden uit deze lijst in zijn artikel over de positie van het Gemerts en dacht bij soelie-je aan een ontlening aan het Franse ‘supplier’ dat ‘smeken’ betekent, ware het niet dat zijn vader, Cor Swanenberg uit Rosmalen het woord kent in de betekenis ‘klungelen’ en dan ligt een verband met ‘sollen’, een ontlening aan het Oudfranse ‘souler’, meer voor de hand. Hij wijst er voorts op dat in het Udens soelieje ‘lusteloos bezig zijn’ betekent en dat sluit meer aan bij ‘klungelen’ dan bij ‘soebatten’ 3.

Mijn zegsvrouw Jo gaf echter ook een zin om het woord te illustreren: Ge moet nògal soelie-je as ge van hum iejt gedon weelt kriejge.2 Uit deze zin blijkt duidelijk dat de Rosmalense en Udense betekenissen hier onmogelijk zijn. Temeer omdat ik dit jaar (2011) van Jo een afleiding van soelieje kreeg, nl. ánsoelie-je, met een voorbeeldzin: Ge moet már ’n bietje mí ‘m ánsoelie-je. Jo gaf als betekenis van ánsoelie-je ‘aanpappen’, dat duidelijk verwant is met de betekenis ‘soebatten’.

In dit artikel zal ik proberen een verband te leggen met twee andere Gemertse woorden met een m.i. verwante betekenis, nl. het zelfstandig naamwoord sielieke en het werkwoord ánsielie-je.

Een sielieke (o ev verkl) is een ‘kleinzerig, onnozel, flauw vrouwtje’. ’t Waor zon sielieke. Ik heb dit woord al in 1967 gehoord van mijn vader, Jan Vos (1902-1991) en ook van Jo van den Elzen in 2009. De betekenis komt overeen met die van twee andere Gemertse woorden, tonnietèske (doetje, bedeesd vrouwtje) en zíbbedeeske (doetje, klein bedeesd vrouwtje, ook wel schriele vrouw, niet volledig uitgegroeid).

Sielieke is volgens De Bont4 eigenlijk een vrouwennaam, een verkorting van Cilia; “een cielieke is een doosachtige vrouw; e Cielieke van e weefke.” Hij verwijst ook naar zíbbedeeske (van de Bijbelse naam Zebedeus). De Bont kent ook het bijvoeglijk naamwoord en bijwoord siliä. xtex (doosachtig). Van Gompel5 zegt dat sielie komt van de vrouwennaam Cilia van Caecilia, de vrouwelijke vorm van Caecilius, een afleiding van Latijn caecus (blind). Als samenstellingen met sielie geeft hij sieliekuuntje (kleinzerig persoon, meestal een kind), sieliebukske (kleinzerige, flauwe man), sielieachtig (kleinzerig, flauw) en het werkwoord besieliën (overdreven in de watten leggen, flauw behandelen).

Dat werkwoord is interessant, want in het Gemerts bestaat het onovergankelijke werkwoord ánsielie-je6: (flauw, sentimenteel doen). Ze kan zo mí d’r joong (:kinderen) ánsielie-je. Dit werkwoord heb ik al in 1966 genoteerd uit de mond van mijn moeder, Anna Vos-Baggermans (1900-1985).

Mijn stelling is dat de klinker oe in soelieje (soebatten) en ánsoelie-je (aanpappen) de geronde vorm is van de ie in ánsielie-je7. Van de betekenis die mijn moeder gaf aan de zin Ze kan zo mí d’r joong ánsielie-je, nl. ‘flauw doen, sentimenteel doen met de kinderen’ is het maar een stapje naar de betekenis ‘aanpappen’ die Jo van den Elzen gaf aan ánsielie-je.

Tenslotte: mensen die het Gemerts nog goed beheersen, zullen nu vragen hoe het dan zit met het werkwoord zoelie-je (met een z dus). Dat werkwoord komt inderdaad voor in mijn database, maar de betekenis heeft niets te maken met (án)soelie-je en ánsielie-je.

Zoelie-je is een onovergankelijk werkwoord dat uitsluitend voorkomt in de 3e pers ev: zoeliet, zoeliede, hé gezoelied) met de betekenis sudderen, (te) lang koken8. Dien bloemkol hé naw al d’n állengen middeg ston zoelie-je, dè’s vort klaor pap. Ik heb zoelie-je genoteerd in 2009 en later ook gehoord van Jo van den Elzen in 2011).

Mijn stelling is dat de ronding van de ie in sielie-je en ánsielie-je naar een oe in soelie-je en ánsoelie-je heeft plaatsgevonden naar analogie van de oe in zoelie-je (sudderen), omdat de samenhang van sielie-je en ánsielie-je met sielieke, dat teruggaat op de naam Caecilia, niet meer duidelijk was. We hebben hier te doen met een geval van volksetymologie, de verandering van een onbegrepen woord, gebaseerd op een interpretatie waarbij verwantschap of gelijkheid verondersteld wordt met een vertrouwd, bekend woord.

Noten
1. Jos Swanenberg, ’t Gímmers: dialect op een driesprong; Gemerts Heem, jg. 44, 2002, nr.2, p.14-23.
2. Wim Vos, Gemerts Dialect; woordenlijst van Jo van den Elzen (van d’n Bluumerd), Gemerts Heem, jg. 43, 2001, nr.3, p.20-29).
3. Vgl. Arnold Zegers, Het dialect van Het Land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden 1999, p.139, s.v. Soeliën; Zegers geeft twee betekenissen: 1. in het klein uitverkopen; 2. onvoordelige, nutteloze arbeid verrichten. Deze tweede betekenis stemt grotendeels overeen met de betekenis die Swanenberg citeert.
4. A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, meer in het bijzonder d’Oerse taol, Assen 1958; Deel II, Vocabularium, p.551, s.v. sili.
5. Wim van Gompel, Reusels woordenboek, Reusel 2002; Deel 1. De Mens, p.92, s.v. sielie).
6. De vormen van dit werkwoord zijn: ott: ik sielie án, gaj/haj sieliet án; ovt: sielieden án; volt dlw: hé án-gesielied).
7. R onding of labialisatie; de ie wordt met gespreide lippen uitgesproken, de oe met geronde lippen; vgl. ook Piet Vos, OGWB, p.100, s.v. Ronding, voor andere voorbeelden.
8. In het WNT vindt men het werkwoord zooien (I) met de bijvormen zooien en zoden (overgankelijk en onovergankelijk), ablautend gevormd naast zieden (onovergankelijk; van vloeistoffen:) door verhitting borrelen, koken, ook van de in vloeistof geplaatste levensmiddelen: koken en vandaar gaar worden. Zoelie-je is dan als volgt te verklaren: zoeien wordt als frequentatief/ itteratief: zoeielen; door metathesis (omzetting van klanken): zoeielen > zoelie-je.

Bekijk PDF

GH-2012-01 Museum dr. Guislain 25 jaar bij de tijd

Tin Thelen

In de historische gebouwen van de psychiatrische kliniek in Gent (België) is sedert 1986 gevestigd  et museum voor outsiderkunst. ‘kunst in de marge’ is de bescheiden aanduiding voor een ontwapenende variatie van kunstenaars, die voor zichzelf uiting geven aan wie ze zijn en wat zij aan het leven ervaren. Een onbegrensd rijk scala aan beelden, schilderijen en objecten toont een verborgen wereld, die zich in geen enkele categorie vangen laat. Een wereld van verbeelding die de toeschouwer uitnodigt de vanzelfsprekende grens van normaal en abnormaal te overschrijden. Ook de actuele tentoonstellingen bewegen zich op een grensvlak; zij dagen uit om de kaders waarin wij de wereld van de mens om ons heen in al zijn hoedanigheden waarnemen en begrijpen, voortdurend te bevragen en te herijken

In 2005 presenteerde Gerard van Lankveld daar de boeiende wereld waarover hij de scepter zwaait als keizer van Monera Carkos Vlado. Een deel van zijn collectie is in bruikleen achtergelaten en maakt deel uit van de vaste opstelling. Aan Gerard, de klokkenmaker, de eer om bij gelegenheid van het jubileum een klok te maken. Zij draagt de welluidende naam IL Corona Tempora Jubilata, gemaakt in het 48ste jaar van de stichting van zijn rijk. Op 1 december 2011 is de klok onthuld door broeder dr. René Stockman, overste van de congregatie van de Broeders van Liefde, stichter van het museum.

Bekijk PDF

GH-2012-01 Verrassend en Kleurrijk

Het werk van Diny Timmers (1953)

Ton Thelen

Bladerend door de jaargangen van Gemerts Heem viel mij op dat in de presentatie van beeldende kunst van in Gemert geboren of werkzame kunstenaars nog maar weinig aandacht is voor beelden. Bij een nieuwsgierig bezoek aan de pas geopende galerie LUNI in de Kerkstraat te Gemert werd in de veelheid van getoonde objecten mijn aandacht getrokken door het werk van Diny Timmers: strak maar sierlijk gevormde kippen in donkerwarme kleuren. Een bezoek aan haar website bood een even verrassend geheel van verschillende min of meer abstracte beelden, gevormd uit klei en gebakken, van dierfiguren tot sterk geabstraheerde, open, vrouwelijke vormen. Zowel qua materiaalbewerking, toepassing van kleurstoffen en vormgeving getuigend van vakmanschap en kunstzinnigheid.

Een jarenlange rijping in de kunst heeft dat aansprekende resultaat gebracht. In de jaren 1977-1980 heeft zij schilderlessen gevolgd bij Berry van Bokhoven op het Gemerts Atelier, daarna een cursus intuïtief schilderen bij Anni van Bokhoven. Verder nam zij deel aan de tweejarige avondopleiding creatieve handvaardigheid (de cursusjaren 1989 -1991) van het VOBK (vorming tot ontwikkeling van beeldende kunst) op het Floor Everscollege in Eindhoven, waaraan ook een stage was verbonden, doorlopen op de openbare basisschool ’t Einder in Gemert. Hierna heeft zij van 1991 tot 2004 gedurende een avond in de week een groep vrouwen begeleid in allerlei technieken: schilderen, batikken, het werken in keramiek, gips en hout. Diny is zich blijven ontwikkelen, zo nam zij in 1998 en 1999 nog schilderlessen bij het Centrum voor Kunstzinnige Vorming Uden en is uiteindelijk in keramiek verder gegaan bij Thea Blok en de stichting HOWEKO (Hobby-Werk-Kontakt) in Beek en Donk. Vanaf 2005 beschikt zij over een eigen oven in het bakhuis achter de monumentale boerderij De Blauwe Kei, waar zij in Gemert woont.

Het kleuren en bakken vraagt om grote vaardigheid en beheersing van de techniek. Het biscuit-bakken, de zogenoemde eerste stook, geschiedt op ongeveer 1000 graden. Daarna behandelt zij de keramische vormen met oxiden en sulfaten, waarvan zij de oplossing zelf maakt en waarmee de kleur wordt aangebracht. De vormen worden dan op ongeveer 1200 graden nogmaals gestookt. Na het stoken ontstaat pas de kleur die in de klei brandt. In de beheersing van dit totale proces is haar kunst het vakmanschap ontstegen tot bijzondere schoonheid en kleurharmonie.

Haar werk vindt gretig aftrek en is op verscheidene exposities te zien geweest.
Beeldentuin Jos Rooijakkers in Gemert, september 2009.
Open Atelierroute Gemert, 23 en 24 mei 2010.
Gallery Berkendijkje van Diana Swinkels in Beek en Donk, 12 februari tot 7 maart 2011.
Kunstroute Laarbeek, 14 en 15 en 21en 22 mei 2011.
Open Atelierroute Gemert 12 en 13 juni 2011.
Keramiekmarkt in Maaseik (België), 26 juni 2011.
Open Atelierroute Gemert, 27 en 28 mei 2012

Bekijk PDF

GH-2007-03 Landelijke bouwkunst op landgoederen in de Peel

Jan Timmers

Een groot gedeelte van de gemeente Gemert-Bakel is voormalig Peelgebied dat pas in de 20ste werd ontgonnen. De ontginning van de Peel betekent niet alleen de aanleg van nieuwe wegen, het omploegen van de hei of het aanplanten van dennenbos. De agrarische uitbreiding in de Peel betekende ook de nieuwbouw van menige boerderij. In dit relatief moderne deel van de gemeente komen we geen oude, traditionele landelijke bouwkunst tegen. De gebouwen die we daar zien zijn gebouwd in de stijl en volgens methoden en technieken van de 20ste eeuw. We zijn geneigd om deze moderniteiten af te doen als minder waardevolle agrarische gebouwen. Een groot gedeelte van de hedendaagse bebouwing in de Peel is inderdaad minder opvallend en bijzonder, maar dat geld eveneens voor het “oude” gedeelte van de gemeente. Een nadere blik op de landelijke bebouwing in de Peel levert toch een aantal bijzondere dingen op. Voorzover de ontginning en daarmee ook de bouw van boerderijen werd uitgevoerd door boeren uit het dorp of uit de regio, zien we dat de soorten boerderijen die worden gebouwd nauwelijks afwijken van de boerderijbouw in de rest van de gemeente.

Behalve de relatief kleinschalige ontginning van delen van de Peel werden ook grootschalige projecten uitgevoerd. Vermogende fabrikanten uit alle delen van het land investeerden in de Peel Ze kochten vele hectaren heide op en exploiteerden dat bezit hetzij in de vorm van bosbouw, hetzij als landbouw. Met name de exploitatie als landbouwbedrijf leverde relatief grootschalige agrarische bebouwing op. Omdat de opdrachtgevers veelal niet uit Brabant afkomstig waren, hadden ze minder last van de bestaande regionale bouwtradities. Die import levert een aantal bijzondere gebouwen op, die we elders in Noord-Brabant niet vaak tegenkomen.

Landgoed De Dompt

Het meest bekend als grote ontginningshoeve is de Annehoeve in Elsendorp. De Amsterdammer Samuel Constant van Musschenbroek kocht in 1910 het landgoed De Dompt en nog vele kleinere aangrenzende heidepercelen met een oppervlakte van bijna 500 hectare met de bedoeling om de grond te ontginnen tot bouwland en weiland. In datzelfde jaar werd de opdracht gegeven tot de bouw van een grote boerderij. De Gemertse aannemer Janus van Eupen bouwde het pand. Kort erna werden nog bouwvergunningen aangevraagd voor een aantal bijgebouwen en woningen. In 1919 brak er brand uit op de Annehoeve, maar de boerderij werd direct geheel hersteld. Naast een gevelsteen met daarin “Annehoeve” verscheen er een tweede gevelsteen “De Dompt”. Het pand staat inmiddels op de lijst van rijksmonumenten.

Al vóór 1915 kocht S. Dudok van Heel uit Naarden een deel van de gronden van landgoed De Dompt dat nog niet ontgonnen was. In 1918 liet hij daarop boerderij De Pauwenhorst bouwen. Een kop-romp boerderij, waarvan het woongedeelte is voorzien van een mansardekap en waarvan het bedrijfsgedeelte aan beide zijden zijwaarts is uitgebouwd.

Het aantal kop-romp boerderijen in de Peel is opvallend. Vooral bij de grotere boerderijen. Naast De Pauwenhorst is met name de Gertrudahoeve in De Rips een kolossaal voorbeeld. Ook het brede stalgedeelte is daar voorzien van een mansardekap, waardoor de hoeveelheid tasruimte bijzonder groot wordt. Het woongedeelte van de Gertrudahoeve is meerledig, heeft decoratieve elementen en een samengestelde kapconstructie. De naam is met behulp van gekleurde tegels in de gevel aangebracht.

In de directe omgeving van landgoed De Dompt werden ook andere landgoederen als landbouwbedrijf geëxploiteerd. Christiaan Lambrechtsen van Rithem kocht het landgoed Cleefswit, waarop hij naast een boerderij en een tweetal arbeiderswoningen nog vóór 1915 een schuur annex pakhuis bouwde, dat inmiddels een monumentale waarde heeft.

Landgoed De Sijp.

In 1895 kocht Abraham Ledeboer uit Enschede 420 hectare heideterrein genaamd De Sijp in het tegenwoordige Elsendorp. Gedeeltelijk werd bos aangepland, gedeeltelijk werd de heide ontgonnen tot weiland. Het eerste gebouw op landgoed De Sijp werd in 1906 gebouwd als voorwerkerswoning met stallen voor paarden en ossen. Later werd het huis verpacht aan de veehouder/kaasmaker Teunis Oskam uit Nederlangbroek.

Op landgoed De Sijp werden door Ledeboer nog meer bijzondere gebouwen neergezet. In 1927 werd de Augustehoeve gebouwd. Het woonhuis is relatief groot, maar vooral hoog, omdat het geheel onderkelderd is ten behoeve van de kaasmakerij. Tegen het woonhuis aan is het stalgedeelte gebouwd, dat echter een veel lagere nokhoogte heeft dan het woongedeelte: het tegengestelde dus van een kop-romp boerderij.

In 1925 werd de Judith-Geertruihoeve op De Sijp gebouwd. In 1942 afgebrand en in 1943 weer opgebouwd.

In 1924 werd in opdracht van Ledeboer de Marie-Paulinehoeve gebouwd. Het werd in die tijd gezien als een schoolvoorbeeld voor moderne boerderijenbouw. In de uitgave Boerderijen in Nederland van de Nederlandsche Heidemaatschappij in 1941 werd de Marie-Paulinehoeve met foto en plattegrond opgenomen.

Behalve de Marie-Paulinehoeve komen we in het boek van de Heidemij ook de Lelianahoeve tegen, gebouwd op het landgoed De Blaarpeel in De Rips. Pieter Schoen uit Zaandam kocht in totaal ca 200 hectare van de Ripse Heide en bouwde daarop een aantal boerderijen, die verpacht werden. Het meest bijzondere gebouw daarvan is de Lelianahoeve, gebouwd in 1930. De boerderij is bijzonder gaaf gebleven. Alleen de raamindeling van het woongedeelte is gewijzigd.

Terug naar Abraham Ledeboer. Naast De Sijp in Elsendorp had hij in Bakel nog zo’n 800 hectare heide gekocht op de Stippelberg. Dit gebied werd niet geschikt geacht voor ontginning tot weiland en werd op grote schaal bebost. Middenin het gebied bouwde Abraham voor zichzelf een villa met lange oprijlaan, de Ledeboerlaan.

Landgoed Bunthorst en De Vinkepeel Nog verder De Peel in, in De Rips en in het aangrenzende deel van Oploo werd het landgoed Bunthorst/Vinkepeel gesticht door de gebroeders Jan-Berend en Adam Roelvink, directeuren van de Twentse bank en goede kennissen van Abraham Ledeboer. Vanaf 1903 begonnen ze met heidegronden op te kopen. Meteen werd begonnen met het ontginnen van het gebied dat we nu kennen als De Vinkepeel, vernoemd naar de Roelvinken. In de gemeente Oploo kochten de broers de Bunthorst op. Het grootste deel van de Bunthorst werd ingericht als buitenplaats rondom de villa “Grote Slink”, die nu de naam ‘Bronlaak’ heeft, door de landschapsarchitect Leonard Springer. Het landgoed is nu bekend onder de naam Grote Slenk/Bunthorst en is grotendeels eigendom van Brabants Landschap. Een klein deel van De Bunthorst werd ontgonnen en er werd onder architectuur van S. Schaap uit Sneek een Friese stolpboerderij gebouwd, de Christinehoeve in Oploo. In de Vinkepeel onder De Rips verschenen soortgelijke boerderijen: hoeve Honus (1924), Groot Tammel (1925), Plekenpol (1925), Wooldink (1927), naast boerderijen met een iets andere signatuur, zoals de Friese Peel, De Vinkepeel, De Vale Peel, Jan Berendhoeve, De Aarlese Peel, Judith hoeve en Sparrenhof. De Gemertse aannemer Janus van Eupen bouwde de boerderijen.

Naast de vele boerderijen op landgoed Bunthorst en in de Vinkepeel verschenen er ook boswachterswoningen en landarbeidershuizen. De dubbele woning aan de Jan-Berendweg 2-4 staat inmiddels op de monumentenlijst.

Het hele gebied Grote Slenk-Bunthorst-Vinkepeel ademt de sfeer van een landgoed en buitenplaats. Niet alleen het gebied direct rond de villa Bronlaak werd landschappelijk ingericht, maar er was ook aandacht voor de Vinkepeel met zijn lange rechte lanen. Verspreid over het gebied monumentale boerderijen, afgewisseld met voormalige arbeiderswoningen en boswachterswoningen. Centraal de villa Bronlaak en het later afgebrande landhuis Bunthorst en het zomerverblijf van de nazaten van de Roelvinks. Op landgoed Grote Slink vinden we tenslotte het graf met grafzerk van één van de stichters Adam Roelvink en diens echtgenote Christine Willink.

Literatuur en bronnen

Sjang Hoeymakers, Houtvesterij De Peel,
Bijdrage tot de geschiedenis van Gemert deel 12, Gemert 1986.
P.H.M. Thissen, Heideontginning en modernisering, in het bijzonder in drie Brabantse peelgemeenten 1850-1940, uitgeverij Matrijs, 1993
Jan Timmers, Wim van de Vossenberg, Rein van den Broek, Boerderijen kijken in Gemert-Bakel, Gemert in Beeld, deel 10, Gemert 2003.
Sjang Hoeymakers, Over Janus van Eupen, bouwer in de Peel. Gemerts Heem jrg 26 (1984), 4, blz 106-110.
Verder is dankbaar gebruik gemaakt van de bestanden van bouwvergunningen in het gemeentearchief van Gemert en Bakel.
Tenzij anders vermeld zijn de foto’s van de auteur.

Bekijk PDF

GH-2007-03 Het Slotje: adellijk huis Lanckvelt

Jan Timmers

Veel oude kaarten uit de 16de en 17de zijn vaak niet gedetailleerd en bevatten vaak alleen de belangrijkste beken en doorgaande wegen, terwijl de dorpen alleen worden weergegeven als er een kerk of kasteel staat. Dorpen worden dan veelal aangegeven door eenzelfde symbool van een kerk of een kasteel. Bij het dorp Gemert staan op een aantal van dergelijke kaarten niet één, maar twee kastelen aangegeven. Met het ene kasteel wordt ongetwijfeld het Gemertse kasteel van de Duitse Orde bedoeld. Bij het andere kasteelsymbool staat bijgeschreven “huis Lanckvelt” of gewoon “Lankvelt”. Het feit dat het huis Lanckvelt afzonderlijk staat ingetekend op kaarten uit die periode geeft aan dat het niet ging om zomaar een groot huis, maar dat het betreffende gebouw kennelijk het aanzien en het belang had van een kasteel. Voor de eigenaren en bewoners van het huis Lanckvelt zal ook hebben gegolden dat het een voorname familie betrof met veel aanzien en kennelijk ook met de nodige financiële middelen.

Uit de bronnen wordt duidelijk dat de eigenaren tot in de 17de eeuw leden waren van de familie Van Lanckvelt. Meerdere generaties Goyart van Lancvelt zijn achtereenvolgende eigenaren. De meeste Jonkers van Lanckvelt, zoals ze vaak werden aangeduid traden op als schout en hadden naast het huis Lanckvelt nog meerdere bezittingen zowel binnen als buiten Gemert. De familie Van Lanckvelt stierf aan het eind van de 17de eeuw uit, terwijl het huis al enige tijd door andere families werd bewoond. De naam Huis Lanckvelt verdwijnt dan ook uit de bronnen, terwijl tegelijkertijd als aanduiding vanhetzelfde huis de naam Het Slotje zijn intrede deed. Tot in de twintigste eeuw werd deze naam gebruikt voor de plaats waar het oude kasteeltje stond en waar daarna twee boerderijen verschenen. Bij de bouw van de woonwijk Molenbroek werden deze boerderijen gesloopt. Het Slotje is alleen blijven voortleven in een straatnaam in de wijk Molenbroek, die in de buurt van het voormalige Slotje werd aangelegd.

Dat het huis Lanckvelt een aanzienlijk en voornaam gebouw was blijkt niet alleen uit het voorkomen als een kasteel op oude kaarten. A.C. Brock maakte een tekening van het gebouw in de jaren 1820/1825 1. De vorm en de hoogte van het gebouw met de bijbehorende bijgebouwen wijzen duidelijk in de richting van een aanzienlijk bezit, terwijl op dat moment de glorietijd van het huis Lanckvelt al achter de rug is. Op dezelfde tekening is ook duidelijk een stuk van een gracht aanwezig. Op de oudste kadasterkaart van ca 1830 van de omgeving van Het Slotje is eveneens een groot stuk gracht ingetekend. De gracht vormt op dat moment geen omsloten terrein meer, wat voorheen wel het geval is geweest.

De familie Van Lanckvelt

De Jonkers van Lanckvelt waren leden van een adellijke familie, een jongere tak van de familie Van Erp. De familie Van Erp voerde als wapen een van zilver en rood geblokt schuinkruis op een zwart veld. Het huidige gemeentewapen van Veghel is hieraan ontleend. De familie van Lanckvelt voerde hetzelfde wapen, maar voegde er in het schildhoofd een penning of koek aan toe. Wapens van leden van de familie Van Lanckvelt zijn bekend omdat zij als schepen van de stad Den Bosch meerdere schepenacten van hun zegel hebben voorzien.

De familie Van Lanckvelt heeft zijn oorsprong in Erp. De oudst bekende Van Lanckvelt is Leunis van Lanckvelt, zoon van Peter Leunis van Erp. Leunis van Lanckvelt is in 1379 schepen van Den Bosch. Hij is ook leenman van de hertog van Brabant voor het leengoed Lankvelt, dat in Erp ligt. We zien hier het in de middeleeuwen veel voorkomend ver schijnsel dat iemand zijn familienaam ontleent aan het belangrijkste bezit dat hij heeft. Het goed Lanckvelt in Erp was al langer in bezit van de familie Van Erp, maar Leunis was de eerste die zich hiernaar heeft genoemd. Opvolger als leenman van het Erpse Lanckvelt was Leunis’ broer Goyart Peters van Lanckvelt. Ook hij en zijn opvolgers noemden zich naar het leengoed Lanckvelt 2.

De kleinzoon van deze Goyart van Lanckvelt, ook Goyart geheten, huwt met Jenneke van Gemert, dochter van Goyart Diederikszoon van Gemert en komt daardoor in Gemert terecht. Hij blijkt de bouwer te zijn van het huis Lanckvelt in Gemert. Dit huis Lanckvelt in Gemert moeten we dan ook niet verwarren met het leengoed Lanckvelt in Erp.

Samengevat: het leengoed Lanckvelt ligt in Erp en is de naamgever van de familie Van Lanckvelt. De familie Van Lanckvelt bleef tot in de 17de eeuw leenman van dit hertogelijk leengoed. Nadat leden van de familie van Lanckvelt in Gemert een nieuw adellijk huis voor zichzelf bouwden kreeg dit de naam “Huis Lanckvelt”, genoemd naar de familie die het bouwde en bewoonde.

De bouw van het huis Lanckvelt 

Goyart van Lanckvelt, de echtgenoot van Jenneke van Gemert, was in veel opzichten de erfgenaam van de Van Gemerts. Van de vier zonen van Diederik van Gemert, die in 1366 de heerlijkheid Gemert overdraagt aan de Duitse Orde, blijft alleen de jongste zoon, Goyart van Gemert, in Gemert actief. Na de ruzies van de Van Gemerts met de Duitse Orde zien we Goyart van Gemert optreden als stadhouder van de commandeur van Gemert. Goyart’s schoonzoon Goyart van Lanckvelt neemt een aantal goederen over van zijn schoonvader 3. In 1453 en 1454 blijkt Goyart van Lanckvelt schepen van de stad Den Bosch te zijn. Goyart van Lanckvelt was dus een belangrijk persoon zowel binnen als buiten Gemert. Bij een belangrijk persoon hoort een belangrijke woning. In 1442 verkoopt Goyart van Lanckvelt, zoon van wijlen Peter, man van Jenneke dochter van Goyart van Gemert, een cijns van 6 mud rogge aan Lodewijk van Helmont, natuurlijke zoon van wijlen heer Jan van Berlaer, heer van Helmond en Keerbergen gaande uit zijn hoeve Ten Hogen Aarle en uit een huis met bijbehorende hof, weiden en akkerland, waarvan de belendenden zijn: Arnt Vrient van Beke, Henrick Arnts en de weg genaamd de Beverdijck 4. Uit latere stukken blijkt dat dat laatste huis later genoemd gaat worden “het huis Lanckvelt”. Immers van het huis Lanckvelt wordt anno 1495 vermeld over de ligging: “neven erfve Dyrck van Driell en erve Teuwen Denis, de Beverdijck en die Deelstraet” 5. Dirk van Driel was leenman van het goed Ter Beverdijck dat aan het huis Lanckvelt grensde. Dirk had het uit de nalatenschap van zijn schoonvader Arnt Vrient van Beek. Toen in 1443 deze Arnt Vrient van Beek het goed Ter Beverdijck in leen kreeg werd Goyart van Lanckvelt vermeldals zijn buurman 6. Uit het bovenstaande blijkt dat in 1442 het huis Lanckvelt al bestond en dat Goyart van Lanckvelt de eigenaar was.

In de lijsten van erfpachtgoederen van de Duitse Orde wordt het huis Lanckvelt ook genoemd. Daaruit blijkt dat de Van Lanckvelts vanwege het bezit van het huis aan de Deelstraat een belangrijk deel van de erfpacht van het goed Ter Watermolen moeten betalen 7.

Hieruit blijkt dat het huis Lanckvelt een afsplitsing is van dit goed. Het goed Ter Watermolen wordt in 1407 door de Duitse Orde in erfpacht uitgegeven aan Gherit Steynken. Bij die uitgifte is nog geen sprake van andere huizen of gebouwen als onderdeel van Ter Watermolen. Het goed Ter Watermolen blijkt op dat moment ook direct te grenzen aan het goed van Lucas van Beek, de vader van de hierboven genoemde Arnt Vrient van Beek, en op dat moment eigenaar en leenman van het goed Ter Beverdijck 8. Het huis Lanckvelt moet dus na 1407 zijn afgesplitst van Ter Watermolen. Gezien de vermeldingen van Goyart van Lanckvelt zal hij tussen 1430 en 1435 zijn gehuwd met Jenneke van Gemert. We mogen aannemen dat de bouw van het huis Lanckvelt in diezelfde periode heeft plaatsgevonden.

De jonkers Van Lanckvelt

Het huis Lanckvelt werd door meerdere generaties Van Lanckvelt bewoond, die opvallend genoeg allen de voornaam Goyart hadden. Het gaat te ver om in het kader van dit artikel de familiegeschiedenis van de Van Lanckvelts te beschrijven. We zullen ons beperken tot de bewoners van het Huis Lanckvelt 9. Eén uitzondering daarop: de Gemertse humanist Georgius Macropedius, in gewoon Nederlands Joris van Lanckvelt, was een kleinzoon van Andries van Lanckvelt, één van de bastaardkinderen van Goyart van Lanckvelt, de bouwer van het Huis Lanckvelt 10.

Goyart Peters van Lanckvelt, de bouwer van het huis Lanckvelt, moet omstreeks 1475 zijn overleden. Zijn zonen Peter en Goyart van Lanckvelt treden kort daarop (begin 1476) op als “bemiddelaar” bij de overdracht van de restanten van het domeingoed van de Van Gemerts, bestaande uit het Hooghuis en het bijbehorende Hofgoed. Samen met andere familieleden kopen zij delen van de kern van dit Gemertse domeingoed op om het daarna in zijn geheel te verkopen aan mede-erfgenaam Henrick Celen. In 1484, na de dood van Henric Celen, gebeurt dat nogmaals. Goyart Goyarts van Lanckvelt koopt de goederen afkomstig van Henrick Celen om ze vervolgens door te verkopen aan Leunis van de Velde 11. Goyart van Lanckvelt was van 1474 tot 1488 schout van Gemert. In 1479 wordt hij eigenaar van het huis Lanckvelt genoemd. In 1505 is hij overleden. Hij had bij Ermgard Jan Wolfs een aantal natuurlijke kinderen, die door een later huwelijk alsnog gewettigd werden. Zijn oudste zoon Goyart Goyarts van Lanckvelt was de derde achtereenvolgende eigenaar van het huis Lanckvelt. Hij was gehuwd met Lucia (Sijke) Willems en overleed in 1531. Zijn zoon Peter van Lanckvelt volgde hem in dat jaar op als leenman van het goed Lanckvelt in Erp en het goed Haenvelt in Veghel. In 1535 overlijdt Peter, waarna zijn broer Goyart leenman wordt12. Na Goyarts dood hertrouwde Sijke Willems met een andere Gemertse notabele, Jan Valks.

De vierde opvolger in het Huis Lanckvelt was jonker Goyart Goyarts van Lanckvelt de Oude. In 1598 treedt hij in de Gemertse schepenprotocollen op als 75 jarige getuige. Hij zal dus ca 1523 zijn geboren. Hij overleed voor 1608 en in 1615 wordt Hilleke Jan Gelis zijn weduwe genoemd. Hij is de vader van nummer vijf: jonker Goyart Goyarts van Lanckvelt de Jonge, die ca 1558 geboren zal zijn. De jonge Goyart blijkt gestudeerd te hebben in Den Bosch, Douai en Luik en is van 1591 tot 1620 schout, superintendent en rentmeester van de heerlijkheid Heeze en Leende13. In die periode woonde hij niet op het Huis Lanckvelt. In 1591 wordt immers in Geldrop geboren “de eerste dochter van onze schout Godefridus van Lankvelt”. Uit de leenverheffing van het Erpse goed Lanckvelt in 1633 blijkt dat hij na zijn schoutsambt toch weer naar Gemert terugkeerde. Dat blijkt ook uit een schepenakte van Heeze uit 1624, wanneer Goyart gevraagd wordt om in zijn voormalige werkomgeving als arbiter op te treden bij een geschil. Er wordt dan expliciet vermeld dat Goyart in Gemert woonachtig is.14. Het Huis Lanckvelt zal na zijn dood niet meer bewoond worden door leden van de familie Van Lanckvelt. De naam Huis Lanckvelt verdwijnt in die periode om plaats te maken voor de benaming Het Slotje.

Maria van Lanckvelt, vrouwe van Milheeze en haar erfgenamen

Goyart Goyarts van Lanckvelt de Jonge huwde met Maria van Eijck. Zij hadden een dochter Maria en een zoon Goyart. Hun zoon Goyart is vroeg gestorven, dochter Maria is de enige erfgename en wordt de volgende eigenaresse van Het Slotje. Maria van Lanckvelt huwde eerst met de Bossche schepen Jacob van de Cammen en na diens dood huwde ze voor de tweede maal in 1631 met haar volle neef Robert de Bever, zoon van Jan de Bever en Arnolda van Eijck. Het echtpaar woonde in Berlicum op het adellijk huis Beekvelt.

De twee zussen Maria en Arnolda van Eijck waren van moederskant erfgenamen van de vermogende familie Pels, die vooral in Berlicum en omgeving vele bezittingen had en onder meer ook de heerlijkheid Milheeze bezat. Door het kinderloos overlijden van de laatste Pels die heer van Milheeze was, werd eerst Johan de Bever en later diens zoon Robert de Bever de volgende heer van Milheeze. Na het overlijden van Robert in 1656 werd zijn weduwe Maria van Lanckvelt vrouwe van Milheeze. Als Maria in 1672 overlijdt worden haar kinderen uit haar eerste huwelijk, Maria, Jacob en Jacqulina van de Cammen, haar erfgenamen. Rogier van Broekhoven, de man van Jacqulina van de Cammen, wordt heer van Milheeze 15. De gezamenlijke erfgenamen verkopen op 12 december 1679 voor schepenen van Gemert “een huijsinge, hof, schuur, land en groes te Gemert in die Dele, genaamd Het Slotje, 37 loopensaten groot” aan Dirck Jansen de Smidt16. Voordien werd het Slotje al verhuurd. Dat blijkt uit het volgende citaat van Gerlacus van den Elsen, als hij een “geuzeninval” in Gemert op 15 mei 1649 beschrijft: “Ook drongen zij in het huis van Jonkheer Robert de Bever, bewoond door Salomon Willems, bij wien zij enige kerkelijke meubelen en kostbaarheden dachten te vinden. Zij braken er alle kasten en kisten open en namen verscheidene meubelen mede”.17

De latere eigenaren

In 1679 koopt, zoals we zagen, Dirck Jan Goorts de Smidt het Slotje van de erfgenamen van Maria van Lanckvelt. Volgens het leggerboek van de Commanderij Gemert is Dirk Jan Goorts de Smidt nog steeds een deel van de erfpacht van het goed Ter Watermolen verschuldigd, als eigenaar van “het Slootje ante Lanckveldt” (het Slotje voorheen Lanckvelt)18. Een beter bewijs dat het huis Lanckvelt later het Slotje werd genoemd kan bijna niet. Dirk was koopman, die in ieder geval een wijnhandel dreef met een behoorlijk grote omzet. Voor het inkopen van wijn bij de Keulse wijnhandelaar Matthijs Gobels heeft hij een schuld gemaakt van maar liefst “twee hondert acht en viertich Rijxdalers”, waarvoor hij op 5 december 1681 het Slotje als onderpand geeft, “gelijck hij deselve tesamentlijck in coop heeft vercregen tegens den heere van Brouckhoven” 19. Ook maakt hij schuld bij de landcommandeur via de zogenaamde Cortenbachse renten. Het lijkt erop dat hij die schulden niet naar behoren heeft kunnen aflossen. Zijn dochters Maria en Jenneke stellen het Slotje in 1715 opnieuw als onderpand en pas op 3 april 1733 wordt de schuld ingelost door Willem Daniel van den Broeck, oud president-schepen van Gemert.20 Hij is dan kennelijk de nieuwe eigenaar geworden en als in 1716 zijn dochter Catharina van den Broek trouwt met meester Gijsbert van Maanen worden zij de volgende eigenaars van het Slotje. In 1753 bestemt Gijsbert van Maanen de inkomsten uit “de goederen genaamd Het Slotje, bestaande uit twee woningen, hoven en aanhorige landerijen omtrent 28 lopense groot, renderende 40 gulden per jaar per woning” voor de priesteropleiding van zoon Arnold. Op 11 november 1779 is de erfdeling van de goederen van mr Gijsbert van Maanen en Catharina Willems van den Broeck. Joseph Verstegen, die getrouwd is met hun kleindochter Catharina Verhofstadt, krijgt “huisinge van ouds genaamd Lankvelt met groes en teulland tussen den Beverdijk en de Deelsestraat”. Op dat moment nog ongeveer 20 lopense groot.21 In het landboek, aangelegd in 1716, staat het huis Lankvelt onder nummer 1117 genoteerd. Daar worden de volgende achtereenvolgende eigenaars vermeld.22

Dirck Jansen den Smidt, huys en aengelagh genaemt het huys te Lanckvelt gelegen tussen de straet en den Beverdijck
Willem van den Broeck, idem
Gijsbert van Maanen, idem
Joseph Verstegen, idem

Bij de invoering van het kadaster in 1832 staat als eigenaar te boek Jan Willem van Lijssel, gehuwd met Maria Anna Verstegen, de dochter van Joseph. Diens dochter Petronella van Lijssel huwde in 1823 Adrianus van Zeeland. Toen hun oudste zoon Godefridus omstreeks 1855 trouwde werd het Slotje gesplitst en verbouwd tot twee boerderijen. Tot de sloop van de gebouwen op Het Slotje in 1969 bleven nakomelingen van Godefridus van Zeeland op het Slotje wonen. De laatste bewoners van de twee boerderijen waren de families Biemans en Slits.23 Een omschrijving geven van het Huis Lanckvelt, zoals het werd gebouwd in de 15de eeuw is een hachelijke onderneming. Duidelijk is dat volgens de toenmalige normen een vooraanstaand adellijk huis werd gebouwd. Daar hoorde een omgrachting bij. Op de kadasterkaart van 1832 zijn ter plaatse twee gebouwen aanwezig met nog deels daaromheen de restanten van een brede gracht. Op de topografische kaart uit ongeveer dezelfde periode herkennen we diezelfde gracht, maar de oostelijke tak van de gracht blijkt verder naar het noorden door te lopen. Bovendien is op de topografische kaart buiten de brede binnengracht nog een smallere buitengracht aangegeven. In 2001 werd op de plaats van Het Slotje een booronderzoek uitgevoerd door de Archeologische Vereniging Kempen en Peelland met als doel de oorspronkelijke loop van de gracht beter in beeld te krijgen. Door de aanwezigheid van de bebouwing en gedeeltelijke verharding van het terrein is dat maar gedeeltelijk gelukt. Wel bleek dat aan de noordkant van Het Slotje ook een gracht gelegen heeft. Dat betekent dat de brede binnengracht een gesloten rechthoekige vorm had, waarbinnen de gebouwen zich bevonden24. Tijdens rioleringswerkzaamheden in de buurt van het terrein kon Jos van Schijndel nog verdere waarnemingen doen. Uit die waarnemingen bleek dat er inderdaad een tweede, smallere gracht aanwezig was in ieder geval aan de zuidzijde en de oostzijde. Of er aan de noordkant en de westkant ook een buitengracht aanwezig was, kon helaas niet worden vastgesteld. Concluderend kunnen we zeggen dat er een rechthoekige (binnen)gracht aanwezig was, waarbinnen de gebouwen waren gelegen. Op iets grotere afstand was er minimaal aan twee zijden een tweede (buiten)gracht aanwezig, die smaller was dan de binnengracht. Als we dat patroon intekenen op de kadasterkaart van 1830 en vervolgens dat geheel projecteren op de huidige situatie, dan krijgen we onderstaand overzicht. Met dikke zwarte lijnen is het grachtenpatroon weergegeven. We zien dat de binnengracht en de gebouwen nagenoeg helemaal op het huidige plantsoen liggen tussen de Louis Couperusstraat, de woningen aan Het Slotje en de Torrentinusstraat. De mogelijkheid dat de buitengracht ook een gesloten rechthoek vormde, helemaal om de binnengracht moeten we echter niet uitsluiten. Uit de 15de eeuw kennen we nog twee andere omgrachte hoeven, die naast een binnengracht ook een (smallere) buitengracht hadden. Eén ervan is de hoeve Ten Hogen Aarle, die eveneens eigendom was van de familie Van Lanckvelt. Zowel binnen als buitengracht vormden daar een gesloten rechthoek. De hoeve Hazeldonk in Gemert was aan drie zijden omgeven door een dubbele gracht. Het aanleggen van een buitengracht was kennelijk niet ongebruikelijk.25

De gebouwen

Van het vroegere huis Lanckvelt is slechts één tekening bewaard gebleven. De tekening moet dateren uit de periode 1820-1825. De afbeelding laat duidelijk een gebouw zien met het uiterlijk van een kasteel of adellijke woning. Hoge bakstenen gevels met een bijzonder vormgegeven topgevel. Het gebouw heeft twee verdiepingen en nog een zolderverdieping, terwijl de aanwezige steunberen wijzen op de aanwezigheid van een kelder. Naast het hoofdgebouw zijn nog twee bijgebouwen weergegeven. Eén ervan lijkt vast tegen het hoofdgebouw te staan. Het andere bijgebouw heeft meer het uiterlijk van een boerderij, maar was wel via een muur verbonden met het hoofdgebouw. Alles bij elkaar lijkt een gesloten hof aanwezig te zijn, bestaande uit een prominent hoofdgebouw en lagere bijgebouwen. Op de voorgrond van de afbeelding is het water van de binnengracht zichtbaar, omzoomd door begroeiing. Op het moment dat Brock zijn tekening maakte was de glorietijd van het huis Lanckvelt al verleden tijd. We zagen al dat in 1753 Het Slotje uit twee woningen bestond met toen nog één eigenaar. Ca 1855 werd het eigendom gesplitst in twee boerderijen. Het oorspronkelijke huis Lanckvelt werd verbouwd en “degradeerde” tot boerderij. Foto’s van de toen ontstane situatie laten zien dat één van de twee boerderijen een bijzonder uiterlijk heeft. Het hoge muurwerk met twee verdiepingen is ongetwijfeld een restant van het voormalige Slotje.

De toekomst

Aan een middeleeuwse adellijke woning met grachten, waarvan momenteel niets meer zichtbaar aanwezig is, is het in het algemeen zinloos om te praten over de toekomst van een dergelijk object. In de reconstructie van de oorspronkelijke plaats van Huis Lanckvelt of Het Slotje valt echter wel op dat het terrein tot op heden onbebouwd is en grotendeels is opgenomen in een plantsoen. Je kunt je afvragen of het destijds wel nodig was om de aanwezige gebouwen te slopen, maar de huidige opvattingen over onze voorgeschiedenis en de waarde van historische objecten is in de loop der jaren fors veranderd. Nieuwe inzichten en nieuwe ontwikkelingen dienen zich aan. Zo is het bij de aanleg van nieuwe woonwijken gebruikelijk om in de wijk gescheiden rioolsystemen aan te leggen met daarbij horende waterpartijen die overtollig regenwater opvangen en vasthouden. De wijk Molenbroek is een bestaande wijk, maar ook daarvoor geldt dat gescheiden rioolsystemen en lokale wateropvang in de toekomst overwogen zullen worden. De grachten rond het Huis Lanckvelt kunnen in die situatie worden gereconstrueerd tot wateropvang. Een mogelijke toekomst van een verdwenen historische plek.

NOTEN:
1. A.C. Brock, De stad en meierij van ‘s-Hertogenbosch of derzelver beschrijving, handschrift ca 1825
2. Raad van Brabant, inv nr 1111, Strickgrefier, f119-121.
3. Goyart van Gemert had drie dochters en een buitenechtelijke zoon Dirk, die later gewettigd werd. Dirk bouwde een carrière op in de Duitse Orde als commandeur van Ramersdorf en Bernissem. Zie verder Hans Vogels, De adellijke familie van Gemert in: A.Thelen, Het Hooghuis te Gemert, Bijdragen tot de geschiedenis van Gemert nr 27, Gemert 2001.
4. Bossche Protocollen (BP) R1213 f191v.
5. Gemert R98 akte 68 dd 29.12.1495
6. leenregister Kommanderij Gemert in archief Commissie van Breda (CvB) inv nr 430, folio 72 t/m 74
7. archief Commissie van Breda inv nr 430 folio 4
8. BHIC, Kommanderij archief van de Duitse Orde Gemert (KADOG) inv nr 685
9. Gegevens zijn grotendeels ontleend aan J. van Lankveld, manuscript genealogie Van Lankveld, collectie heemkundekring en uit de regesten van de Gemertse schepenprotocollen
10. Leven en werken van een Brabantse humanist, Georgius Macropedius; Henk Giebels en Frans Slits; Stichting Zuidelijk Historisch Contact Tilburg, 2005; blz 34.
11. BP 1475/76 f91 en 92, BP 1484/85 f180 dd 30-12-1484 en dd 12-2-1485
12. Raad van Brabant, inv nr 1111, Strickgrefier, f119-121
13. Volgens een schepenakte van Heeze dd 20-1-1612; bron: Geschiedenis van Leende; Dyt gheyt aen der kyrcken van Leendt, hoofdstuk 6, op www.leende.dse.nl. In de Helmondse schepenprotocollen wordt hij in 1620 ook genoemd “superintendent van Heeze en Leende”. Verder: Ad Otten, De academische opleiding van een zestiende eeuwse schout, Gemerts Heem 1986, nr 4, blz 122 e.v.
14. Raad van Brabant inv nr 1130 f67 en Geschiedenis van Leende, hoofdstuk 2
15. Gegevens van de families Van Eijck, Pels, De Bever en verwanten zijn in diverse artikelen in het tijdschrift Taxandria beschreven. De belangrijkste gegevens ook in: De twee kastelen Ter Aa te Berlicum, Wim van der Heijden, Berlicum 2000. Wim van der Heijden duidt Maria van Lanckvelt aan met de naam “van Lengsveld” en haar moeder Maria van Eijck soms met de naam “Van Vechel”. Hij gaat er ook ten onrechte van uit dat deze “Maria van Vechel” geen erfgename van de familie Pels is. Ook in de genealogische fragmenten in het tijdschrift Taxandria over de familie Van Eijck worden de relaties niet altijd goed weergegeven.
16. Gemert R121, regest nr 437. Regesten van de Gemertse schepenprotocollen van de hand van Simon van Wetten bevinden zich in de collectie van de heemkundekring.
17. Geschiedenis van de Latijnse School te Gemert, Gerlacus van den Elsen Ord. Praem., ‘s-Hertogenbosch 1887, blz 168.
18. KADOG inv nr 1056
19. Gemert R121 dd 5-12-1681
20. Gemert R127 dd 9 april 1715
21. Gemert R153 dd 11-11-1779
22. Gemeente Archief Gemert inv nr 414. Een transcriptie van het landboek is ook beschikbaar via www.heemkundekringgemert.nl.
23. zie Ad Otten, De lotgevallen van een Gemertse generaal, Gemerts Heem 1982 nr 3 blz 77 en Peter van den Elsen, Het land van de boerenapostel, Gemert in beeld nr 6, pagina 145 en 146.
24. Ria Berkvens, Booronderzoek Middeleeuwse Hoeven Gemert-Bakel, AVKP rapport, juli 2001.
25. J. Timmers; Omgrachte terreinen in de Middeleeuwen in Gemert; Het Brabants Kasteel vol.19 (1996) nr.2 (November) p.39-51

Bekijk PDF

GH-2007-01 Frans Arts

Ton Thelen

Koperwerk, klokken, schilderijen, lino’s, beeldhouwwerken, computer art, ambachtelijke instrumenten en machines, een veelheid en verscheidenheid van vaardigheden en producten waarmee Frans Arts zich onderscheiden heeft. Niet op de voorgrond tredend, maar bescheiden werkt hij hieraan door en laat hij anderen genieten van zijn opmerkelijke vaardigheden en creativiteit.

Hij is in 1942 in Gemert geboren op het adres Kruiseind 20. Daar dreef zijn moeder nog een kapperszaak, die voorheen gevestigd was op nr. 33, daarvoor in de Haagijk tegenover de voormalige VIVO. Zijn vader Cor Arts was aannemer. Hij bouwde ondermeer de Sint-Michaëlschool in De Pandelaar, het woonhuis Bloemerd nr. 9 en het pand
Molenstraat 30, café De Sport. Ter plaatse dreef voorheen Hanneke Kantelberg haar café.

De omstandigheden in het gezin waarin Frans Arts opgroeide, een vroeg gestorven vader en een zieke moeder, gaven niet de mogelijkheid om het talent dat zich openbaarde en de drang om te creëren in een levensvervulling te realiseren. Zogezegd had hij deze creativiteit niet van een vreemde; zijn vader was aannemer en moeder was naast het kappersvak actief in de Damestoneelclub ‘Roomsch Kunstgenot” (opgericht eind 1917), die onder leiding stond van regisseur Jos Kalhoven. Toen Frans nog op de Levensschool zat, merkte de leraar handvaardigheid zijn talent op en stimuleerde hem om een kunstopleiding te volgen. Vanwege de gezinssituatie zat dat er niet in en een poging om met gemeentesteun aan de Jan van Eyck Academie van Maastricht te gaan studeren bleef zonder resultaat. Hij begon zijn loopbaan als aandraaier en wever en
werd nadien metselaar, omdat daarmee een betere boterham was te verdienen. In 1963 slaagde hij voor de vakopleiding in Uden met het examenwerkstuk van een korfboog. De drang om te creëren liet zich door de beperkende omstandigheden echter niet bedwingen; op eigen kracht ontplooide hij zijn talenten op het vlak van het ambachtelijke en
het kunstzinnige. Zo heeft hij zich het vak van koperslager eigengemaakt. In de pauzes tijdens een bouwproject in Son was hij te vinden bij koperslager Wijdeven in de buurt. Op zijn eenentwintigste had hij het ambacht geheel onder de knie. Tientallen jaren repareerde hij koperwerk voor de kolenboer Frans Slits, die ook in antiek handelde. Aan het werken in wege een slechter wordende gezondheid vroegtijdig een einde. Door zijn creatieve talenten slaagde hij er ook nu in om zich van de neerdrukkende dwang der
omstandigheden te bevrijden: “Kunst tilt je boven de sores uit.” Deze waarheid heeft hij sedertdien door opmerkelijke blijken bevestigd. Ingenieuze en prachtige klokken kwamen uit zijn hand, bijzondere schilderijen rijgden zich aan zijn oeuvre. Zoals de illustratie bovenaan laat zien: Frans is een man van vele markten thuis.

Frans Arts maakt bijzondere klokken. Bijzonder vanwege het materiaalgebruik, de werkwijze en vormgeving, bijzonder vanwege zijn achtergrond: ook hier heeft hij zich ontplooid als autodidact. Eenvoudiger uurwerken, maar ook uitermate ingewikkelde klokken, technisch perfect, oorspronkelijk qua idee, ingenieus van constructie en prachtig
van uitvoering zijn onder zijn handen vandaan gekomen. Vele uren van studie naar de aspecten van tijdmeting en het mechaniek van uurwerken, vele uren van geduldig werken hebben geresulteerd in een weliswaar bescheiden aantal, maar uitermate originele klokken. Zijn eerste uurwerk dat in de jaren 1976-1977 tot stand kwam, heeft verscheidene functies, zoals maanstand, jaartal, datum, wekker. Daarop volgde een astronomisch uurwerk, dat ook de stand van de zon en de maan en de sterren in de dierenriem aangeeft. Zijn meesterwerk is het astrolabium-kalendarium uit 1987, waarbij aan het astronomisch uurwerk ook een kalendarium is toegevoegd. Gemaakt uit ‘sloopmateriaal’ en evenals de twee eerdere uurwerken zijn alle onderdelen met de figuurzaag uitgezaagd. Bij de uurwerken daarna maakte hij gebruik van even fraai als precies, zelfgemaakt gereedschap, zoals freesmachines. Koperslager, klokkenmaker, gereedschapsmaker: schoonheid, technisch vernuft en functionaliteit gaan hand in hand. Zo maakte hij een spoelmachine en een aandraaimachine voor het Boerenbondsmuseum in Gemert, dit terzijde.

Latere klokken blijven dat eigen beeldmerk dragen: eenvoudiger astronomische uurwerken, met bijvoorbeeld een wekkerfunctie, en een klok uit bromfietsonderdelen in 1992, zoals de bel gemaakt van het koppelingshuis en de slinger van remschijven. Tegen zijn zoon Frans, die eens zonder toestemming op een brommer scheurde, kon hij toen de waarschuwing geven: pas op anders hang ik die brommer aan de muur. In 2006 gebruikte hij een foliot als aandrijfmechanisme van het uurwerk.

Als klokkenmaker staat hij in een traditie die in Gemert enkele eeuwen teruggaat en als eerste met naam genoemde klokkenmaker Jacob de Jongh, Magister Horologiarus oplevert. Evenals de uit de zeventiende eeuw stammende Gemertenaar Jacob de Jongh mag hij zich ‘Magister Horologiarius’ noemen, meester- en tevens meesterlijk klokkenmaker. Een kwalificatie die ook een andere Gemertenaar treft, Gerard van Lankveld. Wat beiden gemeen hebben, hoewel ieder uniek in zijn verbeelding en uitvoering, is van vakmanschap en bewonderenswaardige kunstzinnigheid. Zoals eertijds toen er nog gilden waren, legde Frans Arts het bewijs van zijn bekwaamheid af met een meesterproef: het Astrolabium Kalendarium, een toppunt van techniek en vormgeving. Hieraan heeft hij gewerkt van 1984 tot in 1987, zo’n duizend uren zijn erin gestoken. Liefst 28 functies heeft dit uurwerk, van tijdsaanduiding in minuten en uren tot de registratie van de omloop van zon en maan, van maans- en zonsverduisteringen, van de loop van de sterren van de dierenriem, en van de opvolging van de jaargetijden, om maar enkele functies te noemen. Bijzonder is de tijdvereffening; een correctie op de wisselende snelheid waarmee de zon zich door de dierenriem verplaatst, waardoor de stand van de zon in het zuiden niet altijd precies om twaalf uur valt. Het kalendarium geeft ondermeer aan de paasdatum, de dag van carnaval en dag waarop 1 januari valt.

Een astrolabium is een vernuftig uurwerk, waarmee niet alleen de tijd kan worden gemeten, maar ook de plaatsbepaling op aarde kan worden berekend. Zo hangt de stand van de zon en de maan af van de positie op de lengteassen die over de aardbol kunnen worden getrokken en geven daarmee dus een verschillende tijdsbepaling. Het astrolabium is de voorloper van de sextant, die op het schip makkelijker te hanteren was.

Het Astrolabium Kalendarium was het pronkstuk tijdens de tentoonstellingen van de Klokkengroep ‘s-Hertogenbosch in 1984 en 1989 in het Noordbrabants Museum. “De Klokkengroep was ontstaan in 1979 uit de behoefte om mensen die plotseling uit het arbeidsproces waren genomen, toch een zinvolle tijdsbesteding met nieuwe sociale contacten te geven”, aldus het jubileumboek. Hobbyisten waren het na enkele jaren al lang niet meer. In 1980 sloot Frans Arts zich bij de groep aan en bleef 24 jaar trouw lid. Als men de leermeester Hennie Striemer mag geloven, had de groep wat technisch vernuft betreft veel te danken aan Frans; hij maakte voor velen de berekeningen. Zonder de andere leden te kort te willen doen, die bewonderenswaardige prestaties leverden, onderscheidde Frans zich door zijn geheel eigen inbreng en vormgeving, waar zij veelal naar bestaande modellen werkten. Hennie Schriemer aanhalend: “Als Frans ooit de gelegenheid had gehad om op een akademie zijn talent verder te ontwikkelen … Frans is een duizendpoot, een kei in het berekenen van functies en verhoudingen, maar ook iemand met veel gevoel voor vormgeving. Maakten ook andere leden zeer gecompliceerde uurwerken, de technische basis was vaak van Frans. Een plaat koper is als was in zijn handen; hij werkt niet naar een voorbeeld, maar kiest zelf de vorm, eigenzinnig, met iets moois als uitkomst. Techniek, ambacht, kunst, het is alledrie tezamen. Zonder de prestaties van anderen te willen miskennen, in een woord samengevat: de klokken van Frans zijn exceptioneel. Zij waren de grote trekpleister op de exposities in het Noordbrabants Museum.”

Andere exposities, waarbij ook zijn andere werken zoals lino’s, schilderijen en koperwerk getoond werden, waren ondermeer de Kunstmarkt te Esdonk in 1981, de Kunstmarkt in Udenhout in 1986, het Macropediuscollege (thans Commanderij College) in 1985, 2002 en 2007, Activiteitencentrum De Eendracht in 1992 en de Openbare Bibliotheek van Gemert in 2006. Oogste in 1975 zijn koperwerk op de Huisvlijttentoonstelling in het Gemerts kasteel aller bewondering, zo luidde het, als typering is de term huisvlijt al lang niet meer van toepassing op zijn werk, dat daar ver bovenuit rijst.

Wat de schilderkunst betreft groeide zijn werk van natuurgetrouwe, realistische weergave naar meer abstracte en sterk symbolisch geladen expressievormen. In 1998 zette hij zijn schreden in een nieuwe richting, die van de digitale kunst
ofwel computerkunst, waarin hij tot een verrassend grote diversiteit aan uitdrukkingsvormen is gekomen. Ondanks het gebruik van deze eigentijdse techniek, zijn het allerminst technische constructies die eenvoudigweg met het tekenprogramma vervaardigd zijn. Zo dienen ook gescande foto’s als basis voor de computerbewerking. Digital art wordt thans meer en meer serieus genomen als een geheel eigen kunstvorm naast beeldhouwwerk en schilderkunst. De idee dat de computor het doet en dat het gecreëerde beeld oneindig herhaalbaar is, berust op misverstand en vooringenomen onbegrip.

Deze kunstvorm brak door in de jaren zestig van de vorige eeuw en heeft sedertdien opgang gemaakt en op vele wijzen gestalte gekregen: van louter grafische werken, in combinatie met andere kunstvormen als film-, video- en internetkunst, tot interactieve ‘virtual reality art’.

Als ongebonden kunstuiting, die zich niet door ordening, normering, uniformiteit en stijlen laat bepalen, ook wel onder de noemer gebracht van een even veel omvattende als weinig onderscheidende term als postmodernisme, in alle opzichten kenmerkend voor het pluralisme van onze tijd. Expressie en intuïtie vertalen zich in een levendig kleurgebruik en rijke evenals elementaire vormentaal, door symboliek gedragen. In tegenstelling tot de conventionele schilder beschikt de digitale schilder over een virtueel palet van miljoenen kleuren en dito variabele vormen. Het belangrijkste verschil tussen digitaal en traditioneel schilderen is de ongebondenheid door lineaire processen.
Enkele bekende Nederlandse namen onder de computer-kunstenaars zijn Peter Struyken (1939), hij is bij het brede publiek bekend als de ontwerper van de postzegel met daarop het portret van Koningin Beatrix (1980-1981), en Micha Klein (1964), die al tijdens zijn opleiding aan de Rietveld Academie zich toelegde op computerkunst. Klein beschouwt computergraphics als de wraak van de schilder op de fotografie. Nu is de fotografie, die de werkelijkheid voorheen beter weergaf, weer ondergeschikt geworden aan het schilderen, al gebeurt dat dan met de computer.

Kijkend naar de computerschilderijen van Frans Arts wordt de toeschouwer getrokken door het kleurgebruik en de vormentaal, vol van betekenis en expressieve kracht, gedragen door emotie en intuïtie. Al spreekt dit ook uit zijn acrylschilderijen, waarin Frans Arts zich geïnspireerd voelt door het expressionisme van met name de Cobra-groep, het meest expliciet komt dit naar voren in zijn computerkunst. Elk schilderij vertelt zijn eigen verhaal van ervaringen en indrukken, opgedaan in het persoonlijk en het maatschappelijk leven; voor de toeschouwer invoelbaar en herkenbaar, al openbaart zich dit niet aan de oppervlakte, maar eerst als men het op zich laat inwerken. Wat verrast is de grote variatie, de intensiteit en een zekere opgewektheid die uit zijn werken spreekt.

Kunst, wat er ook over te zeggen valt, van zogenoemde amateurkunst tot zogeheten professionele kunst, elke typering, verklaring of onderscheid gaat voorbij aan de creativiteit van de maker en de intentionaliteit van het werk. “Voor kunst heb je geen diploma nodig”, zo sprak Frans Arts zich eens bescheiden uit; inderdaad het is de kwaliteit die telt en in dat opzicht verdient zijn werk waardering. Het is bijzonder in zichzelf en dwingt bewondering af.

 

Bekijk PDF

GH-2007-02 Lijst van industrielen en groothandelaren in Gemert, aug. 1949

W. v.d. Vorst                              Haageijk A5                      Mandenmakerij
H.J. Hendriks                             Haag A42                         Linnenweverij
B. de Leeuw & Co                      Kruiseind A84                   Metaalindustrie
Th. v. Schijndel                           Kruiseind A97                   Sigarenfabriek
P. Verhees                                 Pandelaar A142a               Sigarenfabriek
J.P.H. Strous                              Kerkstraat B15                  Lederwarenfabriek
J.J. v.d. Linden                            Ruijschenbergstraat B38    Grossier manufacturen
Fa. J. v.d. Acker                          Schoolstraat B23               Bontweverij
N.V. J.A. Raymakers                   Ruijschenbergstraat B37     Textielfabriek
J. van Elten                                 Nieuwstraat B46                 Pettenfabriek
Fa. J. Verhoeven                          Nieuwstraat B56                 Lakspuitinrichting
Coöp.Stoomzuivelfabriek               St.Annastraat 80               Zuivelbereiding
Gebr. Verhagen                            Dubbeldenweg B93            Stalen Ramen Fabriek
Gebr. v. Houtert                            Virmundtstraat B215          Stoelenfabriek
J.H. Hendriks                               Kerkstraat B222                 Timmerfabriek
H.A.J. Corstens                            Borretplaien B230               Tabakskerverij
Wed. J.. Reijnen                           Borretplein B 246              Zilversmederij
A.v.d. Burgt                                  Heuvelsepad C29              Sigarenfabriek
Fa. H. van Rooij & Zonen               Heuvel C53                       Ijzerpletterij
Fa. M.C. Colen                             Binderseind C104             Grossier koloniale waren
J.C. Ermers                                 Binderseind C121              Drukkerij Uitgeverij
J.W.Th. van Zeeland                     Binderseind 123                 Meubelfabriek
A.W. Roelofs                               Oudestraat C139a               Schortenindustrie
A. Goosssens & Zn.                     St. Josephstraat C161         Sigarenfabriek
Gebr. Vilé                                     St. Josephstraat C162        Timmerfabriek
L.W. van der Asdonk                     Binderseind C178               Auto carosseriebouw
“Mortels Welvaren”                       De Mortel C314                   Zuivelbereiding
P.F. van Bree                                Handel D55                        Bouwmaterialen
J. van Lankveld                             Elsendorp D103a                Hoenderpark
J. Geerts                                      Lodderdijk E49                   Stoomwasserij
Magazijn ‘Het Schaap’                   Kerkstraat B18                   Glas&Verf, huishoudelijke artikelen
W. Spierings                                Oudestraat C137                 Klompenfabriek

 

Bekijk PDF

GH-2007-02 Route Jan van Gemert

Rob de Haas

Kunstenaar Jan van Gemert is geboren in de Pandelaar in Gemert op 3 juni 1921 en gestorven in Gemert op 11 september 1991. Hij wordt de vader van de moderne kunst in Gemert genoemd. Hij heeft er in elk geval heel wat sporen nagelaten.

Jan van Gemert, de schilder

‘Moeder meuk en Tupke verf halen’ vraagt de jonge Jan van Gemert. Zijn moeder vindt het goed en daarmee begint de kunstenaarsloopbaan van deze markante Gemertse kunstenaar. Hij is een jaar of twaalf als hij door ziekte gehandicapt raakt. Er moet een been geamputeerd worden. Zijn vader vindt, dat hij toch iets moet leren. Dus slaat
Jan aan het schilderen. Hij schildert van alles. Volgens zijn moeder weet hij soms zelf niet wat het voorstelt daar boven op zolder. ‘Maar ’t was verf van boven tot onder en zo
kladde hij verder.’ (uit de monografie “Maar niet over Jan van Gemert”)

Als aankomend kunstschilder trekt Jan de belangstelling van kunstminnaar dokter Hendrik Wiegersma uit Deurne en wanneer burgemeester De Bekker zich als een heuse mecenas over Jan van Gemert ontfermt, levert hem dat de nodige opdrachten op. In ruil voor ondersteuning, de zogenaamde contraprestatie, maakt Jan veel werk voor de gemeente Gemert. Vooral reliëfs bij nieuwbouwprojecten. Maar ook zijn schilderijen worden door De Bekker aangekocht. Ze zijn in het gemeentehuis aan het Ridderplein nog steeds te bewonderen

Jan van Gemert, de beeldhouwer

Over het maken van kunstwerken in ruil voor financiële ondersteuning is Jan niet erg enthousiast. Hij zegt er zelf over: “Dan kreeg je via de contraprestatie weer een of andere figuur op je dak, die een nieuw gebouw ging neerzetten en één ‘gat’ overhield voor iets kunstzinnigs. Meestal vertelde-n-ie ook nog precies hoe het moest.”
Toch heeft hij uit gegoten beton prachtige, expressieve beelden gemaakt voor bijvoorbeeld nieuwe schoolgebouwen. Daar zijn ‘speelbeelden’ bij waarop kinderen naar
hartelust kunnen klimmen en klauteren.

In de begin jaren vijftig van de vorige eeuw bouwt Gemert in rap tempo twee grote wijken: Molenakker en Berglaren. Het is de tijd van wederopbouw na de verwoestende periode van de Tweede Wereldoorlog. Voor het eerst worden lange eenvormige huizenblokken opgericht en Jan van Gemert mag in enkele straten de gevels boven de voordeuren opsieren met reliëfs, zoals in de Diederikstraat, de Predikherenstraat, de Van Beekstraat, de Wachtendonkstraat. Juist op dit moment worden beide wijken grondig gerenoveerd.

Jan van Gemert de schrijver

Schrijven doet Jan ook. En best veel. Gedachten, gedichten en aforismen. ‘Schilderen is het hanteren van het penseel, niet het copiëren van onbegrepen voorbeelden’. Op de zijgevel van zijn woning op de hoek Bisonstraat-Diederikstraat schildert hij bouwvakkers bezig met het optrekken van een huis met als thema ‘Bouwen is leven en leven is bouwen’. Maar wat hij aan het geduldige papier toevertrouwt, durft hij niet te publiceren. Menigmaal verbrandt hij zijn zieleroerselen in de kachel. Gelukkig is er nog wel wat
bewaard gebleven.

In de blauwfluwelen stoel
Zit zij
Met haar uitgestreken smoel
Zit zij
Of zit zij niet
Bestaat de stoel
Alleen voor haar; haar
Uitgemeten streken
Van ’t-is mooi
Zo smooi
Snou snou
Zo snou en smooi
Als een pas gestreken
Deken
In mijn lege bed
Het glaasje is al klaar
Gezet

Jan van Gemert de leraar

Op zijn 35ste schrijft Jan zich in voor de lerarenopleiding M.O.-Handenarbeid. Een jaar later al wordt hij benoemd aan de Eindhovense LTS. Jan is leraar. Hij heeft nu een vast inkomen. Van 1957 tot 1975 geeft hij handenarbeid aan de Sociale Academie Den Elzent in Eindhoven, maar ook aan vrije academies en creativiteitscentra in menig Brabants dorp. Zelf heeft hij over zijn onderwijscarrière gezegd: “Ik had nooit in het onderwijs moeten gaan, maar ik heb er nooit buiten gekund.”

Jan is lange tijd uit Gemert weggeweest maar uiteindelijk in 1986 naar zijn geboortegrond teruggekeerd. Daar ligt hij begraven op het kerkhof van de St.-Janskerk onder een passende zerk.

Speciaal voor het ‘Gemerts Heem’, het kwartaaltijdschrift van Heemkundekring De Kommanderij Gemert, ontwerpt Jan van Gemert de omslag voor het jaar 1987.

 

Bekijk PDF

GH-2007-02 De Sint Gerardus-Majella Kerk

Ton Thelen

(met foto’s uit 1958-1959 van Jan de Haas†)

De naoorlogse jaren, de periode van de wederopbouw, was in allerlei opzichten een periode van herstel. Dat gold ook voor de katholieke kerk, waar de draad van het verleden weer werd opgepakt en met vernieuwde ijver daarop werd voortgeborduurd. Heel letterlijk betrof dat de kerkenbouw. Na de Tweede Wereldoorlog moesten meer dan 450 beschadigde en ruim 100 verwoeste kerken herbouwd of vervangen worden. In het bisdom Den Bosch ging het om 35 verwoeste en 42 zwaar beschadigde kerken. Daarnaast
was er grote behoefte aan nieuwe kerkgebouwen vanwege de aanhoudende bevolkingsgroei –direct na 1945 was zelfs sprake van een ware bevolkingsexplosie- die resulteerde in talrijke nieuwbouwwijken, met in het katholieke Noord-Brabant (en Limburg) uiteraard de parochiekerk als middelpunt. Zoals is te lezen in het artikel over sociale woningbouw werd dankzij de doortastende en creatieve burgemeester A.H. de Bekker een oplossing gevonden voor de woningnood en kreeg Gemert er twee woonwijken bij: Molenakker en Berglaren. Tussen de nieuwbouwwijk op de Berglaren en de wat verwijderd gelegen dorpskom werden in de navolgende jaren algemene voorzieningen gerealiseerd, zoals een school en de Gerarduskerk, een ontwerp van architect Jan de Jong uit Schayk. De Gerarduskerk hoort daarmee tot de zogenoemde wederopbouwkerken, waartoe alle kerken gerekend worden die tussen 1940 en 1960 zijn gebouwd. Deze kerkenbouw was behalve een kwestie van kwantiteit en kwaliteit, ook een kwestie van geld; ‘functioneel bouwen’ was het parool van menig kerkbestuur.1

De geschetste omstandigheden brachten een nadrukkelijke bemoeienis met zich mee van het Nederlands episcopaat. “Op 5 augustus 1945 vergaderden in Utrecht veertig kerkbouwers onder leiding van aartsbisschop J. de Jong over de kerkelijke wederopbouw van Nederland.” Dit overleg resulteerde in een verzoek aan M. Granpré Molière (1883-1972), de belangrijkste katholieke architectuurideoloog in Nederland om een cursus kerkbouw in Den Bosch op te zetten. Granpré Molière was van 1924 tot 1953 hoogleraar aan de Technische Hogeschool van Delft. Hij beschouwde de twintigste eeuw als de eeuw der vernieuwing: “van een vernieuwing naar de wereld die een leugen is;
en van de vernieuwing door de H. Kerk, die waarachtig is. Deze vernieuwing komt vooral door de Liturgie.” De kerkelijke vernieuwing was de ware, want de Kerk was “het begin der dingen”; en de kerkelijke kunst en de kunstenaars waren dienaars van God. Hij greep terug naar de traditie, volgens hem het enige redmiddel van de Kerk tegen de dwalingen van het moderne materialisme. Slechts het geestelijke was eeuwig en onveranderlijk; het stoffelijke daarentegen veranderlijk en vergankelijk. Hij was voorstander van sober bouwen, de vorm moest dienend zijn aan de geest. Alleen natuurlijke materialen waren goed genoeg. Inzake de stedebouw sloot hij aan bij de katholieke maatschappijordening in standen. Omdat God deze had gewild, ontstond een diversiteit aan wijken elk met haar eigen architectuur. De groep oud-studenten en architecten die volgens zijn inzichten ontwierpen, kreeg de naam van ‘Delftse School’.

Hoewel Granpré Molière benaderd was voor het opzetten van de kerkelijke bouwcursus, hij na aandringen akkoord ging, was het niet hij maar de Bossche rector H. van Helvoort (1902-1990), directeur van het bisschoppelijk bouwbureau, die in de praktijk de belangrijke initiatieven nam en feitelijk de leider was van de cursus ofwel leergang, die tot 1974 zou blijven bestaan. Voor Van Helvoort, leerling van Granpré Molière, moest de kerkelijke kunst en bouwkunst geheel voldoen aan “de wetten der liturgie, verder aan de vormen der gezonde overlevering en de wetten der gewijde kunst.” Dit laatste doelt op canon 1164 van het Kerkelijk Wetboek, waarin de nadruk wordt gelegd op de traditio christiana. Zoals Van Helvoort uitlegde, sloeg het voldoen aan de gewijde kunst op de eis dat het kerkgebouw een karakter moest hebben van heiligheid, waardigheid, godsvrucht, wijding en algemeenheid. De leergang werd gegeven in het Bossche Kruithuis. N. van der Laan (1908-1986) en C. Pouderoyen (1912-1993), beiden leerling van Granpré  Molière, waren door de aartsbisschop benoemd tot studieleiders. De belangrijkste ‘ideoloog’ en cursusleider werd echter de benedictijn Dom H. van der Laan, broer van de studieleider Nico. Hans van der Laan (1904-1991) was een volgeling van Granpré Molière en had enige tijd bij hem gestudeerd in Delft. Ook hij was wars van opsmuk en modes, stond voor versobering en ‘voorname eenvoud’ en had evenals zijn leermeester een afkeer van de ‘Nieuwe Zakelijkheid’ in het bouwen.

De architecten die aan de leergang deelnamen, werden in veel opzichten navolgers van Nico en met name Hans van der Laan. Hoewel hun leer niet gebonden was aan één bepaalde stijl, ontwikkelde zich op hun basisideeën over (kerkelijke) architectuur op den duur een onderlinge verwantschap in de stijlkenmerken bij de cursisten. Deze karakteristieken die het eerst tot uiting kwamen in de kerkenbouw, bleken ook heel herkenbaar in de profane bouwkunst, in de sociale en particuliere woningbouw en allerlei openbare gebouwen, zoals veel nieuwe gemeentehuizen in Noord-Brabant. Het nu ingeburgerde begrip ‘Bossche School’ dankt er zijn ontstaan aan.2

“De herkenbare stijlmiddelen van zijn leerlingen, die langzamerhand het gezicht van de Bossche School gingen bepalen, waren het onbedoelde en onvermijdelijke nevenproduct van de eigen speurtocht van de monnik Hans van der Laan.” Al vanaf de jaren twintig was hij bezig met de universele grondslagen en principes van de kerkelijke bouwkunst. Na veel studie – onder meer van Vitruvius’ beroemde De architectura – en experimenteren ontwikkelde hij een compositie- en harmonieleer, het plastisch getal, dat een systematiek van verhoudingen beschrijft, geïnspireerd op de min of meer overeenkomstige vormentaal van de vroegste christelijke kerken in Syrië en oudchristelijke Italiaanse basilica’s. Van der Laan beschouwde de basilica als de ‘prins’ van alle bouwtypen. Het plastisch getal is als het ware het doortrekken van de getallenverhouding van de gulden snede in het platte vlak naar de driedimensionale ruimte. Uitgangspunt in de toepassing is de dikte van de wand, die als kleinste eenheid van meting de basis vormt voor de overige ter zake doende maten in het gebouw.3

Tijdens het eerste naoorlogse decennium lag in de cursus sterk de nadruk op het verkrijgen van inzicht in de maatverhouding, de zogenaamde architectonische ordonnantie, waarin het plastisch getal als norm centraal stond, en werd hoofdzakelijk gezocht naar toepassingsmogelijkheden uit het verleden, waarvoor de vroegchristelijke kerken dankbare modellen vormden. De voorliefde van de Bossche School voor de basiliek bepaalde geruime tijd het imago van de cursus, dat vanwege de overwegend Brabantse deelnemers ook nog een sterk Brabantse kleur had. Naarmate de opvattingen van Dom Hans van der Laan duidelijker voor het voetlicht traden, de provincie Noord-Brabant de ene na de andere basiliek kreeg, ontmoette deze architectuurrichting van verschillende zijde sterke kritiek; zo stonden de vele zuilen (kenmerk van de basiliek) het liturgisch doel van het vrije zicht op het altaar in de weg. Medio jaren vijftig werden het historicisme en de dogmatisch aandoende opvattingen van de Bossche cursus losgelaten en kwam er een wending naar een meer eigentijdse arc hitectuur, met gebruik van staal en beton. Men sprak van ‘Explosies in het Kruithuis’ In de lessen werd het accent verlegd naar de dispositie, het oordeelkundig samen plaatsen van de verschillende bouwdelen in één ontwerp én een grote versobering in de vormentaal en detaillering. Een strakke kubische bouwvorm trad op de voorgrond. Ook hier toonde Van der Laan zich een exponent van het nieuwe bouwen. De door hem ontworpen beroemde abdij Sint Benedictusberg op Mamelis bij Vaals, zijn onovertroffen meesterwerk, was voor die ontwikkeling van cruciaal belang. “Maar ook de invloed en de steun van architect Jan de Jong (1917- 2001), bouwer van vele kerken en raadhuizen door heel Noord-Brabant was duidelijk aantoonbaar.”4

Jan de Jong voelde zich zo sterk aangetrokken tot de ruimtelijke ideeën van de monnik Van der Laan, zoals hij die heeft leren kennen bij de cursus Kerkelijke Architectuur in Den Bosch, dat hij zijn architectenbureau ophief om zich enige tijd uitsluitend te wijden aan de studie van diens architectonische harmonieleer. Na vier jaar nam hij zijn beroep weer op. Hij hanteerde de theorie van Van der Laan, waaraan deze in de jaren vijftig en zestig nog werkte, als basis voor zijn latere ontwerpen, die zich kenmerken door een meer eigen vormentaal. Evenals Van der Laan slaagde hij er beter in afstand te nemen van het verleden. In zijn ontwerpen bracht hij de beeldbepalende elementen in de basillicale opzet, zoals arcaden en galerijen  sterk terug. Ook historische referenties, zoals de ronde vormen en de ornamentiek die kenmerkend waren voor de  oorspronkelijke basillica, verdwenen uit de kerkelijke architectuur, om de werking van het plastische getal zo scherp mogelijk te laten zien.

Tussen 1957 en 1960 baarde Jan de Jong opzien met het ontwerp van drie kerken. Behalve de Gerarduskerk van Gemert waren dat de Sint Benedictuskerk te Rijswijk (1958) en de Kerk van de H. Kruisvinding in Odiliapeel (1959). Met de bouw van de kerk te Rijswijk toonde hij aan dat een authentieke kerk ook zonder kolommen kon bestaan. De binnenruimte oogde als een plein en de vloer was van gewassen grind, een novum in de kerkenbouw in Nederland. De elementen, zoals het ciborium (de overkapping van het altaar) en de kapelletjes, gaven als gebouwtjes maat aan de ruimte. Ook in het ontwerp van de Gemertse Gerarduskerk bracht hij deze maatvoering en ruimtelijke werking tot uitdrukking. Met de genoemde kerken werd de strakke richting van de Bossche School een feit. Meer dan vijftig jaar besteedde hij ononderbroken al zijn energie aan het verder uitwerken van het gedachtegoed van de Bossche School. Dom Hans van der Laan, met wie hij tot aan diens dood nauw samenwerkte, beschouwde hem als degene die het werk verder moest ontwikkelen.5

In een brief van 9 augustus 1955 vroeg de Bossche bisschop mgr. W. Mutsaers (episcopaat 1942-1960) aan kapelaan P. Strijbos (1918) om de mogelijkheden te onderzoeken om een tweede parochie in Gemert te stichten. Strijbos antwoordde de bisschop dat de nieuwe parochie 2400 parochianen en ongeveer 1700 communicanten zou tellen. Daarbij voegde hij het verzoek om zijn keuze voor Jan de Jong als architect van de te bouwen kerk goed te keuren. Een zwager had hem deze architect  aanbevolen. Op 18 januari 1956 volgde de officiële benoeming van P. Strijbos tot bouwpastoor van de nieuwe kerk, die zou worden toegewijd aan de heilige Gerardus Majella. De Jong had volgens Strijbos de vrije hand bij zijn ontwerp. Hij kwam met het idee de kerk te maken als een groot plein en die pleingedachte door te voeren met grind op de vloer en lantaarnpalen als verlichting. “Uitgaande van de – al of niet terecht zijnde – hedendaagse opvatting, dat in het kerkgebouw vanuit elke plaats het altaar zichtbaar moet zijn, is dit kerkplan ontstaan”, aldus de toelichting van de architect. In de motivering van zijn ontwerp gaf hij aan de traditioneel gelede ruimte van op elkaar afgestemde hoofden nevenruimten eigenlijk ideaal te vinden, “maar toch een poging te doen om dit deugdelijk en degelijk vormprincipe te verlaten, echter met behoud van de practisch onvergankelijke architectonische waarden van geordende plasticiteit van massief via ruimtecel naar de gehele ruimte, en zijn eveneens perfecte oriëntatie, aangezien dit voorwaarden zijn voor elke waarachtige architectuur.” In juni 1957 was het ontwerp van de kerk aanbestedingsklaar. Het aantal zitplaatsen was bepaald op 1100. De bouw werd gegund aan aannemingsbedrijf Gebrs. Vervoort uit Sint-Oedenrode. Er ontstond nog enige discussie met het bisdom, dat in verband met het terugdringen van de kosten een toren niet nodig vond. Maar de gemeente Gemert maakte daar juist een punt van; de gemeenteraad had subsidie (ƒ 130.000,-) verleend voor een kerk mét toren, stedebouwkundig vormden beiden een dominant object in de nieuwe wijk die hoofdzakelijk uit laagbouw bestond en de toren was bedoeld als tijdaanwijzer, waarvoor de gemeente al de stroomtoelevering had toegezegd. Na nog een dringend beroep van de pastoor op de bisschop om de toren te handhaven, ging de bisschop overstag. Op 22 juni 1958 kon pastoor Strijbos met mgr. W. Bekkers – toen nog coadjutor – de eerste steen plaatsen, een hoeksteen met aan de frontzijde de tekst: “Een hoeksteen heeft een dubbele zin, Want hij is einde en begin, En stage stut voor dit nieuwe werk: Dit al is Christus voor zijn Kerk.” Op de andere zijde de naam van pastoor P. Strijbos en de datum. De bouw verliep voorspoedig: op 28 april 1959 consacreerde mgr. W. Mutsaers de kerk.

In een bij die gelegenheid uitgebracht boekje beschrijft de architect de kerk in niet gemakkelijk toegankelijke bewoordingen. De grote kerkruimte  heeft afmetingen van ± 55 x 32 m bij een hoogte van ± 10,50 m. Over deze ruimte zijn in dwarsrichting zeven tongewelven aangebracht, met een breedte van ruim 7 m en een hoogte van 2,30 m, gedacht
als een lichte tentachtige overdekking van het plein. Met de oriëntatie van het hoofdaltaar was reeds rekening gehouden met de veranderende liturgische opvattingen, waarbij de mis werd gecelebreerd met het gezicht naar de parochianen, versus populum, maar daarmee liep men vooruit op de liturgische vernieuwing die met het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) pas kracht van wet kreeg. Het gaf dan ook enige aanleiding tot discussie met de Liturgische Commissie van de Diocesane Bouwraad, die vast wilde houden aan de nog geldende regels.6

Bij de uitvoering deed zich volgens de architect de complicatie voor dat het tabernakel niet op het hoofdaltaar geplaatst kon worden. “Er zou dus een tweede belangrijke plaats moeten komen voor het Sacramentsaltaar met Tabernakel. Gezocht is toen naar een dubbele oriëntatie van het gebouw, een primaire oriëntatie, welke een plaats
vast zou leggen voor het Hoogaltaar, en een secundaire voor de plaatsbepaling van het Sacramentsaltaar met Tabernakel.” Met primair en secundair bedoelde de architect dat het ene fungeert als uitgangspunt voor het andere. “Getracht is de primaire oriëntatie tot stand te brengen door een voorhal als inleidend element, en het Priesterkoor met zijn galerij als bekroond element. Hiermee is een gerichtheid aan de ruimte gegeven en een plaats voor het Hoogaltaar gefixeerd. De hiervoor genoemde oriënterende elementen [min of meer complete architectonische elementen in de vorm van kapellen of kamers, en massieve elementen in de vorm van muren, kolommen, architraven, enz.] samen met de tongewelven gaan nu werken als begeleidende elementen van de secundaire oriëntatie in de dwarsrichting. Zich openend en zich oriënterend hierop zijn nu de hiervoor reeds genoemde kapellen geplaatst, waarvan de architectonisch verst ontwikkelde gekozen is als ruimte voor het Sacramentsaltaar met Tabernakel.” De vloeren zijn van uitgewassen bonte kiezel, hier en daar verrijkt met banden of velden van witte kiezel; de wanden uitgevoerd in porablocs welke twee maal behandeld zijn met muurverf; en de tongewelven van gewapend beton, met een geklopte stuclaag. De enige versiering is het antependium voor het hoogaltaar, ontworpen door de edelsmid Jan Noyens in samenwerking met de beeldhouwer Niel Steenbergen. De openingen tussen voorhal en kerkruimte, waar een massieve trap voert naar het zangkoor, en de afscheiding van sacristie en doopkapel zijn afgesloten door ijzeren hekken, uitgevoerd door de kunstsmid H. Clephas te Venray. In de kleine raamopeningen van de voorhal en kerkruimte werden glas-in-betonramen geplaatst, waarvoor aan glazenier Marius de Leeuw opdracht was gegeven.7

Eind jaren zeventig van de twintigste eeuw is het aantal kerkgangers zo sterk teruggelopen dat de kerk als te groot werd ervaren – voor persoonlijk stiltegebed leende de open ruimte zich niet – en de verwarmingskosten zwaar op de begroting begonnen te drukken – een verplaatsbare houten wandafscheiding over de volle breedte bood geen soelaas – dat het kerkbestuur in overleg met de gemeente ging zoeken naar een nieuwe bestemming, waarbij in eerste instantie gedacht werd aan het onderbrengen van de bibliotheek, die in een te eng jasje zat. De gemeente was positief en ook de vertegenwoordiging van de bibliotheek stond niet afwijzend tegenover eventuele huur of koop. Na overleg met de inspectrice werd aan architectenbureau Calis te ‘s-Hertogenbosch advies gevraagd voor de gedeeltelijk inrichting als bibliotheek en de andere als kerk. De conclusie van het rapport, 31 oktober 1978 uitgebracht aan burgemeester H. de Wit (1966-1979), was dat het gebouw zich niet leende voor dit tweeledige doel. Na een pauze van enkele maanden is vervolgens een studiegroep in het leven geroepen, bestaande uit enkele personen uit de wijk en leden van het kerkbestuur, met als taak andere mogelijkheden te onderzoeken. Een veelheid van alternatieven passeerde de revue: van wijkcentrum, sportgelegenheid inclusief gymnastiekzaal, speelgelegenheid voor kinderen zoals de toen nog niet tot museum bestemde Steentjeskerk te Eindhoven, tentoonstellingsruimte, overdekte markt, ontmoetingscentrum, kleine kerk,  muziekcentrum, bioscoop, winkels (de Edah meldde zich al als belangstellende), autoshowroom, woningen, kantoren, zelfs tot caravanstalling toe en combinaties van een en ander. De werkgroep sprak zich in principe uit tegen commerciële doeleinden zoals een supermarkt en had een sterke voorkeur voor een bestemming waardoor het gebouw dienstbaar bleef aan de inwoners van Gemert. In het besef dat een beslissing over de herbestemming alle parochianen aanging – sommigen hadden met hun financiële bijdragen de bouw mede mogelijk gemaakt – werd op 15 januari 1980 een informatiebijeenkomst belegd in de hal van de nabije Pius X –school, waar indertijd ook gekerkt werd tijdens de bouw. Aan de Technische Hogeschool te Eindhoven werd vervolgens opdracht gegeven om de herbestemmingsmogelijkheden door te lichten. Het rapport dat in november 1981 gereed kwam, eindigde in de conclusie dat herbestemming als bibliotheek reeël geacht werd. Daarna ontstond er een patstelling toen de beoogde kostenberekening niet doorging en B & W niet (meer) voelden voor de combinatie kerk en bibliotheek.

De reactie van architect Jan de Jong  de voorgenomen herbestemming en de vraag van het gemeentebestuur of hij bereid was daaraan zijn medewerking te verlenen was zo principieel en bewogen als men van hem kon verwachten: “Deze plaats en dit huis zijn onttrokken aan elk profaan gebruik en zijn geworden een Heilige plaats en een Heilig huis en ik mag mijn handen hier niet naar uitstrekken om dit (zij het slechts voor een gedeelte) teniet te doen. Ik heb mij steeds geroepen gevoeld Kerken te bouwen, maar nooit om Kerken te veranderen in iets anders. Ik kan dit werkelijk niet. Moeten wij niet allen ons de vraag stellen hoe het mogelijk is dat een betrekkelijk kleine gemeenschap in een vrij arme tijd dit alles tot stand kon brengen, terwijl een veel grotere gemeenschap in een overvloedige tijd het zelfs niet kan onderhouden?”

Om een lang verhaal kort te maken, in 1983 kreeg architect Leo Bekkers uit Gemert opdracht om een concreet plan te maken. Dit voorzag in de combinatie van een verkleinde kerk (3/7 van het gebouw) met beganegronds de bibliotheek (4/7 van het gebouw) en op een aangebrachte verdieping daarboven 8 zogenaamde HAT-woningen met twee etages, waarvan een in de ronding van het tongewelf, rondom een plein met enkele voormalige kerklantaarns en midden op het plein tentachtig overkapte ruimtes voor het Gemerts Atelier voor beeldende kunsten. Voorwaarde voor deze ingrijpende herbestemming was dat het uiterlijk van het kerkgebouw zoveel mogelijk in zijn oorspronkelijke staat gehandhaafd moest blijven.

De hoofdingang geeft toegang tot de bibliotheek en een zijkapel werd de toegang tot de nieuwe kerkruimte. Op 1 februari 1986 werd de verkleinde kerk ingewijd.8
“De verbouwing van zijn ‘schepping’ was voor architect Jan de Jong een gruwel: met de herbestemming was de harmonie in het gebouw helemaal verdwenen.”9

NOTEN:
(Met dank aan wijlen Jan de Haas, fotograaf van de foto’s uit de bouwtijd van de kerk)
1. ‘Bouwkunstenaars’ in: Th. Schouw, Muzikaal, kleurrijk & vol taal. Fragmenten uit het leven van de Katholieke Leergangen (Tilburg 1997) 159-163;G. Kürten, Geloven in de kerk. De Bossche School, drie kerken en hun gebruikers, doctoraalscriptie OU (‘s-Hertogenbosch 2003), 5-6.
2. J.H. Pouls, Ware schoonheid of louter praal. De bisschoppelijke bouwcommissie van Roermond en de kerkelijke kunst van Limburg in de twintigste eeuw, dissertatie (Maastricht 2002), XXII, 48-49 (citaat), 319 (citaat)-321; K. Klein e.a., Nederlandse bouwkunst. Een geschiedenis van tien eeuwen architectuur (Alphen aan de Rijn 19972), 247-253; Schouw, a.w., 163; Kürten, a.w., 13-16; H. van der Laan, ‘Kloosters in de 12e en de 20e eeuw. Laboratoria voor fundamenteel architectuuronderzoek’ in: Th. Hoogbergen en M. Ackermans (red.), Kloosters en religieus leven. Historie met toekomst (‘s-Hertogenbosch 2002) 94-99 (citaat 98).
3. Pouls, a.w., 320; H. Holtmann, De Willibrordkerk Almelo. Het erfgoed van Dom Hans van der Laan, Jan de Jong en Théodore Strawinsky (Almelo 2004), 34-35. Getallensymboliek, uitgaande van de gulden snede, speelde van oudsher een belangrijke rol in de religieuze bouwkunst. Zie onder meer: M. Gout, Symboliek in kathedralenbouw (Alphen aan de Rijn 2001).
4. Pouls, a.w., 320-321; Holtmann, t.a.p., 27; Van der Laan, t.a.p., 96-97 (citaat); Kürten, a.w., 15-18. In zijn boek De architectonische ruimte (1977) vatte Van der Laan zijn architectonische en stedebouwkundige noties samen in een allesomvattende theorie.
5. Holtmann, a.w., 36-40.
6. Kürten, a.w., 23-28.
7. Gedenkboekje uitgegeven bij gelegenheid van de ingebruikneming van de kerk.
8. Archief parochie Gemert-Kern, dossier Bouwzaken Gerarduskerk, diverse stukken; Kürten, a.w., 28-30; Bouwombouw. Herbestemming van gebouwen, brochure uitgegeven b.g.v. de tentoonstelling ‘Onderzoek Herbestemming van Gebouwen in oktober 1987, een initiatief van de faculteit Bouwkunde TU Eindhoven.
9. ‘Gedeeld gebruik in de H. Gerardus Majellakerk in Gemert’, in Toekomst religieus erfgoed in Noord-Brabant, een uitgave van Stichting Monumentehuis Brabant (Geertruidenberg 2005), 31.

Bekijk PDF