GH-2007-02 Boerderijen in de twintigste eeuw
Jan Timmers
De Oost-Brabantse boerderij heeft een lange ontwikkelingsgeschiedenis. Uit het hallehuis, dat zijn oorsprong in de middeleeuwen had, ontstonden in de 17de en 18de eeuw een aantal varianten, zoals de hoekgevelboerderij en het krukhuis. Al deze varianten waren zogenaamde woonstalhuizen. Dat betekent dat woongedeelte en stalgedeelte zich onder één dak bevonden. De opslagruimte voor de oogst bevond zich doorgaans in een losstaande schuur. In de 19de eeuw werd steeds vaker ook de schuur onder hetzelfde langgerekte dak ondergebracht. Die ontwikkeling resulteerde in de zogenaamde kortgevelboerderij. Een boerderij met in de lange gevel de grote schuurdeuren en de iets minder grote staldeuren, die toegang gaven tot de potstal. De voordeur van het woongedeelte bevond zich vaak nog in de korte gevel, een directe voortzetting van wat al bij het hallehuis gebruikelijk was. De kern van al die boerderijvarianten was een zware houten draagconstructie, bestaande uit onderling verbonden ankerbalkgebinten, die het dak van de boerderij droeg. Een ontwikkeling, die vanuit het zuiden opkwam, was niet langer gebaseerd op de constructie van ankerbalkgebinten. Het dak werd voortaan gedragen door spanten die rechtstreeks op de bakstenen muren werden geplaatst. De muren werden hoger opgemetseld dan gebruikelijk was bij de hallehuizen en de kortgevelboerderij. Dat maakte het mogelijk om ook de voordeur van het woongedeelte in de lange zijgevel te plaatsen, samen met een aantal ramen. Op die manier kon het
woongedeelte van de boerderij flink worden vergroot. De langgevelboerderij was ontstaan, met de toegangen tot zowel schuur als stal als woning alledrie in de lange gevel. In Gemert deed de langgevelboerderij rond 1860 zijn intrede. Dit nieuwe type was zo succesvol dat er nauwelijks nog andere boerderijen werden gebouwd. Hallehuizen, krukhuizen, hoekgevelboerderijen en kortgevelboerderijen werden als ouderwets gezien en langzaamaan vervangen door een langgevel. Eén uitzondering daarop kwam nog voor: het dwarshuis, een ontwikkeling die vanuit het noorden (vanuit de Betuwe en via de Maaskant) was komen opzetten. Bij het dwarshuis (ook wel Thuis genoemd) staat het woongedeelte haaks op het stalgedeelte. In de praktijk werd bij een oude boerderij (hallehuis of kortgevelboerderij) tegen het woongedeelte een nieuwe woning gebouwd,
dwars op het bestaande gebouw. Het oude woongedeelte werd bij de stal getrokken. Op die manier ontstond een comfortabele woning en een groter bedrijfsgedeelte, zonder dat het hele gebouw vervangen moest worden. Bij aanvang van de 20ste eeuw was dat de stand van zaken met betrekking tot boerderijbouw. Nieuwbouw rond 1900 betekent altijd de bouw van een langgevelboerderij. Bij verbouwing van een boerderij werd soms omgebouwd tot langgevel, maar soms ook werd er gekozen voor een dwarshuis.
Het uiterlijk van de 19de eeuwse langgevelboerderij had nog een aantal kenmerken van de traditionele landelijke bouw. De dakbedekking bestond uit stro met een voet van pannen. Het dak was een schilddak. Dat wil zeggen dat er boven de korte eindgevels schilden of wolfseinden werden aangebracht. De ramen hadden soms nog een roedeverdeling van kleine ruitjes, maar veelal kwamen zogenaamde zesruitsschuiframen voor. Het kleinere bovengedeelte (het bovenlicht) kende twee ruiten naast elkaar. Het
ondergedeelte had vier ruiten en kon, achter het bovenlicht door, naar boven worden geschoven.
De ontwikkeling tot Wereldoorlog I
Omstreeks 1900 deden zich een aantal wijzigingen voor bij de bouw van langgevelboerderijen. Het meest opvallend is het verdwijnen van stro als dakbedekking. Riet als dakbedekking kwam sowieso niet voor. Dat zou aangevoerd moeten worden terwijl roggestro ruim voorhanden was. Vanwege het veelvuldige en intensieve onderhoud van een strooien dak en ook vanwege het brandgevaar werd zoveel mogelijk gebruik gemaakt van dakpannen: de oude holle pan. Tegelijkertijd zien we een ontwikkeling waarbij de korte gevels hoger opgemetseld werden, waardoor het schilddak steeds kleiner werd. Uiteindelijk heeft dit geleid tot het verdwijnen van de schildjes en het verschijnen van topgevels. Het schilddak verdwijnt en het zadeldak doet zijn intrede.
Een andere belangrijke ontwikkeling is het structureel aanbrengen van een brandmuur tussen bedrijfsgedeelte en woongedeelte vanaf de begane grond tot aan de nok van het dak. De brandmuur moest voorkomen dat een eventuele brand in het bedrijfsgedeelte oversloeg naar het woongedeelte of omgekeerd. Er bestond altijd al een scheidingsmuur tussen die twee delen, maar deze reikte slechts tot aan de balklaag, zolderhoogte dus. Daarboven bevond zich lang niet altijd een afscheiding. Wel bevond zich daar een al dan niet gemetselde schouw, maar aan weerszijden van de schouw was er vaak een open verbinding. In sommige gevallen was er wel een scheidingswand aanwezig, maar deze bestond dan vaak uit een raamwerk van latten ingevuld met stro en besmeerd met leem. Toegang tot de zolder boven het woongedeelte was
daarom vaak mogelijk via het bedrijfsgedeelte. In andere gevallen was er toegang via één van de zijbeuken van het woongedeelte. Met het verdwijnen van de ankerbalkgebinten en dus het verdwijnen van de zijbeuken en het toepassen van een gemetselde brandmuur was de toegang tot de zolder minder makkelijk mogelijk. Op de zolder werd van oudsher het gedorste graan uitgestrooid om te drogen. Om het gedorste graan makkelijk op zolder te krijgen werd in de korte gevel van het woongedeelte vaak een graanluik aangebracht. Het verschijnen van dit graanluik staat in direct verband met het aanbrengen van een brandgevel.
De voorschriften in verband met brandgevaar gingen nog verder dan het aanbrengen van een brandgevel die tot aan het dak doorliep. Bij een aantal boerderijen werd een brandgevel gemetseld die dóór het dak heen stak en op die manier kon voorkomen dat een eventuele brand zich via het dak toch nog kon verplaatsen van woongedeelte naar
stalgedeelte of omgekeerd. Veel van die brandmuren werden later weer verlaagd, omdat de kans op lekkages kennelijk een groter nadeel was dan eventueel brandgevaar. Bij de Antoniushoeve aan de Boekelseweg werd de doorlopende brandmuur in het voorjaar van 2007 verlaagd en werd het dak doorgetrokken. Van die boerderij is overigens bekend dat de brandmuur wel degelijk het beoogde effect had. In het stalgedeelte brak brand uit, maar schade aan het woongedeelte bleef achterwege. Op bijgaande foto (van 2005) is de doorlopende brandmuur nog aanwezig en is zichtbaar dat na de brand het dak van het stalgedeelte voorzien werd van dakpannen, terwijl op het woongedeelte de dakbedekking van eternit shingles gehandhaafd kon blijven.
Het interbellum
De bouw en verbouw van boerderijen in Gemert en Bakel is in de periode 1905-1915 redelijk constant. De eerste wereldoorlog had daarna wel zijn invloed en pas na 1920 komt de bouw weer behoorlijk op gang, vooral door de nieuwbouw van boerderijen bij de ontginningen in de Peel. Ook binnen de bestaande dorpen is de bouwactiviteit in de periode 1925-1935 niet gering. De boerderijen in die periode kregen ook een ander karakter, dat deels te maken had met een andere bedrijfsvoering, maar ook door de verhoogde aandacht voor vormgeving en detail. Een ontwikkeling die op beide aspecten betrekking heeft is de introductie van de Franse kap of mansardekap. Dit type kap kwam bij dorpshuizen al veel eerder voor, ook in onze regio, maar de eerste langgevelboerderijen met mansardekap werden pas in 1925 gebouwd. Het grote voordeel van een dergelijke kapconstructie is dat het veel extra ruimte biedt op de balklaag vooral voor de opslag van hooi. De veestapel werd langzaam uitgebreid en dat betekent dat er meer hooi voor de winter moet worden opgeslagen. De mansardekap had daarmee een duidelijke functie, terwijl tegelijkertijd het aanzien van de boerderij behoorlijk veranderde. Opvallend bij sommige langgevelboerderijen met mansardekap is het asymmetrische uiterlijk van het bedrijfsgedeelte. Het woongedeelte kende zowel aan de voorkant als de achterkant een mansardekap, terwijl het bedrijfsgedeelte aan de achterkant werd verbreed, zodat de dakhelling daar geen knik vertoonde maar doorliep. Als dakbedekking wordt niet altijd voor dakpannen gekozen, maar komen ook eternit plaatjes voor, zogenaamde shingles.
De potstal verdwijnt
Een andere functionele wijziging is het verdwijnen van de potstal. De introductie van kunstmest maakte de potstal als mestfabriek minder noodzakelijk. Landbouwleraren en consulenten begonnen er op te wijzen dat inpandige mestopslag in de potstal allesbehalve bevorderlijk was voor de gezondheid van mens en dier en voor de broodnodige hygiëne in verband met de melkproductie. In 1907 werd de Vereeniging voor Stalverbetering in Noord-Brabant opgericht, maar pas na de eerste wereldoorlog kwam de ombouw van potstal naar grupstal in oostelijk Noord-Brabant op gang. H.J. van Houten, rijkslandbouwarchitect en lector aan de landbouwhogeschool te Wageningen stelde twee brochures samen die werden uitgegeven door de Vereeniging voor Stalverbetering over de verbouwing van de potstallen in Noord-Brabant en het aanleggen van gierkelders en mestvaalten. In de jaren 20 en 30 is de verbouw van potstallen pas echt op grote schaal uitgevoerd. Het gevolg voor het uiterlijk van de boerderijen is dat de lage dubbele staldeuren, die toegang gaven tot de potstal, werden dichtgemetseld. Veel voorbeelden daarvan zijn nog aanwezig. Tegelijkertijd werd bij de nieuwbouw van boerderijen direct die modernisering toegepast.
Vormgeving en detaillering
Behalve functionele ontwikkelingen bij de bouw van boerderijen tussen de twee wereldoorlogen zien we een aantal veranderingen die hoofdzakelijk toe te schrijven zijn aan de verhoogde aandacht voor vormgeving en detaillering. Een ontwikkeling die bij woonhuizen al eerder zichtbaar was, maar vanaf 1925 ook duidelijk zichtbaar wordt bij de bouw van boerderijen. Zo is er meer aandacht voor het metselwerk en de detaillering ervan. De bakstenen gevels werden tot aan de eerste wereldoorlog steevast gemetseld in kruisverband. In de jaren 20 en 30 zien we dat ook andere metselverbanden worden toegepast. Het Vlaams verband komt veelvuldig voor. Er is veel aandacht voor de afwerking van het metselwerk aan de bovenkant van de gevels, in de top van de korte gevels en boven ramen en deuren. Vaak wordt de voordeur iets teruggeplaatst, zodat er een portiek ontstaat. De portiek is aan de bovenkant voorzien van een ronde of gehoekte ‘boog’. De ramen hebben soms nog de afmetingen van traditionele zesruitsschuiframen, maar de indeling wijkt daarvan af. De raamindeling heeft een T-vorm. Het bovenlicht (boven de T) heeft vaak een kleine roedenverdeling met 8 ruitjes, die soms zijn ingevuld met gekleurd glas. Ook bovenlichten met glas-in-lood komen voor.
Ook de luiken krijgen meer aandacht. Het zijn niet langer vlakke, raamhoge luiken. Luiken met lichter gekleurde panelen komen veel voor. Soms zijn ze halfhoog en dat betekent dat de bovenlichten niet afgeschermd kunnen worden. Als alternatief komen raamhoge luiken voor, waarvan het benedendeel voorzien is van panelen en het bovendeel ter hoogte van het bovenlicht een houten rooster heeft, waardoor het licht toch kan binnenvallen.
Geen langgevelboerderijen meer
Bij een aantal nieuwgebouwde boerderijen constateren we dat de bouwvorm in grote lijnen de langgeveltraditie volgt in die zin dat woning, stal en schuurgedeelte achter elkaar worden geplaatst in een langgerekt gebouw en dat de toegang en ramen in het woongedeelte zich in de lange gevel bevinden. Echter staldeuren en schuurdeuren in diezelfde gevel ontbreken. Feitelijk moeten we dan concluderen dat de traditie van de langgevelboerderij niet wordt voortgezet. De Wilhelminahoeve in de Bleek is daar een mooi voorbeeld van. Het zoeken naar andere bouwvormen dan de langgevelboerderij komt nog duidelijker tot uiting bij een aantal boerderijen waarbij de toegang tot het woongedeelte weer van de lange gevel naar de korte gevel werd verplaatst, en zo wordt teruggegrepen op de kortgeveltraditie.
Na de tweede wereldoorlog
Het meest opvallend aan de boerderijen die na de tweede wereldoorlog werden gebouwd betreft de rode kleur van de baksteen en de dakpannen. De ontwikkeling in de bouwvorm van de boerderij wordt voortgezet. Het blijven nog enige tijd woonstalhuizen met een langgerekte vorm en de voordeur in de lange of de korte gevel. Grote staldeuren in de lange gevel komen niet meer voor. De voordeur wordt vaak voorzien van een brede witgekleurde deuromlijsting.
Uiteindelijk verdwijnt ook de traditie dat boerderijen woonstalhuizen zijn, dus met woning en bedrijfsgedeelte onder één dak. Het woongedeelte wordt vanaf het midden van de jaren 50 een afzonderlijk gebouw met een vorm die je ook binnen de bebouwde kom kunt aantreffen. Het bedrijfspand wordt achter het woonhuis gebouwd, maar blijft er middels een lagere tussenbouw wel mee verbonden. Pas in de jaren 60 worden woonhuis en stal echt los van elkaar gebouwd.
LITERATUUR EN BRONNEN
H.J. van Houten, De verbouwing van potstallen in Noord-Brabant, brochure Vereeniging voor stalverbetering in Noord-Brabant, Wageningen 1926
H.J. van Houten, Gierkelders en mestvaalten, brochure Vereeniging voor stalverbetering in Noord-Brabant, Wageningen z.j.
P.A.M. van Wijk, Over mest en boerderijbouw. Het verdwijnen van de potstal, Brabants Heem 1986, nr 2 blz 62-76
Jan Timmers, Wim van de Vossenberg, Rein van den Broek, Boerderijen kijken in Gemert-Bakel, Gemert in Beeld, deel 10, Gemert 2003.
Jan Timmers, Gemertse boerderijen in soorten ofwel de mythe van de langgevelboerderij, Gemerts Heem, 1997, nr 4, blz 145-169
Verder is dankbaar gebruik gemaakt van de bestanden van bouwvergunningen in het gemeentearchief van Gemert en Bakel.
Alle foto’s zijn van de auteur.
GH-2007-02 Sociale Woningbouw 1900 – 1960
Ad Otten
Inleiding
In de loop van de twintigste eeuw is het aanzien van de dorpen in heel Nederland enorm veranderd. Tot 1900 had elk huis een eigen karakter. In de meeste huizen werd ook “de kost” nog verdiend, al was daar in de loop van de negentiende eeuw vanwege de industriele revolutie, vooral in de steden al verandering in gekomen. Dorpen liepen in die ontwikkeling wat achterop en bovendien was er sprake van een trek naar de stad, naar de werkgelegenheid.
Gemert telde in 1900 nog 209 thuiswevers (handwevers) waarvan velen met een eigen woning. Amper twee decennia later blijkt elke “wever” als textielarbeider werkzaam in Helmond, Gemert of Eindhoven (in die volgorde), en werd uitgekeken naar een geschikte huurwoning. Die veranderng deed zich voor in het hele land. De woningbouw krijgt een andere vorm. In de dorpen gaat dat aanvankelijk nog niet eens gepaard met een nieuwe dorpsuitleg want aanvankelijk zien we daar nog heel lang gebouwd worden aan de uitvalswegen. Een heel eind verder in de twintigste eeuw, wanneer woon-werkverkeer van dorp naar stad gewoon wordt, zien we ook op de dopren compleet nieuwe wijken opgeleverd worden met woningen van nagenoeg allen dezelfde snit.
Vrij algemeen wordt de aanname van de Woningwet 1901 gezien als het begin van de overheidsbemoeienis op het gebied van wat heet “de sociale woningbouw”. Voortaan moest voor het bouwen van een woning bij de gemeente een bouwvergunning worden aangevraagd en van elke gemeente werd door de regering geeist dat ze een bouwveroderdening opstelde Tegelijkertijd werden van hogerhand de mogelijkheden verruimd toot onbewoonbaarverklaren en zelfs tot krotopruiming en onteigening in het belang van de volksgezondheid. De vrees dat al die maatregelen zouden leiden tot een gebrek aan woningen leidde ertoe dat er finaciele middelenwerden gereserveerd voor rijksvoorschotten tegen lage rente ten behoeve van wat men noemde de sociale woningbouw. Die rijksvoorschotten waren weliswaar bedoeld voor gemeenten, maar die konden op hun beurt die middelen doorsluizen naar in het leven te roepen zelfstandige “verenigingen of stichtingen uitsluitend werkzaam in het belang van de volkshuisvesting.
In een paar hoofdstukken nemen we heel beknopt de verschillende te onderscheiden fasen in de sociale woingbouw te Gemert in de periode 1900 tot 1960 onder de loep.
Gemeentewoningen onbewoonbaar
Vrijwel gelijktijdig met de Woningwet werd de Gezondheidswet aangenomen, die per regio gezondheidscommissies in het leven riep en woningen ging inspecteren. Gemert kwam in 1902 wel het allerslechtste uit de bus van de hele regio (1) De woningnood bleek er ook het grootst. De gemeente had slechts drie schamele woningen in eigendom aan de “Oliekelder”. Twee daarvan moesten worden afgebroken en de derde diende buiten gebruik te worden gestld, aldus de bevindingen van de commissie. Er was geen drinkwater, geen privaat, alles was er vochtig, nat en beschimmeld, en het “stikte” er van de wandluizen.
Het gemeentebestuur oordeelde echter dat het altijd nog beter was een slechte woning dan geen woning. Nog jaren werden de woningen gebruikt alvorens er twee werden gesloopt. Te oordelen naar het gemeenteversla van 1928 is de derde woning dan nog altijd in gebruik. Het is op dat moment de enige gemeentewoning. Gemeld wordt dat die ene woning gratis wordt bewoond door een armlastige.
De Geondheidscommissie beoordeelde niet alleen de gemeentewoningen maar ook particuliere woningen en ook daar had men zo zijn bedenkingen en aanmerkingen, maar uit het bovenstaande moge duidelijk zijn dat de gemeente tot 1929 op het gebied van de sociale woningbouw nog nauwelijks activiteiten ontplooide. Die ativiteit was er wel van particulieren al was dat strikt genomen niet altijd “sociale woningbouw”.
Wevershuizen en bakkersklanten
Van oudsher verhuurden weeffabrikanten als Prinzen en Van den Acker al woningen aan voor hen werkzame wevers. Opmerkelijk is zeker ook dat verschilende Gemertse bakkers rijtjeswoningen bouwden voor de verhuur.In de andeling werden die woningen wel de “bakkersklanten” genoemd. Een naam die niet zo vreemd iswanneer men bedenkt dat er in 1905 in Gemert door de plaatselijke arbeidersbond een onderzoek werd verricht naar gedwogen winkelnering en dat in 1914 bij een landelijk onderzoek bij drie Gemertse ondernemers (en tevens huizenbezitters) een vorm van winkeldwang werd geconstateerd. Als “bakkerklanten” kennen we het uit 1889 daterende woningrijtje-van-twee op het Hopveld (de nrs. 17-19), gebouwd door bakker van Asseldonk. Dan is er de rij van vier in de St. Severusstraat, die in 1907/1908 werd gebouw in opdracht van bakker Th. P. van den Acker. En voor de volledigheid noemen we hier ook nog de vrij late rij van “bakkersklanten” die bakker van Brussel in 1927 bouwde op de Molenakker, aan wat we nu kennen als Binnendoor (2) Opmerkelijk is dat deze “bakkersklanten” vandaag de dag in het Gmertse straatbeeld worden gewaardeerd als “beeldbepalende panden”.
Woningbouwvereniging “Uit Noodzaak”
In het voorgaande maakten we al gewag van de Woningwetv 1901 en van de daarmee in het vooruitzicht gestelde rijksvoorschotregelingen tegen gunstige renten voor gemeenten danwel woningstichtingen, Toch duurde het daarna nog tien jaar vooraleer met name woningbouwcorporaties van die mogelijkheden en dan nog heel schoorvoetend gebruik zouden of eigenlijk konden maken. Want de overheid had nogal wat belemmeringen opgeworpen. De Eindhovense Vereniging Volkshuisvesting is in 1911 pas de eerste woningbouwvereniging in Noord-Brabant. Het is een initiatief van Anton Philips en nog enkele fabrikanten. Gemert volgde niet eens zo heel veel later. Hier is het echter de in 1915 aangetreden pastoor Poell die al in het eerste jaar van zijn benoeming een boucommissie in het leven roept om de mogelijkheden van sociale woningbouw te bezien. Naast de pastoor zien we (heel opvallend) de belangrijkste opposant in de gemeenteraad, de bierbrouwer Pieter Bijvoet van Gemerts Belang, en verder de pas nieuwe gemeentesecretaris Moons (later burgemeetsre van Helmond) en de inde juist gereedgekomen Engelenburg woonachtige rijksontvanger Tonnaer. Zij reserveren alvast een bouwterrein. Juist buiten de bebouwde kom. Aan de Oudestraat, ietsje voorbij Keizersbosch aan de andere kant van de weg. Maar toch komen zij niet tot bouwen. Vanwege de Eerste Wereldoorlog stijgen de bouwprijzen met de dag en het lijkt raadzaam daarom met de woningbouw te wachten op betere tijden. Zeker wat betreft de sociale woningbouw. De oorlog blijft echter duren, de woningbouw komt in het hele land nagenoeg tot stilstand, en de woningnood wordt almaar nijpender.
In oktober 1918, een maand voor de wapenstilstand, kon Poell niet langer wachten en kwam het tot de oprichting van de R.K. Bouwvereniging “Uit Noodzaak”. Inmiddels had de pastoor aan zijn zijde de mede door zijn toedoen opgerichte R.K. Werkliedenvereniging St. Jozef, terwijl hij bovenmeester Vrijns bereid had gevonden als secretaris en penningmeester te fungeren. Bij Koninklijk Besluit van 28 februari 1919 werd de nieuwe woningbouwcorporatie toegelaten als “vereniging uitsluitend werkzaam in het belang van de volkshuisvesting”, waardoor zij in aanmerking kwam voor financiering van de bouw middels rijksvoorschotten.
Het bouwterrein aan de Oudestraat werd in eigendom verworven en de hoop werd uitgesproken om nog voor het eind van 1919 hier twaalf woningen te realiseren tegen een huurprijs van drie gulden per week. Rijk en gemeente zouden dan wel bij moeten springen met voorschotten.
Maar het gemeentebestuur vond de bouwplannen te kostbaar en traineerde de plannen. In plaats van het gevraagde voorschot (alvast voor de helft van de bouwkosten) door te sturen naar Den Haag wilde men eerst het standpunt horen van de Gezondheidscommissie. Uiteindelijk ging de aanvraag voor het rijksvoorschot aps in juli 1920 de deur uit. Het zat de nieuwe corporatie niet mee. De prijzen en de lonen bleven almaar oplopen.
Maar… op 26 september 1920 kon dan toch de pastoor in zijn “Officieel Kerkbericht van de Kerken van Gemert (in de volksmond ’t Kerklokse) berichten “dat de kogel door de kerk was” en dat op 4 oktober daaraanvolgend in het Alcoholvrijlokaal de 12 nieuwe woningen zouden worden aanbesteed en dat de bestekken met tekeningen verkrijgbaar waren op de pastorie of bij architect L. Kooken in Eindhoven. Kooken was gemeentearchitect van Eindhoven, hij ontwierp er onder meer de eerste huizen van Philipsdorp (1909), en had juist een hele wijk ontworpen voor de bouwvereniging van de r.k. werkliedenvereniging aldaar, en bovendien kende men hem al in Gemert als de architect van de zuivelfabriek voor de R.K. Cooperatie De Eendracht (1915). (3) Al op 21 november 1920 kon de eerste steen worden gelegd voor drie typen woningen, waarvoor de huren zouden bedagen f. 3,90,f 4,15 en f 4,40 per week. Huurders met een inkomen boven de 40 gulden zouden tussen de 10 en 11 cent meer huur moeten gaan betalen voor elke gulden meer aan inkomen. In mei 1921 worden alle woningen betrokken en op zaterdag voor Pinksteren wordt het eerste “sociale” woningcomplex van Gemert plechting ingezegend met de wijding van het St. Jozefbeeld in de muurnis van het pand op de hoek van de verbindingsweg tussen Oudestraat en Heuvel. Deze weg waaraan twee van de twaalf woningen worden gebouwd krijgt tien jaar later de officiele straatnaam St. Jozephstraat. St. Jozef was de patroon van de Gemertse R.K. Werkliedenvereniging, die vanaf de ingebruikneming van de nieuwe woningen naast de pastoor met twee bestuursleden zitting neemt in het corporatiebestuur. Zij komen in de plaats van Henri Corsten en meester Vrins. Poell blijft voorzitter van “Uit Noodzaak”, Jan Smits wordt onder-voorzitter en Karel Schmidt secretaris-penningmeester. Laatstgenoede gaat ook elke week de huren ophalen. (4)
Wachten op nieuw beleid van de overheid
In 1921 kreeg Gemert een elektrisch lichtnet en de sociale woningbouw aan de Oudestraat werd meteen van deze moderniteit voorzien. Het was alles vooruitgang wat de klok sloeg. Maar op het gebied van de sociale woningbouw was er in Gemert nog veel te doen. Poell had zich in weerwil van de stijgende bouwprijzen al eens verantwoord voor zijn ijveren op dat terrein, met te zeggen ‘dat de kippen in Gemert nog beter gehuisvest zijn dan sommige mensen’.5 Maar wat graag wilde hij met “Uit Noodzaak” nieuwe plannen uitwerken, maar ditmaal was het de regering die dat onmogelijk maakte. Wat betreft de woningproductie in Nederland was 1921 een topjaar. Er werden in totaal maar liefst 40.000 woningen gebouwd. De financiële steunmaatregelen hadden effect gesorteerd, maar daartegenover stond dat de bodem van de schatkist zichtbaar werd. De toestand dat bijna de hele woningproductie voor rekening van Rijk en gemeenten kwam, kon niet blijven duren. Bovendien dwong de buitensporige stijging van de bouwkosten – “het Rijk betaalt toch” – de regering tot een andere koers. Amper 14 dagen na de inzegening van de woningen aan Oudestraat-St.Jozefstraat stuurde de Minister aan alle gemeenten het regeringsbesluit tot een algehele stopzetting van de steunverlening voor nieuwbouw voor de duur van zeven maanden. Na die termijn werd bepaald dat alleen nog voor huizen met minder dan 225 m3 huursubsidie wordt verleend en dat de huur tenminste 70, een jaar later 90%, van de exploitatiekosten moet bedragen. Bouwcorporaties als Uit Noodzaak kunnen in feite geen nieuwe bouwplannen meer indienen en de woningproductie keert weer helemaal terug bij het particulier bedrijf. In 1924 worden geen huurbijdragen noch premies meer verleend en dankzij o.m. de algemene loonvermindering blijken dan de bouwkosten met de helft gedaald ten opzichte van 1921.6 “Uit Noodzaak” stond net als de meeste andere woningbouwcorporaties buitenspel. Poell moest erin berusten dat hij niet meer kon dan gemeente, huiseigenaars en ondernemers op te roepen om bestaande woningen op te knappen of nieuwe te bouwen, opdat er een einde zou komen aan de woningnood die zoveel woonellende veroorzaakte. Aan zijn oproep werd gevolg gegeven niet door de gemeente maar door ondernemers. Een mooi voorbeeld daarvan is de rij ‘Tien Geboden’ tegenover windmolen De Bijenkorf in de Deel. De Gemertse aannemer Klerks was daarvan in 1925 de initiatiefnemer. Vrijwel gelijktijdig bouwde aannemer Grard Hendriks in de Virmundtstraat en ook grossier, tabakskerver en koffiebrander Henri Corstens liet zich daar niet onbetuigd. Hij investeerde daar in 1928 in huurwoningen en later in de jaren dertig ook in de Schoolstraat en voor de duurdere categorie herenhuizen opnieuw in de Virmundtstraat. Tegen het eind van de jaren twintig kwam eindelijk ook de gemeente weer in beeld aan het front van de sociale woningbouw. Van 1885-1928, 42 jaar lang, was Frans Buskens burgemeester van Gemert. In die periode kwam het weliswaar tot de woningwetbouw aan de Oudestraat waarvoor de gemeente met het Rijk het exploitatietekort moest aanvullen, maar verder valt er niet veel op zijn conto te schrijven op het gebied van de volkshuisvesting. Integendeel. We zien bij de inkomende post slechts de steeds terugkerende klaagzang van de Gezondheidscommisie wat betreft het optreden van het gemeentebestuur op dat terrein.
Nadat op 15 januari 1929 de nieuwe burgemeester Jan Phaf is aangetreden wordt al gauw een nieuw en frisser beleid zichtbaar. Binnen enige maanden komt hij met een intergemeentelijk plan voor bouw- en woningtoezicht waarin zes gemeenten gaan samenwerken. Hij ontpopt zich als een warm pleitbezorger voor een streekdrinkwaterleiding, die binnen tien jaar wordt gerealiseerd. En in het eerste jaar van zijn burgemeesterschap vindt hij ook een oplossing voor de bestuurscrisis waarin woningbouwvereniging “Uit Noodzaak” terecht is gekomen. Volgens een nieuwe bisschoppelijke richtlijn mag pastoor Poell niet langer optreden als voorzitter van de corporatie en is de secretaris-penningmeester (Schmidt) naar een andere gemeente verhuisd. Voor beiden zijn geen opvolgers gevonden. Phaf stelt voor om het bezit en de woningexploitatie van de corporatie over te nemen. Per 1 januari 1930 verwierf de gemeente zo twaalf gemeentewoningen in een puike conditie. De corporatie werd vervolgens geliquideerd.7 Niet veel later stuurde Phaf een lijst van 93 adressen naar de Gezondheidscommissie om die te onderzoeken. Dat leidde een jaar later op advies van die commissie tot de onbewoonbaarverklaring van 14 woningen. Acht werden er ook daadwerkelijk ontruimd maar voor de rest moest bij de provincie voorlopig ontheffing worden gevraagd voor de geplande krotopruiming vanwege het gebrek aan woonruimte.
Woningen in de fabriek
Na weeffabrikanten, bakkers, aannemers en grossier Corstens, zien we in de jaren dertig zelfs boer De Louw (1930 Oudestraat 53-55 en 1934 Oudestraat 43 tm 51) in huurwoningen investeren. Maar die waren allen van een hogere prijsklasse. Een vermeldenswaard voorbeeld van woningbouw is zeker ook de verbouwing van de uit 1881 daterende stoomweverij van de Gebroeders Prinzen in De Hoef tegenover de kasteelboerderij. Prinzen legde zijn weverij al stil in 1910. In de periode van de Eerste Wereldoorlog werd de fabriek geëxploiteerd door Carp’s Garenfabrieken uit Helmond en in 1920 vestigde Piet de Wit uit Helmond er een filiaal van diens dekenweverij. Piet ging na een aantal jaren failliet en meer dan zeven jaar stond de fabriek leeg. Midden in de crisistijd van de jaren dertig durfde de Gemertse aannemer Frans van de Linden het aan, het fabriekspand te kopen en te verbouwen tot een rij van zes zogeheten middenstandswoningen. Bouwkosten beliepen in totaal 7245 gulden. De grote fabriekspoort in de voorgevel van dit curieuze wooncomplex op deze bijzondere locatie herinnert tot op de dag van vandaag aan de oorspronkelijke bestemming.8
Wilhelminalaan – Prins Hendriklaan
Hoe het ook zij de particuliere woningbouw bleef sterk achter bij de stijgende vraag naar goedkope maar goede huurwoningen. Eind 1936 stelde daarom burgemeester Phaf de gemeenteraad voor om op de Molenakker met rijkssteun 30 arbeiderswoningen voor grote gezinnen te bouwen. Dit was mede bedoeld om ‘huisjesmelkers’ de wind uit de zeilen te nemen, die zelfs voor krotwoningen een huur van twee gulden per week durfden vragen. Ter vergelijking diene dat de huur van de ruime en uitstekende woningwetwoningen aan de Oudestraat door de gemeente inmiddels waren verlaagd tot f 3,50, dat de gemeente ook had besloten tot een huurbijdrage voor werklozen, en dat het gemiddelde arbeidsloon werd getaxeerd op f 15,-. Gemeentearchitect Willem Claeren werd de opdracht gegeven tot het maken van een plan. De woningen zouden ontworpen moeten worden onder het devies ‘breng zon en licht in uwe woning’, ze zouden ruimte moeten bieden aan acht à tien personen, grote tuinen die ruimte lieten voor een moeshof voor eigen gerief en eventueel het vetmesten van een varken. Gedacht werd aan een huur van rond één rijksdaalder per week.9 In oktober 1937 besloot de gemeenteraad tot de bouw van het complex waarover duidelijk na was gedacht. Er waren 4 woningtypes. Twintig woningen van gemiddelde omvang werden uitgevoerd als twee-onder-één-kap met de voordeuren zover mogelijk van elkaar en 10 vrijstaande woningen die waren bedoeld voor de grootste gezinnen. De eerste met drie slaapkamers, de tweede met vier. Na goedkeuring door de provincie werd de bouw in februari 1938 aanbesteed voor 53.730 gulden. In oktober van dat jaar worden de straten genoemd naar koningin Wilhelmina en haar in 1934 overleden gemaal Prins Hendrik. De woningen werden in januari 1939 verhuurd tegen f 2,25 en f 2,50 per week. Jaren later verbaast de provinciale inspecteur van Volksgezondheid G. Bolsius zich nog over de lage bouwsom van dit goede en degelijke voorbeeld van sociale woningbouw. De achteraf berekende totale stichtingskosten komen uit op f 61.775,-. Een gemiddelde van 2059 gulden per huis.10 In de eerste raadsvergadering van 1939 – dat was ten tijde van het betrekken van de nieuwe woningen – kondigde Phaf aan dat bij het Rijk een nieuwe aanvraag voor sociale woningbouw zou worden ingediend. Aan dat tweede bouwplan kwam Gemert door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog echter niet meer toe. De woningnood bleef hoog en de ontheffingen voor het ontruimen van onbewoonbaar verklaarde woningen bleef op de agenda.
Woningbouw in de wederopbouw
In de periode 1940-1945 steeg het inwonertal van Gemert van 7768 naar 8732 inwoners. In diezelfde periode steeg het aantal woningen met welgeteld 2 stuks. In de oorlogsperiode had de bouw nagenoeg stil gelegen. Alleen al door de bevolkingsaanwas was er een tekort van 200 woningen dat nog met 125 moest worden vermeerderd ter vervanging van krotten, keten en door oorlogsgeweld vernielde huizen. Wat te doen met dat woningtekort van 325? Er was een strak van bovenaf opgelegd bouwbeleid. De complete woningbouw was gecontingenteerd. In 1946 kreeg Gemert met moeite vergunning voor het bouwen van 12 arbeiderswoningen.
Zes in De Haag en zes in de Deel. Het ontwerp was van gemeentearchitect Claeren, die door zijn plotselinge
overlijden in 1947 de oplevering niet meer mee zou maken. In 1947 deed zich een mogelijkheid voor om 4 Zweedse rondhouten woninkjes te bouwen; een particulier maakte daar gebruik van en de gemeente opteerde voor de drie resterende. Ze kwamen aan Den Dubbeldenweg (nu Prins Bernhardlaan), De Haag en twee stuks aan het Frans Brugske. Daarna kwam het aanbod van houten Oostenrijkse woningen. Oostenrijk exporteerde die pasklaar in een bouwpakket. In Gemert werden er negen in elkaar gezet. Drie in Gemert, vier langs de weg naar Handel, en drie in Elsendorp. Maar dat alles leek een druppel op de gloeiende plaat. In 1947 telde Gemert 252 samenwoningen en 113 krotwoningen. Voorwaar geen gering probleem.
Stad en land moest worden afgelopen om woningen te mogen bouwen en er moest veel voorbereidend werk geschieden om woningen te kunnen bouwen. Gronden moesten worden aangekocht met een altijd moeilijk doend Prijzenbureau als toeziend voogd. Terreinen moesten bouwrijp worden gemaakt. Uitbreidingsplannen moesten worden opgesteld (en weer herzien). Maar Lodewijk Spildoorn, de nieuwe directeur Gemeentewerken, ging er met een betrekkelijk jong stel ambtenaren tegenaan. De eerste ‘beloning’ was de toestemming tot de bouw van 76 arbeiders- en 9 middenstandswoningen, plus de burgemeesterswoning aan de Ruijschenberghstraat. Nog in 1947 kon worden begonnen. De arbeiderswoningen kwamen gespreid aan De Haag (7), kerkdorpen (12), Deel (15), en de meesten aan Den Dubbeldenweg (nu Kapelaanstraat-Prins Bernhardlaan) en Molenakker (samen 42). In Jezuïetenlaan en Oudestraat kwamen de middenstandswoningen. Vergeleken met andere gemeenten mocht Gemert niet mopperen met die toewijzing. Maar in 1948 kwam de minister plotseling met een BOUWSTOP! Er werd een rem gezet op de realisering van het voor dat jaar toegewezen bouwvolume. Een lelijke streep door de rekening, die een vlotte uitvoering van het woningbouwprogram in de weg stond. Maar er werd niet stilgezeten en toen het bouwvolume voor 1949 bekend werd kon aanstonds aan de slag worden gegaan. Dat gaf: 18 arbeiderswoningen (waarvan 13 op de Molenakker) en 13 middenstandswoningen (waarvan 10 in de Virmundtstraat). Eind 1949 waren er sedert de bevrijding een kleine 150 woningen gebouwd, niet gek, maar nog niet de helft van het benodigd aantal! In 1950 zou echter een flinke stap voorwaarts worden gezet in de Gemertse woningbouw. Minister In ’t Veld had een “goedkope-woningen-stunt” gelanceerd. En ook in Gemert werd op het
gemeentehuis getekend en gerekend en als eerste in Noordbrabant en als één der eersten in Nederland zag de gemeente haar speciale bouwplan goedgekeurd. Een extra toewijzing van 60 zgn. “goedkope” woningen (het ontwerp Spildoorn) was de beloning. Daarenboven werd ook het aantal kubieke meters van het normale bouwvolume 1950 voor de bouw van “goedkope” woningen besteed, en ook dat scheelde weer ’n paar huizen. In juni 1950 kon aan de bouw van 80 van deze woningen worden begonnen (Wassenaarstraat en Van Loëstraat).
Onder het motto ‘mens sana in corpore sane’ (een gezonde geest in een gezond lichaam) ontwierp directeur Spildoorn ‘meepesant’ ook een indrukwekkende sporthal en een Volksgezondheidsgebouw op de Molenakker. Hij was zijn tijd ver vooruit. De sporthal zou nog meer dan 15 jaar op zich laten wachten. En tegen het volksgezondheidsgebouw, met onder één dak huisvesting voor de brandweer, een consultatiebureau van het Wit Gele Kruis én een volksbadhuis, zouden drie ministeries tegelijk ‘ja’ moeten zeggen. ’t Was te mooi allemaal, en van ‘Den Haag’ echt teveel gevraagd. De gemeente ging niet bij de pakken neerzitten. Op 25 oktober 1950 werd een gemeentelijk draaiboek uitgebracht onder de titel: “Hoe Gemert groeit en bouwt aan zijn toekomst”. Het hoofdstuk over de woningbouw eindigde met de zinsnede: ‘en intussen gaat het gemeentebestuur verder met het naarstig zoeken naar een zo spoedig mogelijke algehele oplossing van het huisvestingsprobleem’.
Dat dat niet zomaar een uitspraak was werd al heel gauw duidelijk. Twee dagen na het verschijnen van het geciteerde draaiboek nam de Gemertse gemeenteraad een heel bijzonder en historisch besluit. Wanneer de regering daar ‘ja’ tegen had gezegd was de lange tijd zo achteroplopende gemeente Gemert als eerste gemeente
in Nederland verlost geweest van de naoorlogse woningnood. Maar Den Haag durfde niet.
Nieuw dorp op Berglaren: Bingo!
Omdat Gemert niet zover verwijderd lag van de militaire vliegbases Volkel en Eindhoven en ook de legerplaats Oirschot nog bereikbaar werd geacht, verzocht de Nederlandse regering het gemeentebestuur om medewerking voor de huisvesting van de repatriërende gezinnen van het ontbonden Koninklijk Nederlands Indisch Leger (het KNIL). Voor elke woning voor een knil-gezin mocht, volgens Haagse toezegging, minstens één woning voor een Gemerts gezin worden gebouwd. Burgemeester De Bekker schreef een geheime raadsvergadering uit op 27 oktober 1950. Hij legde daar uit dat Gemert zo’n 240 inwoningen telde terwijl er nog minstens 100 trouwlustigen waren. ‘Wanneer de raad kiest voor de opvang van 240 knilgezinnen dan mag de gemeente, als Den Haag zijn belofte gestand doet, maar liefst 480 (!) woningen bouwen!’ Door de knilgezinnen te helpen zou Gemert in één klap van de woningnood verlost worden. Je realiseert je pas wat dat betekende als je bedenkt dat het gemeentelijk bouwcontingent voor 1950 van hogerhand was bepaald op zegge en schrijve 20 woningen! Op de aanvraag voor 300 arbeiderswoningen en 100 grotere huizen had de Centrale Directie voor de Volkshuisvesting de gemeente doodleuk 28 woningen voor 1951 toegewezen. En alleen omdat ook zij de situatie in Gemert urgent vond. Dat schoot dus echt niet op. Maar dan komt de burgemeester met zijn Oost-Indische voorzet. Na bijna 60 jaar is het nog niet te geloven. De Bekker trok de hele gemeenteraad in één avond unaniem over de streep. Net als zijn directeur Gemeentewerken was hij zijn tijd ver vooruit. ‘We laten het geen asylatie maar assimilatie worden’, dat waren de woorden van de burgervader, en hij maakte er zich ook geen zorgen over dat een deel van de nieuwkomers niet katholiek zou zijn. Maar zoals gezegd Den Haag durfde er niet aan. Van hogerhand werd beslist dat er geen 240 maar 120 knil-gezinnen naar Gemert mochten gaan. De integratie zou gebaat zijn met wat meer spreiding over de provincie. De Bekker had geen tijd om bij die gedeeltelijke afwijzing erg lang stil te staan. Er was werk aan de winkel. De opvang van 120 gezinnen uit het voormalige Nederlands Oost-Indië was niet niks. ‘Gemert toevluchtsoord voor Indische ballingen’, en ‘Nieuw dorp bij Gemert’ kopten de kranten. In twee jaar tijds werden op Molenakker en Berglaren 252 woningen gebouwd, 120 voor de knilgezinnen, 120 voor de Gemertenaren en 12 woningen als extra beloning. Uit het oogpunt van integratie werden de woningen zo toegewezen dat elk knilgezin minstens één Gemertse buurman kreeg. Onder de Gemertse bevolking werd nog wel gemopperd toen bij de overkomst van de eerste knilgezinnen (februari 1951) de aanvankelijk aan Gemertenaren toegewezen woningen op de Molenakker nu voor het merendeel aan de nieuwkomers kwamen, maar nog hetzelfde jaar werd begonnen met de compleet nieuwe dorpsuitleg op Berglaren. Toen duurde het niet lang meer of iedereen werd het duidelijk dat het gemeentebestuur een heel bijzonder besluit had genomen dat in het voordeel was van alle woningzoekenden. Vanaf 1951 schaarde Gemert, mede dankzij de Indisch-Nederlandse aanwas, zich voortaan onder de middelgrote gemeenten van het land. Op 10 december 1951 werd de 10.000ste inwoner geboren.12 In 1953 wonen er al 127 gerepatrieerde gezinnen in Gemert. Er gaan er ook wel weg, maar het aantal neemt in de jaren vijftig en zestig nog gestaag toe.
De nieuwbouw op de Berglaren ligt aanvankelijk nog wat afzijdig van de oude bebouwde kom. Tussen beide locaties worden algemene voorzieningen gepland. Aan De Stroom verrijst de ene nieuwe school na de andere. De eerste was de witte naar witheer en boerenapostel Gerlacus van den Elsen genoemde Landbouwschool. Meteen daarop volgde de glasrijke St.Willibrordus-ULO, de Huishoudschool St.Anna, een school voor Bijzonder Lager Onderwijs genoemd naar Peerke Donders, en een apart gebouw voor gymnastiek. Een eind verderop aan het Frans Brugske werd in 1954 een nieuwe Lagere School geopend, de Pius X (nu: Pontenage). In de aula van deze school begon bouwpastoor Strijbosch de nieuwe Gerardusparochie. Op zondag 22 juni 1958 werd schuin tegenover, de eerste steen gelegd van de nieuwe kerk. Op 26 april 1959 werd de kerk ingewijd.
Intussen was daarnaast aan het Frans Brugske begonnen aan de bouw van een nieuwe Latijnse School. Terwijl het gemeentelijk woningbezit de mijlpaal van 500 woningen overschreed, groeide het ‘nieuwe dorp’ als nieuwe parochie vast aan de oude kern.
Oprichting Stichting Goed Wonen 1960
Toen in 1958 na vier kabinetten Drees het ministerie van wederopbouw niet werd gecontinueerd was de woningnood in Nederland nog allesbehalve opgelost. Ook niet in Gemert. De nieuwe regering koos voor een ombuiging op het gebied van het woningbouwbeleid. De mogelijkheid voor gemeenten om woningen te bouwen werd in een paar jaar tijd beperkt, terwijl de tot dan toe sterk van gemeenten afhankelijke woningbouwcorporaties nu juist steeds meer werden gezien als de daartoe meer geëigende instelling. Zowel wat betreft de door het Rijk gesubsidieerde woningwetbouw, alsook in andere sectoren o.a. in de premie- en de premie-vrije sector. Daarom werd de afhankelijkheid van de gemeente losgekoppeld en in 1962 werd de Woningwet gewijzigd. In Gemert was tijdig op die ontwikkeling ingespeeld, al was dat wel particulier initiatief. In maart 1960 formeerde zich een initiatiefgroep van vijf personen rond raadslid Ko van Breukelen en Hendrik Jan Ypenburg bedrijfsleider van de Kon. Textielfabriek Raymakers & Co. te Gemert. Natuurlijk kon daarbij Willy van de Ven, directeur Gemeentewerken niet gemist worden, en verder waren Piet van Stiphout (bestuurder textielvakbond; werkmeester Raymakers & Co.) en Jan Pennings (bestuurder bouwvak) van de partij. Statuten werden opgesteld in overleg met de Nationale Woningraad en bij Koninklijk Besluit van 9 september 1960 werd Stichting Goed Wonen toegelaten om uitsluitend werkzaam te zijn in het belang van de volkshuisvesting in de gemeente Gemert. In de bestuursvergadering een week later werd medegedeeld dat B&W van Gemert in de eerstvolgende raadsvergadering zouden voorstellen het hele gemeentelijk woningbezit aan ‘Goed Wonen’ over te dragen. Aan de rechten van de huurders ten aanzien van het kopen van een woning zou niet worden getornd en overtollig geworden gemeentepersoneel zou worden overgenomen met behoud van rechten. De gemeenteraad ging echter niet meteen akkoord en besloot tot een geleidelijke overdracht. Pas in 1966 kwam er een einde aan het gemeentelijk woonbedrijf. In totaal waren toen 656 woningen overgedragen. Intussen had Stichting Goed Wonen zelf al volop gebouwd met name in de nieuwe wijk Molenbroek. Daar werd in datzelfde jaar 1966 de exploitatie van de 1000ste woning bereikt, bij welke gelegenheid administrateur-beheerder Ko van Breukelen werd benoemd tot directeur. De sociale woningbouw in Gemert was definitief in een nieuwe fase beland al zouden nog heel lang de woningen van Stichting Goed Wonen beschouwd worden als zijnde ‘gemeentewoningen’.
NOTEN:
1. A.v.d.Kimmenade-Beekmans, Van pesthuis tot wijkgebouw, Gemert 1991 (5.1 Volkshuisvesting p. 42 e.v.)
2. Jeanne van Melis-Manders, Hopveld en Heuvelse Pad, 2006, p.38-39; Gemeentearchief Gemert-Bakel –
Bouwvergunningen
3. A.Otten, De Poort te Gemert, Gemerts Heem 1992, blz. 59-61.
4. Officieel Kerkbericht van de kerken van Gemert, nrs. 29.6.1919; 26.9.1919; 28.11.1920; 15.5.1921; 29.5.1921; zie ook: noot 1.
5. Officieel Kerkbericht 7.8.1920
6. Vgl. A.Otten, Philips’Woningbouw 1900-1990 (Zaltbommel 1991) p.91 e.v.
7. In een terugblik uit 1985 op de voorgeschiedenis van Stichting Goed Wonen, kwalificeert J.N. van Breukelen het bestuur van
“Uit Noodzaak” als ‘goedwillende maar incompetente bestuurders’. Dat is niet terecht. De exploitatietekorten van de corporatie ontstonden buiten hun schuld door regeringsbesluiten. Alle woningbouwcorporaties die uitsluitend in 1921 hebben kunnen bouwen werden met die tekorten opgezadeld.
8. Gemeentearchief Gemert-Bakel – Bouwvergunningen (op huidige adressen)
9. Vgl. A.v.d.Kimmenade-Beekmans, a.w., p.50-51.
10. G.Bolsius, Het Gemeentelijk woningcomplex te Gemert,
in: Tijdschrift voor Volkshuisvesting en Stedebouw, jrg.23 (1942) p.70-73.
11. Gegevens uit: Draaiboek “Hoe Gemert groeit en bouwt aan zijn toekomst” (oktober 1950)
12. Vgl. Rob de Haas, Enkele reis Indië-Gemert, Gemert 2001, p.61-89; A. Otten, Anekdotisch Bankboek, Gemert 2002, p.84-89.
13. Uit: Beleidsnota aangevuld met de geschiedenis van Stichting Goed Wonen uitgebracht ter gelegenheid van haar 25-jarig bestaan in 1985.
GH-2007-02 Gemert groeit groter
De gemeentelijke groeihormonen van de 20e eeuw
Simon van Wetten
De mens is ermee behept. Alles moet altijd groeien groter worden, uitdijen. De economie moet groeien, het aantal leden van de vereniging dient te stijgen, het inwonertal van de gemeente ook. Anders spreken we van recessie en stilstand en achteruitgang. We zijn in zo’n geval somber en verdrietig, ook al zou bijvoorbeeld, bij een krimpende economie , het fileprobleem afnemen, net als de dreiging van een versteend en geasfalteerd Nederland, en – hot item – de opwarming van de aarde zou worden afgeremd.
Gemert is overduidelijk met die wil om te groeien mee gegaan. Het llintdorp van weleer is uitgebouwd en de atste jaren ook nog eens “ingebreid”.
De eerste scheut in de groeigedachte leek zich te manifesteren in 1936. Toen al overwoog Gemert een uitbreidingsplan. Dat een aardig deel van de gemeentecorrespondentie over de bijbehorende ideeen in beslag werd genomen door discussie over de beplanting van het Marktveld, met honderden rododendrons, afgewisseld met op gelijke afstand geplante linden, lijkt iets te zeggen over het kleinschalige en dorpse van het plan. Verder richtten de pijlen in het kader van de uitbreiding zich destijds vooral op het plan “Elsendorp” (1). Maar ook met Gemert zelf hadden de vooroorlogse planologen toch grootse plannen.
De lintvormige uitgroei van Gemert vindt in Zuidelijke richting gestadig voortgang, de Provinciale weg naar Mortel blijkt voor den meer gegeoden middenstand groote aantrekkinskracht te bezitten. Teneinde Gemeente en Gemeenschap de onaangename consequenties van dezen voortwoekerende bebouwing te besparen, zal het zaak zijn dit euvel in te perken.
Een bijbehorende plankaart laat ronduit doortastende ingrepen zien! Met name de brede allee vanaf de bocht bij Villa Polder, via de St. Josephstraat en bij het begin van de Bisonstraat met een wijde bocht naar het noorden, naar de Lodderdijk, was ‘ondorps’ en pretentievol en bood langs haar boorden kansen voor de bouw van heel andere huizen dan men in Gemert gewend was. In 1939 werd het plan door de gemeenteraad goedgekeurd! De oorlog zal daadwerkelijke uitvoering in de weg hebben gestaan.
Wederopbouw en uitbouw
Het sleutelwoord van de eerste naoorlogse jaren was toename van de insutriele activiteit. Vooral de provincie Noord-Brabant spoorde de gemeenten aan om de industrialisatie niet in gevaar te brengen en uitbreidingsplannen te bedenken, waarin de bestmming van gronden tot industrieterrein goed was geregeld. Nu kent elke voortvarendheid ook haar grenen en de provincie liet op 3 oktober 1951 dan ook ontstemd aan de gemeente Gemert weten dat de termijn om te komen tot wwn uitbreidingsplan al twee keer met zes maanden was verlengd, “maar tot op heden is echter nog niet aan deze verplichting voldaan.” Ten gemeentehuize was men wel degelijk bezig met plannenmakerij. Het nieuwe industrieterrein was gesitueerd ten oosten van de Lodderdijk, halverwege Gemert en Handel. De kaart van het gebied was zo te zien door een ambtenaar met tekendoos ingekleurd, en de provincie kleurde de inkleuring af en stuurde het hele plan weer terug! Of dit de reden voor Gemert was om dan maar om Marshallhulp te vragen, is niet duidelijk. Feit is dat onze gemeente op 4 december 1951 de Volkskrant haalde met een duidelijke noodkreet. Het plan voor het industrieterrein leek hoe dan ook in het slop te raken, totdat in november 1957 de directie der Willem II-fabrieken te Valkenswaard aangaf op vrijwel dezelfde plaats een fabriek te willen bouwen. Toen de Zusters van de Goede Herder anderhalf jaar later aan de gemeente lieten weten op die plek een internaat te willen stichten, waren zij dus duidelijk te laat (2)
De wederopbouw was aan het begin van de jaren’50 dus in volle gang. Het gemeentebestuur was zich dat ten volle bewust en wilde richting en sturing geven aan de uitvoering van alle plannen. In een prachtig geillustreerde brochure gaf het College van B&W een antwoord op de door haarzelf gestelde vraag: “Hoe Gemert groeit en bouwt aan zijn toekomst.” (3)
Aangaande de woningbouw rekende B&W voor dat in 1940 de 7768 inwoners van Gemert precies in de bestaande 1450 huizen pasten (of, zoals er met enige spot aan werd toegevoegd, “wat in aantal gevallen voor huizen doorging”). Maar door de stilstand tijdens de oorlog en het desondanks gestegen bevolkingsaantal (eind 1945: 8732), en ook de vervanging van krotten en keten en door oorlogsgeweld vernielde huizen kwam men in 1945 tot een tekort van 325 woningen. De bouw van twaalf arbeiderswoningen in de Haag en de Deel, vier Zweedse rondhouten woningkjes en negen Oostenrijkse woningen op verschillende plaatsen, tien middenstandswoningen in de Oudestraat, Jezuitenlaan en in de Mortel, vierennegentig arbeiderswoningen her en der in de gemeente (een in Elsendorp, twee op de Molenakker en tien achteraan in de Virmundtstraat), en een herhaald appel aan het aprticulier initiatief waren de stappen die in de eerste vijf naoorlogse jaren werden gezet ter leniging van de woningnood.
Naast de uitbreiding van het huizenbestand, waardoor Gemert in ras tempo groeide, werd ook het onderwijs van de nodige impulsen voorzien. In 1947 kwam de bouw van de Nood U.L.O-school gereed, aan de Schoolstraat werd in hetzelfde jaar de Ambachtsschool gebouwd, en ook in 1947 kwam alvast de financiering rond voor de Pater van den Elsenschool, zodat er ook een plek kwam voor leerlingen in het landbouwonderwijs. Op een steenworp afstand werd een paar jaar getimmerd en gemetseld aan de Algemene Huishoudschool, alwaar, na de opening van het gebouw, de meisjes van Gemert werden voorbereid op het huishouden. Verder werd er nog voortvarend gewerkt aan plannen voor een school voor B.L.O. (Buitengewoon Lager Onderwijs, nu de Petrus Dondersschool) en aan mens sana in corpore sano, want een gezonde ziel in een egzond lichaam vereist toch wel de aanwezigheid van een gymnastiekzaal en die was er in gemert geen en daar wilde men verandering in brengen.
De gezondheidszorg was rond 1950 ook hard aan verbetering en modernisering toe. “Er moet een goed geoutilleerd wijkgebouw komen voor prae-natale en zuigelingenzorg, opdat tapkast en cafestoel niet langer de voornaamste inventaris van het onderzoekslokaal zouden behoeven te zijn.” In maart 1947 was de gemeentelijke schoolartsendienst zijn werk al begonnen. Vijfendertig procent van de kinderen werd te licht bevonden. Als mogelijke oorzaken werden genoemd het te ver van school wonen en de te zware lichamelijke arbeid na school, onder andere in de landbouw. De strijd tegen “veelvuldig voorkomend hoofdonrein” (“luizen” was een beladen woord) kreeg inhoud door het dringende advies van de dienst om bad- en douchegelegenheid in Gemert te bouwen. De stralende glimlach diende in Gemert weer te keren door het treffen van voorbereidingen voor de instelling van een schooltandartsendienst, end e kromme ruggen, scheve schouders en ineengedrongen figuren zouden onder het motto “Sport Staal Spieren” in de Hoef op een prachtig sportcomplex tot atlethische gestalten worden omgeturnd. Uiteindelijk is daar alleen de plek voor de verkenners ook daadwerkelijk gerealiseerd.
In de sociale zorg kreeg men oog voor gestructureerde aanpak van de typische naoorlogse problemen als de hulpveleningsregeling aan oorlogslachtoffers, gedemobiliseerden en gerepatrieerden. Ook de vorstverletregeling, de social-economische hulp aan kleine zelfstandigen, de werkvoorzieningsregeling voor handarbeiders, de Noodwet Ouderdomsvoorziening (in 1950: ca 250 gevallen), het Consumenten Crediet en d eregeling voor sociale bijstand aan beeldendekunstnaars hadden de volle gemeentelijke aandacht!
Al met al heel wat garanties voor een redelijk bestaan, maar het moest natuurlijk ook wel betaalbaar zijn. Daarom en ook vanwege het gebrek aan grond, waardoor emplooi in de agrarische sector geen echte optie meer was, werd industrialistie het toverwoord. Niet dat de landbouw al afgeschreven werd. Integendeel, men wees vanuit het gemeentehuis op de ontginningen, de betere vakopleiding vanwege de aps opgerichte lanbouwschool, de mechanisatie, de mogelijkheden van nieuwe teelten, zoals fruit, groenten en “het laatste novum”: de kruidenteelt! Jawel Cruydenrijck Gemert heeft al oude wortels. Al voor het uitbrengen van de brochire was er een gemeentelijk kruidenbedrijf opgericht, en daar kwam de Hortus Medicamentorum Ghemertanus uit voort! Innovaties kunnen al oud zijn! Verder dacht men in 1950 trots terug aan de Peter van den Elsen-herdenking in 1946, met de onthulling van een gedenksteen in het geboortehuis van de “Boerenapostel”, en de boeren waren blij met het besluit van het gemeentebestuur dat de vestiging van een dierenarts mogelijk maakte. Het was nu niet langer nodig “op een ander te gaan”. Ontsluiting van het Peelgebied, zorg voor landwegen en waterlossingen, fokdagen, veebeoordelingswedstrijden, het zal allemaal hebben bijgedragen aan de vier-en-een-kwart miljoen liter melk die alleen al in 1949 bij melkfabriek “De Eendracht” werd aangevoerd. En zonder dit onderwerp verder uit te willen melken laat ik u nog weten dat het gemiddeld vetgehalte van die melk ruim 3.60% was…
Industrialisatie
Natuurlijk kende Gemert al voor de Tweede Wereldoorlog hier en daar wat industrie. Met name de textielindustrie bood van oudsher _ Gemert weversstad – werkgelegenheid. J.A. Raymakers Textielfabrieken en de bontweverij van de firma Joh. van den Acker zijn al een eeuw of langer een begrip.
Na de oorlog werd, het is in de inleiding van dit artikel al betoogd, industrialisatie een speerpunt e groeide het aantal arbeidsplaatsen snel. Uit de gemeentelijke correspondentie in de naoorlogse jaren blijkt dat er in Gemert van alles werd gedaan om de gemeente gerangschikt te krijgen onder de groep van Noord-Brabantse gemeenten waar industrialisatie de plaatselijke bevolking diende te behouden voor toenemende werkeloosheid. De overbezetting op de landbouwbedrijven, de vertrekoverschotten, de werkeloosheid en de uitbreiding van de pendelstroom waren de argumenten die in grote stapels brieven naar de Provincie, de Kamer van Koophandel, firma’s, bedrijven en de pers werden aangehaald. En jawel, er zat beweging in!. Aan de Loderdijk verrees Gemerts eerste wasserij “Aurora”, de stalen ramen fabriek van de Gebr. Verhagen werd uitgebreid, De Coop Zuivelfabriek “De Eendracht breidde eveneens uit, net als de ijzerpletterij van de firma . van Rooy en Zn. In 1955 werd bovendien het gemeentelijke propaangasbedrijf in werking gesteld, met 893 aansluitingen. Een jaar later aren dat er al 970, die in de eerste drie kwartalen van 1956 ruim 74.000 kubieke meter gas afnamen.
In 1956 mat de totale oppervlakte van de gemeente Gemert 5729 hectare, onderverdeeld in 2003 hectare landbouwgrod, 1811 hectare weiland en 1915 hectare bebouwing en wegen.
De wederopbouw was in Nederland – en ook in Gemert – rond 1960 voltooid. Het bruto nationaal product van dat jaar was vergelijkbaar met dat van het jaar 1939. De stijgende lijn van de eerste vijftien naoorlogse jaren werd onverwijld en onbekommerd doorgezet en we gingen met z’n allen op weg naar de welvaartsstaat. Bij welvaart hoort ontegenzeggelijk de auto. En dus manifesteerde zich op diverse plaatsen in de Gemerste dorpskom een nieuwe tak van industrie: de autogarage, liefst met benzinepomp. Het bijbehorende gevaar werd toen nog niet zo onder ogen gezien, de belasting van het millieu evenmin. Maar bij de vaart der volkeren horen ook opkomst en ondergang van nieuwe inzichten (die na een tijdje alweer verouderd blijken). En is dus nog maar pas de laatste garage die we nog in de straat – op het Kruiseind om precies te zijn – hadden, naar het industrieterrein verhuisd, naar ene van onze industrieterreinen beter gezegd, om aldaar de buurman te worden van de bekende piepschuimfabrikant, de plastic lepeltjes fabriek, de zwembadenverkoper en de fotograaf die zich heeft toegelegd op “foodpresentaties” Tja, onze noden veranderen, en dus Gemert ook.
Tot slot
Een monument van de 20 ste eeuw? Ach, wat is nu eigenlijk een monument? Ik heb heel lang, zij het wat zweverig, wolkenflarden, mist en nevel opzij duwend, in het lintdorpje Gemert rondgewandeld. Ruim drie eeuwen, in zekere zin! (4) Ik denk dat dat dorpje het tot de 20ste eeuw heeft volgeheouden. Gemert zou voor een inwoner uit 1470 vierhonderd jaar later nog wel herkenbaar zijn geweest; hij zou er, hier en daar wat aarzelend, de weg hebben geweten. Maar in de afgelopen honderd jaar is er veel veranderd, bijgekomen, toegevoegd. Het heeft te maken met de enorme toename van het aantal inwoners. Inwoners bovendien die aanvakelijk, in het begin van de 20ste eeuw, blij waren met een dak boven het hoofd, wat kleren aan het lijf en wat eten op tafel. Maar de levensstandaard is de afgelopen eeuw zo oneindig veel hoger geworden, de bewoningsdichtheid per huis zoveel lager, het assortiment aan technische mogelijkheden sinds de electrificatie (in Gemert in 1919) dermate verveelvoudigd, en een tweede auto op de oprit zo gewoon – die inwoner uit 1470 zou onmiddellijk plat gereden worden – dat het territorium dat we als Gemertse bevolking nodig hebben (industrieterreinen, kantoorpanden, wegen, veel wegen, steeds maar weer nieuwe nieuwbouwwijken, sportaccomodaties) ongelooflijk uitgedijd is. Een monument van de 20ste eeuw? Die honderd jaren tussen 1900 en 2000 markeren de grootste en snelste verandering ooit door de mensheid tot stand gebracht. En daar deden we in Gemert gewoon aan mee.
Noten
1. AG. 004-862
2. AG. 004-869
3 Gepubliceerd op 25 oktober 1950
4 Ik refereer hier aan transcripties van het Gemerts schepenprotocol. 1473 – 1810
Bekijk PDF
GH-2014-01 De Volksvriend heeft weer toekomst
Ad Otten
De gemeente lukte het niet maar wel de door de gemeente in het leven geroepen Molenstichting Gemert-Bakel. Op 17 december 2013 kwamen molenbouwers Beijk bij oud-molenaar Frenk van Roij van ‘De Volksvriend’ aan de Oudestraat. Daar waren ook Egi Roijakkers en Derk de Graaff namens Molenstichting Gemert-Bakel. Egi en Frenk zijn van jongsaf buurt- en oud-klasgenoten. Na een half jaar overleg was er bij Frenk het volledig vertrouwen dat de Molenstichting ‘zijn’ Volksvriend weer een mooie toekomst zou kunnen geven. Dezelfde dag nog werd er een contract opgesteld. Voor 1 euro zou de stenen beltmolen van eigenaar wisselen. In de dagen die er op volgden werd in de koopsom behalve de molen en de belt ook inbegrepen het recht van overpad voor en achter, alsook de grond waarvoor anders notarieel nog ‘overdraairechten’ vastgelegd zouden moeten worden. Op 22 januari 2014 was bij de notaris de officiële overdracht. In de dagen daarna was het meteen een drukte van belang in en om de Volksvriend. Vrijwilligers van de Molenstichting, Jan Ponjé, Derk de Graaff, Egi Roijakkers, molenaar én molendeskundige Jeroen van Boxmeer, Jan van Extel, Cees Jacobs, Harrie van Kessel, molenbeheerder
Frenk, molenbouwers van Beijk BV, Ton van Duijnhoven (molenaar op De Bijenkorf), molenbouwhistoricus Paul Groen, Molenstichting Noord-Brabant, en niet over het hoofd te zien de lange armen van Haegens en zijn kraanmachinisten. Op 4 februari j.l. lichten die tot veler verbazing uit de molenromp een gaaf en kolossaal kroonwiel en nog veel meer. Ook werden geborgen de twee molenwieken, behorend tot de langste van Nederland. Uiteindelijk gaf Haegens de molenromp een nieuwe pet en werd een paar dagen later de molen en de belt nog een flinke schoonmaakbeurt gegeven. De Volksvriend is nu in afwachting van restauratieplan, toegezegde financiën, vergunningen e.d., maar ‘onze’ heemkundekring wil nu alvast een compliment uitbrengen aan het adres van Molenstichting en oud-molenaar. (wordt vervolgd)
GH-2014-02 Uit het oud-rechterlijk archief van Gemert
Simon van Wetten
Ook na het uitkomen van de zesdelige serie tèsbuukskes ‛Tussen herberg en hoogmis’ – de honderdste uitgave van onze heemkundekring – komt Simon in de dossiers van het civiel-crimineel archief nog heel veel voorvallen en wetenswaardigheden tegen die niet aan uw aandacht mogen ontsnappen.
1714 – Suijmich
Damian Hugo, jawel, u kent hem wel. Nee, inderdaad, normaliter tutoyeert u deze des Heiligen Roomschen Rijcksgraaf Van Schönborn, etc., etc. niet, maar hij laat ons als landcommandeur der Balijen Hessen én Alden Biesen weten dat op veel plaatsen de huizen van de Duitse Orde onderkomen zijn.
‛Onderwoont!’
Wat u maar wilt, edele heer, onderwoond. De noodzakelijke reparaties worden niet gedaan.
‛En daar gaan wij op de allergenauste wijze op toezien.’
Allergenau, uiterst precies.
‛Genau. Ik geef om te beginnen opdracht ons huis in Gemert genaamd de Schoolen te visiteren en een rapport aangaande de gebreken uit te brengen.’
In dat rapport moet ook staan wie de laatste 25 jaar de school heeft bewoond, in welke kamers er school wordt gehouden, wie het meest “suijmich” is geweest en of er particuliere inkomsten kunnen worden aangesproken voor het herstel.
Suijmich! Als je dat bent, dan laat je de boel verslonzen. Dat moet je natuurlijk niet doen als er allergenaust op je wordt toegezien.
Bron: GAG – R75 blz.24.
1717 – De vrouw is de bovenliggende partij
Het tafereel? Een man en vrouw, bovenop elkaar liggend op straat, geflankeerd door twee dode schapen. Nee, die rode koontjes zijn nergens voor nodig, stel uw verwachtingen maar vlug bij. De man en de vrouw zijn gewoon aan het vechten. Hij heet Lendert Alars en woont op Tereiken waar hij schapen houdt, zij is Marie, de vrouw van Willem Ansems van den Elsen en woont in het dorp.
De getuigen die dit ongewone straatbeeld met ons delen, zijn niet de minsten. Oud-schepen Jan van Schuijl, borgemeester Thomas van den Eijnde en kerkmeester Gerard Kars. We kunnen dus met zekerheid vaststellen dat Marie met de knokpartij begon.
‛Marie schopte Lendert onder zijn bocx. Daarna pakte ze hem bij zijn haar en schopte hem nog een keer. Ze was aan haar tanden bebloed.’
In een béétje filmscenario komt Marie uit Transsylvanië en heeft ze, voordat ze aan Lendert begon, die twee schapen doodgebeten. Helaas moeten wij bij de historische waarheid zien te blijven en gaan daarom te rade bij de vierde getuige. Dat is Thoni Jansen, de knecht van Lendert.
‛Ik heb twee dode schapen van de kar geladen en wilde ze in het huis van Willem Ansems van den Elsen brengen. Marie heeft toen mijn baas bij diens rock gepakt en zo hard getrokken dat z’n kleren stuk gingen. Wat later ontstond het krakeel en vielen Lendert en Marie in het slijk.’
Met zichtbaar plezier melden alle getuigen dat Marie letterlijk en figuurlijk de bovenliggende partij was en dat Lendert degene was die om hulp riep.
Zou dit het begin van de vrouwenemancipatie zijn geweest? Immers, als er één schaap over de dam is …
Bron: GAG – R92 blz.86.
1723 – De niet corpulente Adriaantje
Als er bij u op de deur wordt geklopt en er staat een aardig dametje voor die deur, niet zeer corpolent van lichaam, net en aangenaam van taal, met een manteltje tot op de knieën, pas dan op! Het is Adriaantje en ze gaat u oplichten.
Ze is de pastoorsmeid van de eerwaarde heer Leonardus Meijers geweest, in Huizingen, in Vlaams-Brabant. Maar ja, Adriaantje heeft daar veel ondeugendheden gepleegd. Zo gaf zij zich uit voor de nicht van de pastoor en kocht op diens naam een kleed van wel twintig gulden. En het geld dat zij van de pastoor kreeg om er de rekeningen mee te betalen, hield ze zelf. Toen pastoor Meijers door kreeg dat zijn verheven status hem niet vrijwaarde van een diepgezonken pastoorsmeid, vergaarde hij alle spullen van Adriaantje en lokte haar met een smoes mee tot aan de buitenzijde van de poort. Daar liet hij alles op de grond laten vallen, klopte theatraal het stof van zijn handen en gooide zonder verdere plichtplegingen de poortdeur voor Adriaantjes neus in het slot. Mocht u belangstelling hebben, er is in de pastorie van Huizingen een vacature.
Maar Adriaantje stond op straat en haar krediet bij de bevolking was op. Eerder immers had ze, als kwezel, het huishouden gedaan bij zuster Hendrina van de Ven, maar die heeft inmiddels dikwijls het verlies van 15 gulden en een falie en een schort met tranen beweend.
‛Terwijl iedereen in die tijd veel vertrouwen had in Adriaantje, want ze ging heel vaak naar de Heilige Communie.’
En nu is ons kwezelke in Gemert terecht gekomen. Voor de deur van Marie, de vrouw van Jan Picard, staat een niet al te dik vrouwtje met een mooi manteltje. Bij het opengaan van de bovendeur steekt ze meteen van wal.
‛Wel Marie, ik heb gehoord dat uw kind is gestolen of u is ontnomen?’
Marie knikt droevig en bevestigend. Het vrouwtje zegt troostend dat God Marie niet zal verlaten en dat het kind wel weerom zal komen. Kijk, dat vindt Marie zeer sympathiek. Ze noodt het aardige dametje binnen te komen. Daar vertelt Adriaantje – u had al lang door dat zij het is – een heel verhaal over haar arme oude vader in Boxtel en ook over haar overleden man, een schoenmaker. Toen deze stierf heeft Adriaantje niets uit het sterfhuis genoten dan zes hemden en wat slaaplakens en slaapmutsen, terwijl ze in Boxtel toch naast een echte doctor woonde. Voordien was ze kwezel geweest en had in Leuven gewoond, in een collegie, wel vijftien jaar. De heer bij wie ze had gewoond, had haar bij zijn sterven maar liefst 700 gulden nagelaten. O ja, voorheen had ze ook nog in een klooster gezeten, maar daar had zij d’n aard niet. En of ze een paar weken bij Marie mag blijven wonen? Marie zit al de hele tijd begrijpend te knikken en knikt bij deze onverwachte vraag gewoon door.
Adriaantje blijft twee weken bij Marie in huis en op een zondag vertrekt zij, naar eigen zeggen naar Boxtel.
‛Ik kan mijn goederen kwijt op een kar die met bedevaartvolk uit Boxtel naar Handel is gekomen.’
Dan bevindt zich nu op die kar een stoffen lijfke en nog wat andere kleding en een brief, uit een kastje dat altijd op slot was. Want dit alles mist Marie Picard na het vertrek van Adriaantje. En het verdwenen kind? Is dat niet schokkend? Jan Picard zelf komt terug op dit mysterie. Hij vertelt dat de verdwenen brief een attestatie van de schepenen was, bedoeld om zo het kind weer terug te kunnen krijgen. Ik denk dat Marie de belofte die ze aan Adriaantje heeft gedaan, niet zal nakomen.
Belofte?
‛Ja, ik had beloofd twee missen voor de overleden tante van Adriaantje te laten lezen, in Stiphout.’
Nee Marie, misschien kun je beter een brief schrijven naar Michael Zacharias, de schout van Arendonk. Hij is op zoek naar zekere vrouwspersoon met name Adriaantje, geestelijk dochter, geboortig van – zo zij zelf voorgeeft – Sint-Oedenrode.
Bron: GAG – R92 blz.22-23.
Met dank aan Paul Verhees. Hij maakte de foto’s bij gelegenheid van de inhuldiging van de landcommandeur in het Boerenbondsmuseum op 14 september 2013.
Bekijk PDFGH-2013-04 Einde van een Gemertse onderwijsfamilie
Rob de Haas
Op 24 juni heeft basisschool De Havelt op feestelijke wijze afscheid genomen van juffrouw Maria de Haas – van der Velden. Zij heeft de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar + 1 maand bereikt. (Die ene maand is een bezuinigingscadeautje van kabinet Rutte I.) Nou en, zult u denken, er gaan zoveel mensen met pensioen. Inderdaad, op zich niet zo heel apart maar wel het feit dat Maria toch de laatste is van een bijzondere Gemertse onderwijsfamilie. Een onderwijsfamilie van een omvang die je zelden ziet en waarvan het maar de vraag is of die er nog ooit zal komen. Nu kennen we wel meer bekende Gemertse onderwijsfamilies, zoals de Bokken, de Slitsen, de Van de Crommenackers, de Van der Heijdens, de Van Nistelrooijs, maar de Van der Veldens spannen met dertien leraren de kroon.
Het begint allemaal met Marinus van der Velden, de voor vele Gemertenaren bekende ‘Mister Van der Velden’. Marinus is de oudste zoon van molenaar Tinuske van der Velden, die in de eerste helft van de twintigste eeuw op de Molenakker windmolen De Peperbus draaiende houdt. Marinus ziet dat het molenaarsvak tanende is en besluit in al zijn wijsheid om zijn vader niet op te volgen, nee, hij wil het onderwijs in. Dat is hem gelukt en in 1923 wordt hij benoemd tot onderwijzer aan de Jean Baptist de la Salle in Gemert. In de volksmond heet de jongensschool De Komschool. Hoofd der school ofwel bovenmeester is dan de heer Vrins. In 1938 volgt Marinus van der Velden hem op. Hij heeft zich inmiddels ontpopt als een onderwijsman in hart en nieren. Zijn functie van hoofd der school en zijn organisatievermogen zorgen er voor dat Marinus ook allerlei maatschappelijke functies te vervullen krijgt. Hij wordt hoofd van de Gemertse luchtbescherming, voorzitter van de Gemertse voetbalclub, voorzitter van het comité voor opvang van Indische repatrianten, enz. enz. En dat is niet het enige. Als hij in 1932 trouwt met Leentje Manders, stichten zij samen een groot gezin met uiteindelijk elf kinderen, waarvan, en nou komt het, er maar liefst zeven het onderwijs in gaan: Betsy, Toos, Martien, Riekie, Gonny, José en Maria. Op twee na hebben ze allemaal de Gemertse jeugd bediend en zijn er dus heel wat Gemertenaren die op de lagere school een Van der Velden op hun onderwijspad zijn tegengekomen. En dat is nog niet alles, want 5 van hen zijn ook nog eens met onderwijsmensen getrouwd, dus kunt u wel raden waar het op familiefeestjes over is gegaan. Zo’n groot gezin levert als vanzelf een leger aan kleinkinderen op. Hoeveel daarvan het onderwijs in zijn gegaan? Niet een!
Tot slot nog een opmerkelijk feit. Marinus van der Velden is jarenlang voorzitter geweest van onze heemkundekring. Ook zijn oudste dochter Betsy heeft in het bestuur gezeten evenals zijn jongste schoonzoon Rob. Neem daarbij zoon Jacques, die heel wat
artikelen heeft geschreven voor Gemerts Heem plus schoonzoon Wim, die als archivaris heel wat Brabantse publicaties op zijn naam heeft staan en we kunnen behalve van een bijzondere onderwijsfamilie toch ook wel spreken van een echte heemkundefamilie ok nog ok.
GH-2013-04 Twee bijzondere prenten
Waarom Onze Lieve Vrouw van Handel in de bloemen werd gezet en in de steek gelaten
Frans van der Aa
Sinds de benoeming van Cillis van Sepperen in 1685 als rector van de Handelse kapel was door tegenslagen, de kapelbrand van 1709, een moord op een weerloze pelgrim, en zijn voortdurende afwezigheid, de toeloop van bedevaartgangers tijdens zijn rectoraat sterk afgenomen. In 1718 werd hij Pastoor in Ordingen. In Handel werd hij op evolgd door de Duitsordenspriester Bartholomeus Luyten op 18 Maart 1718 die tot aan zijn dood in augustus 1754 het bedevaartsoord bediende. Het is in de ambtsperiode van deze ijverige en
bezielende priester dat de bedevaartgangers weer in grote getale naar Handel trokken. Hij maakte wervingsreizen in de verre omtrek van Handel en herstelde veel processies die onder het rectoraat van Cillis van Sepperen verloren waren gegaan. Door een bezoek van Daniël de Brouwer en zijn twee metgezellen Petrus Teurlings en Petrus Moescops aan Handel, kwamen ze in contact met Rector Luyten die hen vroeg zich in het “vrije” Handel te vestigen om het kosterschap van de kapel op zich te nemen, te zorgen voor misdienaars en assistentie bij de diensten. Zij stemden toe en vestigden zich in 1723 in een vervallen gebouw met een tuintje de “Hanenkamp” geheten. Ze leefden als derde ordeling van Sint Franciscus en ondernamen allerlei activiteiten, hadden een eigen
waskaarsensmelterij, bakten hosties, en brouwden zelf bier.1 Ook verkochten ze religieuze artikelen aan de bedevaartgangers. Prentjes hebben zeker niet ontbroken in hun ‘negosie’. Deze prentjes kwamen vanaf de 2e helft van de 16e eeuw steevast uit Antwerpen. Na de komst in 1549 van de boekdrukker en uitgever Christoffel Plantin naar Antwerpen, geb. ca. 1520 in het Franse Saint Avertin nabij Tours, werd de Scheldestad toonaangevend in de uitgave van boeken en prenten. Eerst werkte hij als boekbinder en in 1555 opende hij een eigen drukkerij, “De gulden Passer”.
Tot aan zijn dood in 1589 heeft hij een enorme impuls gegeven aan de verspreiding van boeken en prenten van uitzonderlijk hoge
kwaliteit. De drukkerij werd na zijn dood overgenomen door zijn schoonzoon Jan Moretus.
Na ca.1650 begon de aftakeling van de eens zo roemruchte Antwerpse uitgeverij. Men beschikte intussen over een enorme voorraad drukvormen waaruit nog heel lang geput kon worden. De aanmaak van nieuwe drukvormen was een kostbare aangelegenheid waardoor er minder animo was om die voorraad op te voeren. Ook verminderde de belangstelling voor beeldmateriaal waarvan het grootste deel van de bevolking de betekenis niet begreep. Toch hadden de prentjes voor vele gelovigen een grote gevoelswaarde en
ze ondersteunden bovendien hun geloofsbeleving. Ook de broederschappen en beroepsverenigingen lieten jaarlijks nieuwe offerprenten drukken. Vele devoties en bedevaartplaatsen in West Europa werden voorzien van afbeeldingen van het genadeoord.
Nu begon het woekeren met de koperplaten. Vanaf ca. 1730 werden door Amsterdamse boekverkopers in Antwerpen bestellingen geplaatst voor duizenden kleine ongekleurde religieuze prentjes die op de keerzijde in Amsterdam bedrukt werden met tekst voor een overledene. De voorstellingen hadden weliswaar een religieuze inhoud maar niets met de dood van doen. Zelfs afbeeldingen van een bedevaartsoord werden hiervoor gebruikt.2
Om aan de vraag te voldoen werden de oude koperplaatjes keer op keer opnieuw opgestoken waardoor de kwaliteit drastisch tot een
dieptepunt daalde maar toch bleven de prentjes nog altijd zeer in trek met name bij de eenvoudige burgerij die nu door de dalende prijs de mogelijkheid kreeg om de voorheen zo kostbare prentjes in hun bezit te krijgen.
Vanaf het einde van de 17e eeuw ging men de voorstellingen afdrukken op een groter vel perkament of papier dan nodig was voor de gravure, waardoor er ruimte werd gecreëerd om een randversiering aan te brengen. Men kon nu bijna alle beschikbare drukvormen gebruiken om op verzoek van de klant rond de uitgekozen gravure een weelderige bloemenrand te schilderen.3 De kopergravure van Onze Lieve Vrouw van Handel is hier een voorbeeld van. In de rand van de ingekleurde gravure is met enige inspanning de naam van de uitgever Suzanna Verbruggen waar te nemen. De voorstelling is oorspronkelijk door Jacobus de Man gegraveerd. Hij overleed in
1719 in Antwerpen en na diens dood werd de drukvorm overgenomen door Verbruggen. Maria is gekleed in een Spaanse mantel staande op een troon met de tekst “Sedes Sapientia”, (zetel der wijsheid). Onder en boven de afbeelding een vaas met bloemen op een gestileerd tafeltje van waaruit rond de gehele voorstelling een uitbundige bloemenweelde van tulpen, rozen, en zonnebloemen
werd geschilderd.
Dat zulke toch vrij kostbare prenten in Handel werden aangeboden moet te maken hebben gehad met de populariteit van het
bedevaartsoord. Door de vele pelgrims was de kans groter dat deze prenten, zelfs al waren ze voor de gemiddelde burger te hoog gegrepen, verkocht konden worden. Juist in de bloeiperiode van de Handelse bedevaart werden deze prenten geleverd door de Antwerpse drukker. Weinigen zijn bewaard gebleven. Doordat men ze door het grote formaat niet in een gebedenboek kon opbergen werden ze in huis aan de muur gehangen. Door invloed van licht en vocht hebben de meeste exemplaren de eeuwen niet doorstaan.
Plaatje van Handel vermaakt tot plaatje van Kevelaar.
Een rigoureuze ingreep werd wel eens toegepast om een kostbare drukvorm voor een andere ‘markt’ te kunnen benutten. Zo is er een
prentje van Onze Lieve Vrouw van Kevelaar waarvan de drukvorm voordien gediend moet hebben om bedevaartprentjes van Onze Lieve Vrouw van Handel mee af te drukken. Kennelijk verwachtte de uitgever, te weten Anna Maria Bunel uit Antwerpen, voor dit prentje geen bestellingen meer en bewerkte zij daarom de drukvorm zodanig dat deze voortaan voor de productie van prentjes van Onze Lieve Vrouw van Kevelaar kon dienen, waarvoor zij op dat moment wel vraag had….
Dat het hier niet meer ging om een hoogwaardig product te leveren is wel duidelijk als men de gravure nauwkeurig bekijkt. Het prentje
is slordig ingekleurd, links onder de blauwe lucht boven de Handelse kerk is de plaatsnaam nog duidelijk waar te nemen ook al heeft men er een dubbele streep doorgehaald, deze doet nu dienst als kaarsenkapel van Kevelaar. Rechts onder de blauwe wolk is de zeshoekige genadekapel van Kevelaar geplaatst. Nog net valt het doorgestreepte “fons”(bron) te herkennen, en Maria’s Latijnse naam is in zijn geheel verwijderd. Het Handelse putje is nog duidelijk waarneembaar. De moeilijkste klus was de beschrijving in het cartouche waar men voortvarend heeft huis gehouden om de herkomst te verdoezelen. In de eerste twee regels is enkel de plaatsnaam veranderd in Kevelaer. In de derde van de vier regels, “gelegen onder de vrij neutrael”, is de oude tekst dusdanig bewerkt dat enkel
de naam “An. Mar. Bunel”, nog met moeite te lezen valt. De laatste regel “Heerlijckheijt Gemert”, is bijna geheel opgegaan in de arcering.
Mogelijk betreft het hier getoonde prentje een exemplaar uit een proefbestelling. Men kan zich toch moeilijk voorstellen dat het om een levering van duizenden prentjes ging daar de beheerder van de cultusplaats de zending in deze slechte kwaliteit zou hebben afgewezen.
Anna Maria Bunel werd geboren in 1701 en in 1728 opgenomen in het Antwerpse Sint Lucasgilde als “meesterdochter in beeldekens
verkoopen”. Te oordelen naar het resultaat heeft ze zelf de drukvorm aangepast, zou men denken. Ze was gehuwd met de perkamentmaker Charles Neel en stierf in 1766 te Antwerpen.4
NOOT:
1. Zie ook: Peter Lathouwers, In eeren ende oirbaer onser Vrouwe te Haenle, Kerk en bedevaart in Handel, Gemert 2005.
2-3-4. Zie ook: Alfons K.L. Thijs, Antwerpen Internationaal uitgeverscentrum van devotieprenten 17e en 18e eeuw, 1993, p. 61, 63, 116.
NASCHRIFT van de redactie:
Frans van der Aa, de auteur van bovenstaand artikel, is al zo’n 35 jaar een gepassionneerd verzamelaar van curieuze prentjes. En uiteraard hebben die uit de eigen regio zijn bijzondere aandacht. Frans vertelde ons hoe hij aan de hier beschreven bijzondere exemplaren is gekomen. De gave perkamenten prent met de kleurige gordel van bloemen heeft hij kunnen verwerven van een antiquair in Dortmund die het niet in zijn winkel maar ingelijst in zijn woonkamer als een ‘huismadonna’ had opgehangen. Het tweede
prentje met de aanpassingen ten behoeve van het bedevaartsoord Kevelaar kon Frans aan zijn collectie toevoegen na een bezoek aan een bevriend en collega-verzamelaar van prentjes in het Duitse Lendringsen. Frans was uitgenodigd om een pas verworven
collectie te komen bekijken en naar waarde te schatten. Tot zijn niet geringe verbazing trof Frans daar het bewuste
Kevelaarprentje dat hij meteen herkende als zijnde van origine een Handels prentje. Als tegenprestatie en zeker ook omdat het hier een prentje uit zijn eigen kerkdorp betrof, kreeg Frans het prentje ten geschenke.
Dit ‘skon’ verhaal over de verwerving van twee bijzondere prenten mag naar de mening van de redactie van ons tijdschrift hierbij niet ontbreken. Tot besluit past nog een ‘dankjewel Frans’ dat je dit bijzondere Handelse erfgoed weer ’thuis’, dat wil zeggen naar Gemert en bij ons onder de aandacht hebt gebracht –
(Red.-AO)

GH-2013-04 Wilhelmina van de Nieuwenhof: het leven van een Gemertse non in Indië
Luuk Keunen
Inleiding
In elke familie komen wel bijzondere verhalen voor van personen die een volledig ander leven hebben geleid dan hun nabije familieleden. Dat geldt bijvoorbeeld voor het bijzondere, maar ook treurige leven van Wilhelmina van de Nieuwenhof (Gemert,
1851 – na 1900). Haar levensloop heeft zelfs voor de landelijke geschiedschrijving van de vrouwelijke religieuze ordes betekenis.
Wilhelmina werd op 17 januari 1851 te Gemert geboren als eerste kind van Peter van de Nieuwenhof (1814-1893) en diens Deurnese echtgenote Mechelina van den Berkmortel (1822-1865). Zij woonden aan de Nieuwstraat. Na Wilhelmina zouden nog negen kinderen volgen, onder wie twee tweelingen. Een van deze andere kinderen is de betovergrootvader van de auteur.
De eerste jaren in het klooster
Wilhelmina van de Nieuwenhof ontving op 5 april 1870 het habijt van de Zusters Ursulinen te Grubbenvorst en nam de kloosternaam Zr. Marie Séraphine aan. Op 14 mei 1872 legde ze de gelofte af. Voorafgaand aan het ontvangen van het habijt had ze 500 gulden aan de kloosterorde geschonken en na aflegging van de gelofte nog eens 100 gulden. Marie Séraphine genoot haar opleiding als novice in het huis van de Ursulinen in Venray, waar een noviciaat voor Oost-Indië was opgericht. Mogelijk heeft Wilhelmina expliciet voor de Ursulinen gekozen, omdat deze orde onderwijs als primaire taak voor zich zag en Wilhelmina ambities in die richting had, of omdat ze graag naar de missie wilde. Aan het eind van haar opleiding in april 1880 ontving Séraphine het diploma voor hoofdonderwijzeres.
Roerige tijden in Batavia
Op 19 juni 1880 vertrok Séraphine en drie andere zusters met het schip ‘De Prins van Oranje’ van Rotterdam naar Batavia. Op 31 juli 1880 kwam ze in Batavia aan. Daar kwam Séraphine terecht in het klooster te Batavia-Noordwijk ofwel het ‘Groote Klooster’, dat in 1856 was gesticht. Er was een meisjespensionaat aan verbonden dat na een wat aarzelend begin uiteindelijk goed bekend bestond. Haar belangrijkste taak, lesgeven, nam ze vrijwel direct ter hand. Het wennen aan het tropische klimaat ging echter niet zonder slag of stoot. Eind september spuugde ze bloed en de dokter concludeerde dat haar longen waren aangetast. We weten niet exact wat ze gehad heeft, maar het zou om tuberculose kunnen gaan. Voor de orde was dit extra pijnlijk, omdat Séraphine juist naar Indië was
gehaald om rustbehoevende zusters te vervangen. Over de jaren erna weten we niets over Séraphine, maar we veronderstellen dat zij genezen is en haar taken nog enige jaren heeft vervuld. Toch moeten er wrijvingen tussen de non en de kloosterleiding zijn ontstaan, want op 10 september 1887 plaatste Mgr. A.C. Claessens S.J. (1818-1895), bisschop van Batavia (1874-1893), Séraphine ‘wegens
gebrek aan onderwerping’ over naar het nabijgelegen tweede zusterhuis in Batavia,
‘Weltevreden’ ofwel het ‘Kleine Klooster’ aan de tegenwoordige Jalan Pos, direct naast de kathedraal van Jakarta. Ze zou daar echter niet lang blijven. Op 24 februari 1888 vluchtte zij in het holst van de nacht uit het klooster te Weltevreden, haar voile en kap achterlatend. Séraphine liet wel een afscheidsbrief na waarin zij haar motieven en grieven ontvouwde. Op Noordwijk schortte er het nodige aan de sociale omstandigheden en op Weltevreden werd haar haar liefste bezigheid verboden: het lesgeven.
Een korte carrière in het onderwijs
Na haar vertrek uit het klooster kreeg Wilhelmina onderdak bij een protestantse familie in Batavia; een lid van deze familie was een oud-leerling van haar. Zij verzocht de directeur van onderwijs van het Ministerie van Koloniën om aangesteld te worden als onderwijzeres aan een openbare school. In april 1888 kreeg ze een betrekking als hulponderwijzeres aan de openbare lagere school te
Toeloeng-Agoeng (Kediri, Oost-Java). Al haar betrekkingen zouden overigens plaatsvinden aan lagere scholen voor Europeanen of met hen gelijkgestelden. In het late voorjaar van 1889 werd ze overgeplaatst van de 1e lagere meisjesschool te Soerabaja (Oost-Java) naar de openbare lagere school te Koedoes (Japara, Java). In december 1890 werd ze gepromoveerd van hulponderwijzeres tot
onderwijzeres der 2e klasse. Direct daarna werd ze overgeplaatst van Koedoes naar de openbare lagere meisjesschool van Soerakarta (Java). Haar carrière als burgerlijk onderwijzeres leek vlot te verlopen, maar in de loop van 1891 gooide ziekte roet in het eten. Op 26 november werd aan haar een tweejarig verlof naar Europa verleend om te herstellen van – wat we uit latere bronnen weten – tuberculose. Op 9 december 1891 vertrok ze met het stoomschip ‘Utrecht’ vanuit Semarang naar Nederland.
Van verlof naar ontslag
Het verlof dat aan haar werd verleend en dat ze in Europa ‘genoot’, werd enkele malen verlengd. De dossiers die betrekking hebben op deze verlengingen van verlof zijn helaas vernietigd, zodat we de exacte beweegredenen van het Ministerie van Koloniën om verlof te verlengen niet kunnen nagaan. Uit andere bronnen weten we, dat ze in Davos (Zwitserland) en in juni 1893 te Shanklin (Isle of Wight,
Groot-Britannië) heeft verbleven tijdens haar verlofperiode. Shanklin was al in de 19e eeuw een populaire toeristische bestemming met zijn boulevard.
Op 11 augustus 1894 droeg de Minister van Koloniën Wilhelmina van de Nieuwenhof voor aan de Koningin-Regentes voor eervol ontslag. Hij deed dit op basis van onder meer een verzoek van Wilhelmina zelf van 14 juli om geneeskundig onderzocht te worden,
een geneeskundig certificaat van 8 augustus en op basis van de eerdere verlengingen van het verlof. Reden was dat zij na 3 jaar verlof nog altijd niet genezen was van longknobbelzucht ofwel tuberculose. Op basis van de regel, dat ontslag zou worden verleend als een Oost-Indisch ambtenaar na 3 jaar verlof nog niet voldoende hersteld was om terug te keren, had de Minister het recht deze voordracht te doen.
Wilhelmina reageerde hierop op 12 september 1894 vanuit haar woonplaats Gemert met ontzetting. Zij realiseerde zich dat ze slechts 3½ jaar in Indische dienst had gewerkt (1888-1891), en dat voor uitkering van pensioen minimaal 5 jaar actieve uitoefening van haar aanstelling noodzakelijk was geweest. Zij gaf te kennen door die maatregel brodeloos te worden en dat plaatsing bij particulieren,
vermoedelijk als dienstbode, tot op dat moment zonder resultaat waren gebleven. Daar kwam bij dat ze het ontslag niet had zien aankomen. Haar begeleidend geneesheer in het Zwitserse kuuroord Davos had haar genezen verklaard, maar door de keuringscommissie van het Ministerie in ‘s-Gravenhage werd anders besloten. Deze commissie zou haar nu naar eigen zeggen zonder eenig middel van bestaan de wereld inzenden, zelfs zonder de mogelijkheid van pensioen waardoor haar situatie tenminste iets zou worden verlicht. Bovenstaande ontzetting uitte ze in een brief aan de Koningin-Weduwe, Emma, met het verzoek om haar toch
pensioen uit het Civiel Weduwen- en Weezenfonds toe te kennen voor de jaren dat ze had gewerkt.
Het advies van het Ministerie aan de Koningin-Regentes aangaande het te nemen Koninklijk Besluit was negatief, omdat op basis van een regeling in het Indisch Staatsblad van 1881 geen uitzondering gemaakt kon worden. Op 6 december 1894 werd Wilhelmina van de Nieuwenhof eervol ontslag uit ’s lands dienst verleend.
Naschrift: een mysterieus einde en een link naar Italië
We weten dat Wilhelmina van de Nieuwenhof in juli 1894 aan de Prinses Mariestraat in ‘s-Gravenhage woonde. Waarschijnlijk is ze teruggekeerd naar haar familie in Gemert. Voornoemde brief die ze op 12 september 1894 aan Koningin-Regentes Emma schreef, is verstuurd vanuit Gemert, zonder nadere opgave van adres. Ook daar komt ze echter niet in het bevolkingsregister voor; ze zal wel zijn doorgereisd naar een nieuwe bestemming.
Onderzoek in de memories van successie van enkele familieleden gaf ons inzicht in wat die nieuwe bestemming zal zijn geweest. In de periode 1897-1900 wordt Varazze (Italië) als haar woonplaats genoemd, en zij machtigde haar familieleden dan ook om namens haar op te treden. Het is mogelijk dat ze getracht heeft te kuren in een warmer klimaat, iets wat voor tuberculose destijds geadviseerd werd. In dit geval zal er sprake zijn geweest van een chronische vorm van tbc. Navraag bij de lokale overheid aldaar leerde, dat ze in die plaats in elk geval niet gehuwd of overleden is. Bovendien blijkt ze ook niet ingeschreven gestaan te hebben in het bevolkingsregister van deze plaats. Het spoor in de bevolkingsregistratie loopt daarmee dood. Het is wachten op een toekomstige toevalstreffer om de zoektocht weer vlot te kunnen trekken.
Een uitgebreidere en van noten voorziene versie van deze biografie is te vinden op de website van onze heemkundekring (www.heemkundekringgemert.nl) en op .
Bekijk PDFGH-2013-04 Hoj Hoi Pötje Mí Stroj
(recensie door Simon van Wetten)
De sfeer van weleer. Het langs-het-tuinpad-van-mijn-vader gevoel. Dát is wat je meekrijgt als je de jeugdherinneringen van To Werts leest. Viskes vangen in de Rips, aan tafel voor bómbállie of een stuk van een kinnebak, oranje-bruin gestoofd in de oven, schommelen in de staldeur zodat je het ene moment bijna in de kersenboom hangt en het volgende moment boven de zeven verbaasde roodbonte koeien in de stal.
Ja, in dit prachtige boekje word je meegetrokken in het dorpsleven van de twintiger en dertiger jaren, met oog voor het idyllische (de kleurrijke bloemenhof, het kuntje van de krentemik of ’t snoepwinkeltje van De Kónten) én voor de grote armoede (jonge mensen die aan de tirreng overleden, huiskes met muren grijs en zwart van het vocht). Het gevoel van opwinding en sensatie dat de komst van de
kermis teweeg bracht, de pedagogie van de nonnen op school, die met het uitreiken van rode kaartjes (na tien stuks in te wisselen voor een gele kaart – vijf gele gaven recht op een skon prentje!) de orde en de motivatie hoog hielden en niet te vergeten de vergeten kinderspelletjes:
Hoj, hoj, pötje mí stroj
pötje mi pis èn al wat ‘r in is.
Er zit véél in dit boekje!
DE PAANDELERSKOOL IN ORLÒGSTEJD
(gedicht van Jo van den Elzen-van Berlo bij de presentatie van het hierboven gerecenseerde boekje van To Werts. Jo was in de oorlogsjaren een leerling van Juf Werts)
1
Sjónge sjónge, wá gí d’n tejd tòch vlug!
Wor ik ’t naw óvver gou hébben, is van raojm 70 jaor trug,
D’n tejd dè ik no de Paandelerskool góng,
Gò, wa waor ik toen nòg lèkker jóng.
2
Dejóngesskool waor links bezèèje,
Ge kaomt ‘r langs as ge de Michaëlstraot in wilt rèèje.
Ik méén nòg te weete wie dor as míster kwam,
Vòlges meen: v.d. Crommenacker, Vriens, v. Nistelrooy en v.d. Kam.
3
Rèchs de maajskesskool, èn dor stónne daor as juffrouw
Zuster Egberdien, Bertha Wonders, To Werts en Riet de Louw.
Wa ik ok nòg weet: míster Vriens èn Juf Wonders waore allebaj hoofd
Èn zén no Veghel gon woone, nodè ze mekaor íwegen traw han beloofd.
4
To Werts die daor hí lés gegívve ,
Die is meen ’t míste bajgeblívve.
Waj mósse aaltejd bidde vùr Louis van ’t Hooft
Want dùr d’n orlòg waor ze van d’re vriend beroofd.
5
Wa waor d’r aajgelek án de haand?
As mielietèèr zaot ie in ’t verzét in ’t baojtelaand.
Ze waor kèèj verliefd, dè zaogde gewoon,
Ze bidde d’n Haër zowa van z’nen troon.
6
Ze waor aktief, dè mög gezíd,
Ze hí nòg maër gedon dan ónderweeze èn gebid.
Vùr ieder die kós laëre, waor ze ’n stiemelans:
Laër strákke dùr èn grejpt oew kans!
7
Már ’t waor in 44, d’n orlòg blíf már duujre,
Kwamp ze baj óns taojs, um meen no de kweekskool te stuujre.
Már dè kós nie, we han gín gèld èn d’r waor host gín vervoewr,
De lééste pár sènt, wiere bestíd án spèk èn èèr baj d’n boewr.
8
No skoltejd gaf ze taojs nòg Éngelse lés.
Dor laërde ik ’t ‘no’ èn ‘yes’
Èn zinge “gone are the day’s”, ik vón ’t skon,
Már toen látter Louieke trug kwamp, waor ’t gedon.
9
Umdè ’t al zo laang orlòg waor,
Drejgde netuurlek aaltejd ’t gevaor.
Dùrrem oefende waj, dékkeng zuujke ónder de banke
In geval dè ’t luchtalarm begós te janke.
10
’t Is wél ’s gebeurd dè ik vùr goej fesoewn
Nie no skool kós, mí m’n versleete skoewn.
Dan droeg ik klómpe, puujr aojt nood,
Mí veurin watte, want ze waore vùls te groot.
11
Ze laojden án van óndere, as ’t ha gesnùwd
Èn ze dín zír án m’n gevreecht, oojt héb ik ‘r um geskrùwd.
Már dor han we wa óp gevónne, mí ’n gunsteg efèkt,
We han ónder tígge de skölp mawvulleng geplèkt.
12
Van mèrkkleedeng zoas naw, han we gín benul,
’t Mós álleng zén, de rèèst waor flaowe kul.
Dor wiejr ècht nie van ópgekeeke
As iemes iejt án ha van párresjuutstòf òf ’n pèèrdedeeke .
13
Wie laang kawse droeg, wiejr dùr de juf geprízze, dè mákte meen nie blééj
Want ik mós ’t doen mí kniekawskes van ’n aojtgeraajfelde sprèèj.
Hónger héb ik noojt hoewve te lèèje, már de kwállietejt waor pèt,
Ik waor zo dun as ‘ne piejr mí ’n kersjèt.
14
Vùr ‘Vrije en ordeoefeningen’, ’n sort gim, han we gín lokaol,
Dorvùr mògge waj baj Mietje Versteege in de zaol.
Èn baj goej weer mósse waj mí híl d’n hooëp
Potje baoje in de Pílse Looëp.
15
Ik héb ’t wél aaltejd skon gevónde
Dèè’k vieja de skool, no ’n gezóndhajdskeloonie wiejr aojtgezónde.
Zés waëke no Eersel, dè waor vùr meen ’n físt,
Twaë jaor látter bén ik ‘r nòg ‘ne kaër gewíst.
16
Umdèt ‘r óp ’n gegívve momènt gebrèk waor án koole,
Mósse we bezaojnege èn roeleere mí aander skoole,
De joong no de Kómskool èn de dùrskes no de Nazareth,
Dus half daog no skool, de rèèst waor verlèt.
17
In sèptèmber 44 waor d’n orlòg in Gímmert vùrbaj,
Wat ‘r látter in de Paandeler gebeurde, is ónbekéénd vùr maj.
Getròffe dùr granaote, mósse waj verheuze
Èn hùrde vort baj de Nazareth, ik ha gín keuze.
18
Dí is al wa ik me hèrinner, toen ik óp de Paandeler héb gezaëte,
Wéllicht héb ik aën òf aander nòg vergaëte.
No bekant 70 jaor geleeje te zén bevrejd,
Is dí meen verhaol van de Paandelerskool in orlògstejd.
Jo van den Elzen-van Berlo, 5 september 2013
Bekijk PDFGH-2013-04 Tejatergroep Gemert: betrouwbaar kompas in wereld van illusie
Lambèr Vugs
We schrijven september 2013. Het kompas is verzilverd. Vijfentwintig jaar amateur-theater legde de Stichting Tejatergroep Gemert geen windeieren. Een bloeiende toneelvereniging siert momenteel het plaatselijk cultureel landschap. Naast het verzorgen van
theaterproducties (in de zaal, op locatie en op straat) investeert de stichting in cursussen toneelspelen voor volwassenen (beginners en gevorderden), verzorgt zij verdiepende workshops voor ervaren spelers (acteertrainingen, bewegingstheater, lessen beheersing stemtechniek). De cirkel is rond. Tejatergroep Gemert stond aan de wieg van het kindertoneel dat door het leven gaat als Stichting Kindertoneel Kakelbont, levendig onderdeel van Kunstlokaal Gemert.
De oprichter en artistiek leider van Tejatergroep Gemert is Francis Slits. In 1987 bracht Francis (‘Fran’ voor de intimi) een aantal enthousiastelingen bijeen om haar afstudeervoorstelling aan de regieopleiding in Arnhem vorm te geven. Zelfverzekerd als zij is ging zij
tegen alle adviezen van school in en maakte met een groep onervaren aspiranten haar eerste voorstelling: ‘De familie Marthraun’, een vrije bewerking op basis van improvisaties naar een toneelstuk van de Ierse theatermaker Sean O’Casey. Het werd een daverend succes. Het bewijs was geleverd dat het mogelijk was om in de regio – als tegenhanger van het bestaande dorpstoneel – op eigen vernieuwende wijze theater te maken op basis van gedurfd repertoire.
Gelijk een schilderij
Zo werd het magnetische noorden gevonden. De aantrekkingskracht van de jonge Tejatergroep Gemert was gelegen in het op aanstekelijke wijze anders kunnen zijn. Tot op de dag van vandaag is persoonlijke betrokkenheid van de spelers van wezensbelang. Het creatieve aspect geniet altijd voorrang. Destijds werd bewust gekozen voor de stichtingsvorm om zoveel mogelijk vrij te zijn in de keuze van repertoire en spelers. Spelers mogen niet dominant zijn in de opzet van het geheel. Het principe van ‘de meeste stemmen gelden’ past niet bij de magie van het theater maken. Francis Slits als artistiek leider is tevens huisregisseur. In overleg met het bestuur maakt zij keer op keer de keuze omtrent het repertoire. Als kandidaat speler heb je de mogelijkheid om per productie in te schrijven. De regisseur is verantwoordelijk voor de casting: het bepalen wie voor welke rol in aanmerking komt. Een actrice omschreef haar ontwikkeling ooit zo: “Toneel spelen is een zoekend proces. Ik vergelijk het wel eens met het maken van een schilderij. Francis brengt als kunstschilder de kleuren aan op het doek. Ze begint met een ruwe opzet, om vervolgens streek voor streek naar een bevredigende compositie toe te werken. Wij spelers zijn de kleuren… levende kleuren weliswaar. Met de fijne penselen van inzicht en intuïtie brengt Fran nuances aan. In het licht van haar toets gaan de kleuren voor zichzelf spreken. Een sterk stuk ontstaat bij de gratie van deze wisselwerking.”
De prijzenkast
Francis heeft het rijk niet alleen. Er wordt regelmatig met gastregisseurs gewerkt. Zij worden bewust gevraagd, deels om het blikveld te verruimen. Neem bijvoorbeeld Toon Ory. Hij brak actief een lans voor het bewegingstheater. Teresa van de Ven lanceerde het
locatietheater. Tejatergroep Gemert was de club die dat fenomeen in Gemert introduceerde. “Blijf zoeken” is doorlopend het devies. Het is de bedoeling om als collectief van spelers te komen tot groei middels trainingen, cursussen, workshops in spel, improvisaties, fysiek bewegingstheater en werken met gastregisseurs. Bijkomend voordeel: verandering van spijs doet eten. Als plaats van handeling is Gemert niet heilig. Er wordt naar gestreefd de stukken ook elders te spelen. In kleine zalen, op festivals en op toernooien. Nominaties werden verkregen en prijzen in de wacht gesleept.
Een chronologisch overzicht:
1997 – DE DANS VAN DE REIGER (Hugo Claus). Toernooi Der Lage Landen in Limburg. Selectie verworven. Beste actrice: Tonnie Bijsterveld van Tejatergroep Gemert voor haar rol van moeder Mariette Missiaen – Verkest,
1999 – DRIEKONINGENAVOND (William Shakespeare). Toernooi Der Lage Landen in Limburg. Selectie verworven. Beste ensemblespel: Tejatergroep Gemert,
2004 – DE MANKE (Martin McDonagh). Geselecteerd en uitverkoren voor deelname aan nationale theater vierdaagse in Maastricht. De Arend Hauer – theaterprijs voor Ellen van de Berk van Tejatergroep Gemert, zijnde de beste actrice. Ook de Arend Hauer – theaterprijs voor Tejatergroep Gemert als geheel, voor beste vormgeving,
2008 – OCH MENS (Stany Crets). Geselecteerd en uitverkoren voor deelname aan nationale theater vierdaagse in Amsterdam. Als gezelschap winnaar van De Kunstfactor Theaterprijs voor ‘meest spectaculaire, theatrale, verleidende en gedurfde opening’,
2010 – THE PRESIDENTES (Werner Schwab). Deelname bewerkstelligt aan Pirandello Festival in Helmond en als winnaar uit de bus gekomen. Als gezelschap verkreeg de Tejatergroep het predikaat ‘beste theateropvoering voor regie en voor spelers’.
De naam van het collectief
Over de naamgeving is nog met geen woord gerept. In het oprichtingsjaar 1987 besloten de pioniers hun geesteskind – voorlopig de titel Stichting Tejatergroep Gemert mee te geven (volgens de spellingsmode van die tijd). Die aanduiding bleek zeer hardnekkig. Vijfentwintig jaar later is de naam uitgegroeid tot een onuitwisbaar begrip binnen de amateurtoneelwereld, zowel lokaal, regionaal als
nationaal. In Gemert spreken de mensen van ‘de Tejatergroep’ en dan weten de liefhebbers meteen om welke formatie het gaat. Niet onbelangrijk om te vermelden: een oorstrelende meerwaarde is dat bij de meeste voorstellingen van de Tejatergroep gebruik wordt gemaakt van live muziek, als ondersteuning van het stuk of als feestelijke omlijsting van de productie. De entourage rondom Tejatergroep Gemert is van oudsher een hele hechte. Vrienden en familieleden van de spelers zijn steeds bereid om in de bocht te springen bij het op poten zetten van producties. Sponsors zijn relatief makkelijk te vinden onder de fans. Een rooskleurige situatie…
Fran, de gedrevene
Het voordeel van het beschrijven van een stukje recente geschiedenis is dat je die nog bij de staart kunt pakken. De drijvende krachten vervullen anno 2013 nog onverminderd een hoofdrol. Dat geldt zeker voor initiator en artistiek geweten Francis Slits. Fran is een bevlogen vrouw… van hoofd tot hiel op theater ingesteld. Graag bereid om haar kaarten open op tafel te leggen. “Bij aanvang wist ik één ding zeker. Ik wilde bij mijn afstudeeropdracht met een eigen groep werken. De meeste examenstudenten klopten voor faciliteiten aan bij een bestaande toneelvereniging. Eigenwijs genoeg wilde ik meteen het diepe in. Via de krant wierf ik tien spelers. Enkele daarvan hadden bij de K.P.J. wat spelervaring opgedaan. Ik benaderde drie muzikanten en we gingen – al improviserend – aan de
slag met ‘De Familie Marthraun’ van Sean O’Casey. De intentie was: anders theater maken van gedegen kwaliteit. Ik had als debutant geen hoge dunk van me zelf. Startpretenties had ik evenmin. Een ding wist ik zeker: er moest een diepere laag in zitten… dat wel. We waren aanvankelijk op vormgeving en tekst gericht. Toen de kapster en de grimeur er aan te pas kwam raakten we in een stroomversnelling. De vreugde van zich middels kledij en schmink te kunnen transformeren… dat gaf de burger moed. We brachten het er uiteindelijk meer dan behoorlijk vanaf. Weet je… gezamenlijkheid maakt de kracht uit van het theater. Telkens gaan we met
elkaar op ontdekkingsreis. Een speler moet goesting hebben om op de planken te staan, anders is er geen beginnen aan. Onderling vertrouwen is voor de spelers een onmisbare eigenschap. Je moet elkaar willen helpen. Regisseren is soms een eenzaam verhaal. Een speler dient zich in de rol te schikken. Aan mij de taak de richting te bepalen zonder autoritair te zijn. Enkel enthousiastelingen kunnen de hitte van de dag verduren.”
Saamhorigheid
Francis komt tot een afronding. “De mythe bestaat dat de Tejatergroep enkel met zware stukken in de weer is. Niets is minder waar. Er mag bij ons gelachen worden op z’n tijd. Wat is leuker dan samen je weg zoeken tussen spelvaardigheid en spelvreugde? De spelers bepalen, niet het publiek. Zij weten dat bij mij de lat hoog ligt. De verwachting van het publiek is over het algemeen eveneens hoog. Het is de kunst het publiek voor de duur van de voorstelling om je vinger te winden. Op die manier kun je het volk aan je binden. De Tejatergroep kan bogen op een flinke schare volgers. Dat is de oogst door de jaren heen.” Het oor te luisteren leggen bij de acteurs en actrices levert extra inzichten op. “Toneel spelen is een heilzame hobby. Ontspanning die evenveel energie kost als dat die oplevert. Het is aan ons om vanaf de eerste repetitie tot de laatste voorstelling een spanningsboog in stand te houden. Dat is mogelijk als
we elkaar bij voortduring inspireren. Theater maken is een ambacht dat mensen raakt. Het omgaan met emoties is een delicate verantwoordelijkheid. Speltechnisch gezien is minder vaak meer. Het is fijn te weten dat je van de regisseur de ruimte krijgt om je de rol eigen te maken. Het is een kwestie van voortdurend schakelen, in en uit wisselende toestanden stappen. Een proeve in zelfonderzoek. We maken geen gebruik van de diensten van een souffleur tijdens de voorstellingen. Je moet jezelf uit netelige situaties zien te redden. Dat de Tejatergroep met gastregisseurs in zee gaat is tof. Stagiaires van de dramaopleiding dragen ook hun steentje bij. Inbreng van buiten maakt dat je verrassende aspecten in jezelf aanboort. We willen bij herhaling onze grenzen verleggen. Schrikbeeld is te stranden als een duf toneelkransje. Het is daarom dat wij regelmatig deskundigen consulteren. Coachen is geen overbodige luxe van iets dat je gerust totaaltheater mag noemen. Enorme ondersteuning van binnenuit komt van drie spelende leden van het eerste uur: Stef Krol, Antoinette Donkers en Pierre Wolfs. Als leden van het bestuur slagen zij er sinds jaar en dag in de kar te trekken. Eervolle vermeldingen verdienen bovendien onze huisfotograaf Joan Delisse en grafisch ontwerper Jos Biemans die vaak het gezicht van de Tejatergroep naar buiten toe bepalen en bepaalden…”
De zilveren mijlpaal
En dan was er nog het slaan van die mijlpaal herfst 2013. Iedereen die erbij is geweest was getuige van een bijzondere gebeurtenis. De bezoekers waren aangenaam verrast. Het leegstaande klooster Nazareth met haar talloze vertrekken bleek een fantastische entourage. Het collectief van leden en vrienden van leden deed wonderen. In de voorbereiding, bij het maken van de decors en tijdens de ontvangst van de gasten. Er verrees een foyer (met catering), een concertzaaltje en een expositieruimte. Tussen de armen van het oude kloostercomplex ontstond een sfeervolle binnentuin waar de weergoden vrede mee hadden. De spelers hebben – inclusief de try-out – 16 voorstellingen gespeeld, 15 voor het betalende publiek en 1 try-out. Gedurende 3 weekends waren de oh’s en ah’s niet van de
lucht. Zaterdag 7 en zondag 8 september, zaterdag 14 en zondag 15 september plus zaterdag 21 en zondag 22 september was het genieten geblazen aan weerskanten van de lijn. Op zaterdag liepen per productie – verspreid over drie locaties – 2 voorstellingen en op zondag 3. In totaal voltrokken zich 48 voorstellingen. Per voorstelling werden plusminus 25 toeschouwers toegelaten. Maar liefst 1131 belangstellenden kochten een kaartje. Er kwamen na afloop talrijke reacties binnen, overwegend lovend van aard. De jubilerende Tejatergroep Gemert heeft zichzelf overtroffen. De stichting kan terugzien op een caleidoscopisch theaterfeest. Laten we het voorlopig laatste woord geven aan de vakvrouw die ook het eerste woord gesproken heeft: Francis Slits. “Het werken met een vaste kern, aangevuld met nieuwkomers uit de speltraining, heeft opnieuw zijn vruchten afgeworpen. Ik ben een gelukkig mens. Tejatergroep Gemert is mijn kindje. Dat is altijd zo geweest en dat zal altijd zo blijven. Ik ben trots op mijn talentrijke familie. Op naar de komende 25 jaar.”