GH-2013-04 Evacuaties in Gemert, Bakel en Milheeze 1940

Ruud Wildekamp

Bij de Duitse inval in ons land werd een deel van de bevolking van de toenmalige gemeenten Gemert en Bakel en Milheeze geëvacueerd naar plaatsen elders in die gemeenten of naar naburige gemeenten. Aan deze evacuaties ging een lange geschiedenis vooraf.

In het midden van de jaren dertig van de vorige eeuw liepen de politieke spanningen in Europa dusdanig op dat de kans op een tweede grote oorlog niet ondenkbaar was. Enkele jaren daarvoor, in 1933, had in Duitsland Hitlers Nationalsozialistische
Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP) de verkiezingen gewonnen. Daarna volgde zijn benoeming als Rijkskanselier, de eerste minister. Het jaar daarop benoemde hij zichzelf, na het overlijden van de Duitse president Von Hindenburg, tot Reichsführer, de leider van alle
Duitsers. Daarop trok het Duitse leger het door Fransen bezette Rijnland binnen en werd Oostenrijk gedwongen tot een aansluiting met Duitsland. De Nederlandse regering die door al deze ontwikkelingen een nieuwe oorlog tot de mogelijkheden achtte nam vervolgens een aantal militaire en civiele maatregelen. Defensie kreeg een vergroting van het budget voor de aanschaf van modern materieel en
wachtdetachementen werden bij strategische objecten en plaatsen geplaatst.

In navolging van de maatregelen, ten behoeve van de burgerbevolking, genomen tijdens de Eerste Wereldoorlog werden ook nu
richtlijnen uitgevaardigd ter bescherming van de bevolking in geval van oorlog. Op 26 maart 1935 gaf de Nederlandse regering het “Voorschrift betreffende de ingeval van oorlog, bij een inval des vijands, voor de afvoer van de uitwijkende, verdreven of in onveilig gebied wonende burgerbevolking te nemen maatregelen” uit. Dit zeer geheime voorschrift was vastgesteld bij beschikking van de Minister van Defensie met instemming van de Minister van Binnenlandse Zaken. Het werd kortweg als “Voorschrift afvoer burgerbevolking” aangeduid en eind augustus 1939, bij het ingaan van de algemene mobilisatie, aan de burgemeesters
toegezonden. Op 3 september volgden twee, eveneens geheime, verbeteringen. Eerst eind november 1939 volgde een verzegeld pakket dat de “aanwijzingen voor de burgerbevolking” bevatte. Deze moesten door de zorg van de burgemeester worden gepubliceerd en aangeplakt zodra Nederland bij een oorlog werd betrokken.

Op basis van het voorschrift afvoer burgerbevolking werd een “Commissie Burgerbevolking” ingesteld. Het was de taak van deze commissie, die was ingesteld door en vallend onder de Minister van Binnenlandse Zaken, om de coördinatie van de voorbereidingen, in nauw overleg met de Autoriteit Militair Gezag (AMG), voor de afvoer van delen van de bevolking op zich te nemen. Aan deze commissie werd, nog steeds in 1939, toegevoegd het landelijk werkende “Bureau Afvoer Burgerbevolking” (BAB) en in de provincies “Commissarissen Afvoer Burgerbevolking” (CAB). Men ging voortvarend van start. Landelijk gezien zouden honderdduizend mensen uit mogelijk bedreigde gebieden worden verplaatst met treinen, bussen, vrachtwagens en schepen. De coördinatie van het vervoer werd in handen gelegd van de Directeur van de Etappen- en Verkeersdienst. Voor de evacuatie van ziekenhuizen, inrichtingen, kloosters en tehuizen stelde deze directie een apart plan op. Om tot een goed inzicht te komen welke inrichtingen het betrof en om hoeveel bewoners het ging ontvingen de burgemeesters op 4 oktober 1939 een schrijven met het verzoek om opgave aan de regionale militaire autoriteit. Voor oostelijk Noord-Brabant was dit de commandant van het IIIe Legerkorps van het Veldleger. Dit schrijven ging vergezeld van een kaart waarop de gebieden stonden aangegeven die ontruimd dienden te worden in geval van een dreigende
inval. Deze lagen in principe tussen een lijn vijf kilometer voor en een drietal kilometer achter de frontlijn. Omdat daarbij inbegrepen waren de gebieden die zouden worden geïnundeerd kreeg de voorste, de meest oostelijke, lijn een grillig verloop.

Nadat op 29 augustus de algemene mobilisatie was afgekondigd dienden de evacuatievoorbereidingen in nauw overleg met het AMG
te gebeuren Dit trad direct in contact met het BAB waaraan een stafofficier van het AMG werd toegevoegd. De aanwijzing van de vluchtoorden, zoals de evacuatieplaatsen werden genoemd, werd bepaald door de sectie operatiën van de generale staf en werd daarom voorlopig geheim gehouden. Dit bemoeilijkte de voorbereidingen die zich hierdoor tot de te ontruimen gebieden moesten
beperken. Het streven was altijd het aantal evacuaties zoveel mogelijk te beperken. De provinciale en regionale organisaties voor de evacuaties van burgers en vee werden daarop in de handen de legerkorpsen en regionale commando’s gelegd, in nauwe samenwerking met de CAB’s. De sectie operatiën van het hoofdkwartier bepaalde nu welke gebieden ontruimd moesten worden. Ook
bepaalde deze sectie welke gebieden als vluchtoorden werden aangewezen. Aanvankelijk werden de voorbereidingen van het BAB en de CAB’s overgenomen en daar waar de staf dit noodzakelijk achtte wat bijgestuurd.

Voor de gemeente Gemert vielen de kerkdorpen Handel en Elsendorp in het gebied aangegeven op de kaart van het IIIe Legerkorps. Tezamen ongeveer 2.000 personen omvattend. Voor de gemeente Bakel en Milheeze betrof dit het hele dorp De Rips en delen van de streken Klef, Haag en Weijer van Milheeze, samen ongeveer 1.500 mensen.

De te evacueren burgerbevolkingen zou in drie categorieën verdeeld moeten worden:

Klasse A: personen (zo weinig mogelijk) die blijven om evacuatie mogelijk te maken.

Klasse B: personen die snel weg moeten, bij voorbeeld uit ziekenhuizen, inrichtingen e.d. en

Klasse C: alle overige.

De indeling zou door de gemeenten moeten worden gedaan onder opgave van de aantallen per categorie.

Gemert, Bakel en Milheeze ontvingen het verzoek hiertoe van de commandant van het IIIe Legerkorps. Door Gemert werden op 4 oktober 1939 nog opgegeven voor Klasse B: ongeveer 100 bewoners en zieken van het gasthuis. Daarnaast alle bewoners van het Missiehuis van de Paters van de Heilige Geest en ten derde alle bewoonsters van het klooster Nazareth. In een volgend schrijven werden daar nog aan toegevoegd de bewoners van het Kapucijnenklooster en het zusterklooster beide te Handel. Voor de klasse C
werden 1.000 mensen opgegeven. Dit kwam in de visie van de burgemeester Phaf op zeker 6.300 personen die uit Gemert geëvacueerd zouden moeten worden. Daarnaast werden ongeveer 2.000 koeien en ongeveer 300 paarden opgegeven om te evacueren.

In Bakel en Milheeze bleken de aanwezige papieren voor een mogelijke evacuatie tijdens de Eerste Wereldoorlog uit 1915 nog onaangeroerd in de kluis te liggen. Bij ontvangst van de nieuwe werden de oude maar teruggestuurd om mogelijke verwarringen te voorkomen. Hier kwam de gemeente tot de conclusie dat er geen inwoners aanwezig waren van klasse B. Alle verdere inwoners, rond de 3.700, werden in klasse C ingedeeld. Dit vermeerderd met de 100 ingedeeld in klasse A kwam men tot 3.700, het totaal aan inwoners van de gemeente. Het verzoek tot opgave van aanwezige inrichtingen werd beantwoord met de opgave van twee verzorgingshuizen voor ouden van dagen, één in Bakel en één in Milheeze en een opleidingsinstituut voor geestelijken met ca. 150 inwonende leerlingen. De gemeente stelde daarnaast voor ongeveer 1.500 runderen en 350 paarden te evacueren.

Uit het verschil in antwoorden van alléén al deze twee gemeenten bleek dat de richtlijnen van het BAB niet duidelijk genoeg waren geweest. Op 28 oktober verzond het IIIe Legerkorps daarom nieuwe richtlijnen. Klasse A waren nog steeds de personen die benodigd waren om een evacuatie te organiseren, klasse B waren nu slechts de (buitengewone) dienstplichtigen en klasse C alle overige. Wel werd in dit schrijven duidelijk gemaakt dat, behoudens de dienstplichtigen, niemand verplicht was zijn woonplaats te verlaten. Nu kwamen beide gemeenten tot andere getallen. In Gemert kwamen 2.000 en in Bakel en Milheeze 1.500 uit de meest bedreigde delen
in aanmerking om verplaatst te worden. Onduidelijk was hoeveel personen daadwerkelijk verplaatst wilden worden bij een verhoogde dreiging.

Voor beide gemeenten was Helmond als afvoerstation aangewezen en als uitstapstation Kruiningen-Yerseke. Van daar zou men te voet naar Hansweert gaan en om vervolgens met het veer over de Westerschelde naar Walsoorden in Zeeuws-Vlaanderen worden gebracht. Van daaruit konden de voorlopig vluchtoorden worden bereikt. Voor Gemert was dit de gemeente Hontenisse en voor de inwoners van Bakel en Milheeze waren dit Hontenisse en de toenmalige gemeente Graauw en Langendam. De huisvesting voor de evacués werd voorbereid door het CAB in de provincie Zeeland. De reizigers zouden per wijk in groepen worden ingedeeld en onder leiding van een hoofd- en een hulpgeleider naar hun bestemming reizen. Hoofd- en hulpgeleiders werden voorzien van kaarten waarop de namen dienden te worden ingevuld. Deze moesten bij aankomst in het vluchtoord aan de plaatselijke autoriteiten worden afgegeven. Wat meegenomen en geregeld diende te worden was vooraf schriftelijk meegedeeld door de gemeente. Van belang daarbij was de distributiestamkaart die als identificatiebewijs zou dienen. Dat Zeeuws-Vlaanderen voor oostelijk Noord-Brabant werd uitgekozen lag in het overwegend Rooms-Katholieke karakter van de bevolking van beide provinciedelen. Plaatsing elders zou mogelijk tot problemen met de overwegend protestante Zeeuwen op de eilanden kunnen leiden.

Januari 1940 waren de definitieve bestemmingen bepaald en verzond het CAB van Middelburg deze naar de burgemeesters van
oostelijk Noord-Brabant. De bestemmingen werden als “zeer geheim” aangemerkt en waren vergezeld van een uitnodiging aan de burgemeesters om naar de provincie Zeeland te komen voor een coördinerende bijeenkomst. Voor de Gemertse evacués was de eindbestemming nu de gemeente Zaamslag en voor Bakel en Milheeze was dit Terneuzen geworden. Intussen was een inkwartieringsvergoeding vastgesteld die echter eerst op 10 mei 1940 bekend werd gesteld. Voor huisvesting en voeding van een persoon werd 60 cent per dag uitgekeerd. Voor elke volgende persoon werd 10 cent in mindering gebracht met een minimum van f 0.40. Voor kinderen tot 12 jaar werd 30 cent uitgekeerd.

Omdat er toch nog veel vragen overbleven hoe een en ander te organiseren werd op 7 februari 1940 een vergadering belegd voor
vertegenwoordigers van alle betrokken oost Brabantse gemeenten op het stadhuis van Helmond. Onder voorzitterschap van kapitein W.A. Almekindes van de staf van het IIIe Legerkorps zou een einde gemaakt moeten worden aan de onzekerheden die nog bestonden en om tot een definitieve regeling te komen voor de ontruiming. Daarbij kregen alle gemeenten de mogelijkheid hun problemen naar voren te brengen. Deze betroffen veelal een gebrek aan voertuigen voor de ontruiming van zieken en invaliden. De burgemeester van
Gemert stelde voor dat de inwoners van Handel beter naar het overige deel van zijn gemeente afgevoerd konden worden. De circa 4.000 militairen in het dorp zouden tijdens een uitbraak van de oorlog in de stellingen zijn. De Handelse mensen die niet weg wilden zouden in die open plaatsen in de gemeente een onderkomen kunnen vinden. De voorzitter vond dit geen goed idee daar deze
ruimten wellicht nodig zouden zijn om reserve troepen in onder te brengen. Wel werd afgesproken dat de inwoners van Wanroy samen met het die van de gemeente Boekel afgevoerd zouden worden en die van Oploo en Sint Anthonis deels samen met de te ontruimen delen van Gemert en Bakel. De burgemeester van Weert maakte duidelijk dat de evacuatie van zijn bevolking van ongeveer 12.000 mensen met grote moeite gepaard zou gaan. Hiervoor zouden 10 treinen, elk voor 1.000 man, ter beschikking moeten worden gesteld. Hij rekende voor als het instappen voor elke trein een kwartier zou duren, daarmee 2,5 uur verloren zou gaan. Als het instappen 20 minuten zou duren dan zelfs 3,5 uur. Daarbij diende nog te worden opgeteld de tijd benodigd voor het vertrek en de aankomst van de volgende trein. Als het inladen om acht uur in de ochtend zou beginnen dan kon de laatste trein eerst om half twaalf uit Weert vertrekken. Dan moeten de treinen nog naar Goes, de mensen uitstappen en met de tram naar het veer om naar Terneuzen te worden overgezet. Het lijkt hem onmogelijk om dat in één dag onder normale omstandigheden te doen. Wat als de omstandigheden niet normaal zijn? De voorzitter zegde toe de ingebrachte opmerkingen te bespreken.

De gemaakte opmerkingen, in het bijzonder die van de burgemeesters van Weert en Gemert pasten goed in de wijziging van het
verdedigingsconcept dat werd veranderd na het aantreden van generaal Winkelman als opperbevelhebber. Daarin werd de verdedigende taak van de Peel-Raamstelling veranderd in een vertragende. Daardoor zou een mogelijke strijd waarschijnlijk maar van korte duur zijn. De betrokken bevolking hoefde daardoor niet meer te evacueren maar mocht “uitwijken” naar naburige dorpen. Op basis hiervan ontwierp de commandant IIIe Legerkorps een nieuwe regeling en legde dit het Algemene Hoofdkwartier voor. Het antwoord is lang uitgebleven. Eerst op 8 april stemde het opperbevel in met het nieuwe plan. Op 10 april 1940 ontvingen de
oost-Brabantse burgemeesters van de commandant van het IIIe Legerkorps een hernieuwde “Regeling Afvoer Burgerbevolking”. Daarin werd afgezien van een evacuatie naar Zeeuws-Vlaanderen. De nieuw aangegeven vluchtoorden lagen nu veel dichterbij, veelal in de eigen of in een buurgemeente. Daarbij ging men ervan uit dat de vluchtelingen zich in hun eigen gemeente minder ongelukkig
zouden voelen. Daarnaast was het meestal ook mogelijk om toezicht te houden op hun eigendommen en daar waar nodig, het vee te verzorgen. Slechts enkele gemeenten kregen nog een bestemming die wat verder weg lag. De tussenkomst van de commandant IIIe Legerkorps werd in de nieuwe instructies overgedragen aan de AMG in nauwe samenwerking met de betrokken burgemeesters.

Vanuit de gemeente Gemert dienden, zoals eerder vastgesteld, 2.000 personen te worden afgevoerd. Daarvan konden er 750 binnen
de eigen gemeente worden geplaatst. De overige 1.250 mensen zouden in Beek en Donk een plaats vinden. Uit Bakel en Milheeze dienden 1.500 personen te vertrekken naar een ander deel van de eigen gemeente. Met deze nieuwe regeling verviel de verplichting om personen uit Oploo en Sint Anthonis mee te evacueren voor zowel de gemeente Gemert als voor Bakel en Milheeze. Ook de verplichting tot geheimhouding van de evacuatieplannen was hiermee komen te vervallen. De hoofd- en hulpgeleiders werden daarop van de vernieuwde plannen op de hoogte gesteld en mochten deze met de toegewezen wijkbewoners bespreken. De burgemeesters gaven opdracht deze plannen uit te werken en voor de betrokkenen een evacuatieadres aan te wijzen. Bij de indeling werd rekening gehouden dat iedereen zoveel mogelijk werd ondergebracht bij mensen van de eigen stand. Daarbij konden voorkeuren voor plaatsingen bij familieleden of kennissen kenbaar worden gemaakt. Boeren werden gerechtigd hun vee tijdens de verplaatsing mee te voeren naar het evacuatieadres. In de schriftelijke bekendmaking werd geadviseerd vooraf kennis te maken met de onderdakgevers.
Tijdens deze kennismaking diende dan te worden aangegeven hoeveel personen zouden komen en hoeveel dieren en goederen zouden worden meegevoerd. Verder werden aanwijzingen gegeven over de wijze van bekendmaking van de evacuatie, groepsindeling, te volgen route, mee te voeren zaken en mondvoorraad en wijze van registratie en afsluiten van de woning. Ook werd aan de burgemeesters een opgave gevraagd van het aantal asocialen, misdadigers, prostitués en dergelijke zouden meereizen. Beide burgemeesters gaven aan dat dergelijke personen niet in gemeenten voorkwamen.

In de vroege ochtend van de 10 mei, nadat duidelijk was geworden dat Duitsland ons land was binnengevallen, werd in Gemert de bekendmaking van de evacuatie schriftelijk afgegeven. Het merendeel van hen die wensten te vertrekken deed dit op eigen gelegenheid. Daar niet iedereen vooraf kennis had genomen van het van gemeentewege verstrekte evacuatieadres werd in Gemert en Bakel veel heen en weer getrokken voordat iedereen was aangekomen. In de gemeente Beek en Donk waren aan de gemeentegrens gidsen aanwezig die de vluchtelingen de juiste weg naar hun verblijfplaats wezen. Het vee werd in veel gevallen meegevoerd en ondergebracht bij de evacuatiegevers. Anderen lieten hun vee achter onder de hoede van een huisgenoot die achterbleef. Enkelen pendelden heen en weer tussen de eigen boerderij en het evacuatieadres voor de verzorging van het vee. Op aandringen van de militaire autoriteiten waren de evacués zoveel mogelijk aan de andere zijde van de Zuid-Willemsvaart ondergebracht. Veel rust hebben ze daar niet gehad. Al in de middag van de 11e mei bereikten Duitse militairen het kanaal en ontstond een vuurgevecht met een afdeling van de Peeldivisie. Nog diezelfde dag trokken de Duitse troepen verder over de twee, provisorisch herstelde, bruggen. Daarmee was ook het gevaar sterk verminderd en nog diezelfde avond keerden de eerste vluchtelingen haar hun huis terug. In de dagen daarop vertrokken ook de overige. Het aantal uitgewekenen dat in Beek en Donk onderdak vond wordt geschat op circa 400, het aantal stuks vee op 150. Geen van de inwoners van Beek en Donk heeft om een vergoeding van huisvesting en voeding gevraagd. Een aantal inwoners vond onderdak bij familie of bekenden in andere gemeenten. Daardoor was de gemeente slechts gedeeltelijk op de hoogte van de verblijfplaats van haar inwoners.

Zoals georganiseerd vond de ontruiming in Bakel en Milheeze geheel binnen de eigen gemeente plaats. Het merendeel van de
inwoners die weg moesten had zelf al huisvesting gevonden. Slechts een deel werd van gemeentewege een verblijfplaats toegewezen. Te ontruimen waren alle inwoners van De Rips en een deel van Milheeze, in totaal 1.500 personen. Voor de inwoners van Milheeze leverde de verplaatsing geen problemen op. Voor veel inwoners van De Rips lag dit echter anders. Zij waren door gemeentebode Van de Ven per motorfiets gewaarschuwd dat ze moesten vertrekken. Om voor de sluiting van de wegversperringen nog weg te komen moesten zij zich haasten. Velen wilden ook hun vee meenemen, iets wat slechts gedeeltelijk is gelukt. Het gevolg was dat koeien en paarden zijn gaan zwerven en met fatale gevolgen voor een aantal runderen die in mijnenvelden terechtkwamen. Toen in de nacht van 10 op 11 mei de Peeldivisie terugtrok uit de stellingen zijn enkele boeren teruggegaan om het achtergebleven vee te verzorgen en te melken. Het merendeel keerde echter op Eerste Pinksterdag, 12 mei, terug naar De Rips. De geëvacueerden uit Milheeze keerden meest op de Tweede Pinksterdag of daags daarna terug.

Naast de eigen bevolking werd nog een twintigtal inwoners uit de gemeente Oploo verplaatst. Zij waren te laat vertrokken en door gesloten wegversperringen niet meer in staat de oorspronkelijke bestemming te bereiken. Zij zijn met de inwoners van De Rips in
Bakel terecht gekomen en daar ondergebracht. Ook zijn ongeveer dertig schippers, die door de gesprongen bruggen vast lagen in de Maas ter hoogte van Sambeek en Vierlingsbeek, tijdelijk in Bakel ingekwartierd.

Al met al mag gesteld worden dat de evacuaties binnen de gemeenten Gemert en Bakel en Milheeze zonder al te grote problemen
zijn verlopen. Daarvoor is zeker de wijziging van het opperbevel van onze strijdkrachten, en daarmee gepaard gaande prioriteitsstelling wijziging van het belang voor de verdediging van het vaderland van de Peel-Raamstelling, van belang geweest. De verwachte korte strijd om deze verdedigingslinie gaf het opperbevel de ruimte om een beperkte ontruiming van de gebieden grenzend aan de
Peel-Raamstelling toe te staan. Daarom was bijna volledige evacuatie uit het bedreigde gebied niet meer noodzakelijk en kon worden volstaan met een verplaatsing binnen een beperkt gebied. Doordat de ontruiming op deze wijze werd uitgevoerd was de overlast voor de plaatselijke bevolking tot een minimum beperkt gebleven.

BRONNEN:

Archief gemeente Gemert-Bakel, Archief AB 003, dossier 690.

Archief gemeente Gemert-Bakel, Archief AG 004, dossier 1195.

Wilson, J.J.C.P. Vijf oorlogsdagen en hun twintigjarige voorgeschiedenis. Assen/Baarn, 1960.

Koolhaas Revers, J. Evacuaties in Nederland, 1939-1940. ‘s-Gravenhage, 1950.

Vraaggesprek Bernard Ploegmakers met Cor van Bakel, Jodenpeel, De Rips.

Bekijk PDF

GH-2013-03 Werk van Gerard van Lankveld naar India

Internationale belangstelling.

Het begon allemaal in het Museum Dr. Guislain in Gent (België) met de tentoonstelling ‘Gestoorde Vorsten’ in het jaar 2000. Gerard was daar één van de buitenlandse outsiderkunstenaars. Vijf jaar later kreeg Gerard in hetzelfde Museum een indrukwekkende eigen overzichtstentoonstelling bij welke gelegenheid Ton Thelen een prachtig en kleurrijk kunstboek samenstelde over het
oeuvre van Gerard onder de titel ‘Monera Carkos Vlado’. In 2008 stond werk van Gerard in het toonaangevende architectuurmuseum van Frankfurt. Hij was één van de, zoals dat heette, internationaal bekende outsiderkunstenaars op de expositie Heterotopia – een architectonische droomwereld. En dan vers van de pers, het Laatste Nieuws: ‘Chapelle Ghotique Nouveau’, ‘Chapel in neogothic
style’ (Gerard van Lankveld, 1988), gaat naar een grote internationale tentoonstelling van outsiderkunst in Mombai-India. Dit neogotisch kapelletje, door Gerard gemaakt in 1988, maakt deel uit van een tentoonstelling, vanaf oktober, in de universiteit van Mumbai. Deze in 1857 door John Wilson gestichte universiteit is een van de drie oudste rijksuniversiteiten van India.

Proficiat Gerard met deze uitverkiezing!

Bekijk PDF

GH-2013-03 Nowee kwam naar Gemert om aan te sterken

Aan de uiterste westrand van Gemert ligt De Ark in Gemert. In 2007 werd daar op een sokkel een heuse ark van Noë geplaatst. Bekend was al dat daar tot medio achttiende eeuw een heel erg oude boerderij moet hebben gestaan die de naam droeg van “Hoeve de ark van Noë”. En in de vorige aflevering van Gemerts Heem kwam Marij Vos in een artikel zowaar op de proppen met een uit historische bronnen gereconstrueerde en geheel verantwoorde onthulling dat een Noë daar ter plaatse ook echt gewoond heeft en dat hij er tussen 12 februari en 19 juli 1653 zelfs moet zijn gestorven. Noë was genoemd naar zijn opa en die heette nota bene ook Noë. Het is bijna niet te geloven… Maar het is allemaal waar!

En… er is nóg meer tussen Gemert en Noë.

“Wist je,” zei me Felix van den Acker, die nu woont op De Ark 4, “dat meteen na de oorlog, de familie Noë (maar dan geschreven als Nowee) bij ons in Gemert over de vloer kwam?” Iedereen kent de bekende jongensboeken van Arendsoog en Witte Veder van zo’n 40 tot 70 jaar geleden. Die werden geschreven door de Haagse hoofdonderwijzer Jan Nowee (1901-1958). Het eerste boek ‘Arendsoog’ dateert van 1935. Uitgever was Malmberg. Bij zijn dood in 1958 had hij deel 20 bijna klaar. Het is afgemaakt door zoon Paul (1936-1993), een dan beginnend journalist. Paul Nowee heeft de Arendsoogserie uiteindelijk nog met 43 delen uitgebreid tot in totaal 63 boeken. Noch vader Jan noch zoon Paul zijn ooit in Amerika geweest maar ze kwamen dus wel in Gemert. Het moet zijn geweest na de bevrijding van Den Haag in 1945. Haagse kinderen moesten na de hongerwinter aansterken. Zo kwam de toen 9-jarige Paul Nowee terecht bij het gezin van Henri & Dorothé  van den Acker uit ‘de straot’. Paultje Nowee was een leeftijdbenoot van zoon Felix en die beiden werden maatjes. De latere schrijver van de Arendsoogboeken heeft de Amerikaanse prairie danwel nooit gezien maar hij kreeg wel te zien de Gemertse Kampen en natuurlijk d’Èèrk en de rivier De Rips.
Ook heel spannende landschappen….

(Red. – AO; met dank aan Felix van den Acker)

Bekijk PDF

GH-2013-03 Kruisboom in de Kampen

KRUISENBOOM IN DE
KAMPEN

Het beeld van de pelikaan tegenover de kerk in Gemert-centrum bewaart de herinnering aan een oud bedevaartsoord. Een in 1270 ingewijde kapel die in 1437 de eerste parochiekerk van Gemert zou worden was het centrum van die bedevaart. In de kapel werd een
door middeleeuwse kruisvaarders meegebrachte relikwie van het Heilig Kruis en het Heilig Graf uit Jeruzalem bewaard, zo wil de geschiedenis. Van de offergaven in deze kapel gebracht zou volgens een zestiende-eeuwse archiefbron zelfs voor een belangrijk deel de nieuwe kerkbouw daartegenover zijn bekostigd. In die nieuwe in de jaren tussen 1437 en 1455 gebouwde kerk van Sint-Jansonthoofding wordt vandaag-de-dag nog steeds de bedoelde relikwie bewaard maar de bijzondere  kruisdevotie van weleer lijkt vergeten en verdwenen. Toch is dat niet helemaal het geval. Er zijn nog steeds Gemertenaren die inhoud geven aan het oude gezegde  ‘Gaode op beevert no ’t hajleg Kraojs dan bèènde smiddes alwir thaojs’. Daarvoor gaat men echter niet naar de
kerk in de Kerkstraat maar naar de populaire kapel van Esdonk. Een tweehonderd jaar geleden is vanuit de parochiekerk daarnaartoe de in een grafnis liggende Christus verhuisd. Dat was het veel aansprekender gegeven voor de kruisdevotie
dan een in een soort van processiekruis in de parochiekerk bewaarde relikwie.

De ‘beevert’ vanuit Gemert  naar Esdonk hoort eigenlijk te beginnen in de kerk of nog beter bij de pelikaan, die in de christelijke symboliek staat voor het bloedoffer dat Jezus bracht aan het kruis. De roestige spijkers die men in het Ezzings kapelleke pleegt te offeren herinneren aan het opgedroogde bloed. De beevert voert achter kerk en kerkhof meteen door het prachtig open landschap van De Kampen. En ongeveer halverwege, bij de picknickplaats waar het Karrespoor naar het Boerenbondsmuseum leidt, is sinds kort ook een ‘statie’ die aangeeft dat je op de goede weg bent. Daar staat een boom die is behangen met crucifixen. Een kruisenboom! De Stichting Gemert Vrijstaat kwam op het idee en wil er ook voor waken dat de boom wordt onderhouden. En er is ook nog wel een plekske voor uw kruis.

Bekijk PDF

GH-2013-03 Goed wonen à la Rietveld

GOED WONEN – À LA RIETVELD

Gemert kan bogen op een heel bijzondere geschiedenis. Meer dan 600 jaar was het een apart landje met een eigen vorst. Voordat Napoleon heel Europa opschudde en overal nieuwe grenzen trok, had noch Brussel noch Den Haag hier iets te zeggen. Toen werd Gemert bezet door de Fransen en verpatst aan de Bataafse Republiek. Het kasteel werd nog even vastgehouden maar werd tenslotte
geveild ook ten bate van de Franse schatkist. Napoleon ging er (zogezegd) met een paar honderdduizend militairen van ‘op vakantie’ naar Rusland. En toen ie terugkwam was alles op! Nog vijftien jaar heeft Gemert geprobeerd iets van die vroegere ‘status aparte’ te redden maar zonder resultaat. ’t Enige wat nu nog rest is de eigenwijzigheid van de Gemertenaren, zeggen ze!

Hoe het ook zij: op 13 oktober 2007 kreeg Gemert aan de entree van de bebouwde kom een wel heel  eigenwijzige ingangspoort. De Klaïda, de sleutel. Een mysterie van kunstzinnige fantasie. Een Triomfboog van ontwerper Gerard van Lankveld die in Gemert en tot ver daarbuiten inmiddels bekendheid geniet als de zelfgekroonde Keizer van Monera Carkos Vlado, een staat in de staat. Met een eigen vlag, eigen kleuren en een eigen wapen. In het gemeentehuis en in nog verschillende Gemertse huizen meer tikken klokken met het opschrift ‘ME FECIT MONERA’. Ja, zoals ’t klokje thuis tikt, tikt ’t nergensnie!

In het afgelopen decennium kreeg Gemert twee nieuwe stichtingen. Een bijzondere werkgroep van de heemkundekring onder de naam Stichting Gemert Vrijstaat en een Stichting Monera. De eerste met als doelstelling de oude aparte status van Gemert uit te dragen en de tweede ter consolidatie en behartiging van de belangen van de staat Monera. Beide stichtingen meldden zich
een half jaar geleden samen op het kantoor van Goed Wonen met een idee. De realisatie van een kleurig architectonisch en  transparant ‘huis’ bij gelegenheid van de oplevering van het nieuwe wijkje Oliemolen. Een door Gerard van Lankveld gemaakte maquette stond in 2008 in het Architectuurmuseum van Frankfurt. Ja u hoort ’t goed! Die maquette heeft sindsdien ook een naam: À la Rietveld.  Bij Goed Wonen werd er van alle kanten en vanuit verschillende disciplines naar gekeken en het resultaat werd op 22 juni 2013 onthuld. Het openbaar kunstbezit van Gemert werd verrijkt met een kleurig en vorstelijk geschenk.

Ad Otten, Gemert 22 juni 2013.

Bekijk PDF

GH-2013-03 Geertgen van Sint naar Stichting

What’s in a name?

Ad Otten

In augustus 1955 vraagt bisschop Mutsaerts van ‘s-Hertogenbosch aan kapelaan Strijbos om de mogelijkheden te onderzoeken voor
de stichting van een tweede parochie in Gemert. Op 18 januari 1956 volgt de benoeming van Strijbos tot bouwpastoor van de nieuwe parochie Sint Gerardus Majella oftewel  Sint Geertgen.

De volksheilige Sint Geertgen leeft van 1726 tot 1755 in de omgeving van Napoli.  Hij is de zoon van een kleermaker. Op 23-jarige leeftijd wordt hij lekenbroeder in de kloosterorde van de Redemptoristen. Hij sterft voor zijn dertigste, maar heeft dan wel flink naam gemaakt door helderziendheid, profetieën,  genezingen, broodvermenigvuldigingen en nog andere bovennatuurlijke verschijnselen. Door Paus Leo XIII wordt hij in 1893 ‘zalig’ en in 1904 ‘heilig’ verklaard. Hij is de patroon van kleermakers, portiers, én…  van zwangere vrouwen.

De bouwplannen van pastoor Strijbos bepalen zich tot Het Frans Brugske. Daar is een nieuwe Lagere School in gebruik genomen
en in de aula van deze Pius X – school vestigt de bouwpastoor  een noodkerk. Architect Jan de Jong maakt het ontwerp voor de nieuwe kerk even verderop, aan de andere kant van Het Frans Brugske. Van december 1957 dateert de gemeentelijke bouwvergunning. En terwijl de kerkbouw stevig van start gaat, wordt in het vroege  voorjaar van 1958, schuin tegenover de in de
Pius X-school gevestigde noodkerk, een particuliere woning opgeleverd. Pastoor Strijbos huurt die woning als (nood)pastorie in afwachting van de voor later, aansluitend aan de nieuwe kerk, geplande pastoriebouw.

De naar alle kerkbouwactiviteit  gerichte zijgevel van deze tijdelijke pastorie krijgt een gevelnis met daarin een beeld van de parochiepatroon en in smeedijzer de naam “St. Geertgen”.

Op 26 april 1959 wordt de nieuwe kerk plechtig ingewijd. Pas eind 1962 wordt de bouwvergunning aangevraagd voor een nieuwe
pastorie aan het inmiddels tot St.-Gerardusplein omgedoopte kerkplein. Nog tot eind 1963 blijft Het Frans Brugske 18, de woning van pastoor Strijbos en zijn kapelaans. Een aantal jaren na de verhuizing verdwijnt plotseling het beeld van de parochiepatroon uit de gevelnis. St. Geertgen blijkt spoorloos.  Alleen zijn naam-in-smeedijzer blijft…

In 1986 begint gynaecoloog Henk Ruis in dit pand een stichting waarin hij een zaadbank en een praktijk voor vruchtbaarheidsbegeleiding onderbrengt.

Het bedenken van een naam voor de stichting is voor Henk geen probleem. Die staat aan de zijkant gewoon op de voormalige
pastorie.  St. Geertgen! Wel leest Henk voor de ‘St’ dan ‘Stichting’ in plaats van ‘Sint’. En ‘Geertgen’ voor zwangere vrouwen vindt hij gewoon prima!

De geschiedenis van de Stichting Geertgen

Na ‘Het Frans Brugkse 18’, waar St.Geertgen nog steeds aan de gevel hangt, heeft de Stichting nog verschillende locaties gehad.

Van 1986 tot 1994 bleef de zaadbank en de praktijk voor vruchtbaarheidsbegeleiding aan Het Frans Brugske. In 1994 werd de
praktijk gevestigd in Ziekenhuis Bernhoven te Veghel. De zaadbank bleef in Gemert en verhuisde naar D’n Dörpel aan de Vondellaan.

In april 2004 werd vergunning verleend voor oprichting en exploitatie van Behandelcentrum Geertgen als zelfstandig
Behandelcentrum (ZBC). Een aantal maanden later werd de officiële erkenning gekregen als zaadbank. Er werd verhuisd naar de oude Rabobank van De Mortel. Na een positieve beoordeling door de inspectie voor de gezondheidszorg kreeg  Behandelcentrum Geertgen op 14 april 2008 van het Ministerie van VWS de officiële erkenning als orgaanbank: de zaad- en eicelbank. Opnieuw was er een verhuizing. Nu naar het voormalige gebouw Rabobank Elsendorp. De Stichting Geertgen is dan een erkende zorginstelling
voor curatieve specialistische zorg onder de WTZi, zoals dat heet. Geertgen blijft groeien. In Elsendorp staat (in 2012) een nieuwe doelmatige huisvesting in de steigers. Stichting Geertgen is nu, in september 2013, met ongeveer 75 medewerkers de grootste werkgever van Elsendorp.

Bekijk PDF

GH-2013-03 Uit het oud-rechterlijk archief van Gemert (12)

Simon van Wetten

1692

Os petrosum en de wraak van de lijster

Samen naar de kerk om de vesperen en de godsdienst te aanhoren. Zó bevriend waren Hendrik Verbruggen en Leonart Strijbos. Op weg naar huis ontstond het idee om naar het Molenbroek te gaan. Leonart heeft eerst zijn geweer opgehaald, maar de bedoeling was vooral om de jonge hond van Hendrik te leren en te exerceren.

In het Molenbroek hebben ze een lijster geschoten. Vervolgens zijn ze naar den Elding gewandeld. Hendrik liep drie of vier schreden voor Leonart uit en hoorde opeens een schot. Toen hij omkeek, lag Leonart ter aarde, zeer bebloed en mismaakt, beroofd van spraak en blijkbaar ook van het leven. ‛Hij was immers zonder enige beweeglijkheden.’

Hoe het ongeluk – want dat was het – heeft kunnen gebeuren? Hendrik weet het niet. Er was niemand in de buurt, behalve dan
een kleine jongen. Uiteindelijk is Hendrik naar zijn ouderlijk huis gegaan om daar het ongeluk bekend te maken.

Chirurgijn Dirck Anchems vervoegt zich met de schout en schepenen op den Elding. Daar ligt het dode lichaam van Leonart.

‛Ik constateer een schotwond door het os petrosum. Het is de enige kwetsuur.’
Hoe kun je jezelf per ongeluk, lopend door het veld, door de slaap schieten? Is dit de wraak van de lijster?

Aertske, de moeder van Hendrik Verbruggen, klopt laat in de avond op de deur van Maximiliaan, de broer van Leonart. ‛Uw broer heeft een ongeluk gehad. Hij heeft zichzelf doodgeschoten.’

Met zijn vader en twee andere broers is Maximiliaan naar den Elding gegaan. Daar hebben ze het dode lichaam van hun zoon en broer aangetroffen. ‛Het geweer lag opgetrokken naast hem.’

Bartel, de kleine jongen waar Hendrik het over had, wordt door de schout gehoord. Zo klein is ie niet, hij is al zestien jaar, en blijkt te beschikken over een uitstekend waarnemingsvermogen. ‛Ik was met mijn buijse op den Elding om vogelkens te schieten.’

Ja, hij had Leonart en Hendrik zien aankomen. Leonart liep rechts van Hendrik. Nee, Bartel weet niet wie het geweer vasthield.

‛Een half kwartier later ging er een schot af en ik zag Hendrik op z’n knieën zitten, met gevouwen en bebloede handen, zeer lamenterende.’

Die handen heeft Hendrik wat later in een sloot schoongewassen en afgedroogd met zijn neusdoek. Even later passeerde hij
Bartel, die hem vroeg of hij zich soms zeer had gedaan met zijn roer. ‛Ja maar, ik had dat roer niet.’ En even later, handenwringend, verdwaasd en wit in zijn aangezicht: ‛Nu ben ik al mijn leven bedorven.’

Roelof Adriaans vertelt de schout dat hij eerder op de ongeluksdag in de herberg zat en daar Leonart en Hendrik zag binnenkomen. ‛Hendrik was degene die een geweer bij zich had, niet Leonart.’ Kort daarop zijn de twee samen vertrokken.

En Wijnandt Coolen is het opgevallen dat het roer waarmee Leonart werd doodgeschoten wel erg ver van het lichaam van Leonart
lag …

Een ongeluk blijft het. Maar het heeft er toch wel alle schijn van dat het geweer is afgegaan terwijl Hendrik het droeg. In de
lucht boven de Elding zingt een lijster.

Bekijk PDF

GH-2013-03 Duitse inval in Gemert – deel 2

Heemkundewerkgroep WO II*

II. DE STRIJDENDE PARTIJEN

Wat er vooraf ging

In de vroege morgen van 10 mei werd de staf van het Eerste Bataljon van het Dertiende Regiment Infanterie (I-13 RI) op Cleefswit in
Elsendorp gealarmeerd. Om 02.30 uur hadden vijandelijke troepen de oostgrens van ons land overschreden. Sinds 7 mei gold al het bevel ‘Peel-Raamstelling bezetten’. Hierdoor hadden het merendeel van de militairen hun oorlogsposities in de stelling reeds ingenomen. Op het kruispunt Elsendorp werden de twee 6-Veld vuurmonden van de 13e Batterij 6-veld geplaatst. Een verder stuk kwam langs de weg naar De Rips, tegenover de Vossenberg, en het vierde werd bij De Rips geplaatst langs de weg naar Oploo. Om 22.00 uur werd op het stafkwartier van I-13 RI de opdracht ontvangen dat om middernacht de stellingen ontruimd dienden te worden. De commandant van het bataljon, reserve majoor J.J.G. Staal, kwam het bevel ongeloofwaardig voor en belde naar de staf van de Peeldivisie voor een bevestiging. Toen hij deze had gekregen nam hij contact op met de staf van de Tweede Afdeling van het 20e Regiment Artillerie (II-20 RA), onder reserve kapitein D.J. Galle, dat binnen zijn vak stond opgesteld met twaalf verouderde 8-staal kanonnen uit 18801. Ook zij hadden het bevel tot de terugtocht ontvangen. Tussen Boerdonk en Keldonk moest achter de
Zuid-Willemsvaart een nieuwe verdedigingslinie worden bezet. Daarbij behoorde ook Sluis 5 in de omgeving van Keldonk, die samen met de naastliggende ophaalbrug diende te worden verdedigd. De mars, die via Gemert voerde, werd herhaaldelijk onderbroken omdat dekking werd gezocht voor vijandelijke vliegtuigen die de omgeving verkenden met behulp van lichtfakkels. Onderweg werden enkele bruggen opgeblazen, onder andere de Kokse brug tussen Gemert en Erp over het riviertje de Aa. De II-20 RA had een kanon achter moeten laten, maar de afdeling was toch niet meer in staat om vuur uit te brengen daar essentiële munitieonderdelen voor de primitieve granaten niet waren meegebracht.

Geniedetachement Frets

Voor de stellingen van I-13 RI waren drie secties Pioniers en het geniedetachement Frets, genoemd naar de commandant kapitein Ir.
C. Frets, aanwezig voor het uitvoeren van vernielingen aan bruggen en bruggetjes tussen de Maas en het Defensiekanaal. Die gehele 10e mei hebben zij zich van hun taak gekweten en meer dan 130 vernielingen uitgevoerd om de opmars van de vijand te vertragen. Na uitvoering hiervan diende Frets zich telefonisch te melden aan de commandant van Vak Erp. Daar de verbinding al verbroken was
lukte dit niet, waarop Frets besloot naar Schijndel te gaan om zich te melden bij de commandant van de Vijfde Divisie. De tocht naar Schijndel verliep zonder verliezen ondanks enkele aanvallen door vliegtuigen. In Schijndel kreeg Frets contact met de commandant van Vak Erp die hem opdroeg de spoorbrug tussen Gennep en Oeffelt, ondanks feit dat deze buiten zijn vak lag, alsnog te vernielen. Een bijna onmogelijke taak om dat deze al in vijandelijke handen was en intussen zo’n 20 km achter de frontlijn lag. Informatie over de posities van de Duitsers had hij nauwelijks. Die informatie was voor Frets beperkt tot een zeer optimistisch radionieuwsbulletin dat berichtte over successen en hulp van de Franse en Britse bondgenoten. Desondanks ging Frets met ongeveer honderd man, elk bewapend met een karabijn en dertig patronen, en een aantal vrachtwagens met explosieven rond 21.00 uur op pad. Om ongeveer 23.30 uur kwam de groep in Gemert aan. Daar zijn manschappen te vermoeid waren om de opdracht deze dag nog uit te voeren, besloot hij daar te overnachten. Op de Beeksedijk troffen zij de arts dokter Verbeek die op zijn motor nog huisbezoeken aflegde.
Op de vraag waar in Gemert gerust kon worden, verwees Verbeek hen naar het kasteel. Frets en zijn plaatsvervanger, reserve eerste luitenant Ir. C.H. Grooten, vroegen aan de poort om onderdak voor de nacht. De overste van de congregatie aarzelde aanvankelijk en belde de commandant van het gemobiliseerde bataljon in Elsendorp. Deze verklaarde dat het een vertrouwde groep was waarop ze toestemming verkregen om te overnachten. De twee officieren kregen een kamer, de onderofficieren en manschappen vonden een rustplaats aan de zuidzijde van het kasteel, in de recreatie- en studiezalen. Een wachtgroep installeerde zich in het poortgebouw om de meegevoerde vrachtwagens die in de Wijnboomlaan waren gestald te bewaken. Daar werden ze de volgende ochtend ontdekt door de Duitse eenheid die vanaf Elsendorp per fiets Gemert binnen was getrokken. De ontdekking van de vrachtwagens lokte een vuurgevecht uit met de Nederlandse wachtenposten. Het directe gevolg was het sneuvelen van Schütze (soldaat) Emil Hoffman. De korte schotenwisseling had de Nederlandse militairen in het kasteel gealarmeerd. Kapitein Frets organiseerde direct de verdediging door groepjes soldaten bij de drie toegangen tot het kasteel te plaatsen. Nog steeds was hij in de overtuiging dat het Nederlandse leger niet ver weg kon zijn. Met de verdediging van het kasteel hoopte hij dat dit voldoende herrie zou maken om hen naar Gemert op te laten rukken. De paters werden dringend geadviseerd om de kelders in te gaan. Een advies dat direct werd opgevolgd.

De Duitsers

De Duitsers die als eerste Gemert binnentrokken behoorden tot het 2. Radfahr-Schwadron (Tweede Fietssquadron) van de
Aufklärungs-Abteilung 256 (Verkenningsafdeling 256). Deze afdeling stond onder bevel van Rittmeister der Reserve (reserve ritmeester) Werner Mummert en kende twee fietssquadrons waarvan het tweede werd gecommandeerd door Oberleutnant
(eerste luitenant) Werner Uhlemann. Zeer waarschijnlijk was hij de man die het bevel gaf voor de gijzeling van een deel van de Gemertse bevolking.

Deze Verkenningsafdeling 256, versterkt met een batterij 37mm pantserafweergeschut (PAK) en twee of drie stukken 88mm
pantserafweergeschut had op de 10e mei in de omgeving van Afferden het deel van de Maaslinie aangevallen dat werd verdedigd door de 3e Compagnie van het 15e Grensbataljon (3-15 GB). Daarbij werden vijf kazematten buiten gevecht gesteld waarbij een Nederlandse sergeant en twee soldaten sneuvelden. Om ongeveer 13.30 uur op die 10e mei 1940 slaagde de Duitsers de sluis bij Sambeek te nemen en lag de weg naar het westen voor hen open. Via Vortum en Sambeek werd naar Oploo getrokken waar de nacht werd doorgebracht. Van daar werd al vroeg vertrokken richting Gemert, de wielrijders van het tweede squadron voorop.

Het was de taak van de Verkenningsafdeling 256 om mogelijke alternatieve routes te zoeken voor de hoofdmacht van de 256.
Infanterie-Division. Deze hoofdmacht diende vanaf Mill de hoofdweg over Volkel en Uden naar Veghel en verder te volgen. Mocht het verzet op deze route een verdere opmars verhinderen zou van de alternatieve route gebruikt gemaakt moeten worden. Deze mogelijke alternatieve route zou bestaan uit de weg van Oploo, via Elsendorp, Gemert en Beek en Donk, naar Sint Oedenrode en verder.

Vroeg in de volgende morgen bereikt men de Peel-Raamstelling die echter verlaten bleek te zijn en de brug over het Defensiekanaal was vernield. Snel werd een noodbrug geslagen waarna de afdeling naar Elsendorp doorreed en vandaar naar Gemert trok. Daar kwamen verkenners van het Tweede Fietssquadron als eersten aan en stootten rond 07.30 uur op de wachtposten van het Geniedetachement Frets bij het kasteel. Het gevolg was het al eerder genoemde korte vuurgevecht waarbij Schütze (soldaat) Emil Hoffman sneuvelde.

Aanvankelijk had Frets alleen te maken met het 2. Radfahr-Schwadron, waarvan de militairen bewapend waren met pistolen,
karabijnen, achttien lichte mitrailleurs en drie lichte mortieren (50mm). Ter ondersteuning kon het fietssquadron een beroep doen op de zwaardere wapens van de verkenningsafdeling bestaande uit twee 75mm lichte infanterie kanonnetjes en drie stukken pantserafweergeschut van 37mm. Het Infanteriegeschütz 18 (IG18) was een 75mm houwitser, krombaangeschut dus, dat explosieve granaten kon afschieten.

Het gevecht

Frets, die in eerste instantie zelf de hoofdverdediging in het poortgebouw aanvoerde, beval zijn manschappen spaarzaam om te gaan met de weinige munitie die ze hadden. Een rechtstreeks gevecht moest worden vermeden omdat dit, gezien de lichte bewapening, slechts tot veel slachtoffers onder zijn mensen zou leiden. Naast de groepen die de drie toegangen tot het kasteel verdedigden namen anderen posities in de kamers op de tweede verdieping. Vandaaruit hadden ze een goed uitzicht op het plein en de activiteiten van de Duitsers daar. Die zochten dekking in de woningen en het hotel aan het plein. Ook achter de koepel van de muziekkiosk, die talloze
Gemertenaren dekking bood tegen het vuren vanuit het kasteel, schuilden de Duitsers. Het merendeel van de Gemertse mensen had geen enkel idee wie of wat er vanuit het kasteel het Duitse schieten beantwoordde.

Tijdens het gevecht werd het centrum van Gemert bekeken door de bemanning van een Henschel Hs 126. Dit verkenningsvliegtuig van de Vierde Staffel van de 21e Verkenningsgroep (4.(H)/21) was toegevoegd aan het legerkorps dat de aanval op het zuiden van ons land had ingezet. Zij rapporteerden in een bericht, dat bij het Duitse korpshoofdkwartier werd afgeworpen, dat zich in Gemert een grote groep burgers in het centrum bevond maar, gezien een uitgespreide vlag, dat het dorp in Duitse handen was.

Ondertussen ging de strijd om het kasteel door. Het felle mitrailleurvuur van de Duitsers dwong de verdedigers van de achter- en zijpoort zich terug te trekken. Een veertigtal soldaten, samen met de eerste luitenant Grooten, zag kans zich aan gevangenneming te onttrekken. Door het park trokken zij naar het westen weg. Zij konden daarna door de velden de eigen troepen bereiken en de strijd voorzetten. Hun tocht richting Beek en Donk werd waargenomen en gerapporteerd door een Duits verkenningsvliegtuig.

Tussen tien en half elf kregen de Duitsers versterking van de zwaardere wapens van de Verkenningsafdeling 256. Er moest een oplossing voor het oponthoud in Gemert worden geforceerd. Voor de Duitsers was het van belang dat de verkenning voor een alternatieve opmarsroute voor de 256e Infanteriedivisie werd voortgezet. De reden voor deze haast was de onverwacht taaie tegenstand van II-17 RI bij de brug over de Zuid-Willemsvaart bij Veghel. Hierdoor werd de geplande doorstoot van de 9. Panzer-Division (9e tankdivisie) naar de Duitse parachutisten bij de Moerdijkbruggen ernstig vertraagd. Met de komst van deze wapens mochten de vrouwen, kinderen en ouderen uit de muziekkiosk vertrekken.

Twee 75mm houwitsers (IG18) werden op het Borretplein geplaatst, een juist voor het gemeentehuis, de andere tegenover brouwerij Het Anker. Deze vuurden met een hoge elevatie brisantgranaten af op het poortgebouw en de nieuwbouw. Twee stukken 37mm pantserafweergeschut (PAK36) werden aan de pleinzijde voor het kasteel geplaatst en een voor het poortgebouw. Daarmee werd
geprobeerd gaten te schieten in de dikke kasteelmuren. Door de inzet van de houwitsers duurde het niet lang of de daken van het poortgebouw en de zuidelijke nieuwbouw vatten vlam. Voor de verdedigers van de nieuwbouw was dit nog geen sein het gevecht te staken. Dat merkte ook een van de Duitse kanonniers op het plein die door een kogel in zijn arm werd uitgeschakeld.

Naast dit geschut kregen de Duitsers tegen het einde van het gevecht nog hulp van tankjes of pantserwagens. Een van deze vechtwagens heeft zich, zoals pater Loffelt wist te vertellen, door het smalle paadje gewrongen, dat vanaf de Beekseweg langs bloemist Van der Putten loopt. Daarna werd dwars door een hoge heg gereden en positie genomen in het achterliggende
weiland. Van daaruit werd met het 20mm boordgeschut het poortgebouw en de nieuwbouw onder vuur genomen2.

De verdediging van het poortgebouw was door de brand gedwongen zich, via de Kastanjelaan, terug te trekken naar de nieuwbouw en het hoofdgebouw. Direct nadat de verdediging van het poortgebouw was opgegeven, rolden de Duitse soldaten een stuk pantserafweergeschut over de brug en richtten dit op het hoofdgebouw. Ze durfden blijkbaar niet de brug van de binnengracht over, niet wetende wat hen op de binnencour wachtte. Een Nederlandse sergeant achter het Sint Josefbeeld richtte zijn wapen op de
commandant bij het stuk geschut. Tijdig zag hij dat daarbij ook Nederlanders stonden. De laatste verdedigers van de nieuwbouw, die intussen steeds feller brandde, werden met handgranaten uit het gebouw gedreven. Sergeant Paul van Oostveen raakte daarbij zwaar gewond en werd naar buiten gedragen en samen met twee andere gewonden bij de Donjon op de grond gelegd.

De overgave

Intussen was het Frets duidelijk geworden dat er geen hulp meer viel te verwachten vanuit de Peel-Raamstelling. Verder vechten zou
alleen maar nodeloze slachtoffers opleveren. In de kelder bracht hij de overste van zijn voornemen op de hoogte en zwaaiend met een witte handdoek uit de w.c. liep rond 12.00 uur het hoofdgebouw uit. De overige militairen in het gebouw beval hij hem te volgen. Die deinsden terug omdat de zeer opgewonden Duitse militairen daarop weer begonnen te schieten. Frets liep door waarop de Duitse
commandant onder de Donjonpoort hen sommeerde te stoppen. Beide officieren liepen naar elkaar, salueerden hoffelijk en gaven elkaar de hand. De Duitser vroeg direct of ook anderen dan militairen aan het gevecht hadden deelgenomen. Na een ontkennend antwoord gaf Frets zijn manschappen opdracht hun wapens en uitrusting af te leggen. Zij die zich nog in de kelders bevonden deden dit daar en kwamen ook naar buiten. Een van hen werd terug gestuurd met de boodschap dat ook alle paters naar buiten moesten. Ook zij verlieten daarop de kelders en verzamelden zich op de binnencour, daar ontvangen door scheldende en vloekende
soldaten. Met de handen omhoog ging het naar het Kastanjelaantje waar ze ook op de grond moesten liggen. De laatsten kregen de opdracht de drie gewonden naar de Poortlaan te dragen. Daar werden ze verzorgd door Duitse gewondenverzorgers en enkele paters. Terwijl het kasteel werd doorzocht op eventuele achterblijvers moesten de paters, vier aan vier tussen een haag van zwaar
bewapende Duitsers, naar de Poortlaan lopen. Van daar ging het naar het Borretplein langs de opgestelde mitrailleurs. De paters voorop, gevolgd door de krijgsgevangenen die eerst langs het dode lichaam van Nico van Vught moesten om te laten zien wat ze hadden aangericht. Op het plein zagen ze nog juist dat de laatste gijzelaars op de kiosk werden vrijgelaten. Ook zij die nog bij de
pastorie stonden mochten gaan. Na een kort handgeklap maakten zij zich snel uit de voeten. Naar huis! Het was rond twaalf uur. Vier uur lang had de groep Frets een overmachtige vijand weerstaan en hadden veel inwoners van Gemert, tussen de Heuvel, het Kruiseind en uit De Haag doodsangsten uitgestaan. Na afloop van het gevecht werden de Duitse en Nederlandse gewonden afgevoerd naar het gasthuis.

De paters, werden, met het gezicht naar het kasteel, in vier rijen opgesteld. De Duitse commandant, vermoedelijk ritmeester Mummert
zelf, vergezeld door de Rijksduitse bakker Berkulin vroeg wie van hen Duits sprak. Provinciaal Pater Dr. Lambert Vogel stapte naar voren en kreeg de vraag: “Weshalb haben sie gestattet dass hier Soldaten reinkamen die hier geschossen haben?” (Waarom hebt u toegestaan dat hier soldaten binnen kwamen die geschoten hebben?). Terwijl hij nonchalant een sigaret rookte  drukte hij zijn spijt
uit dat hij genoodzaakt was de gebouwen in brand te schieten.  Vogel antwoordde daarop dat een ieder zijn plicht had gedaan en dat oorlog nu eenmaal oorlog was. Nadat de Duitse commandant nu overtuigd was dat de paters part nog deel aan het gevecht hadden, liet hij hen ook vrij. Hierop volgde een spontaan applaus, meer als een reactie op de vele uren van spanning en doodsangst die ze
hadden doorgemaakt. Een groot deel van de Duitsers had toen al de brouwerij Het Anker ontdekt en deed zich tegoed aan het bier. Bij dit drankgelag heeft de inventaris enorm geleden. Nadat de Duitse commandant de paters had weggestuurd liep hij ook naar de brouwerij. Binnen blies hij op een fluit, bulderde een bevel, waarop iedereen terug ging naar de fietsen. Met bijna vijf uur
vertraging werd de verkenning naar de Beekse en Donkse bruggen voortgezet. Daarna kon worden begonnen met het redden van de inboedel uit de brandende gebouwen. De brand greep echter snel om zich heen waardoor niet veel meer naar buiten kon worden gebracht. Nu er niet meer werd geschoten rukte de Gemertse brandweer uit met de motorspuit. Deze gaf al snel de geest waarna de hulp van de brandweer van Boekel werd ingeroepen. Zowel de nieuwbouw als ook het poortgebouw brandde volledig uit. Gedurende de bezettingsjaren konden beide met hulp van veel plaatselijke werkkrachten worden hersteld.

Zus van Schijndel liep na haar werk bij Berkulin naar het Borretplein en bekeek de brand in het kasteel. Bij het Poortgebouw zag ze nog dat daar de gewonden werden verzorgd. Over een van hen lag een laken. Bij hem nam een van de verzorgers een ring van de vinger en gaf die aan een van de paters.

Rond acht uur in de morgen van de 12e mei kwam de 15e Kompanie van de SS-Standarte (SS-Regiment) ‘Deutschland’ in Gemert aan. Deze compagnie, een Kradschützen-Kompanie (compagnie soldaten per motorfiets), was een verkenningseenheid die was ingedeeld bij de zogenaamde Gruppe (groep) Grave. Toen in de morgen van 10 mei duidelijk werd dat deze groep niet het
beoogde doel, de verovering van de Maasbrug bij Grave, had bereikt, werd deze eenheid hiervan losgemaakt. Ze kreeg de opdracht om, via de Duitse pontonbrug bij Mook, een verkenning richting ´s-Hertogenbosch uit te voeren. Daar in Den Bosch werd gevechtscontact gemaakt met een teruggetrokken Nederlandse eenheid die zich in het St. Josefhuis voor jongens en oude mannen aan de Graafseweg bevond. Bij dit gevecht sneuvelde de commandant Hauptsturmführer (kapitein) Otto Fischer en de SS-Mann (soldaat) Josef Hebein. Tijdens dit gevecht, waarbij het St Josefhuis verloren ging, kreeg deze SS-eenheid opdracht zich van het gevecht los te maken en via Uden en Volkel naar Gemert te gaan. Van daar moest, via Beek en Donk en Oirschot naar Hilvarenbeek worden getrokken. Vreemd genoeg werden de beide gesneuvelden (mogelijk waren ze toen nog zwaar gewond) meegenomen. Eerst in Gemert kregen de twee een veldgraf bij de ´Drie Ossen´, een voormalige herberg aan de Beeksedijk tussen Gemert en Beek
en Donk. De namen op de houten grafkruisen wist de Aarlenaar Hans van de Brug zich nog goed te herinneren. Zij werden al na een of twee dagen verplaatst naar Uden en daar begraven in de pastorietuin te Uden. Na de oorlog werden de stoffelijke overschotten, die toen op de algemene begraafplaats van Orthen lagen, overgebracht naar het Duitse Kerkhof te Ysselsteyn. Rond dezelfde tijd dat deze SS-ers in Gemert kwamen werden de Standarte ‘Deutschland’ en ‘Germania’, van de 2. SS-Verfügungs-Divison, die zich nog in het verzamelgebied in Duitsland bevonden, naar Gemert gecommandeerd. Door druk verkeer dat de aanvoerwegen verstopte, kwamen zij echter deze dag niet verder dan Sint Anthonis en Oploo. Daar werd tijdelijk halt gehouden tot in de avond, de opdracht kwam om verder op te rukken. Via Gemert, de provisorisch gerepareerde bruggen bij Beek, Donk en Sint Oedenrode trokken deze troepen op naar Best. Ze werden gevolgd door Infanterie-Division 208, dat tot de reserve van het XXVI Armee-Korps behoorde.
Deze eenheden waren de oorzaak van het drukke Duitse verkeer dat, in de dagen na de schietpartij op het plein, door Gemert trok.

Na de aanleg van een 8 tons Kriegsbrücke (oorlogsbrug op pontons) en het herstel van de ophaalbrug bij Veghel trok een deel van de 9e Tankdivisie daar over het kanaal en ook over de brug bij Heeswijk, die slechts licht beschadigd in Duitse handen was gevallen, naar het westen. Daar werd uiteindelijk in Rijsoord de Nederlandse overgave getekend en begon voor ons land de bezetting. Voor Gemert was deze al begonnen.

Opmerkelijk is dat het dagboek van de Aufklärungs-Abteilung 256 beschrijft dat het oponthoud in Gemert slechts twee uur heeft geduurd. Over de maatregelen om het verzet in Gemert te breken en het plaatsen van burgers in de muziekkiosk tussen de twee strijdende partijen wordt met geen woord gerept.

NOTEN II

NOTEN

*.Heemkundewerkgroep WO-II bestaat uit Ruud Wildekamp, Simon van Wetten, Bertus van Berlo, Sieds van der Schaaf, Hans Kanters, Annie van de Kimmenade-Beekmans.

1 Als een gevolg van de wijziging van het nationale verdedigingsplan was voor de Peel-Raamstelling slechts een vertragende rol weggelegd. Alle artillerie-eenheden werden daarbij teruggenomen voor de verdediging van de Vesting Holland. Om toch artillerie ter beschikking te hebben werd 20 RA opgericht rond de oude 8-staal kanonnen en in de Peel-Raamstelling geplaatst.

2 Naar het zich laat aanzien behoorden ze tot de Groep Sponeck van de 9e Tankdivisie die kort voor het middaguur bij Boekel en Erp verscheen. De verkenningsafdeling van deze groep was zowel uitgerust met de Sonderkkraftfahrzeug 222 (SdKfw 222, vierwielige gepantserde verkenningswagen), als met de Panzerkampfwagen II (PzKfw II, een kleine lichte tank). Beide waren uitgerust met een 20mm snelvuurkanon en een mitrailleur. Beide typen zijn die 11e mei ook in de omgeving van Gemert gesignaleerd, maar
onduidelijk blijft welke bij Gemert zijn ingezet. Gezien de beschikbare aantallen is de PzKfw II de meest waarschijnlijke.

BRONNEN

Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH), Archief  Koninklijke Landmacht, Washington Papers 21055-21285, XXVI Armee-Korps Kriegstagebuch 4 (10-5-40 / 12-5-40).

NIMH, collectie Kriegstagebücher, 03712-03771, 256 Inf.Div. Kriegstagebuch 1 (9-5-40 / 24-6-40), en 03772-04106
9. Pz.Div (Qu.Abt.) Kriegstagebuch 1 (9-5-50 / 17-5-40).

Archief gemeente Gemert-Bakel, collectie Gemertana. Slits, F. Frans Slits vertelt.
Ongedateerd.

Brongers, E.H. Opmars naar Rotterdam. Deel 2 Van Maas tot Moerdijk. Baarn, 1985.

Frets, C. Briefwisseling met Pater Ed. Loffeld, 17 februari 1941.

Fraters-dagboek van het Groot – Scholasticaat van Gemert: 12 oktober 1939 – 4 augustus 1941.

Kimmenade-Beekmans, A. van de, Gemert bezet- Gemert bevrijd. Gemert, 1994.

Kimmenade-Beekmans, A. van de, Kasteel bezet- Kasteel bevrijd. Gemert, 2005.

Loffeld, Ed. Kort relaas van de Oorlogsgebeurtenissen in Gemert, meidagen 1940. Door een oog- en oorgetuige.

Nierstrasz, V.E. De strijd op Nederlands grondgebied tijdens Wereldoorlog II. De verdediging van noord Limburg en Noord-Brabant. ‘s-Gravenhage, 1953.

Otten, A. Bijdrage tot de geschiedenis van Gemert, Gemert mei 1940. Gemert, 1980.

Philipsen, M. “Tussen Hoop en vrees. Beek en Donk in de jaren 1938-1947. D’n Tesnuzzik
(heemkundekring Beek en Donk), 15 (1995).

Pillkowski, F. Geschichte des 10. (Preuβ.) Reiter-Regiments.Torgau, 1972.

Slits, F. Wat gebeurde er op 11 mei 1940 in Gemert. De Streek 7(31), 7 mei 1980.

Valkenburg R. Een mens in haatuniform. Portret van Willy Engbrocks bewaker van kamp Amersfoort.
Franeker, 1974.

Weert, H. van, “Gijzeling in Gemert, macaber schouwspel”.
Helmonds Dagblad, 3 mei 1980.

.

Bekijk PDF

GH-2013-03 Mooie gedichtenbundel

EEN RECENSIE

Martien van der Wijst

De Heemkundekring en uitgeverij Laurentius Torrentinus hebben er goed aan gedaan het nieuwe jaar 2013 te beginnen met de
uitgave van de gedichtenbundel “Dùr ‘ne Gímmersen bril” van Jo van den Elzen-van Berlo.

Het is een genoegen om er in te grasduinen, maar ik heb tegen mijn gewoonte in alle veertien gedichten achter elkaar gelezen, al heb ik vroeger geleerd dat je nooit meer dan twee of drie gedichten tegelijk moet lezen, om ze goed op je te laten inwerken. Dit werk is vlot
geschreven en leest ook vlot.

Wat is erin te vinden? Geen zware nostalgie, zoals terecht is opgemerkt in het voorwoord. Het verleden is nuchter beschreven en met de nodige humor. Alles valt op zijn plaats. Het zijn vaak herinneringen aan wat alledaagse dingen lijken maar die in het gedicht zo tot leven worden gebracht, dat je er intensief van geniet. Bijvoorbeeld het gedicht “Soep spisjaol”.  Ook de actualiteit komt aan
de orde zoals in het gedicht “Vrouwke zuukt mènneke” gebaseerd op “Boer zoekt vrouw”.

Ik was ook erg onder de indruk van het gedicht “’t Waor d’n orlòg die m’n jeugd verstoorde”. Als bijna leeftijdgenoot zag ik het allemaal weer duidelijk voor me en las ik ook dingen die ik gelukkig zelf niet heb behoeven mee te maken zoals het als kind moeten afstaan van je speelgoed om boter en melk te kunnen krijgen.

Het Gímmers taalgebruik is ook uitstekend. Één woord kende ik niet: “staaj”, maar iedereen zal alles wel kunnen lezen en begrijpen. Als voorbeeld geef ik de slotzin: Dan dènk ik aaltejd: Och, zolaang ik wa vuul, bén ik ‘r nòg”.

De geschiedenis komt tot leven het verleden herleeft in alle beschrijvingen. Ge zot ‘r uw aëte vur kaaw laote wòrre!
Aanbevolen dus.

Bekijk PDF

GH-2013-03 Door de Hel naar Handel

EEN OUDE WEG NAAR HANDEL DOOR DE HEL

Jan Timmers

De Keskesdijk, officieel Lodderdijk en Handelseweg, is de belangrijkste verbinding tussen Handel en Gemert. Dat is ook al jarenlang het geval. Naast deze verbindingsweg was er voorheen nog een andere veelgebruikte route, die misschien nog wel ouder was, maar in de loop van de laatste eeuw nagenoeg geheel verdwenen is. Een klein stukje van de oude route is als zandweg nog aanwezig. Die zandweg heeft de naam Kranerijt gekregen, maar werd voorheen ook wel aangegeven als de Oude Handelseweg. Hij loopt aan de zuidkant dood op de Peelse Loop, waar vroeger een brug aanwezig was. Naar het noorden loopt de weg niet door naar Handel, maar in de Handelse bossen is het oude tracé als karrenspoor nog op een aantal plaatsen duidelijk zichtbaar. Hier en daar is de weg wat “uitgesleten” en heeft het karakter van een holle weg. Soms is een begeleidende greppel aanwezig. Door het bosonderhoud
met groot materieel worden die zichtbare restanten van de weg overigens regelmatig aangetast.

Het noordelijke deel van de weg liep door een stuifzandgebied. Dat stuifzandgebied strekte zich uit over het gehele gebied ten westen van de huidige dorpskom van Handel. De hoge stuifduinen pal ten westen van de dorpskom zijn daarvan de meest opvallende getuigen. Het stuifzand heeft ook ten zuidwesten van Handel behoorlijk wat effect op het landschap gehad. Het huidige reliëf is daar nog getuige van. Ook de oude weg van Gemert naar Handel had last van de zandverstuivingen. Nog in de vorige eeuw is dat te
zien op een foto van fotograaf Duppen. De weg is op die foto nog een echte “holle weg”. De stuifduinen links en rechts van de weg zijn later beplant met dennenbomen die het stuifzand vasthielden. Het reliëf is inmiddels wel wat minder geworden. Het is heel goed mogelijk dat de weg aanvankelijk nog verder naar het westen liep, maar door de verstuivingen in oostelijke richting moest
opschuiven.

Op oude kaarten staat de voormalige weg naar Handel nog aangegeven. In 1930 bestond nagenoeg de gehele route nog. Het noordelijk gedeelte tussen Molenbroekseloop, via Doonheide richting Handel is herkenbaar aanwezig. Op de kaart van ca 1930 zijn met een aantal letters herkenningspunten aangegeven. Het stuk tussen de letters B en C is de huidige zandweg Kranerijt.
Alleen dit gedeelte van de weg bestaat nog. Ter hoogte van punt B is ongeveer 20 jaar geleden een smalle sleuf gegraven dwars over de weg en daar werden op een diepte van minder dan 50 cm de nodige oude karrensporen aangetroffen. Het geeft aan dat dat weggedeelte veelvuldig gebruikt werd, niet alleen als voetpad, maar ook met karren en wagens.

Via hoeve De Wouw

Bij punt C stak de weg de Peelse Loop over. Zowel de brug als het weggedeelte tussen Peelse Loop en Doonheide zijn verdwenen. Bij punt D was een kruising met de Doonheide. Ter hoogte van die kruising lag al in de middeleeuwen de oude hoeve De Wouw. Het was één van de vier vrije hoeven van Diederik van Gemert in de 14de eeuw. Je zou kunnen zeggen dat die hoeve gesticht is langs de oude weg van Gemert naar Handel, die we hier beschrijven. De akkers van De Wouw lagen aan weerszijden van de weg. Je kunt ook zeggen dat de weg tussen de punten D en E over de akkers van De Wouw liep. Bij punt E werd de Molenbroekseloop overgestoken. Vanouds zal dat een zogenaamde voorde geweest zijn. Dat is een plaats in een waterloop die wat ondieper is, zodat je daar met
paard en wagen dwars door het water kon rijden. Deze oversteekplaats lijkt de plek te zijn die in middeleeuwse bronnen de naam Voortynde kreeg. Meerdere malen is sprake van hoeve De Wouw (Wau, Waude) aan de voortynde: 1421 “dat guet te Waude bi den voirtyenden”; in 1483 “hoeve geheiten te Wau aen die voirtijnde”.

De naam voortynde bevat naast de term “voorde” ook nog “ynde” en dat is de naam voor een hekwerk waarmee wegen afgesloten
konden worden. Kennelijk was er ter hoogte van de oversteekplaats over de Molenbroekseloop een hek over de oude weg geplaatst. Komende van Gemert werd hoeve De Wouw aangeduid als liggende bij of achter de Voortynde: het hek bij de voorde.

Door het Molenbroek en de Hel

Aan de zuidkant van de Molenbroekseloop ligt het Molenbroek. Het oostelijk deel van het Molenbroek bleef tot in de 18de eeuw eigendom van de Duitse Orde en werd geëxploiteerd vanuit de hoeven De Voort en De Vogelsanck. De weg naar Handel liep tussen percelen van beide hoeven door en volgde vandaar verder de kortste route naar de toenmalige watermolen aan de Molenstraat. Daarvoor moet de beek De Rips worden overgestoken. Er is maar één plaats waar dat mogelijk was en dat was in De Hel. Voor voetgangers was daar over De Rips een bruggetje gemaakt, een zogenaamde vonder. Die kreeg de naam Hellevonder of Hellekensvonder: de vonder bij de Hel of met een verkleinwoord het Helleke. Hel is een naam die veel voorkomt en wordt gegeven aan plaatsen die erg nat en slecht toegankelijk zijn. De Gemertse Hel was, gezien het gebruikte verkleinwoord, niet zo groot of
niet zo erg. Het was maar een kleintje. De Hel lag ter hoogte van de huidige Valeriusstraat en Poirtershoek in de wijk Molenbroek. Op die plaats passeert ook de Peelrandbreuk die daar wijst veroorzaakt: uit de ondergrond kwelt veel water op en veroorzaakt wateroverlast. Dat kan een ware hel zijn. De Rips zorgde voorheen voor de afvoer van het water. Nu is De Rips gedempt. Achter D’n
Dörpel langs en verderop langs het terrein van het Commanderijcollege ligt momenteel een voetpad in de voormalige bedding van De Rips. Ter hoogte van de Valeriusstraat voert een deel van De Rips in natte perioden nog water. Aan de andere kant van de Valeriusstraat, aan de rand van het plantsoen, lag Hellekensvonder.

Ook al was De Hel slecht toegankelijk, er werd wel gewerkt en gewoond. In 1483 vinden we een huis vermeld in De Hel, langs een
steeg en langs Hellekensvonder:

Huis en hof ter stede geheten die Hell, neven een gemeyn steege, erve Peter van Lanckfelt, Hellekensvonder en erve Heijlke dochter van Gherit van den Waterbemd. (Gemert R96 nr 339, dd 13-10-1483).

Het huis in de hel lijkt in de 17de eeuw verdwenen. In 1614 en 1620 wordt de weg door de Hel nog steeds gebruikt:

“stuk akkerland in de Helle genoemd, tussen des heeren erf en de Rupse en Jan Lenerts erf. Recht van overpad voor Hilleke
weduwe van Henrick Peeters Gelaesmaker (Van Amstel) en Jan Lenerts, en zelf het recht van weg over des heeren erf. Met het onderhoud van het hek met voorste post aan d’Ouehoff.” (Gemert R113 13-11-1614)

“een stuk erf in de Helle tussen Jan Lenerts en des Oirdens erf (de Vogelsanck) en de weduwe Henricx v Ampstel. Met recht
van weg door het ynde aan de Domhoff en de Vogelsanck.” (Gemert R113 7-2-1620)

Tot aan de watermolen

Komend vanuit het Molenbroek steekt de weg van Handel naar Gemert De Rips over en komt ter hoogte van de voormalige watermolen op de Molenstraat uit. Nadat de watermolen voor een deel archeologisch onderzocht werd, is het gebied opnieuw ingericht en bebouwd. De toegangsweg naar de voormalige watermolen is gehandhaafd als “den wegh die men veert ende
gheet ter watermolen”. Het is deze weg waar de oude route naar Handel begint. Lopend langs de gerestaureerde boerderij van (voorheen) Kuppens aan de Molenstraat boog de oude route direct voorbij de boerderij naar rechts. Bij de opgraving van de watermolen werden ter plaatse de oude karrensporen van de weg door de Hel naar Handel teruggevonden.

Bekijk PDF