GH-2012-03 Een drost is altijd op zijn post

Uit het privéarchief van drossaard Peter Adrianus de la Court

Simon van Wetten

Dankzij een vondst van Wim Jaegers is het gemeentearchief van Gemert-Bakel in het bezit gekomen van kopieën van de 150 folio’s die drossaard De la Court heeft volgeschreven in de tijd dat hij hier in functie was. Hieronder volgt een samenvatting van zijn belevenissen en dorpsobservaties.

Drossaard Peter Adrianus de la Court is aan het eind van zijn carrière weer gewoon secretaris geworden. Waarom? Misschien is hij helemaal niet weggewerkt. Misschien was hij zijn baan beu en het zat om altijd de boeman te spelen. Want dat hoort bij het ambt van drossaard. Je moet meestal uiterst impopulaire maatregelen nemen en er zijn genoeg mensen in het dorp die uitkijken naar jouw aftreden en er zijn er zelfs een paar die zo’n bloedhekel aan je hebben dat jouw terugtreden hen niet genoeg is. Jouw dóód, dat is de ware verlossing. Inderdaad, sommigen willen Magere Hein in dezen graag assisteren, ook al omdat je bekend staat als aanmatigend, arrogant en zéér onaangenaam.
Maar goed, orde moet er zijn en de drossaard is er om die orde te handhaven. Bovendien moet de drost alle afkondigingen en verordeningen administreren en daarmee handhaaft hij ook de herinnering …

De honden in het dorp moeten regelmatig vastgelegd worden, meestal voor een periode van negen weken. Men is dan bang voor de razernij, de hondsdolheid. In de lente krijgen de honden een stok voor de hals gebonden zodat ze niet op jonge haasjes en konijntjes kunnen jagen. Het jongwild van de edele heer commandeur mag natuurlijk niet worden gestoord …
Vaak wordt er een schouw aangekondigd. Met name de half-aprilse schouw wordt groots aangepakt. Dan worden sloten, dijken, straten, ashopen en de Peel gecontroleerd en trekken de heren dorpsbestuurders door de straten en velden. Een schouwdag wordt immer afgesloten met een voedzame maaltijd op de secretarij en dan wordt natuurlijk alles onder het genot van een roemer wijn nog eens stevig nabeschouwd.
Aan het begin van elk nieuw jaar worden twee borgemeesters en een Peelmeester in eed gesteld. Des zondags na Drie Koningen worden de nieuwe borgemeesters geproclameerd, en er wordt afgeroepen hoeveel beden de borgemeesters van het vorige jaar zullen ophalen. Medio november wordt bekend gemaakt dat de borgemeesters, net als de arm- en kerkmeesters, rekening zullen afleggen over ‛hun’ jaar.
Meerdere keren per jaar krijgen de rotten, de wijken van Gemert, te horen dat ze mensen moeten leveren voor het repareren en schoonmaken van de kasteelgracht, van de Peelse Loop, de Rips, een deel van de Straat, of het aankarren van de molenbergen. En de gribben, de afvoergreppeltjes in de straten moeten natuurlijk ook open gehouden worden, anders wordt het tijdens langdurige regen één grote modderzooi.
‛Het slijk in de straten moet op hopen worden geworpen.’
In het voorjaar geeft men de traditionele waarschuwing af geen schapen te hoeden op de broeklanden, geen mei-eieren te gaan vragen, en geen open vuren te stoken in Handel.
Lastig zijn de verordeningen over het steken van plaggen, de zogenaamde tüssen, want sommige mensen mogen dat altijd, althans op bepaalde plaatsen, en anderen alleen op bepaalde dagen. De verleiding om dat dan ook op een ongeoorloofde dag of plaats te doen is groot, net zo groot als het aantal uitgedeelde boetes.
Als de commandeur overlijdt moet de drost ervoor zorg dragen dat de kerkklokken drie weken worden geluid. Verwisselt onverhoopt de landcommandeur het tijdige met het eeuwige, dan luiden de klokken zes weken aan een stuk. Nou ja, overdags dan toch.
Een permanente bron van zorg voor de drossaard zijn de veelvuldige vechtpartijen! Waar je met een mes al niet in kunt snijden! De gehele menselijke anatomie komt voorbij. Nee, je mag al blij zijn als het blijft bij de mededeling dat het slachtoffer zo hard met een stok op het hoofd is geslagen, dat het bloed er ‛sterk’ uitloopt. Maar ja, ook met een stok kun je te hard slaan.
‘Wij hebben bevonden dat het cranium (de schedel) op drie plaatsen is gebarsten.’
En dan die eeuwige angst voor een allesverzengende dorpsbrand! Publicaties om aan te geven waar de brandemmers zijn, het bevel een ladder bij de deur te zetten en een grote ordonnantie tegen het tabak roken en het gebruik van lantaarns in schuren en stallen zijn nooit afdoende. Je moet niet hekelen bij kaarslicht! Vaak is er de melding van een beginnende brand die Godlof nog te blussen valt. Soms is men er op tijd bij als een onverlaat een lont in het haverstro heeft gelegd. Op 22 augustus 1786 is brand uitgebroken bij Cornelis van der Aa, op het Lindereind. Het vuur kon gelukkig worden geblust. De volgende dag, bij het van het dak verwijderen van het geblakerde stro, zijn twee stukjes aangestoken laken ontdekt. Het loopt vaak goed af, zelfs bij brandstichting. Maar onvermijdbaar gaat het af en toe helemaal mis. Op 10 augustus 1780 breekt er om drie uur ’s middags brand uit in het eerste huis over de Rips. In een uur tijd zijn vierenzestig huizen, de schuren niet meegerekend, van de aardbodem verdwenen. Als alles geblust is worden er delegaties naar Haarlem en andere Hollandse plaatsen gestuurd, om daar bedeladvertenties in de kranten te zetten en collectes te organiseren.
Vijf jaar later is het wéér raak. Omtrent de middag is brand ontstaan in de Molenstraat en een uur later zijn negenennegentig huizen alsmede de Duitse school in de as gelegd.
‛De schouwen in de huizen moeten worden veranderd, strooien huisjes moeten worden afgebroken en de ashopen moeten verder van de huizen komen te liggen. En de brandspuit moet worden gerepareerd.’
Maar deze verordeningen beletten ene Paulus Roefs niet om doodgemoedereerd vernis te gaan koken, in huis! Daarbij is zijn broer Martin deerlijk verbrand, maar de brand zelf is gelukkig gestuit.
Drossaard De la Court is ook heel fanatiek in het tellen van de maanden die verlopen tussen elk in Gemert gesloten huwelijk en de geboorte van het eerste kind. Het voortijdig beslapen is hem namelijk een grote gruwel maar vanwege de op te leggen boetes tegelijkertijd een prettige bron van inkomsten.
En:
‛Vreemde bijen moeten buiten Gemert worden gebracht.’
‛Vreemde ingekomenen moeten een ontlastbrief meenemen.’
‛Er moet steengruis op de straten worden gebracht.’
‛De inwoners moeten een kar turf leveren op het kasteel.’
‛De treksloten moeten worden gereinigd.’
‛Na tien uur ’s avonds mag er niet worden getapt.’
‛Iedereen die hout uit het gemeentebos heeft gekocht, moet meehelpen de wortels van de bomen uit de grond te werken.’
‘Tabak roken op straat is verboden.’
‘Verbod op het stropen van veldhoendereieren. Nee, patrijzeneieren mogen ook niet.’

Verder worden de kinderen gewaarschuwd om tijdens de Hoge Dienst zich niet op het sacrarium en hoge koor te begeven, wordt er een nieuwe kaak, een schandpaal opgericht, moet in december de straat van de kerk tot de brug leeg worden gemaakt en is er de melding dat de Boterwaag opnieuw verpacht wordt.
De bruidjes die het Onze Lieve Vrouwebeeld dragen tijdens de processie, hoeven geen boete te krijgen als ze tijdens de mis in een herberg samenkomen. Er mag natuurlijk absoluut geen besmet vee worden meegenomen van besmette marktplaatsen, en als de gevreesde rode loop – de kleur van de diarree – heerst dan zijn daar goedbedoelde bepalingen tegen het verhandelen van witte kool, druiven, pruimen en noten. Er mag geen vlas in de sloten worden gerot en geen klot uit het Cleefswit worden gehaald!
De drost wordt geroepen als Mathijs van den Berg door een roede, een wiek, van de oude stenen molen wordt getroffen en even daarna aan zijn verwondingen overlijdt. En och, daar is een kind verdronken. De drost regelt de lijkschouwing. En dan die Liesbeth Riddermans. U kent haar wellicht als Bets Kets. Er is haar op 17 juli toch duidelijk gezegd dat ze binnen vier uur uit het huis van Jan van de Kerkhof diende te vertrekken, maar op 19 september is ze er nóg. De drost laat haar ophalen en zet haar op het kasteel in gijzeling. Ze is daar zo buiten zichzelf geraakt, dat de dokter en de pastoor erbij zijn geroepen en nu is ze maar weer vrijgelaten. Het heeft vast iets te maken met het geloof – Liesbeth is de dochter van de gereformeerde koster – en het feit dat ze enige jaren geleden vlak voor haar trouwdag zwanger en wel in de steek werd gelaten. Misschien dat ze zich daarom zo aan haar nieuwe liefde Jan vastklampt. Acht jaar later is die Jan van de Kerkhof, Jan Kets heet hij in de wandeling, ’s nachts door vreemde personen van zijn bed gehaald en weggevoerd op een kar. ‛Zonder mijn kennis’, laat drossaard De la Court uitdrukkelijk weten. Het gerucht gaat dat Jan in een veld boven De Mortel, aan de rand van de Peel, vier dagen begraven is geweest en daarna weer is opgegraven en naar een andere plaats is gebracht. Maar dat is duidelijk een gerucht, want weer twee jaar later, op 23 juni 1788 verlost de chirurgijn Elisabeth Riddermans, ongehuwd, van een dochter. De geboorte vindt plaats in het huis van, jawel, weduwnaar Jan van de Kerkhof, die erkent dat hij de vader is. Liesbeth noemt hem ook altijd ‛haar man’ … Het dochtertje heeft maar een paar maanden geleefd.
Iemand heeft de waterkuip op de Markt omgegooid. Vijfentwintig gulden beloning voor degene die de dader aangeeft. En er is nogal eens gejoel een paar meter verderop, bij de Gereformeerde kerk.
‛Het storen van de Gereformeerde godsdienst moet afgelopen zijn!’
Joost, wonende op Tereiken, is dood gevonden bij de Armenhoeve. Zijn lichaam is gevisiteerd. Niets gevonden.
En de vrouw van Henrik Manders is, springlevend gelukkig, gevonden op een akker. Enige baldadige lieden hadden haar ’s avonds voor de ploeg gespannen.
In de nacht van 8 op 9 oktober is er ingebroken bij Corstens. De volgende dag heeft de speurende drost een breekijzer gevonden in de schuur van Mathijs van Handel in de Deel, in een rood-groen foedraal.
De vroedvrouw heeft Annemie van den Eijnde verlost van een zoon en een dochter. De ongehuwde moeder van de tweeling verklaart dat de vader óf Martinus Verhofstad óf Marten Horsten moet zijn. Ieder één dan maar?
Een generatieconflict! Vader Nol van den Bogaert slaat zijn zoon met een spade een enorm gat in diens hoofd.
Een geluksgetal? Jan Laermans is aan zeven wonden alhier op het klooster overleden. De dokter en chirurgijn hebben het lichaam gevisiteerd. Als u in de Bossche Courant het signalement van Adriaan Riddermans ziet: die heeft het gedaan!
Op 17 september 1780 is door een persoon, buiten medeweten van de drost, tijdens de vroegmis meegedeeld dat als iemand verzocht wordt te tekenen voor een rechtvaardige zaak, hij ‛op doodzonde’ verplicht is dat te doen. Vervolgens is een aantal mannen dagenlang met een dik boek door Gemert getrokken en alle huizen binnengegaan om de lieden te verzoeken te tekenen. De drost vraagt zich ongerust af wat er aan de hand is.
Oud-Gemertenaar Van den Eijnde, tegenwoordig pastoor in een Fries dorp, bezoekt zijn geboorteplaats. Als hij bij het Aa-huis, op de grens van de Commanderij, wordt ontvangen, blijkt hij een oranje lint om zijn hoed te hebben. Schepen Walraven Corstens neemt hem dat lint af, want ‛ik kan dit niet zien’ en dreigt het te verbranden. Een rel kan worden onderdrukt door het compromis dat Van den Eijnde bij vertrek uit het dorp zijn lint terug krijgt.
Op 4 februari 1784 heeft Francis van de Wassenberg in Handel zelfmoord gepleegd. De drost hoort de getuigen en verneemt dat Francis ’s avonds zijn kousen en hemd heeft uitgetrokken en naar de opkamer ging om te gaan slapen. Kort daarna hebben zij een schot gehoord en toen ze gingen kijken lag Francis op de grond, met een wond omtrent het hart.
De drost maakt zich druk over het feit dat dominee Pannekoek, niet de meest populaire persoon van het dorp, de beukenplanten bij het protestantse kerkhofje die als afscheiding met de straat dienden, heeft uitgegraven en heeft neergezet rondom het poepkuiltje.
Maar er moet ook een brief naar Den Bosch worden geschreven, om muzikanten naar Gemert te halen voor de feestelijke inhuldiging van de nieuwe landcommandeur.
En het dorpsbestuur van Erp heeft geklaagd over Gemertse stropers die de Erpse fuiken in de Aa lichten.
In dit laatste jaar, 1789, ligt drossaard De la Court overduidelijk overhoop met de schepenen. Hij wordt gemaand naar het Boterhuis te komen, maar weigert. Wanneer een delegatie van de schepenen bij hem aan de deur komt, doet de drost alsof hij niet thuis is. Hij wordt verwacht op de secretarij, maar wendt onpasselijkheid voor. Hij wordt naar eigen zeggen door sommige schepenen geaffronteerd en kwalijk bejegend. Op het kasteel krijgt hij te horen dat hem een boete van 529 gulden is opgelegd.

De la Court mag wel secretaris blijven, maar zijn aanzien is hij kwijt.
‘Thomas Puijten is aan mijn huis gekomen, liet naar mij vragen en mij ziende zei hij: Peeroke is een schele. Hij legde uit dat hij gewed had dat hij dat zou durven doen.’
Peeroke is blijkbaar de bijnaam van de ex-drossaard. De teloorgang van het instituut P.A. DE LA COURT, de man die ooit bij wijze van gezagsuitoefening maar vooral ook uit hobby met de platte zijde van zijn sabel corrigerende meppen uitdeelde, kan niet beter in beeld worden gebracht.

NASCHRIFT.
We hebben een zeer tijdelijk actiecomité opgericht, Ad Otten en ik. Het betreft een verandering van straatnaam. De Drossard De la Courtstraat moet de Drossard de la Courtstraat worden! U fronst de wenkbrauwen? U ziet geen verschil? Wij wel. En u ook, als u naar de plaatjes kijkt. Drossard Peter Adriaan de la Court had een zoon, Paulus Emanuel Anthony, minder omstreden dan zijn vader, prettiger van karakter en met een schitterende carrière. Een geboren Gemertenaar nota bene (24 december 1760), die in de Franse Tijd lid werd van de eerste Nationale Vergadering en meteen ook maar van de tweede. Hij was in 1798 lid van het Intermediair Wetgevend Lichaam, lid Staatsraad en Landdrost van Brabant (1807-1810). Dus dat ‘drossard’ klopt ook! Vervolgens werd hij lid van de Provinciale Staten van Noord-Brabant en tenslotte tien jaar lang lid van de Tweede Kamer. U bent het dus met ons eens. We vervangen de straatnaambordjes en hoeven daar niets voor te doen. Zonder schroevendraaier en budgetair-neutraal brengen wij deze ingreep tot stand. Als u binnenkort door de Drossard De la Courtstraat wandelt, moet u maar eens goed kijken! Als u het verschil niet ziet, dan moet u het in ieder geval voelen! Actiecomité “Junior De la Court, die was pas stoer”

Bekijk PDF

GH-2012-03 Historisch groen in Gemert-Bakel

Jan Timmers

Het thema voor de open monumentendag 2012 is “historisch groen”. Het is goed om daar even bij stil te staan, want “groene” landschapselementen worden vaak over het hoofd gezien als het gaat om cultuurhistorisch waardevolle objecten. Bij monumenten denken we in eerste instantie aan kastelen, kerken, kloosters, landhuizen en andere gebouwen. Maar er is nog veel meer monumentaals te beleven. In de directe omgeving van kastelen, kloosters en landhuizen treffen we bijvoorbeeld vaak historische tuinen of zelfs parken aan. Het zijn juist deze tuinen en parken, landgoederen en buitenplaatsen die in de erfgoedwereld worden gevangen onder de noemer “Historisch Groen”. In Gemert kennen we allemaal de tuin of het park rondom het kasteel. Samen met de omliggende landerijen in De Hoef kunnen we dat een landgoed of buitenplaats noemen. En eigenlijk hoort daar dan ook nog de kerk bij. Wat minder bekend is de voormalige kloostertuin van Nazareth en nog minder bekend is de nog bestaande tuin van het voormalige Kapucijnenklooster in Handel. Uiteraard hoort in dit rijtje Historisch Groen zeker ook thuis het processiepark achter de kerk van Handel.

Landgoederen in de Peel

Behalve tuinen en parken kunnen we nog veel meer landschapselementen rekenen onder historisch groen. Bij de grootschalige ontginning van De Peel werden in het oosten van de gemeente een aantal landgoederen gesticht, die qua oppervlakte veel groter zijn dan de historische tuinen en parken van onze gemeente. Alleen al het landgoed De Stippelberg omvat samen met het Beestenveld en de gemeentebossen een aaneengesloten bosgebied van 1925 ha met in het midden ervan de villa van de familie Ledeboer. De Stippelberg is grotendeels aangeplant met dennenbossen, waardoor het als landgoed minder uit de verf komt. Dat geld overigens ook voor andere Gemertse landgoederen zoals Vossenberg, De Krim, Cleefswit en De Sijp, hoewel het aandeel cultuurland daarbinnen een stuk groter is. Cleefswit is als landgoed ook herkenbaar door de aanwezige lanenstructuur. Maar als landgoed gaat er niets boven het uitgestrekte complex van Bunthorst, Grote Slink, Vinkepeel en Aarlese Peel. Het landgoed bestaat uit twee te onderscheiden onderdelen. Op de eerste plaats is dat Bunthorst en Grote Slink als landschapspark aangelegd in de periode 1910-1917 door landschapsarchitect Leonard Springer in opdracht van Adam Roelvink. Midden in dit deel van het landgoed ligt de villa Bronlaak met daarbij de “vijver” Grote Slink, omgeven door bossen en lanen. Dit deel van het landgoed ligt in Oploo, maar het is onlosmakelijk verbonden met het Ripse deel, dat voornamelijk cultuurgrond omvat. Daarbinnen is een prachtige structuur van lanen aanwezig met daarlangs met enige regelmaat monumentale boerderijen in Friese architectuur.

Hakhout in bosjes

Het gedeelte van Gemert-Bakel dat al veel langer ontgonnen was dan het Peelgebied is van oorsprong veel kleinschaliger, alhoewel dat na de ruilverkavelingen in het eind van de vorige eeuw niet altijd direct zichtbaar is. In dat oude kleinschalige landschap kwamen ook groenelementen voor die historisch van belang zijn. Het kan dan gaan om oude bomen of struiken, maar ook om plaatsen waar al eeuwenlang begroeiing aanwezig was. We moeten ons realiseren dat er een grote behoefte was aan hout in de periode dat er nog geen aardgas, aardolie of steenkool voorhanden was. Het dagelijks potje werd op een houtvuur, al dan niet in een kachel, klaargestoomd. Verwarming in de winter en het bakken van brood vragen nog om een extra hoeveelheid hout. Natuurlijk werd in Gemert-Bakel aan de rand van de Peel veel turf gestoken en gebruikt, maar dat was ook deels voor de verkoop.

Als er veel hout wordt verbruikt, moet er tegelijkertijd voor gezorgd worden dat er in de toekomst ook hout beschikbaar blijft. Voor het geriefhout en het hout voor het vuur werd daarom het systeem van hakhout gebruikt. Hakhout in de vorm van singels, wallen of bosjes werd met een zekere regelmaat tot aan de grond afgehakt. De wortels bleven in de grond bewaard en al snel groeiden er nieuwe takken en stammen. In de loop van de tijd konden daardoor grote stoven of stobben ontstaan, waarop veel meer dan één stam groeide. Hakhoutbossen en singels zijn herkenbaar aan die stobben en stronken, die in de loop van de tijd steeds groter werden en vele jaren, zelfs eeuwen oud konden worden.

Veel hakhout groeide in kleine hakhoutbosjes op hoge en droge grond. Later werden ook in nattere delen hakhoutbossen gepland. Door eerst sloten te graven en de tussenliggende stroken tegelijkertijd op te hogen werd ervoor gezorgd dat de bomen niet continu in het water stonden. Op veel plaatsen komen we deze hakhoutbossen op rabatten, zoals de verhoogde stroken grond werden genoemd, nu nog tegen.

Houtwallen en steilranden

Het meeste hakhout groeide echter niet in bossen maar op wallen en steilranden. Feitelijk gaat het steeds om begroeiing op de grens van oude akkers. De akkers werden niet alleen met houtwallen omgeven voor de productie van hakhout, maar tegelijkertijd dienden de houtwallen als omheining en veekering, zodat het vee dat in de omgeving van de akkers graasde, het gewas op de akkers niet kon vertrappen. Op die manier sneed het mes aan twee kanten. Bovendien zorgden de houtwallen voor beschutting van akkers en dienden ze ook om stuifzand in te vangen. Verspreid over de gemeente Gemert-Bakel komen we meerdere oude houtwallen tegen, die inmiddels hun functie verloren hebben. Bovendien is er inmiddels eerder een houtoverschot dan een tekort, zodat de oude hakhoutwallen en hakhoutbosjes niet meer regelmatig worden gekapt. Inmiddels zijn de meeste wallen begroeid met opgaande eiken. Een aantal jaren geleden is er een initiatief geweest om hakhoutwallen in de gemeente te inventariseren en zo veel mogelijk oude houtwallen weer in ere te herstellen. Dat gebeurt dan door de meeste opgaande bomen te kappen, zodat de oude stronken weer opnieuw jonge scheuten kunnen produceren. Het onderhoud is in handen van de actieve natuurwerkers, die niet alleen aandacht hebben voor de natuur in de Handelse bossen, maar daarnaast ook aandacht hebben voor cultuurhistorische landschapselementen zoals hakhoutwallen.

Op de rand van oude akkers komen niet altijd verhoogde wallen voor. Aanvankelijk zullen ze wel aangelegd zijn, maar in de loop van de eeuwen werden de akkers door het systeem van bemesting steeds verder opgehoogd, soms tot meer dan een meter. Op die manier kwam het oppervlak van de akker hoger te liggen dan de oorspronkelijke houtwal. Aan de rand van de akker ontstond op die manier een steil oplopende helling, een zogenaamde steilrand. De steilranden waren ook begroeid met hakhout en dat houtgewas zorgde er tegelijkertijd voor middels de wortelstronken en stobben, dat de steilrand intact bleef en niet kon wegspoelen.

Vooral in Bakel en Milheeze waren relatief veel steilranden als akkergrens aanwezig. De meesten zijn door egalisatie inmiddels verdwenen, maar het nog aanwezige aantal is nog behoorlijk groot.

Het meest opvallend is dit verschijnsel als meerdere akkers met steilranden bij elkaar liggen. In Bakel is dat op één plaats het geval. Op Geneneind ligt een zandpad juist tussen twee akkergebieden met steilranden. Daardoor heeft dat pad de vorm van een holle weg gekregen.

Hakhout op stuifduinen

Waar vooral veel hakhout werd aangelegd zijn de gebieden waar stuifzanden ontstonden door het overmatig maaien en plaggen van de heide. De bossen aan de noordkant van Bakel zijn daarvan goede voorbeelden, maar ook de stuifzanden ten zuiden van De Mortel en de hoge stuifzandbergen in Handel. Alhoewel veel van deze oude hakhoutbosjes later omgevormd zijn naar dennenbossen, zijn de eiken hakhoutstoven nog op veel plaatsen aanwezig.

Perceelsrandbegroeiing

Niet alleen oude akkers werden omheind in verband met loslopend vee. Ook tuinen en weilanden werden omheind. Omheiningen zijn er in meerdere soorten, maar het meest werd toch gebruik gemaakt van natuurlijke vormen van veekeringen. Weidepercelen in natte gebieden werden van elkaar gescheiden door slootjes, die de waterafvoer regelden, maar tegelijkertijd werden aan beide zijden van de sloot dicht tegen elkaar overwegend elzenbomen gepland. Deze elzenheggen dienden niet alleen als versteviging van de slootkant en als veekering, maar tegelijkertijd voor de houtproductie. Ook de elzen werden als hakhout onderhouden en dat betekent dat er elke vijf tot acht jaar hout geoogst kon worden. De gekapte elzenstammen groeiden weer uit tot een dichte heg.

Het systeem van perceelsrandbegroeiing met elzenheggen in de natte weidegebieden zorgde voor een kleinschalig, maar vooral voor een besloten landschap. De weidepercelen waren klein en het aantal slootjes en elzenheggen was daarom aanzienlijk. In het begin van de twintigste eeuw waren de Brabantse weidegebieden uitgegroeid tot een coulissenlandschap. Achter elke heg dook weer een nieuwe heg op.

Hagen

Terwijl in natte weidegebieden de elzenheg of elzensingel de overhand had, werden op de drogere gronden als omheining vaak hagen gebruikt. Vooral de meidoornhaag kwam veel voor. Niet alleen door zijn stugheid, maar vooral door de vervelende stekels is een meidoornhaag echt ondoordringbaar, zeker als de heg jaarlijks wordt geknipt. Veel boerenerven, maar zeker de boomgaarden die erbij hoorden, werden omgeven door een meidoornhaag. Sporadisch komt de meidoornhaag ook voor als omheining van percelen in het buitengebied. Hetzelfde geld voor de veel vriendelijkere beukenhaag, waarvan in het buitengebied op Milschot en op Geneneind nog exemplaren voorkomen, die overigens niet meer regelmatig geknipt zijn en daarom inmiddels flink zijn doorgeschoten.

De meidoornhaag werd al in de middeleeuwen toegepast als omheining van belangrijke ontginningscentra. Het is opvallend dat in de directe omgeving van oude middeleeuwse kastelen en kloosters de naam Haag als straatnaam veelvuldig voorkomt. Dat is ook in Gemert het geval. Het tracé van De Haag vormde aanvankelijk de grens van het centrale bezit van de familie Van Gemert rond hun oude kasteel Het Hooghuis. Dat domeinbezit was ongetwijfeld met een meidoornhaag omheind. Als later buiten dat domeingoed bewoning ontstaat en dus ook een weg, krijgt die als vanzelf de naam De Haag.

Landweren

Ook in Milheeze kennen we een straatnaam De Haag. Daar gaat het niet om de omheining van een middeleeuws eigendom, maar veel meer om een verdedigende omheining een eind buiten het dorp in de vorm van een landweer. Het exacte tracé ervan kennen we niet, maar de vorm van de landweer zal niet veel afwijken van de standaard: een wal met aan weerszijden een greppel en boven op de wal ondoordringbare begroeiing, meestal in de vorm van meidoorn. Aanvankelijk zullen de meidoornhagen zogenaamde vlechthagen geweest zijn. De stammetjes van de haag werden deels ingekapt en horizontaal omgebogen en op die manier in elkaar vervlochten.

Op de landweer bij de Snelle Loop tussen Gemert en Aarle-Beek was ook begroeiing in de vorm van een vlechtheg aanwezig. In getuigenverklaringen in verband met de geschillen rond de Snelle Loop wordt niet alleen gemeld dat er een “beheyming” op de wal aanwezig was, maar ook dat die van Gemert nooit “gewrocht” hebben aan die wal. We kunnen dat moeilijk anders interpreteren dan dat er een vlechthaag op de wal van de landweer aanwezig was.

Op het erf

De plaats waar historisch gezien ook altijd al “groen” voorkwam is de ruimte rondom de woning, op het erf dus.  De meeste erven waren boererven met een traditionele indeling: een woonerf ter hoogte van het woongedeelte van de boerderij en een bedrijfserf ter hoogte van stal- en schuurgedeelte.

Voor het woongedeelte van de boerderij ter hoogte van de voordeur kwamen meestal drie à vier lindebomen voor. Ze hebben meerdere functies. Omdat ze veel water nodig hebben zorgen ze ervoor dat het woongedeelte (in ieder geval in de zomer) relatief droog bleef. De tweede functie is beschutting voor het strooien dak tegen storm. Soms zijn het leilinden, soms geknotte linden. De laatste soort kon ook als bliksemafleider dienen.

Behalve lindebomen kende het woonerf een groentetuin, maar veelal ook een al dan niet afzonderlijke bloemhof. Vaak ligt de bloemhof dicht bij de voordeur, meestal zelfs recht ervoor. De bloemhof werd dan gescheiden in twee delen door een pad recht tegenover de voordeur. De bloemhof werd omgeven door een heg, meestal beuk, soms liguster.

Om praktische redenen stonden de verschillende plantensoorten bij elkaar. Zo was er naast de eigenlijke bloemhof, die nagenoeg alleen bloemrijke planten kende, ook een kruidengedeelte met fijne keukenkruiden, waarbij soms ook de kleine groentesoorten zoals sla, spinazie, radijsjes, e.d. voorkwamen. In de bloemhof ook altijd een buxusstruik (palmbos).

Uit: Willem Iven, Miet, uitgeverij Distel, Den Bosch 1978

Het boek gaat over Miet en Thidder, boerin en boer waren op het Muizenhol in Bakel.

Willem Iven gebruikte zijn eigen spelling van het dialect. Onderstaande tekst is niet omgespeld naar de standaardspelling, maar de schrijfwijze van Willem Iven is gehandhaafd.

Wel moet ik iejt opschreeve ovver d’n hof van Miete. ‘K zow Miete gruuwluk te kort doewn as ‘k dè zow vergète.

Miet durren hof waor ungevijer tiggenovver de vurste deujr. Dè waor ‘ne vrekte schonnen hof. Zô stillekes schon laog die daor alzelève mar hof te zin en volop bluumkes en gruuntes te geve. In Thidderen hof aachter de vèrrekes dor groeide niks as wa grof spul, van die knoepers van kolle en prèj en boeremoes en vruujg erpel. Mar in d’n hof van Miete dor stonne de bluumkes.

‘T waor ‘ne goeie wèrmen hof. De buujkeheg ‘r umhinne waor hog en dik en deecht. Dor woonden aalt merlingen in en blaowpeepkes. En ok mölders woonden daor zat.

……

Ge hadt daor ‘nen hofpad, temidde deur d’n hof hinne van ’t portje nor aachtere. Dor nève stonne vnalderhaande plentjes. ‘N hil dil snuffelkes en maogdepelmkes, van die merste vjoiltjes en lievermennekes. En dan ha Miet daor growte bedde mî vnalderhaande flokse en mî de knillusroze en de poslillies en de keizerskrowne. En in de zommerdag blöjde dor de Jozzuplillies. En in de mèj de vraowehartjes. Oonder d’m mispelenbos wiesse ‘ne maacht van die wilde hiesintjes van die blaow. En dor kroop ’t zliefvraowebedstrowwe ok nor alle kaante hinne. As de weenter hillemol vurbij waor gong Miet al die kistjes mî gladjole en daliejasse zette, die ze glijk aachter op stal ha bewaort. En die blöjde dan in augustus dè ’t vrekte. Al ’n mond of wâ eerder stonne de zoomeraasters en de ridderspore en slaopmutskes volop mî de bloeme. En ok de kattestarte en d’ammerante en de stroj-bluumkes. En toch waore die ammel pas in april gezèjd. De slaopmutskes gonge glijk dicht tigge den tijd dè de bibbervleenderkes begozze te vliege en de tunnisbloeme owpe gonge. En as ’t dan nie te veul wèjde kooste ge dan de kamperfoelie zroike, die daor dör de heg hinne wies.

Naast een bloemhof was er een moeshof met groenten op het erf. Allerlei traditionele groenten kwamen daarin voor, zoals wortels, diverse soorten bonen en koolsoorten. Niet alleen de moeshof, maar ook veel van die traditionele groenten zijn we inmiddels vergeten. In de tuinen van VELT op Schoorswinkel en bij De Wilde Bertram worden een aantal van die “vergeten groenten” weer verbouwd.

Verder hoort er op het traditionele boerenerf een boomgaard met hoogstamfruitbomen en verschillende bessenstruiken. De boomgaard werd omgeven door een haag, meestal een meidoornhaag. Aan de rand van het erf stonden meestal hoogopgaande bomen zoals kastanje, walnoot, beuk en eik. Soms ook fruitbomen als er geen afzonderlijke boomgaard was.

Op het erf werd vaak ook plaats ingeruimd voor vlierbossen en mispels.

Bijzondere bomen

Over historisch groen of groen in de historie zijn veel bijzonderheden te melden. Veel meer dan in het kader van dit artikel aan de orde kan komen. Zo heeft er een aantal jaren geleden een inventarisatie plaatsgevonden van oude en bijzondere bomen. Een groot aantal is geïnventariseerd en komen voor op plaatsen die je niet zou verwachten. Het gaat om o.a. eiken, beuken, kastanjes en lindebomen. De dorpslinde van Handel is een voorbeeld dat vermelding verdient, maar dat geldt ook voor de bijzondere bomen op het oude kerkhof van de St Janskerk in Gemert. We gaan er nu niet verder op in, maar maken graag een uitzondering voor een echt historische boom in Gemert, die ook al eeuwen geleden verdwenen is. Het gaat over een oude eik, waaronder rechtszittingen plaatshadden. Het verhaal gaat dat oude, soms heilige eiken een belangrijke rol gespeeld zouden hebben in de rechtspraak in onze prehistorie. De rechtszittingen van de Germanen onder eikenbomen worden in geschiedenisboeken nog regelmatig aangehaald. Zo’n oude boom kennen we in Gemert of Bakel niet, maar het scheelt niet veel. Want in de middeleeuwen stond er een eikenboom in Gemert, waarvan bekend is dat er rechtshandelingen plaatshadden. In 1394 wordt gemeld: “…in villa de Ghemert sub arbore quercina dicta die prieel eyck …” , vertaald: “… in het dorp Gemert onder de eikenboom, die prieel eik wordt genoemd..”. Uit latere bronnen blijkt dat die bijzondere eikenboom ergens in de Haageik gestaan moet hebben. Hij was zo belangrijk en opvallend dat iedereen in Gemert hem gekend moet hebben als de eik bij De Haag. De huidige staatnaam Haageik heeft er zijn naam aan te danken.

Citaat van pater Gerlacus van den Elsen, oprichter van de Boerenbond., van zo’n honderd jaar geleden

“Terecht wordt erover geklaagd dat het volk meer en meer een zwervend leven leidt, gedurig verhuisd en geen huis, geen grond, geen dorp of stad meer heeft, waaraan het gehecht is, zelfs geen vast vaderland meer bezit. Oorzaak daarvan is mede het wegnemen van alle bekoorlijkheid aan het platteland. In plaats van de schoonheid te vergrooten, die de bewoners onbewust aantrekt, doet men door de ruilverkaveling alle boomen en struiken en vogels verdwijnen. Waar men alleen aan den grond hecht, zoolang hij een bron is van winst, daar is geen vaderlandsliefde meer, zoodra die bron ophoudt te bestaan.”

Bekijk PDF

GH-2012-02 crash Elsendorp 26 juli 1943

Ruud Wildekamp, Bernard Ploegmakers en Ad Otten

Op 16 mei 2012 maakte Joe Brazil met zijn echtgenote en kinderen Nathan en Anna uit Canada, kennis met ooggetuigen, materiële slachtoffers en niet te vergeten met de kinderen van de helpers van zijn vader die aan de dood ontsnapte bij de crash van een Lancaster-bommenwerper die plaats vond in de nacht van 25 op 26 juli 1943 te Elsendorp op het landgoed Cleefswit.
In de hele omgeving waren destijds boerderijen zwaar beschadigd door de ontploffingen van een deel van de meegevoerde bommen. Joe’s vader, Jim Brazil, een Canadees, was de radiotelegrafist van deze Lancaster.
Vijf medebemanningsleden moesten de explosie vrijwel onmiddellijk met de dood bekopen. Drie bemanningsleden, waaronder Brazil, wisten met hun parachute veilig te landen en kregen hulp van de lokale bevolking.
Tot voor kort wist de familie Brazil enkel van hun vader dat de “pilotenredder” Arie Eikelenboom heette en dat vader Jim bij hem een tijdelijk onderduikadres had gevonden. Eerst in de hooischuur achter de boerderij (de Marie-Paulinehoeve op De Sijp), en later bij de hem bevriende familie De Rooi op de Vossenberg.
Na de oorlog kregen Arie Eikelenboom sr. en Teun de Rooi, die behalve Jim Brazil nog meer leden van vliegtuigbemanningen hadden geholpen, een speciale oorkonde van The President of The United States of America, Dwight D. Eisenhower. Hen viel ook een Engelse oorkonde ten deel waarin o.a. staat: As a token of gratitude for and appreciation of the help to the Soldiers and Airman of the British Commonwealth of Nations, which enabled them to escape from, or evade capture by the enemy. De families Eikelenboom en De Rooi waren dan ook Nederlandse burgers, die met gevaar voor eigen leven hulp boden aan geallieerde soldaten.
Na de kennismaking op de Marie Paulinehoeve waar de destijds vijfjarige Arie Eikelenboom jr., in de hooischuur demonstreerde hoe snel men daar met hooipakken een volledig onzichtbaar onderkomen kon creëren, werd op Cleefswit vervolgens de crashplek bezocht waar een krans werd gelegd op de plaats waar destijds de inslagkrater lag en drie voormalige collega’s van Jim Brazil, tijdelijk waren begraven. Geëmotioneerd werd ook kennisgemaakt met brokstukken van de Lancaster die al eerder waren verzameld door Sjaak de Veth. Op aanwijzingen van De Veth vond de familie zelf ook nog enkele restanten in de bodem.

Uit archiefbronnen en publicaties1 kan over de crash en de bemanning nog het volgende worden gedestilleerd: Om half één in de vroege morgen van woensdag 26 juli 1943 vond boven Gemert en omgeving een luchtgevecht plaats waarbij de Lancaster die in die nacht werd neergeschoten door de Messerschmitt Me 110G nachtjager van de kommandant van Nachtjagdgeschwader 1, Majoor Werner Streib. Streib was opgestegen van het vliegveld bij Venlo en, samen met zijn radiotelegrafist Helmut Fischer, wist hij die nacht vier Britse bommenwerpers neer te halen. De viermotorige bommenwerper, Lancaster Mk.III (JA 855, PM-A) van 103 Squadron, stortte brandend neer en kwam terecht in een aardappelveld van boer Sevenster op Cleefswit, aan de westzijde van het kerkdorp Elsendorp. Ze was op 25 juli 1943 om 21.57 uur opgestegen van de RAF-basis Elsham Wolds in het Graafschap Lincolnshire. Die nacht waren ruim 700 bommenwerpers op weg naar de industriestad Essen. Tijdens de laatste ogenblikken van de vlucht werd nog een deel van de bomlading gelost. Een bom viel in het domein Koolberg te Westerbeek waar het nogal wat schade veroorzaakte aan huizen en gebouwen. Ook aan de Krommeweg (bij fam. Kanters, nu Gerele Peel) in Elsendorp explodeerde een bom en bleef een blindganger liggen. In de omgeving werd aanzienlijke schade aan enkele boerderijen aangericht. Bij de inslag explodeerde een groot deel van de bomlading van het vliegtuig en de brokstukken werden over een groot gebied verspreid. Bij vertrek bestond de bomlading uit drie bommen van 1.000 lbs, een van 4.000 lbs en 540 brandbommen van 41, 48 en 30 lbs. Daarnaast bevond zich nog een photoflash-bom van 51 lbs aan boord.
Het aardappelveld van boer Sevenster was over een oppervlakte van circa 8.000 m2 vernield en de explosie had in het midden een grote krater geslagen. In de directe omgeving van de krater lagen de lijken van twee van de inzittenden. Deze doden, schutter Sergeant James Henry Thornton en mecanicien Sergeant Kenneth Charles Tate, werden aan de rand van het perceel tegen de bosrand tijdelijk begraven en hun graven voorzien van een kruis. Tate was echter op dat moment nog een onbekende. Beide werden op 29 juni begraven op de begraafplaats ‘De Oude Toren’ te Woensel, Thornton grafnummer EE-83 (later EE-93) en Tate nummer EE-84. Een dag na de crash werden, vlakbij de plaats van het ongeluk, nog resten van een derde dode gevonden, navigator Pilot Officer John Albert Basil Cooper uit Australië. Ook hij kreeg in eerste instantie een veldgraf in de bosrand, ook als een onbekende. Hij kreeg op 31 juli een laatste rustplaats te Woensel, grafnummer EE-91. Dezelfde dag werd op zo’n 9 kilometer ten zuidoosten van Elsendorp in de gemeente Oploo tussen Westerbeek en Vredepeel, het lijk van bommenrichter Sergeant Georg Harry Newbolt gevonden. Hij werd op het militaire kerkhof van Venlo begraven en na de oorlog overgebracht naar de begraafplaats Jonkerbos in Nijmegen. Het lichaam van tweede piloot Flight Sergeant Kenneth Archer werd eerst op de 29ste gevonden door Duitse militairen die het wrak bewaakten. Zijn lijk lag in een perceel rogge op zo’n 100 meter van het wrak. Ook hij zou op 3 augustus zijn laatste rustplaats vinden bij ‘De Oude Toren’ te Woensel, eerst in graf EE-93 en later in EE-83. De militairen die het lichaam van Archer ontdekten, vonden verder nog een niet ontplofte bom in hetzelfde roggeveld. De nabijgelegen boerderij van Bert Kanters die al veel schade had geleden bij de crash – het dak lag er deels af en de kozijnen met de ramen lagen er uit – werd nu geheel ontruimd en ook de buurtbewoners moesten evacueren. Vader Bert en zoon Harrie Kanters sliepen op door de raamopening naar buiten getrokken bedstukken in een nabije sloot tot het explosief op 5 augustus onschadelijk was gemaakt. Tot dat moment leverde de politie van Gemert bewaking bij de bom.

Drie bemanningsleden, piloot Squadron leader G.R. Carpenter, bommenrichter Sergeant J.M.I. Bucklitsch en radiotelegrafist Sergeant Jimmy L. Brazil hadden het brandende toestel nog op tijd met het valscherm kunnen verlaten. Bucklitsch liep na zijn landing naar de boerderij van boer Bontrup aan de Eerste Stichting te Oploo (nu Gemertsebaan 4). Hij klopte daar aan, werd binnengelaten, te eten gegeven en te slapen gelegd. Terwijl hij sliep werd de burgemeester van Sint-Anthonis geraadpleegd wat met de Engelsman te doen. Deze vroeg aan Bucklitsch wat hij wilde, ontsnappen of in krijgsgevangenschap. De Schot koos voor het laatste waarna de burgemeester hem na enige tijd overdroeg aan de Duitsers van Fliegerhorst Eindhoven (vliegveld Welschap). Carpenter vond na zijn sprong onderdak bij boswachter Loeffen en bij J. Verbeek in Sint Anthonis, het plaatselijke hoofd van ‘gemeentewerken’. Ook Brazil wist te ontkomen door zich verborgen te houden in een hooiberg bij Arie Eikelenboom op de Sijp. Van daar kwam hij bij Teun de Rooi op de Vossenberg onder Elsendorp. Ook hij kwam daarop bij de families Loeffen en Verbeek waar hij Carpenter weer ontmoette. Samen werden zij door de ondergrondse van Sint Anthonis naar Weert geholpen. Via het Belgische Bree kwamen ze in Brussel waar ze werden ondergebracht in een schuilwoning van,, wat naar later bleek,, de Belgische verrader Prosper de Zitter.2 Van Brussel ging het naar Parijs waar ze, met nog zeven andere aan arrestatie ontsnapte bemanningsleden van geallieerde vliegtuigen, werden gearresteerd. Na een maand van intensieve verhoren door de Gestapo in Fresnes werden ze overgebracht naar het doorgangskamp voor Royal Air Force gevangenen Dulag Luft in de omgeving van Frankfurt en vervolgens naar het krijgsgevangenenkamp Stalag IVB tussen Leipzig en Dresden.3

NOTEN:
1. Gemeentearchief Gemert-Bakel – AG009 Gemeentepolitie Gemert, omslag 77, PV’s 1943, PV’s 649 en 672; Politioneel maandrapport 15.7 t/m 14.8.1943; en brieven in map Gemertana 814.
NIMH, Archief KLu, dossier Luchtoorlog 1940-1945 doos Individuele Crashes 16.6.1943-31.7.1943;
RHCE, Archief Gemeente Secretarie Eindhoven, dossier Oorlogskerkhof De Oude Toren te Woensel, Begrafenisregister.
BAMA, RL 20/246 Kriegstagebuch No.6 Kommando Flughafenbereich 6/III Gilze-Rijen
Sjang Hoeymakers, Wat er van boven kwam in 1940-1945, in: Gemerts Heem jrg.26 (1984) nr.1. p.18-19.
J.M. van Kimmenade-Beekmans, Gemert bezet – Gemert bevrijd, Gemert 1994, p.137.
M. van Sleeuwen, In: Oorlog aan de Maas, Boxmeer 1994, p.81.
W.R. Chorley, Bomber Command losses 1943, Earl Shilton (Leicester), 1996, p.242.
Kees de Bruijn, Speciale dank voor ‘pilotenredders’ uit Elsendorp, in Gemerts Nieuwsblad 22 mei 2012.
http//roodbont.blogspot.com/2007_11_01_archive.html;
2. Prosper de Zitter werd na de oorlog in Duitsland gearresteerd en aan België uitgeleverd. Een Belgische krijgsraad veroordeelde hem tot de dood. Dit vonnis werd op 17 september 1948 door een vuurpeloton in de Rijkswachtkazerne van Elsene voltrokken.
Gemeentearchief Gemert-Bakel, brieven in map Gemertana 814.
www.verzet.org;
3. Dulag Luft lag in Oberursel in de omgeving van Frankfurt; Stalag IV-B was één van de grootste krijgsgevangenenkampen in Duitsland. Stalag is een afkorting voor Stammlager. Stalag IVB was gelegen bij Mühlberg (Brandenburg) in de omgeving van Dresden.

Met dank aan Ad van Zantvoort, Thijs Hellings (www.planehunter.wordpress.com), Adriaan Bevers en Sjaak de Veth.

Bekijk PDF

GH-2012-02 De landweer tussen Boekel en Gemert en de Logtwalpaal

Jan Timmers

In Gemerts Heem is al vaker aandacht besteed aan landweren. Een van de landweren lag op de grens van Boekel en Gemert. Die grens wordt nu voor een belangrijk deel gevormd door de Landmeerse Loop. We weten inmiddels dat dat geen schrijffout is voor Landweerse Loop. De naam landmeer komt al lang voor en betekent kortweg ‘landsgrens’1. Landweer en landmeer werden door elkaar heen gebruikt.

De landweer op de grens tussen Boekel en Gemert is al heel lang geleden aangelegd. In een schepenakte van 1484 lezen we: “land, hey en wey beneven de lantweer van Gemert op Espdonc”. Iets eerder in1478: “Everart Jans van Vaerlaer en zijn zoon Michiel bezitten de hoeve tot Strijbosch te Haendel tussen die hoeve tot Haendel en die lantweer van Boekel en met beider einden aan de gemeynt van Gemert”.

De vroegste vermelding vinden we in de Bossche Protocollen betreffende Boekel in 1437: “Land die Haendonck tussen de landweer van Gemert en die Haenrehey”2.

Uit deze vermeldingen blijkt niet alleen dat de landweer al in 1437 bestond, maar ook dat hij zowel ter hoogte van Esdonk voorkwam als ten noorden van Handel. Hij zal zich hebben uitgestrekt vanaf de Aa tot voorbij Huize Padua, waar destijds het peelgebied begon. Het gaat dus om het westelijk grensgebied, waarvan aan het eind van de middeleeuwen al grote delen ontgonnen waren. Op dat deel van de grens werd dus een wal met aan weerszijden een greppel aangelegd. Het werd afdoende gevonden om de grens in het voormalige peelgebied aan te geven door middel van grenspalen.

De landweer heeft lange tijd bestaan. In het cijnsregister van de Kommanderij Gemert lezen we in 1737 en 1746 over de verkoop van “nieuwe erven” aan Arnoldus Jansen Bevers uit Boekel. Eén van de percelen lag met één eind aan “den Boeckelsen landtweer”. Een aangrenzend perceel lag “aen de Veerheijde alhier gelegen, noordtwaerts de landtweer”.3

De huidige Landmeerse Loop op de gemeentegrens geeft ongetwijfeld het tracé weer van de voormalige landweer, althans voor zover die waterloop de gemeentegrens volgt. Ter hoogte van Handel volgt de waterloop de grens niet meer.

Op een kaart die getekend werd bij gelegenheid van een akkoord over de grens tussen Boekel en Gemert in de periode 1663-1665 wordt de landweer vermeld. Het fragment van die kaart dat betrekking heeft op de landweer wordt bij dit artikel afgedrukt. In de toelichting bij de kaart wordt aangegeven: “Verders is ons een gedeelte van de limitscheijding ofte landtweer aengeweesen ende staet in figure geteekent met de letteren D.C.B.A.”.4 Letter D staat op de plaats waar de weg van Handel naar Boekel de grens kruist bij de oude kluis van Huize Padua. De grens verloopt vanaf dat punt niet in een rechte lijn naar het westen (in de figuur is dat naar beneden; het noorden ligt links). De letter B geeft het punt aan waar de grens de Landmeerse Loop verder volgt. Nog verder naar het westen bij punt A kruiste de “Ons Lieve Vrouwe straet of steeg” de grens.

Opvallend is punt C. Daar is op de kaart een grenspaal getekend. Verder zien we tussen C en B de Hulsbosberg. Dat zijn de stuifduinen op de gemeentegrens waar de motorcrossbaan van Boekel deels gebruik van maakt.

De grenspaal op de kaart van 1664 zien we ook terug op de kaart van de provincie Noord-Brabant van 1841.5 De grens tussen Boekel en Gemert is op die kaart aangegeven en we zien daar hetzelfde grillige verloop van de grens als in 1664. De huidige gemeentegrens is overigens ook nu nog hetzelfde.

Op de kaart van 1841 zien we niet alleen de grenspaal (G.Paal) bij de kluis (letter D op de kaart van 1664), maar we zien ook een grenspaal met de naam Logtwalpaal getekend. Het is de grenspaal die op de kaart van 1664 bij de letter C staat aangegeven.

De naam van de paal is in dit geval belangrijk. Logtwalpaal betekent de grenspaal die op de Logtwal staat. Die naam op zijn beurt is de wal die ligt bij buurtschap De Logt en dat is het gebied van Boekel juist ten noorden van de grens. Belangrijk is dat hier dus een wal lag, een verhoging op de grens. Daarmee kan bijna niets anders bedoeld worden dan de wal die onderdeel is van de voormalige landweer. De landweer moet hier de grens gevolgd hebben.

Wanneer we nu ter plaatse het landschap bekijken zien we van de voormalige landweer bar weinig terug. Maar toch…., op zoek in de bossen op Strijbosch op de grens van Boekel en Gemert, daar lijkt toch een restant van de oude wal aanwezig te zijn.

Een wandeling vanaf De Specht in Handel is sowieso de moeite waard, maar zeker als je na even zoeken nog een stukje van de voormalige landweer terugvindt.

NOTEN:

1. Jacques van der Velden, Landmeer verklaard; Gemerts Heem, jrg 51 (2009) nr 2, p. 17-21.

2. De vermeldingen zijn uit de Gemertse schepenprotocollen van 1484; en verder van de fiches van de Bossche Protocollen betreffende Gemert (1478) en Boekel (1437).

3. Cijnsregister van de Kommanderij Gemert, AKDOG 1054, f247 en f 250

4. De kaart is een kopie, gemaakt door landmeter Adriaan Coppens in 1794 van een kaart uit 1664 van de grens tussen Boekel en Gemert. De kaart bevindt zich in het Oud administratief archief Boekel inv nr 97 en in de collectie kaarten van streekarchief Brabant-Noordoost, inv nr 1005. De bijbehorende overeenkomst is te vinden in AKDOG inv nr 34.

5. Collectie kaarten en tekeningen van het Rijksarchief in Noord-Brabant, nummer 890. Kaart der Provincie Noord-Braband, achtste blad, anno 1841.


Bekijk PDF

GH-2012-02 Uit het oud-rechterlijk archief van Gemert

Simon van Wetten

1795

Studentenopstand

Het was barstens koud, die 19e februari. Het vroor dat het kraakte, ook overdag. Het kacheltje in de Latijnse school had geen schijn van kans. Acht studenten uit de middenklas, het 2e jaar, vroegen aan professor Snoeckx of het niet beter was voor één keer de syntaxis de syntaxis te laten en warmere oorden op te zoeken. Snoeckx was de kwaadste niet en hij had het bovendien zelf ook heel koud. Hij liet zijn ogen over het groepje studenten dwalen.
‘Cornelius van der Sanden. Gaat gij de eerwaarde heer pastoor vragen of hij verlet wil geven en mocht dat zo zijn, ga dan ook naar het huis van rector Smits, opdat hij weet dat er geen les zal zijn.’
Cornelius kweet zich uitstekend van zijn taak en wist permissie van de pastoor te krijgen om uit school weg te blijven. Alleen rector Smits was niet thuis.
De volgende ochtend, het was niet meer zó steenkoud, gingen de studenten weer naar school. Bij de deur stond rector Smits.
‘Ik doe geen school vooraleer gij ieder een schelling boete betaalt. Zo maar de school verlaten, zonder mijn toestemming!’
Cornelius trad dapper naar voren.
‘Heer rector, de pastoor heeft ons vanwege de koude toestemming gegeven. Ik ben nog bij u aan de deur geweest om het te zeggen, maar u was niet thuis.’
Maar Smits hield voet bij stuk. Een schelling boete! De studenten keken elkaar aan. Een schelling, dat is zes stuivers, een hoop geld voor een arme student. Een knikje van Cornelius was genoeg: de middenklas draaide zich om en liep weg. Rector Smits bleef achter, met stomheid geslagen. Dit was nog nooit vertoond!
De studenten zijn van de school naar de pastorie gewandeld. De pastoor zei hen die dag nog maar een keer uit school te blijven. Hij zou met de rector gaan praten.
Echter, om de een of andere reden is de pastoor niet met de rector, maar met professor Snoeckx in conclaaf gegaan. Hij vroeg hem de studenten te verzoeken toch maar de boete te betalen, dat scheelde een hoop gedoe.
De arme Snoeckx werd zo behoorlijk in gewetensnood gebracht. Hij bood de studenten aan de boete uit zijn eigen beurs te betalen, maar die weigerden dat. De pastoor had toch permissie gegeven om uit school weg te blijven? Nee, zij zouden nog liever voorgoed vertrekken uit school, zeker ook omdat zij zaken dienden te leren als het maken van almanakken en het vervoegen van Nederduijtsche werkwoorden als ‘hebben’, ‘zouden’ en ‘laten’.
‘Nederduits! Terwijl onze ouders toch betalen om ons in het Latijn onderricht te laten krijgen.’ En dan nog iets: tussen Allerheiligen laatstleden en Vastenavond laatstleden hebben de studenten van de eerste en de tweede klas steeds dezelfde lessen gehad!’
De kwestie kwam de schout en schepenen ter ore en zij bemoeiden zich ermee. Als er zo’n forse groep studenten zou vertrekken, dan zou dat tot grote schade van de gemeente kunnen leiden. De naam en faam van de Latijnse School en daarmee van Gemert stond op het spel! Daarom vroegen de schepenen aan professor Snoeckx om de dissidente studenten weer toe te laten tot de school en te kijken wie zolang rector ad interim zou kunnen zijn. Aan rector Smits werd gevraagd zijn visie op de zaak te komen geven. Nou, dat wilde Smits wel doen!
‘Ik vind dat Snoeckx zeer verkeerd heeft gehandeld door de studenten toch de school binnen te laten en daar ook nog een ad interim bij te halen. Het vertrek van die studenten is mijns inziens om schijnredenen gebeurd. En het kan zijn dat ik niet thuis was op het moment dat een student iets kwam mededelen, maar dan hadden ze later nog maar eens terug moeten komen.’
Verder ging de rector in op de kritiek aangaande de lesstof.
‘Degenen die tegenwoordig naar de Latijnse school worden gezonden, móéten wel eerst in hun moederlijke taal onderwezen worden. Ze beheersen die taal namelijk bij lange na niet voldoende. Ik ben in de Latijnse scholen van de stad Gelder en ook van Venraij geweest en daar doen ze het ook zo. Immers, anders gaat het leren van het Latijn geheel kreupel! En het maken van almanakken? Dat is bedoeld om de tijdrekening in de bijna ontelbare brieven van Cicero uit te leggen.’
Angst voor vertrek van de studenten naar een Latijnse School elders vond Smits onterecht. Ook op andere scholen zouden de studenten worden behandeld zoals hier in Gemert.
‘Een opgelegde rechtvaardige straf zal ook op elke andere school ten uitvoer worden gebracht.’
Nog één ding moest Smits van het hart.
‘Ik heb één van die wederspannige studenten horen zeggen: Ik wou dat wij maar betaald hadden op den eersten dag!’
(Bron: R75, blz. 13, 14)

Bekijk PDF

GH-2012-02 De Verdiensten Van To Werts (1917-1998) voor de studie van het Gimmers

Wim Vos

Tijdens het invoeren van gegevens in de database voor de 2e druk van het Gemerts Woordenboek kreeg ik van mijn broer Piet Vos kopieën van twee vragenlijsten van het Centraal Bureau voor Nederlandsche en Friesche Dialecten, een toegift bij twee ontbrekende lijsten en van een brief met nog een ’toegift’, een lijst met woorden waarnaar eigenlijk niet gevraagd was.1 De lijsten en de toegiften stamden uit de jaren dertig van de vorige eeuw, geschreven in het handschrift van van To Werts, onderwijzeres. Zij woonde toen aan het Binderseind C111. Dat is het inmiddels gesloopte ‘Melkhuis’, waar zij tot het voorjaar van 1938 woonde met haar vader Jan Werts (1867-1939), haar broer Fridus (1910-2003) en haar zus Jo (1905-1992). Op 3 mei 1938 trouwde Fridus met Dina van Erp (1913-1980). Zijn vader Jan (die ook nog negen dochters had) verhuisde met zijn twee nog niet uitgevlogen dochters Jo en To in het voorjaar van dat jaar naar het inmiddels aangekochte pand aan de Rips (een van de herenhuizen die ‘de Engelenburg’ genoemd worden), waar tot voor kort wijlen Martien van der Wijst woonde.2

De door To ingevulde lijsten en de toegift vielen op door hun nauwkeurigheid en zeker ook door het fonetisch schrift waarin de woorden en uitdrukkingen genoteerd waren. Haar zegsman was haar vader Jan Werts, landbouwer. To gaf er blijk van dat ze een meer dan gemiddelde taalkundige kennis bezat door het gebruik van termen als syncope, enz., en door het signaleren van allerlei typische kenmerken van het Gímmers. Mijn nieuwsgierigheid was gewekt en ik besloot dat wat meer informatie over haar gewenst was om haar beter te kunnen plaatsen in het rijtje van in dialect geïnteresseerde Gemertenaren, zoals Gerlacus van den Elsen, Pastoor Poell, Martien van der Wijst (oud-secretaris van onze kring en auteur van de Gemertse Woordenlijst), enz.. Door bemiddeling van haar neef, dr. Jan Werts uit Brussel, kreeg ik een korte schets van haar leven van haar dochter Annemies van ’t Hooft. Mijn vermoeden dat To een meer dan gewone belangstelling had voor taal, bleek ook uit haar verhaal, dat ik hieronder, vrijwel letterlijk, laat volgen.

To Werts, geboren 30 januari 1917 in Gemert, overleden 17 november 1998 in Apeldoorn, gehuwd met Louis van ’t Hooft uit Hoensbroek op 18 mei 1945 in Gemert.

Kort nadat zij getrouwd zijn, zijn zij uit Gemert (Binderseind) vertrokken om voor korte tijd in Den Haag te gaan wonen. Vervolgens zijn zij naar Diemen vertrokken. De langste tijd van hun leven (vanaf 1959) hebben zij in Apeldoorn gewoond.

Mijn moeder heeft de kweekschool gevolgd in Oirschot. Voor die tijd was het bijzonder om als vrouw/meisje een opleiding te mogen volgen. Mijn moeder heeft zich daar altijd bevoorrecht in gevoeld, dankbaar dat haar ouders haar die mogelijkheid hadden gegeven. Daar op de kweekschool is haar liefde voor taal en literatuur zich gaan ontwikkelen. Wat ik weet uit haar verhalen is dat zij een docent Nederlands had die haar erg inspireerde, haar wees op mooie boeken, die ze ook mocht lenen. Zij legde een dossier aan van krantenknipsels van schrijvers, schreef gedichten over van dichters als Marsman en Elschot, die zij ook uit haar hoofd leerde en nog tot op late leeftijd voordroeg. Mijn moeder was een belezen vrouw. Ze was geïnteresseerd in achtergronden.

Daarnaast ging zij op in het Brabants dialect. Liedjes, versjes, uitspraken verzamelde zij. Wat haar aansprak was, denk ik, een stukje nostalgie naar haar kindertijd en jeugd, haar ouders, broer en zussen, waaraan zij mooie herinneringen koesterde, het leven in een Brabants dorp en het tijdsbeeld van haar jeugd. Ze kon daar heel erg van genieten, soms ook kinderlijk ondeugend. Schrijven was haar passie. Mooie gedachten overschrijven, maar ook zelf schrijven. Er is veel moois uit haar pen gekomen. Zo heeft zij onder andere samen met mijn vader een boekje geschreven over hun wel en wee tijdens de Tweede Wereldoorlog, papa in Engeland en mama in Gemert.

Mijn moeder is inderdaad in Gemert begonnen met werken op de toen nog lagere school (klassen van 40-50 leerlingen) als kwekeling met akte. Daarna als leerkracht. Zij onderhield tot het laatst van haar leven nog contact met ‘kinderen’ (toen inmiddels vrouwen van in de vijftig, zestig jaar) die in die tijd bij haar in de klas hadden gezeten. Natuurlijk door o.a. te schrijven. Heel veel brieven en kaarten. Naast de kweekschool heeft mijn moeder geen andere opleidingen meer gevolgd. Maar wel heel veel zelfstudie en (levens)wijsheid gehaald uit wat zij las. Een bijzondere moeder, die haar liefde voor taal aan mij heeft doorgegeven. Ik ben haar daar, naast veel andere, lieve dingen, heel erg dankbaar voor.3

Wat de lezers van Gemerts Heem ook zal interesseren is dat To ook over haar jeugdherinneringen aan Gemert heeft geschreven. Die teksten, die een zeer levendig beeld schetsen van haar leven en het Gemertse dorpsleven, zijn door Jan van Zutphen in 1999, een jaar na het overlijden van To, gebundeld in een boekje, op verzoek van zijn oom, Louis van ’t Hooft (die toen 83 was).4 De redactie is van plan deze jeugdherinneringen uit te geven in onze reeks Busselkes. Daarvoor moeten echter eerst de talrijke Gímmerse gezegdes, versjes en liedjes in de tekst omgespeld worden in ngs (nieuwe Gemertse spelling).

Nu iets over To’s aantekeningen over het Gímmers. Ik zal me daarbij beperken tot haar opmerkingen uit haar toegift van 6 april 1936 waaruit haar taalkundig inzicht blijkt.1b Bijna al haar aantekeningen heb ik overigens al ingevoerd in de database voor de 2e druk van het Gemerts Woordenboek. In het begeleidend schrijven aan Wientjes van het dialectbureau bedankt ze hem voor de dialectkaartjes die hij haar eerder heeft gezonden. Dat verraadt al een meer dan gemiddelde belangstelling voor dialect. In de Toegift, waarin ze dus op eigen initiatief, ongevraagd, extra informatie geeft over het Gímmers, rangschikt ze Gemertse woorden onder taalkundige categorieën. Onder ‘overgangsklanken’ vermeldt ze bv. lampetèrs (:lantaarn), met de overgangsklank –mpe- tussen het eerste en laatste deel van het woord
(het fonetisch schrift dat To gebruikt, ook al een teken van bovengemiddelde kennis, heb ik ook hier overal omgespeld in ngs). Een van haar voorbeelden van ‘syncope’ (:uitstoting van een klinker of medeklinker midden in een woord) is hostal (:hoefstal, een constructie waarin een paard vastgezet kon worden om beslagen te worden; een saillant detail is dat er zo’n hoefstal stond aan de overkant van het Binderseind voor het pand van Rein van den Crommennacker, de hoefsmid, thans nr. 7, niet ver van het Melkhuis).5 To vermeldt, uiterst zorgvuldig, dat het woord hostal in 1936 nog slechts gebruikt werd door ouderen. Als voorbeelden van apocope (wegval van een letter/lettergreep aan het einde van een woord) geeft ze kie-jòs (kiosk) en Gímmers (Gemerts). Ze signaleert de invoeging van een klank in een woord, bv. misdiender (:misdienaar) en gílder (: geler, de vergrotende trap van gaël: geel). Ook de typische suizende r (of sibilantische r: een tegen de boventanden gearticuleerde R met de bijkomende eigenschap ‘spirantisch’ of ‘fricatief’; de lucht stroomt tussen de trillende tong en de boventanden door, terwijl ook de stembanden trillen) ontgaat haar niet. Ze geeft als voorbeeld het woord sriejk (:riek) en weer merkt ze op dat die suizende r voorkomt in de taal van ouderen. Het is zeer aannemelijk dat haar eigen vader, Jan Werts (1867-1939), haar zegsman, die bijzondere r nog gebruikte. Mijn vader, Jan Vos (1902-1991) gebruikte die nog, hoewel hij zich daar helemaal niet van bewust was. To had kennelijk een geoefend oor. Verderop in de Toegift geeft To zelfs reeksen woorden in aparte kolommen voor ouderen en jongeren, bv. voor onderwijzeres, haar eigen beroep. Ouderen zeiden nog metrès, jongeren zeiden toen al ónderwejzerès, ouderen zeiden nog verkèt (vork), jongeren vörk. Uit het laatste voorbeeld blijkt al dat veranderingen in de woordenschat niet voor alle bevolkingsgroepen even snel verlopen, want ik weet zeker dat ikzelf in mijn jonge jaren in de Paandeler nog verkèt zei en pas overging op vörk in de jaren zestig, waarschijnlijk onder invloed van mijn (Gemertse) vrouw. Even terzijde, verandering van woorden betekent nog niet altijd overname van het exacte Nederlandse woord, zoals verkèt > vörk bewijst, immers ook vörk wijkt nog steeds af van het standaard Nederlands. Als onderwijzeres (metrès) in hart en nieren had To ook oor voor de kindertaal. Zo schrijft ze dat ze in een opstel van de 5e klas de spellingen verstoppeltje (:verstoppertje) en Alabiere (:Arabieren) aantrof, waarin haar leerlingen kennelijk de r verwisseld hadden voor een l. Vóór deze passage geeft ze twee voorbeelden van dit verschijnsel (metathesis of letterkeer) in het Gímmers die nog steeds bestaan: dörpel (:dorpel, drempel) en dölper. Beide woorden komen nog steeds voor. To wist dus dat deze fouten in de spelling van het Nederlands van haar leerlingen uitgelokt werden door hun echte moedertaal, het Gímmers. Wat we ook kunnen leren uit To’s aantekeningen is dat modernisering van de woordenschat nog niet altijd hoeft te betekenen dat oudere woorden snel verdwijnen. Iedereen zal tegenwoordig wel vergiet zeggen, maar oudere mensen kennen de voorganger dùrslág nog wel. En dat geldt ook voor het modernere kersèt en het oudere raajlef of rállef (letterlijk ‘rijglijf ‘). Met andere woorden, de ouderen uit To’s jeugd, die nu al lang dood zijn) hebben hun ouderwetse woorden toch doorgegeven aan mensen die nu oud zijn, maar jong in de jeugd van To. Je moet er altijd rekening mee houden dat sommige mensen conservatief zijn en andere, vooral vrouwen, meer geneigd om nieuwe dingen onmiddellijk over te nemen, en dat geldt niet alleen voor mode, maar ook voor taal.
To had ook oor voor Gímmerse gezegdes, ze noteerde er heel wat, te veel om hier allemaal te vermelden. Een paar voorbeelden volstaan. Tijdens haar werk als metrès zal ze wel eens geconfronteerd zijn met spijbelen oftewel skolwácht haawe in het Gímmers. Dat was lang niet altijd het gevolg van een hekel aan school bij de leerlingen: vooral boerenkinderen werden nogal eens thuisgehouden gedurende de oogsttijd om mee te helpen. Leerlingen die ver weg woonden, moesten overblijven en brachten dan misschien ’n hártelek botterèèmke (:een boterham met hartig beleg) mee naar school. To was, denk ik, dol op haar leerlingen, dus een gezegde als: Lopt no de maon èn plukt stèrre, zal haar in de klas niet gauw ontvallen zijn, zelfs als een leerlinge ‘r de duuvel án ha gezien (:er het land aan had, niet graag deed wat haar was opgedragen). Voor meer van dit moois zult u echter moeten wachten op het Busselke met haar jeugdherinneringen, een buitengewoon interessant tijdsbeeld van de dertiger jaren.

NOTEN
1a) Centraal Bureau voor Nederlandsche en Friesche Dialecten, o.l.v. de Dialectencommissie der Koninklijke Akademie voor Wetenschappen (tegenw. Meertensinstituut te Amsterdam), Vragenlijst No. 2 (1932, ingevuld door To Werts in 1935; zegsman J. Werts, landbouwer, 68 jaar.
b) Toegift bij Vragenlijst No. 2 (1932) door To Werts, 12 pp. A4, met begeleidende brief, d.d. 06-04-1936.
c) Idem als 1a, No.4 (1936, tevens lijst No. 20 der Zuidnederlandsche Dialectcentrale te Leuven (o.l.v. Prof. Dr. L. Grootaers); ingevuld door To Werts in 1937; zegsman J. Werts, Landbouwer, 70 jaar.
d) Toegift door To Werts (2 pagina’s) bij Vragenlijst No.1 (1934 bij vraag 4d en Vragenlijst mei 1935, 2 pp. A4.
2) Gegevens over de familie Werts verstrekt door dr. Jan Werts (Brussel).
3) Annemies van ’t Hooft, in een bijlage bij een e-mail van dr. Jan Werts, d.d. 03-01-2012.
4) To van ’t Hooft-Werts, Van wor ik ben, jeugdherinneringen; bewerkt door Jan van Zutphen, Bemmel, dec. 1999; 75 pp. A5.
5) Gemert in oude ansichten, Zaltbommel, 1971, p.11, foto met onderschrift. Drs. P.H. Vos oppert de mogelijkheid dat hostal is ontstaan uit (h)orsstal , vgl. MNCDN, 18,1981/’82, p.109-120.

Bekijk PDF

GH-2012-02 Kieboom en Wijnboom

Jacques van der Velden

Kieboom en Wijnboom zijn twee oude toponiemen in Gemert die eindigen op -boom. De Kieboom wordt voor het eerst genoemd in een paalbrief uit 1326 waarin de grens tussen het rechtsgebied van de Heren van Gemert en de Duitse Orde wordt beschreven. Er zou toen een grenspaal gestaan hebben tussen ghere Beke ende den Kyeboem. Het goed Kieboom moet ergens gelegen hebben aan de oostzijde van het Binderseind ter hoogte van het voormalige klooster Nazareth. De oudste vermelding van Wijnboom is ook te vinden in de boven genoemde paalbrief uit 1326. Het goed Wijnboom lag op het einde van de huidige Wijnboomlaan niet ver van de waterloop Walgraaf (landweer). Omdat bij Kieboom en Wijnboom steeds sprake is van een grens of landweer heb ik een poging gewaagd om het begrip -boom op te vatten als een werktuig (slag- of draaiboom). Helaas is daarvoor géén sluitende verklaring te vinden. Echter voor de -boom als onderdeel van het plantenrijk zijn wel goede verklaringen te vinden. Bomen waren niet verplaatsbaar en vervulden vaak een functie als perceelsscheiding, erfscheiding, of grenspunt van dorpsterritoria.

Kieboom

De oudste schrijfwijze is den Kyeboem [1326]. De enigste notatie met een ‘n’ die gevonden is, is de familienaam van Kijnbomen [1421]. De belangrijkste schrijfwijzen zijn tgoet ten Kyeboem [1378], te Kyeboym [1421] en de familienamen van Kijnbomen [1421], van den Kieboom [1435] en van den Kieboem [1438]. Kieboom wordt overal in het Nederlands taalgebied afgeleid van kienboom, keenboom of kijnboom. Door het verlies van de ‘n’ wordt kienboom > kieboom. Samenstellingen, waarvan het tweede woord met een b begint, zoals berg, boom en broek, verliezen onder omstandigheden soms de laatste letter van het eerste woord. Voorbeelden hiervan zijn: Steegberg > steberg; Stipberg > stiberg; Hoogberg > hoberg; Wijntboom > wijnboom en Rijtbroek > rijbroek. De betekenis van kienboom is harsboom, zoals dennen- en sparrenbomen, maar eigenlijk werd hiermee de Grove Den of Pinus sylvestris bedoeld. In Nederland is kienboom nog uitsluitend een aanduiding voor fossiele bomen in de venen. Het toponiem Kieboom komt verder in onze directe omgeving voor in Helmond, Stiphout en Deurne. Overigens overal maar één keer. Dit soort bomen was in de Middeleeuwen vrij zeldzaam, wat een belangrijk motief voor de naamgeving kan zijn geweest. Opgemerkt moet worden dat -boom ook als -boem, -boim of -boym geschreven werd. Deze ‘oe’, ‘oi’ of ‘oy’ werd in het Middelnederlands als /oo/ uitgesproken.

Wijnboom

Andere schrijfwijzen zijn op Wyneboem [1326], biden Wijnboem [1377], guet op Wijntboom [1473] en verder de familienamen van Wijnboemen [1433], van Wijntboem [1473], van den Wijndboem [1481] en tegenwoordig van den Wijnboom. Vóór 1500 wordt in de Gemertse Schepenprotocollen meestal Wijntboem of Wijndboem geschreven, maar in de Bossche Protocollen en de archieven van de Duitse Orde komen in die periode alleen Wyneboem en Wijnboem voor. Verder wordt wijn- ook wel als wyn- geschreven. De ‘ij’ en ‘y’ werden in het Middelnederlands als /i/ uitgesproken. Er staat dus eigenlijk winboom, wintboom en windboom. Als winboom een slijtage is van win(d/t)boom dan kunnen we als basis windboom aannemen. Deze vaststelling is overigens in 1983 al gedaan. Nu anno 2012 gaat het verhaal verder. We mogen uitgaan van de werkwoorden winden en wind(el)en en daarmee verwant wenden en wend(el)en. De betekenis van deze werkwoorden is zeer divers, maar ‘kronkelen, slingeren, wikkelen, wenden en keren’ spreken mij in dit verband erg aan. De haagbeuk Carpinus betulus L. wordt windelboom, wendelboom of wielboom genoemd en past hier dus precies. De ontwikkeling is als volgt gegaan: wijndelboom > wijntboom > wijnboom. De eerste twee vormen zijn samenstellingen met de stam van het werkwoord: windel- en wind- en de laatste vorm ontstond door verlies van de ’t’: wijntboom > wijnboom. Andere namen voor haagbeuk zijn: jokboom, jukboom, steenboom etc. Het hout van deze boom is zo hard als steen en dient om er vlashekels, jokken en wielen van te maken. De stammen en takken hebben de neiging om aan elkaar te groeien en zijn gewrongen als darmen. Het woord wendel- zegt iets over de groeiwijze, maar de woorden jok-, juk- en wiel- iets over de toepassing van het hout. Het is van de inheemse houtsoorten de meest vaste en taaie; het wordt in de wagen- en molenmakerij voor handvaten van beitels en tanden in kamraden gebruikt. Het is een weinig voorkomende boomsoort. De naam Wijnboom heb ik nergens anders gevonden dan in Gemert. Toch is de haagbeuk wel bekend, want er bestaan diverse Zuid-Nederlandse dialectwoorden voor: herenteer, harrenkop, esselteer, heernte, jante, of eup. Daarom verrast het me niet dat in Borlo gemeente Gingelom in België een Wintboomstraat bestaat. Ik denk dat deze Wintboom en onze Wijnboom uit hetzelfde hout gesneden zijn.

Samenvatting

Kieboom betekent harsboom en is afgeleid van kienboom. Het gaat om de Grove Den of Pijnboom [Pinus sylvestris] een conifeer uit de Dennenfamilie [Pinaceae]. Wijnboom verwijst naar de haagbeuk en is afgeleid van windelboom. Het gaat om de Gewone Haagbeuk [Carpinus betulus], die thuis hoort bij de Berkenfamilie [Betulaceae]. “De Haag-boeke … zeer bekwaam, om er cierlijke laage en hooge scheerheggen in plaisiertuinen, rondsom parken, bosschen, en elders van te planten” [1769]. Daarin herkennen wij de Haagbeuk, die vooral in de vorm van heggen in onze hedendaagse siertuinen wordt aangeplant. Bij Kieboom en Wijnboom is sprake van een -boom, we moeten dus aannemen dat het om alleenstaande bomen ging die beeldbepalend waren voor de betreffende hoeven. Ik hoop vooral dat wat Wijnboom betreft hiermee het laatste tipje van de sluier is opgelicht.

Belangrijkste bronnen:
GH 30-11, 1968, p.10 “Wijn” in toponymen, Martien van de Wijst
GH 33-11, 1969, p.03 De naam Wijnboom in Gemert, Piet Vos
GH 25-03, 1983, p.65 Van Windboom tot Wijnboom en terug, Ad Otten
GH 41-04, 1999, p.27 Middeleeuwse hoeven en hun locatie, Jan Timmers
www.bhic.nl Commanderij Duitse Orde in Gemert 1247-1795
Van d’n Aabeemd tot de Zwijnsput, 1996, Henk Beijers en Geert-Jan van Bussel
Laatmiddeleeuws landschap en veldnamen in de Baronie van Breda, Chr. Buiks
www.wnt.inl.nl Historisch woordenboek op internet

Met dank aan Jos Swanenberg en Lauran Toorians voor hun raadgevingen

Bekijk PDF

GH-2012-02 Schietspoel

Ad Otten

Vanuit de Weversstraat liep van oudsher een verbindingspaadje achterlangs de percelen aan de Molenstraat over de Molenakker. Alle aangrenzende percelen waren hierop ook ‘geweegd’. De aanleg van een doorsteek van Grootmeestersstraat naar Molenstraat die de naam ‘Rentmeestersstraat’ zou gaan dragen, ging gepaard met een inbreidingsplan voor woningbouw tussen Molenstraat-Cortenbachstraat-Grootmeestersstraat-Weversstraat. Het eensporige verbindingspaadje van de Weversstraat in oostelijke richting bleef gehandhaafd als bijzonder ‘binnendoortje’ en het kreeg bij besluit van B&W op 22 juli 2008 de toepasselijke naam van ‘Schietspoel’. Een naam uit de textielnijverheid die uitstekend past bij de vlakbij gelegen Weversstraat, Kanarieplaats en St.-Severusstraat. De gekweekte kanarie is immers een ‘bijprodukt’ van de aloude Gemertse weverij en Sint Severus is de patroon van de wevers.
Wetenswaardig is verder dat de invoering van de schietspoel geldt als een indertijd heel belangrijke innovatie in de handweefnijverheid en dat het in 1836/1837 juist in Gemert is geweest dat voor het eerst in Noordbrabant de schietspoel werd geïntroduceerd. Frederic Campbell zette daartoe naar het voorbeeld van zijn broer Robert Campbell en Thomas Ainsworth in Twente, een weefschool op in het kasteel van Gemert. In een paar jaar tijd werd toen de complete Meierijsche handweverij omgeschoold. Met de schietspoel kon veel sneller, kwalitatief veel beter, èn bovendien dubbel zo breed worden geweven. De nieuwe techniek kreeg de naam van ‘weven met de vliegende’.
De uitvinding van de schietspoel (flying shuttle) staat op naam van de Engelsman John Kay en dateert al van omstreeks 1738. Zijn vinding leidde indertijd in Engeland tot een weversopstand uit beduchtheid voor gebrek aan werk op termijn. Het vertraagde de invoering van de schietspoel aanmerkelijk waardoor die in het vroeg-geïndustrialiseerde Engeland uiteindelijk pas plaats vond in de tweede helft van de achttiende eeuw, toen daar zelfs al werd geëxperimenteerd met de eerste machinale weefgetouwen. In het op technisch gebied veel minder ontwikkelde handelsland ´Nederland´ en met name in het vroegere wingewest Brabant liet de schietspoel en helemaal de machinale weverij nog veel langer op zich wachten. Na het uitbreken van de Belgische opstand (1830) en de daarmee gepaard gaande uittocht van verschillende Belgische weeffabrikanten naar ons land kwam hier pas de introductie van de schietspoel van de grond. De investering benodigd voor de invoering van de machinale weverij zou nog een aantal decennia niet opwegen tegen de lage loonkosten van de handweverij in de Meierij. De veel lagere investering voor de overgang naar het weven met de snelspoel werd echter wel degelijk rendabel geacht met name omdat de Nederlandse regering en de Nederlandsche Handel Maatschappij [NHM] aan Belgische fabrikanten die zich vanuit België in Nederland vestigden, flinke orders beloofde. En… de vermogende Adriaan van Riemsdijk had in Gemert een gunstige vestigingslocatie voor die vreemde ondernemers. Het Gemerts kasteel had hij in 1813 op een veiling voor een habbekrats van de Fransen weten te verwerven en al vanaf 1816 exploiteerde hij het gebouwencomplex als een soort bedrijvenhotel. In 1836/37 vestigden zich de uit Gent afkomstige maar naar Haarlem uitgeweken weeffabrikanten Couvreur & Hartogh een weefkantoor annex weefschool in de aloude Commanderij. Frederic Campbell werd de directeur van de vestiging in Gemert en de orders van de NHM stroomden binnen. Al gauw plukten ook de Gemertse weeffabrikanten Prinzen en Van den Acker daarvan de vruchten.

De Gemertse weeflade

Tegelijk met de introductie van de schietspoel vonden nog een aantal innovaties plaats in de handweverij en één daarvan is bekend gebleven als die van de Gemertse weeflade oftewel de Gímmertse laoj. Naast het snellere weven kon daarmee ook veel sneller van inslaggaren worden gewisseld. Aan weerszijden van de weeflade werd daartoe een beweegbare spoelbak gemonteerd met daarin twee etages (zie bijgaande tekening). De ene etage werd geladen met een schietspoel met bijvoorbeeld wit garen en de ander met rood garen. Met een eenvoudige handbeweging kon met een hefboompje van etage c.q. spoel worden gewisseld. Ideaal voor het weven van het zo bekende Brabants Bont. Tot in de tweede helft van de twintigste eeuw bleef de hier gepresenteerde ‘wissellade’ bij oude handwevers in de Meierij bekend onder de benaming die wees op de Gemertse herkomst: ‘de Gemertse laaj’.1 En… Brabants Bont kan gerust beschouwd worden als zijnde van oorsprong Gemerts Bont.2

NOTEN:
1. Ad Otten, De Gemertse Weeflade, Gemerts Heem 1981, nr.4, blz. 97-103.
2. Zie mysterie 40 op www.heemkundekringgemert.nl onder ‘video’, of ‘google’ ‘mysterie 40 Gemerts Bont’.

Bekijk PDF

GH-2012-02 Een vreemdeling in Jeruzalem

Simon van Wetten (voormalig Amsterdammer)

Hij is een vreemdeling in Jeruzalem = hij gevoelt zich hier niet thuis.
(Jezus vroeg aan de Emmaüsgangers waarom zij zo droevig waren. Een van hen zeide tot Hem: “Zijt Gij alleen een vreemdeling te Jeruzalem, en weet niet de dingen, die dezer dagen daarin geschied zijn?” Lukas XXIV: 18)

De pieken en dalen waarmee de golven der economie ons bestaan overspoelen, zijn ook van invloed op onze bereidheid ten aanzien van het opnemen van vreemdelingen. Er zijn tijden dat de overheid werft in het buitenland. “Kom naar Nederland, er is werk genoeg.” En er zijn tijden dat we met streng selectiebeleid, verplichte inburgeringscursussen en geblondeerde toespraken de animo om voorgoed naar de Lage Landen af te reizen, op voorhand proberen weg te nemen.
In het Gemert van weleer was de gesignaleerde tendens ook waarneembaar. Een markant voorbeeld daarvan deed zich voor in de Franse Tijd. De status aparte van de Commanderij, vervat in de uitdrukking “vrije, neutrale Rijksheerlijkheid”, was fors aan het wankelen en bestond zelfs in feite niet meer. De inlijving tussen 1795 en 1800 bij de rechtstreeks door Frankrijk gecontroleerde gebieden en de daaropvolgende verkoop aan de Bataafse Republiek maakten van Gemert een doorsnee dorp zoals je die wel meer aantrof aan de rand van de Peel. Nou ja, doorsnee? Er wilden heel veel mensen maar wat graag in Gemert komen wonen. En dat viel om den drommel niet mee!

De diverse Gemertse dorpsbesturen zijn altijd wel attent geweest op het nemen van enige beperkende maatregelen die een intocht in de Commanderij met een kar vol huisraad niet op voorhand tot een succesvolle onderneming maakten. Het bezit van een bepaalde hoeveelheid land en bij het ontbreken daarvan een bedrag van 150 gulden borg per persoon, of in de 18e eeuw het kunnen overleggen van een zogenaamde borg- en ontlastbrief vanuit je geboorteplaats, waren de vereisten voor een vestigingsvergunning. Ook vond er een ontmoedigingsbeleid plaats door de autochtone Gemertenaren een boete van 25 gulden op te leggen als ze het waagden aan een illegale allochtoon, een insluiper, een kamer of een huisje te verhuren. De vrije heerlijkheid was niet in álle opzichten vrij.

In de Franse Tijd werden de vestigingsmogelijkheden voor vreemdelingen nog meer ingeperkt en werd de papierwinkel die je als kandidaat-Gemertenaar had in te vullen van een formaat dat wij, moderne Nederlanders, allang als normaal erkennen, maar dat bijvoorbeeld in het jaar 1804 of 1805 een hoop gedoe betekende. Reizen naar je geboorteplaats en naar eventuele andere voormalige woonplaatsen, of briefwisselingen plegen terwijl je de edele schrijfkunst niet of nauwelijks machtig was, dat was voor de betreurenswaardige mensen die net de 19e eeuw en de wereld van de centraliserende en administrerende overheid waren binnengestapt, toch wel even wennen!

Het onderdanige verzoek dat een getrouwde Gemertenaar in spe aan de drossaard en schepenen richtte, bevatte vaak vijf of meer bijlagen.
‘De requestrant, zich tot ons wendende, ons deemoedig verzoekende dat het ons mochte behagen aan hem en meergedacht zijne huisvrouwe het recht tot inwoning binnen deze gemeente en jurisdictie van Gemert te verlenen.’
Allereerst diende de doopceel te worden gelicht, letterlijk. En als je dus dertig jaar eerder in een onbewaakt ogenblik in Hamont of Valenciennes of Alkmaar het levenslicht had gezien, dan was het de opdracht om aldaar de pastoor (of dominee) zover zien te krijgen dat deze jou een extract uit het doopregister van zijn parochiale kerk bezorgde, waarin stond dat je daar op die en die datum was gedoopt.
Daarnaast moesten de schepenen of de maire van die plaats – het was tenslotte de Franse Tijd – schriftelijk bevestigen dat je van goed gedrag en van eerlijke ouders herkomstig was.
Het was uiteraard nodig deze exercitie te herhalen in de geboorteplaats van je vrouw. Ook haar doopnotitie en bewijs van goed gedrag dienden in de bijlagen aanwezig te zijn.
Nee, dan was je er nog niet, tenminste niet als je langer dan twee jaar in een andere plaats of plaatsen had gewoond. Ook van de bestuurders van eerdere domicilies moest je hopen dat ze welwillend aan hun Gemertse collega’s lieten weten dat er op je levenswandel tot dan toe niets viel aan te merken.

Schepenen van Gemert reageren op een verzoek van ANTONIUS FRANCISCUS JOSEPHUS SAUVE, in huwelijk met ELISABETH ELEN, met vijf bijlagen.1
– Extract uit het doopregister van de Rooms-katholieke kerk te Asten. Antonius is daar op 5 november 1783 gedoopt;
– Een ontlastbrief uit Asten, door de schout civiel en schepenen aldaar op 3 oktober 1804 afgegeven;
– De doopbevestiging van de vrouw van Antonius. In de parochiekerk St. Peter te Turnhout is Marie Elisabeth Elen gedoopt, op 21 juni 1783;
– Een ontlastbrief vanuit Turnhout, door de borghsmaire aldaar op de 18e Vendemiaire, dertiende jaar afgegeven;
– Een bewijs van goed en deugdzaam gedrag van het echtpaar toen zij in Helmond woonden, door de schepenen van Helmond op 30 januari 1805 afgegeven.

Wanneer je de vereiste documenten eindelijk bijeen had en in een mooi bundeltje in de Raadkamer van Gemert kon overhandigen, brak vervolgens de tijd aan van het gespannen wachten op het eindoordeel. Als je ten lange leste het verheugende en o zo begeerde bericht van recht op inwoning ontving, dan zeurde dwars door de blijheid heen helaas ook het gevoel van er niet helemaal bij te horen. Je begon als tweederangs burger!
‘De schepenen authoriseren deze personen tot het inwonen binnen deze gemeente van Gemert, onder deze mits echter: dat aan de indiener van het verzoek noch aan zijn huisvrouwe door het verlenen van inwoning geenszins wordt toegekend het recht om turf of tussen te mogen spitten of steken in den Pedel zolange zij het recht daartoe speciaal op behoorlijke titul niet hebben verkregen.’

Tjonge, tjonge, in Gemert zag men op één, twee turfjes dus wél. Met open armen verwelkomen? Die wijd uitgespreide armen probeerden je te beletten met een turfspade de Peel in te wandelen! Je moet je als nieuwbakken dorpeling toch als een vreemdeling in Jeruzalem hebben gevoeld?
Gemert en Jeruzalem … Hoever lagen de Gemertse turfvelden van het dorp af? Emmaüs lag op zestig stadiën van Jeruzalem. Waren die Emmaüsgangers op weg naar hun turfvelden toen Jezus hen aansprak?

Toen ik in oktober 1974 (dus niet met Pasen) definitief Amsterdam als woonstee inruilde voor Gemert, werd mijn doopceel niet gelicht. Dat zou ook moeilijk gegaan hebben, want – ook al citeer ik uit Lukas – ik heb er geen. Meneer Van de Heuvel, eigenaar van Villa Polder, stelde absoluut geen diepgaand onderzoek in naar mijn antecedenten. Zijn terechte vraag was of ik de kamerhuur kon betalen, en vervolgens bood hij mij ruimhartig het gebruik van de tuin en het tennisveldje aan, ik mocht in de winter op het vijvertje schaatsen en mijn nieuwe huisbaas maakte geen woorden vuil aan de kwestie van het turfsteken. Ik gevoelde mij welkom en thuis!

NOOT
1. Gemeentearchief Gemert-Bakel, RA-81.

Bekijk PDF

GH-2012-01 Heren van Helmond gelieerd aan Duitse Orde

Ad Otten

Wanneer men vandaag de dag over de oude Kanaaldijk naar Helmond rijdt staat er vlak voor de eerste brug aan je rechterhand in het weiland een groot bord met informatie over bouw en aanleg van de nieuwe wijk ‘Ruyschenberg’. Helmond legt daar ‘de Groene Loper’ uit. Voor meer informatie kun je ‘Ruyschenberg.nl’ raadplegen etc. etc.
Menig Gemertenaar zal bij het zien van dit ‘Ruyschenberg in Helmond’ toch wel even de wenkbrauwen hebben gefronst. Ruyschenberg is immers altijd beschouwd als iets echt Gemerts. Gemert heeft een Ruijschenberghstraat, Gemertse ouderen worden gehuisvest in Ruijschenbergh en was Hendrik van Ruijschenbergh in 1587 niet de stichter van de Latijnse School in Gemert?
In dit artikel doen we uit de doeken wat de relatie is tussen ‘onze’ vrijheer Hendrik van Ruijschenbergh en ‘Ruyschenberg’ waar Helmond nu mee naar buiten treedt.

Uitstraling en invloed van Gemert op de regio

Als Vrije en Soevereine Heerlijkheid van de Duitse Ridderorde had Gemert een grote uitstraling én invloed op de regio. Menigmaal is al gewezen op de in de vijftiende eeuw door de Commanderij Gemert verworven patronaatsrechten van verschillende parochies en rectoraten (Bakel, Deurne, Liessel, Nistelrode, Vorstenbosch, Haren, Geldrop). In al die plaatsen werd vanuit Gemert een pastoor aangesteld, gezorgd voor het onderhoud van kerk en geestelijkheid, de tiendbelasting geïnd, enz. enz. Na de reformatie kwamen die rechten onder druk te staan en moest de Commanderij Gemert als tegenprestatie voor het innen van de tienden in de nu protestant geworden regio, de kerken onderhouden ten behoeve van hele kleine gereformeerde gemeenten. Door het verbod op de vrije uitoefening van de rooms-katholieke godsdienst in Staats-Brabant werd het vrije Gemert een ’toevluchtsoord’ voor de traditionele godsdienstbeleving van het ondanks alle anti-paapse maatregelen uit Den Haag katholiek blijvende (Noord)Brabant. Zo bloeide het bedevaartoord Handel helemaal op en de met vele studiebeurzen bedeelde Latijnse School van Gemert bleef de mogelijkheid bieden voor katholiek gymnasiaal onderwijs als vooropleiding voor een studie aan een katholieke universiteit in het buitenland. Verder koos menig pastoor van nabije parochies Gemert als ‘uitvalsbasis’ voor de parochie waarin hij zelf niet mochten resideren. Zo verbleven vanaf 1662 bijna alle pastoors van Geldrop in Gemert of Handel. En zo was het een van Gemert geboortige pastoor in Valkenswaard die al omstreeks 1685 zijn parochianen uitnodigde om minstens één keer in het jaar gezamenlijk naar Gemert te trekken. Het was de geboorte van de Valkenswaardse processie die tot op de dag van vandaag is blijven trekken.

Door toedoen van Iwan van Cortenbach

Een niet onbelangrijke rol in de uitstraling van het Vrije Gemert speelden van oudsher ook de familiebanden van (land)commandeurs van Gemert met de Heren van Helmond. Die familiale banden zijn in feite nog nooit uitgebreid aan bod gekomen. Zo’n tweehonderdvijftig jaar lang zetelde de adellijke familie Cortenbach op het Helmonds kasteel als ‘Heer van Helmond’. Deze van oorsprong uit het Land van Valkenburg (Voerendaal) afkomstige familie raakte hier in het tweede kwart van de vijftiende eeuw verzeild door ‘diplomatiek’ toedoen van de Vrijheer van Gemert, te weten landcommandeur en Duitse Orderidder Iwan van Cortenbach.
Iwan van Cortenbach was een vooraanstaand man in de Duitse Ridderorde. Hij stond in regelmatig contact met de grootmeester van de Duitse Ridderorde in Pruisen, hij vertegenwoordigde de Duitse Orde op het Concilie van Konstanz (1417), bevocht de Hussieten in Tsjechië, was raadsheer van de Bourgondische hertog Filips de Goede, en het was op Iwans verzoek dat de bisschop van Luik werd vervangen en op zijn aanbeveling werd Eberhard von Seinsheim benoemd tot Duitsmeester, etc. etc. Ook voor Gemert heeft Iwan veel betekend. Hij wordt algemeen beschouwd als dé bouwheer van Gemerts kasteel, hij effende ook de weg voor de stichting van de zelfstandige parochie Gemert en de financiering van de bouw van een nieuwe kerk. Hij maakte een eind aan het conflict met Helmond, Bakel en Aarle-Beek over de Gemertse Peel, hij schonk de Commanderij Gemert een refugiehuis binnen de wallen van Den Bosch en hij was het ook die voor de Commanderij de patronaatsrechten verwierf van verschillende parochies in de regio. Volgens een Helmonds archiefstuk resideerde hij als landcommandeur ook een tijdlang niet in Alden Biesen of Maastricht maar in Gemert. Tenslotte had hij ook de hand in 1433 in het huwelijk van zijn jongste broer Jan van Cortenbach met Catharina van Berlaer, erfdochter van de Heer van Helmond.1 De telkens terugkerende conflicten tussen Gemert en Helmond waren daarmee voor een paar eeuwen van de baan. Tot in de tweede helft van de 17de eeuw bleven de Cortenbachs heer van Helmond.

Verschillende Cortenbachs alsook hun aanverwanten werden, zoals uit het hiernavolgende nog zal blijken, lid van de Duitse Ridderorde. De bekendste onder hen is ongetwijfeld: Adriaan van Cortenbach (1592-1630). Hij werd op 5 november 1592 geboren te Brussel als de zoon van Adolf baron van Cortenbach, heer van Helmond, en van Philippine von Ruijschenberg. Vader Adolf was behalve heer van Helmond, in 1580 door de Spaanse l;andvoogd in de Nederlanden aangesteld als gouverneur van ‘s-Hertogenbosch, en dat in een bijzonder roerige periode van de Tachtigjarige Oorlog. Adolf overleed in 1594. Zijn kinderen waren nog te jong waardoor zijn echtgenote Philippine van Ruijschenberg de Vrouwe van Helmond werd. Hendrik van Ruijschenberg, Vrijheer van Gemert en landcommandeur van Alden Biesen, was haar oom. Deze Hendrik staat bekend als één der grondleggers van een door de Duitse Orde in de Zuidelijke Nederlanden doorgevoerde contrareformatie.
Vrouwe Philippine had echter nog meer banden met de Duitse Orde. Haar oudste broer Edmund van Ruijschenbergh was namelijk van 1591-1623 commandeur van Siersdorf, na Gemert de belangrijkste commanderij van Alden Biesen. Van 1571-1598 was haar neef Godert van Aer, commandeur van Gemert. Deze neef is ook doopgetuige van haar kinderen en in Helmond blijkt hij bovendien vrijgesteld van het betalen van ‘weggeld’.2
Ruim twintig jaar treedt Philippine van Ruijschenberg op als Vrouwe van Helmond, en zoals haar oom Hendrik van Ruijschenberg blijkt ook zij in de wieg gelegd voor onderhandelingen op het hoogste niveau. Bij prins Maurits krijgt zij het zelfs gedaan dat het door Staatse troepen veroverde kasteel van Helmond voor een aantal jaren een neutrale status krijgt. In 1614 is haar zoon Alexander oud genoeg om haar als heer van Helmond op te volgen. Diens eerste vrouw komt al jong te overlijden en zijn tweede huwelijk sluit hij met opnieuw een Ruijschenberg. Anna Maria is haar naam en ook zij heeft een broer Johan als ridderlid van de Duitse Orde. Ook deze Anna Maria zal na het overlijden van haar man (1649) enige jaren optreden als Vrouwe van Helmond. Van haar bezit het kasteelmuseum Helmond een indrukwekkend olieverfschilderij dat gemaakt is bij gelegenheid van haar huwelijk met Alexander van Cortenbach in 1628.3 Een dikke tien jaar later treedt Alexander op als ‘begunstiger’ van een in Gemert te stichten predikherenklooster voor de uit Den Bosch door prins Frederik Hendrik verdreven predikheren.4
Adriaan van Cortenbach, de jongere broer van de Heer van Helmond, was intussen op 9 mei 1623 ingetreden in de Duitse Ridderorde. Tussen 1625 en 1630 was hij commandeur van Ordingen en vanaf 1629 tevens commandeur van Bekkevoort. In 1626 diende hij als kolonel in het leger van graaf Tilly, de opperbevelhebber van de troepen van de Duitse keizer tijdens de Dreissigjährige Religions-Krieg van katholieken tegen protestanten. Cortenbach maakte een bliksemcarrièrre die op 17 september 1630 abrupt eindigde op het slagveld. Hij sneuvelde in de strijd tegen de Zweden in de rang van generaal-kolonel-wachtmeester van de keizer. Hij werd met alle eer begraven in de kerk van Nieuwen Biesen te Maastricht.5

Gemert ontsnapte (!) aan een vrijheer uit Helmond

Wanneer Adriaan van Cortenbach in 1630 niet zou zijn gesneuveld dan was de kans wel heel groot geweest dat hij na het overlijden van commandeur van Holtrop in datzelfde jaar 1630 tot commandeur van Gemert zou zijn benoemd. Daarmee zou Gemert dus een Helmonder gekregen hebben als commandeur. En wanneer er in 1634 vervolgens een nieuwe landcommandeur gekozen moet worden dan zou deze van Helmond herkomstige commandeur beslist hele hoge ogen gegooid hebben om als landcommandeur van Alden Biesen aan te treden en in die kwaliteit tevens als Vrijheer van Gemert. In dat jaar wordt Godfried Huyn van Geleen gekozen. Deze ridder Godfried trad pas in 1632 toe tot de Duitse Orde. Hij had toen de rang van generaal-wachtmeester in de keizerlijke troepen, een rang die Adriaan van Cortenbach al enige jaren eerder bereikte…. 6
In het rijtje van Gemertse (land)commandeurs zou de Helmondse Adriaan van Cortenbach zeker niet hebben misstaan.

NOTEN:

1. Jozef Lipkens, Ivan van Cortenbach, landcommandeur van de balije Biesen (1410-1434), een biografische schets, in: J.Mertens (red.) Bijdragen tot de geschiedenis van de Duitse Orde in de Balije Biesen, deel 8, Bilzen 2006, blz. 180-192.
2. Ad Otten, Commandeur vergeleken met boer – een misdrijf tegen de etiquette in 1578, in: Gemerts Heem 1982, nr.2 (blz.54-57); Zie ook: A. Frenken, Weggeld in Helmond, Taxandria 36ste Jrg, 1929, blz. 39-46; Vanaf de 14de eeuw hief Helmond een belasting op vee en goederen die door buitenpoorters de stad werden in- of uitgevoerd. Het was de heffing van het weg- of kasseigeld.
3. Nico Arts e.a., De kastelen van Helmond – een machtscentrum aan de rand van de Peel, Helmond-Utrecht 2001, blz. 129-139; Zie ook: Henk Roosenboom, Philippine van Ruijschenberg Vrouwe van Helmond, in: P. Timmermans (red.), Brabantse Biografieën 5 (1999) 114-117.
4. G.A.Meijer, Predikheren te ‘s-Hertogenbosch 1297-1770, Nijmegen 1887, p.109-110.
5. Michel van der Eycken, Ridders, priesters en zusters van de Balije Biesen (1220-1809), in: Bijdragen tot de Geschiedenis van de Duits Ordens Balije Biesen, deel 1, Bilzen 1994, p.44-45.
6. Idem , blz. 59.

Bekijk PDF