GH-2002-03 Oproep om Gemert met het geweer te verdedigen
Maria van de Vossenberg-Lorteije
In mijn speurwerk naar ‘Gemerts Verleden’ vond ik in het gemeentearchief een interessant stuk uit 1674. Er was in dat jaar van alles aan de hand in onze contreien. In het rampjaar 1672 hadden Frankrijk, Engeland alsook Keulen en Munster de Republiek der Nederlanden de oorlog verklaard. Admiraal De Ruyter bezorgde de Frans-Engelse vloot een paar nederlagen waarna Engeland zich uit de oorlog terugtrok. Maar de Frans-Nederlandse oorlog zou nog duren tot de Vrede van Nijmegen in 1678. In 1674 lagen de Franse legers van de zonnekoning (Lodewijk de Veertiende) in Noord-Brabant. En Gemert was door haar ‘status aparte’ van Vrije Heerlijkheid officieel dan wel neutraal gebied maar het viel de Commanderije kennelijk toch niet mee om buiten alle strijd te blijven. De Fransen trachtten Grave aan de Maas te veroveren en vanuit Den Bosch oordeelde men het uit vermoedelijk strategisch oogpunt van belang om onder meer in Gemert een legereenheid van het Bossche garnizoen te stationeren. Om de bevolking zoveel mogelijk gerust te stellen publiceerde de commandant van het Bossche garnizoen op 16 februari 1674 een plakkaat ’teneinde te beletten alle moedwil en overlast welke de omliggende plaatsen mochten ondervinden van het garnizoen van ‘s-Hertogenbosch’. Maar dat was ‘onze’ Gemertse commandeur Virmundt allemaal nog niet genoeg. Want hij kwam daaroverheen op 4 maart 1674 ook met een Gemerts plakkaat. En dat is het stuk dat mij nu zo interesseerde. Het kostte me trouwens heel wat hoofdbrekens voordat ik alles snapte. Begrepen heb ik nu, dat ze het ook vroeger niet met eenvoudige woorden konden zeggen…
Virmundt verwijst eerst naar het plakkaat van de Bossche legeraanvoerder, zegt dan dat te willen ‘seconderen’, en pakt vervolgens uit met wat er in Gemert moet gebeuren als er onverhoopt toch ‘excessen ende infractien’ gepleegd worden die de vrijheid en de privilegies van Gemert aantasten. Dan moet direct in het dorp de klok worden geslagen. Dat is dan het sein waarop zo’n beetje iedereen in het geweer moet komen. En met name de rotmeester, de uit de bevolking daartoe aangewezen ‘aanvoerder’ van een wijk of gehucht, krijgt daarbij de verantwoording. Hij moet er op toezien dat iedereen die een geweer of anderszins heeft gekregen dat die als de klok wordt geslagen dan ook met zijn wapen komt opdagen zodat daadkrachtig tot arrestatie van inbreukplegers kan worden overgegaan. Diegenen die verzuimen op te komen krijgen een straf (=peen) van ‘een pont groot’. En ook degenen die zich niet wapenen zoals het hoort moeten door de rotmeester als ‘defectueusen’ worden ‘aangegeven’ bij de schout. En als de rotmeester dat laatste nalaat dan wacht hem dezelfde boete (=amende) als ‘den defectueuse’.
De exacte tekst van het plakkaat van de commandeur van Gemert volgt hierna:
Wij Ambrosius vrij heere van Virmundt, Duijts Ordens Ridder, Commandeur ende Stadthouder van die Vrij Neutrale Heerligheijt Gemert, willende seconderen die goede intentie ende voornemen van den voorschreven Heere Commandeur van ‘s-Hertogenbosch, mede oock onse lieve onderdaenen, bevrijen ende beschudden int toecomende van dusdanige excessen ende infractien geschiedende teghens die privilegien ende vrijheijt deser plaetse bevelen ende ordoneren, gelijck wij bevelen ende ordoneren mits desen, dat ingevalle alsulken moetwil alhier quame bedreven oft gepleght te woorden, dat men aenstonts die clocke sal slaen ende een ijder mit sijn geweer, daer op hij door die Rotmeester gestelt is compareren op die peene van een pont groot, promptelijck te execuiteren ten laste der defaillanten om alsoe die moetwilligen in apprehensie te neemen ende over te leveren aen haere ovrigheijt – oock is onsen wille ende begeerte dat ieder Rotmeester bij sijn Rot sal compareeren om alsoe te gevoeglijker te connen achterhaelen ende bemercken die defaillanten ende waer het saecken dat iemant compareerde sonder behoorlijcke waepenen ende den Rotmeester die selve aen den Heere Schout niet en hadde aengebracht, soo sal den selven Rotmeester vervallen in die selve amende als den defectueusen waernaer ieder sich kan stellen, want het ons alsoe gelieft Regeren op ons Casteel van Gemert, den vierden Martij 1674.
Was getekend: A. van Virmundt
Bron: Oud-archief Gemert 1407-1794 invnr. 900-a
Bekijk PDFGH-2002-03 Het Frans archief III
Meesters, Militie en Molens
Simon van Wetten
“In bedenking nemend dat niets noodwendiger is voor het heil van de staat en het geluk der ingezetenen dan de onderwijzing der jeugd…”
Deze ruim tweehonderd jaar oude dooddoener, afkomstig van de Commissaris van het Gouvernement der Linker Zijde der Rhijn, wordt heden ten dage ook vernomen uit de mond van elke zichzelf respecterende politicus (zeg dus maar gerust elke politicus), met name in het half jaar voorafgaande aan de verkiezingen.
Het navolgende citaat is óók twee eeuwen oud en past, los van het genoemde bedrag, eveneens naadloos op de politieke merites van onze eigen tijd. De tijd vlak ná de verkiezingen, wel te verstaan: “Ik heb opgegeven dat de 8 gulden voor het leren der arme kinderen door de gemeente worden betaald, maar dit is abuis. De 8 gulden worden betaald door de arme meesters.” Natuurlijk bedoelde de brave agent van het dorp St. Anthonis, die in 1799 het briefje met de geciteerde tekst naar het bestuur van het kanton Gemert stuurde, dat het de armenmeesters waren die het schoolgeld moesten ophoesten. Maar de goede man maakt tegelijkertijd vlijmscherp duidelijk dat een ander, beroemder citaat nog steeds klopt: l’Histoire se répète, de geschiedenis herhaalt zich. Het is immers van alle tijden dat, wanneer je aan politici vraagt: “Wie weet hoe het moet?”, zij steevast de wijsvinger lichtjes in de eigen borst prikken, en bij de vervolgvraag “En wie zal dat betalen?” onmiddellijk de arm strekken en de rest van de wereld aanwijzen. In de Franse tijd waren de aangewezenen, in de kwestie van het schoolgeld der onvermogenden, de armenmeesters.
We nemen de draad, die we halverwege de eerste zin van dit verhaal hebben laten liggen, weer op: “…wordt geordonneerd dat er de volgende divisies van scholen zullen zijn: Centrale, Speciale en Prima scholen. Er zullen scholen voor jongens en meisjes zijn, waarbij de scholen der jongens zich in twee classen zullen verdelen.” Ziedaar het raamwerk van het onderwijssysteem zoals de Fransen dat aan de Linker Zijde der Rijn invoerden. “Of er in Gemert ook publieke bibliotheken waren”, wilde men van overheidswege nog weten. “Nee”, was fijntjes het antwoord, “bibliotheken hebben we niet. Scholen wel. Oók scholen waar geen fondsen voor zijn, namelijk de school in het klooster van de Kruisheren, en de school in het nonnenklooster”.
De interesse die de hoge Franse heren bestuurders voor de jeugd aan de dag legden, spitste zich, als de kinderen eenmaal een paar jaar van school waren, toe op de jongens. Niet dat daarmee beweerd wil zijn dat die hoge Franse heren hun neus ophaalden voor jonge vrouwen, zeker niet, maar de professionele, bestuurlijke belangstelling ging uit naar de jongemannen. Die konden namelijk in dienst. Conscriptie heette dat, in het Franse jargon. “Inschrijving voor de krijgsdienst”, verklaart het woordenboek. Lodewijk Napoleon, de vriendelijke, had de dringende verzoeken van zijn keizerlijke broer om invoering van de conscriptie in het Koninkrijk Holland steeds vastberaden naast zich neergelegd, maar vlak voor en zeker nadat hij door broerlief was weggepest, was er geen houden meer aan. Vanaf het jaar 1809 werden in elke gemeente lijsten aangelegd met de namen van alle twintigjarige jongens. Zij dienden tirer à la conscription, te schieten op de conscriptie. Een lotje trekken, in gewoon Nederlands. Als ze pech hadden en soldaat moesten worden, dan kon er vervolgens op hen ‘getireed’ worden, door Russische kozakken bijvoorbeeld.
Leuke bijkomstigheid is dat de conscriptielijsten vaak voorzien zijn van signalementen. Zo kan men van zijn
betovergrootvader te weten komen of diens gezicht “rond” was, de neus “plat” en de oren “uitstekend”. Of de vrieskou in de Russische sneeuwtoendra dat signalement misschien enigszins heeft veranderd, wordt nergens vermeld. Hoewel, soms tref je in het Frans Archief correspondentie aan zoals van die aardige luitenant, die in augustus 1813 een briefje naar Gemert schreef dat “Van de Laar nog leeft, hij ligt in het hospitaal van Bremen.”
Al voordat de gebroeders Bonaparte het heft in handen hadden, gingen de Fransen er van uit dat men ook uit idealisme en dus vrijwillig toe zou kunnen treden tot de gelederen van het Leger van het Noorden. Burgers tussen de 18 en 30 jaar kwamen in aanmerking. Tot 40 jaar kon ook nog, mits de betrokkene reeds eerder gediend had. Verder werd een certificaat van goed gedrag gevraagd, kreeg men uitdrukkelijk géén handgeld betaald en was er sprake van de volgende minimumlengten:
– voor de lichte cavalarie 5 voet en 3 duim (= 1.706 meter),
– voor de zware cavalarie 5 voet en 4 duim (= 1.733 meter),
en anders werd het één van de korpsen infanterie.
Tot slot diende de aanstaande militair gekeurd te worden door een “doctoor”. Dat zulks géén garantie bood voor een sterke, gezonde en krijgshaftige aanwinst voor het leger, wordt duidelijk door een briefje uit 1809 van de eerste “Lieutenant” van het 5e Regiment Infanterie van Ligne, die behalve dat briefje ook ene J. Luurmans naar Gemert zond. “Deze Luurmans is door de dokter gevisiteerd en goed bevonden, maar nu blijkt dat de man een zware borstkwaal heeft en niet in staat is het Koninkrijk te dienen. Daarom wordt Luurmans uit de dienst ontslagen.” En Luurmans stond er bij, hoestte nog eens flink en verzond een vette knipoog naar zijn dorpsgenoten. Deze laatste waarneming, dat zult u begrijpen, wordt niet geschraagd door enig archiefstuk, maar is een interpretatie van de schrijver dezes.
Secreet! Mocht u zich aangesproken voelen, dan moet u weten dat secreet “geheim” is en vaak boven de Franse militaire correspondentie stond. Ik kan u verzekeren dat de archiefonderzoeker die zulke secrete brieven leest, even wordt getransformeerd tot iets of iemand die het midden houdt tussen een voyeur en James Bond: je ziet iets dat eigenlijk niet gezien mag (mocht) worden. Verder kan ik u helaas niets over de inhoud van deze brieven mededelen.
Naarmate de Franse tijd vorderde, groeide de behoefte aan kanonnenvlees. In september 1809 werd een wet van kracht, die het mogelijk maakte alle jongelingen van boven de 16 jaar, van wie de vaders onderstand uit de armenkas genoten, naar de militaire ‘etablissementen’ op te zenden. “Hé vader, zoude onderhand niet gaan werken?” Eind 1810 diende elke gemeente een “Compagnie de Reserve” te formeren. Vanaf 1811 wordt een groot deel van de militaire briefwisselingen in beslag genomen door verzoeken om opsporing en arrestatie van dienstweigeraars en deserteurs. Johannes Arnoldus van Vechel uit Gemert dacht in februari 1813 slim te zijn, meldde zich aan bij het gemeentehuis van Den Bosch als voluntair voor klerk, maar werd in plaats van achter een schrijftafel meteen bij het 7e Regiment Huzaren geplaatst.
Nee, er was geen sprake meer van 75 gulden per aangemelde vrijwilliger. Kort en bondig liet de Franse Prefect weten dat “vijf ruiters uit uw kanton zich onverwijld, met hun paarden, te Eindhoven moeten melden bij de cavalarie”.
Een week later schreef diezelfde Prefect aan het Gemerts gemeentebestuur: “In Den Bosch zijn 26 paarden afgekeurd en daarvoor dienen andere te komen. Daarom moeten alle paarden uit uw gemeente die tussen de 5 en 10 jaar oud zijn naar Eindhoven worden gestuurd opdat men daar een keuze kan maken”. En in de laatste dagen van het Franse regime, in oktober 1813, toen men in Gemert de moed had te klagen over onbetaalde verblijfkosten van de gendarmerie, liet een luitenant-commandant verbitterd weten dat voor “gemeenten waar deserteurs zijn” héél andere betalingsregels gelden.
Franse tijd of niet, de Gemertse molens draaiden dóór. Een heel dik boekwerk in het Frans Archief bewijst dat. Van dag tot dag werden in dat boek, ruim twaalf jaar lang (tussen 1794 en 1806) alle Gemertenaren genoteerd die graan ter molen brachten. Het gewicht, de meelontvangst en het waaggeld staan in keurige kolommen vermeld. Waaggeld? Jazeker, de Fransen zouden de Fransen niet zijn als ze geen belasting op het Gemaal hadden ingevoerd. Kijk, dat doet toch een beetje zeer. Al in het begin van de 17e eeuw hadden de mensen van Gemert de voor die tijd ongehoorde moed om zich te verzetten tegen het “Recht van Wind” dat de edele heer commandeur zich toedacht. Die kwestie is door een niet eens zó frivole archiefvorser bestempeld als een soort Franse Revolutie avant-la-lettre in miniatuurvorm en zelfs een verfilming waard geacht. Honderdvijfenzeventig jaar later volgde de echte Franse Revolutie, waarbij de heerlijke rechten werden afgeschaft en de bijbehorende heren geboeid en wel op dokkerende karren richting guillotine werden afgevoerd. En wat doen de nieuwe Franse heren? Die voeren een belasting op het Gemaal in. Hoe luidde dat citaat van zoëven ook al weer? De geschiedenis herhaalt zich?
In het dikke waaggeldenboek staan over de Gemertse ingezetenen helaas geen andere gegevens dan wat zij ter molen brachten en de sporadisch voorkomende mededeling: “Zak laten vallen”. Wel kan men nauwkeurig berekenen wat de omzet van de twee windmolens en ene rosmolen van Gemert was, en of er op bepaalde dagen van de week minder of juist meer aanbod was dan op andere dagen, en of er sprake was van seizoensinvloeden. Twee willekeurig gekozen weken leveren de volgende gegevens op:
Van maandag 21 juli tot en met zaterdag 26 juli van het jaar 1794 kwamen 174 mensen 32.735 pond en 2.042 lood graan naar de molens brengen. Dat staat gelijk aan 15.414 kilogram, ruim vijftien ton!
Van maandag 26 maart tot en met zaterdag 31 maart van het jaar 1804 kwamen 96 mensen 20.064 pond en 458 lood graan brengen, dus 9.436 kilo.
Opvallend is dat de zaterdag steeds de rustigste dag was – ook toen al iets van een ‘weekendgevoel’ – en ook valt op dat het verschil tussen het gewicht van het aangeleverde graan en het terugontvangen meel altijd rond de 0.930 was. Zeven procent verlies derhalve.
De door mij geconsulteerde mulder van molen “De Bijenkorf” bevestigde dat het anno nu niet anders is. “Stof en het schoonvegen van de stenen”, luidde zijn verklaring. Er werd destijds dus niet gesjoemeld, er gebeurde niets onoirbaars en niets onverkwikkelijks. Ach, dat was toch ook al af te lezen aan de nette administratie van het gewichtsverschil. Geloof trouwens maar dat de boeren anders ingegrepen zouden hebben! Dan hadden ze de mulder vast wel wat klappen in zijn eigen molen verkocht, gemole(n)steerd zeg maar…
GH-2002-03 Een bijl van Jadeiet
Jan Timmers
Vorig jaar in september 2001 werd aan de rand van de buitengracht rond het Gemerts kasteel het beeld van de Vredesmaagd vernieuwd. Ook het fundament waarop het beeld werd geplaatst werd vernieuwd, waarvoor enig graafwerk moest worden verricht. Er werd een kuil gegraven, die daarna met nieuw aangevoerd zand werd opgevuld. Daar werd het nieuwe fundament op gemetseld. Toen een en ander zo goed als was afgerond trof kasteelbewoner Piet Delisse een pracht van een bijl uit de nieuwe steentijd aan juist bij deze plek, een beetje verscholen onder de struiken.
Het aangetroffen voorwerp is een glad gepolijste stenen bijl. Het gebruikte materiaal is in dit geval geen vuursteen, maar zogenaamd jadeïet, een gesteente dat nog het meest lijkt op de halfedelsteen jade. De kleur is donkergroen met lichtgekleurde aders er doorheen. De grootste lengte van de bijl is 82 mm, de grootste breedte: 50 mm en de grootste dikte: 21 mm. Voor een bijl uit de Nieuwe Steentijd (Neolithicum) is het een klein exemplaar. De meest voorkomende neolithische bijlen zijn van vuursteen gemaakt en zijn doorgaans heel wat groter en hebben een lengte van zo’n 15 cm of meer. De gevonden bijl is dus om twee redenen een bijzonder exemplaar. Vanwege het materiaal en vanwege de afmetingen. Daarnaast is het bijltje nog volledig onbeschadigd en ook dat is een bijzonderheid.
Elders gevonden exemplaren
Hoe bijzonder de vondst precies is kan pas worden vastgesteld als we weten of dit soort vondsten vaker voorkomt en in welke plaatsen. Gelukkig is een overzicht bekend van vindplaatsen van jadeïet bijlen in Nederland en de directe omgeving. De meeste bijlen werden aangetroffen in plaatsen langs Maas en Rijn. Met name in Limburg komen de meeste exemplaren voor. In Noord-Brabant is een aantal vondsten bekend, eveneens van plaatsen langs de Maas. Daarnaast staan op het overzichtskaartje slechts twee jadeïet bijlen uit het zandgebied van Brabant 1. De vondst van een dergelijke bijl in Heusden bij Asten is daarin nog niet opgenomen 2. Dat betekent dat de jadeïet bijl van Gemert het vierde exemplaar is binnen het Brabantse zandgebied. Het aantal gepolijste bijlen van vuursteen is vele malen groter. Alleen al in Gemert zijn er daarvan al vier bekend. Het aantal gepolijste vuurstenen bijlen in aangrenzende plaatsen is nog groter. Het verschil in deze aantallen geeft aan dat jadeïet bijlen, ook al in het neolithicum, bijzondere voorwerpen geweest moeten zijn. Dat heeft beslist ook te maken met het materiaal. Vuursteen is tamelijk dichtbij aanwezig in de Maasvallei in België tot in Zuid-Limburg, waar de vuursteenmijnen van Rijkholt en St Geertruid bekende aanvoerplaatsen zijn geweest. Voor jadeïet moeten we tot in het gebied van de Alpen voor de meest nabije plaats waar dit gesteente voorhanden is. Dat wijst op het bestaan van handelsrelaties over behoorlijk grote afstanden.
Het al genoemde overzichtsartikel geeft als datering van de jadeïet bijlen aan dat ze met name voorkomen in de middelste periode van de Nieuwe Steentijd en dat betekent een datering tussen 3300 v.Chr en 2150 v.Chr. Die datering geldt vooral voor de Limburgse vondsten, maar de datering voor Brabant zal daarvan niet of nauwelijks afwijken.
De vindplaats
De bijl is gevonden in de directe nabijheid van het graafwerk voor de Vredesmaagd. Het kan bijna niet anders of de bijl is afkomstig uit het gegraven gat. Tijdens het graven is de bijl door zijn gewicht van de zandhoop af gerold tot onder de struiken. Bij het afvoeren van het overbodige zand is de bijl daarom niet meegenomen.
Een andere mogelijkheid zou zijn dat de bijl werd aangevoerd met het nieuwe zand waarmee de kuil werd aangevuld. Dat lijkt onwaarschijnlijk. De bijl zou dan bijna zeker tegelijk met het zand in de kuil onder het beeld verdwenen zijn.
Dat betekent dus dat het voorwerp oorspronkelijk in de grond zat op het binnenterrein van het Gemertse kasteel. Juist aan de binnenzijde van de huidige buitengracht. Het is goed om hier op te merken dat de oorspronkelijke buitengracht verder noordwaarts lag, pal naast de straat en dat het huidige Ridderplein onderdeel uitmaakte van het oude kasteelterrein. De vindplaats maakte vroeger dus zeker deel uit van het kasteelterrein. Op zichzelf is dat overigens niet zo belangrijk. De bijl is namelijk veel ouder dan het kasteel of de grachten daaromheen. Met de aanleg van het kasteel is pas een begin gemaakt omstreeks 1400. De bijl zit dan al zo’n 3000 jaar of meer in de grond. Er is dus geen directe relatie tussen het kasteel en de gevonden bijl.
Toch is de plek waar de bijl werd gevonden niet helemaal toevallig. Het Gemertse kasteel is gebouwd aan de oever van het riviertje De Rips. De grachten rond het kasteel werden gevoed met het Ripswater. Bij de bouw van het huidige poortgebouw van het kasteel werd De Rips ter plaatse duidelijk gekanaliseerd. Kaarsrecht loopt hij voor het poortgebouw door. Waar de bedding van De Rips voor die tijd precies lag is tot op dit moment niet vastgesteld. Vermoedelijk lag de oorspronkelijke bedding dichter bij het hoofdgebouw van het kasteel dan nu het geval is. Dat betekent ook dat de oude Ripsbedding dichter bij de plaats lag waar de bijl is aangetroffen. De Rips is daarmee de verbindende schakel tussen kasteel en stenen bijl. De Rips nodigde uit tot de bouw van het kasteel en De Rips oefende zo’n 3000 jaren eerder ook aantrekkingskracht uit op de bijl.
Gepolijste neolithische bijlen worden opvallend vaak aangetroffen op natte plekken: voormalige vennen of rivier- en beekdalen. Je zou vermoeden dat juist op die plekken destijds veel hout werd gekapt en dat daarom op die plekken veel bijlen zijn zoekgeraakt en door ons weer worden gevonden. Dat blijkt niet het geval te zijn. Archeologen zijn van mening dat de bijlen op een andere manier op die natte plekken terecht zijn gekomen. Het gaat namelijk meestal niet om gereedschap, waarmee hout gekapt kan worden. Dat gepolijste bijlen kostbare voorwerpen vormden is zeker. Het koste dagen van slijpen en polijsten voordat een bijl zo glad was. Een voorwerp waar zoveel tijd in is geïnvesteerd is niet zomaar een gebruiksvoorwerp. Het is een kostbaar voorwerp dat waarschijnlijk gebruikt werd voor ceremoniële doeleinden. Dat zal zeker voor de kleine exemplaren gelden, die gemaakt werden van zeldzame steensoorten die over grote afstanden werden aangevoerd.
Opvallend is nu dat bijlen, maar ook andere kostbare voorwerpen meestal in voormalige vennen of in beekdalen worden aangetroffen, soms zelfs meerdere bij elkaar. De theorie die archeologen daarbij gebruiken is dat de vindplaatsen in de prehistorie gediend hebben als een ceremoniële plaats, een plaats waar kostbaarheden aan het water werden toevertrouwd, wellicht als geschenk of offer aan nabestaanden of goden. De Rips als een prehistorische offerplaats dus, of in archeologische termen gesproken: een votief depôt.
Andere Gemertse bijlen
Al eerder werden in Gemert gepolijste neolithische bijlen aangetroffen. De vindplaatsen zijn echter helaas niet steeds met zekerheid bekend. Dat geld wel voor een smaltoppige neolitische bijl, die werd aangetroffen bij de Vossenberg in Elsendorp. Een plaats waar in het neolithicum geen of nauwelijks bewoning aanwezig geweest kan zijn. De vindplaats van de bijl is echter precies op de oever van een voormalig ven in de Peel. Ook daar is dus een gepolijste bijl als ceremoniëel geschenk in het water terecht gekomen 3.
Een andere vondst, die overigens niet geheel zeker is, betreft een zogenaamde depôt-vondst, omdat meerdere vondsten tegelijkertijd bij elkaar werden aangetroffen. Het gaat daarbij om een tweetal vuurstenen bijlen samen met een exemplaar van brons. De vondsten werden in 1917 door August Sassen geschonken aan het Noord-Brabants Museum met de melding dat ze gevonden waren op Koks. Bij de bewerking van de melding door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek wist men Koks niet te traceren, terwijl er kennelijk wel iemand was die ooit gehoord had van Koll bij Nuenen. De zo ontstane verwarring is inmiddels opgeheven 4. Het gaat in dit geval om een vondst in (het dal van) de Aa ter hoogte van Koks. Of dat in Gemert is of juist aan de overkant van de Aa in Erp is onduidelijk. Bekend is wel dat aan de Erpse kant van de Aa veel prehistorische begraafplaatsen, ook uit de bronstijd, bekend zijn. Een votief depôt in de Aa past daar prima bij.
NOTEN:
- 1.P Schut, H Kars, JMAR Wevers, Jade axes in the Netherlands: a preliminary report; Helinium 27(1987) 71-87. Met dank aan Nico Arts voor de tip.
- 2.WJH Verwers en GAC Beex, Archeologische kroniek van Noord-Brabant 1974-1976, p 1.
- 3.Jan Timmers, Prehistorie rond De Ripse Paal, Gemerts Heem, jrg 42(2000) 3, blz 32-34
- 4.Gegevensbestand van de ROB en Nieuwsbrief Archeologie Kempen en Peelland jrg 2 (1998) nr 2, blz 12, en jrg 2 (1998) nr 3, blz 16.
GH-2002-03 Mobilisatie in de Pandelaar
De mobilisatie in de Pandelaar
Jan Brouwers
Omdat ik regelmatig wel eens iets vertelde over de mobilisatie zeiden mijn kinderen dat ik het maar eens op moest schrijven hoe het toen allemaal ging…
Toen op 1 september 1939 Duitsland Polen binnen viel werd hier in nederland de mobilisatie afgekondigd. Alle mannen van 18 tot 35 die in dienst waren of gediend hadden werden toen opgeroepen.
Enige dagen later kwamen enkele officieren en een gemeenteambtenaar bij ons op de boerderij in de Pandelaar kijken hoeveel paarden er bij ons konden staan. Op stal konden er twaalf en in de schuur nog eens twaalf plus het paard van de commandant. Alles moest toen naar buiten. Het dorsmachine, de hakselmachine en alle karren en ploegen. Kwartiermakers kwamen om alles geschikt te maken om de vijfentwintig paarden te stallen. Lange lichtpalen en dennenpalen en veel touw kwam er aan te pas. Er kwam voor ieder paard een voerbak. Tussen ieder paard moest een balk hangen om het slaan tegen te gaan. De paarden die moesten komen die waren allemaal gevorderd van particulieren, meest boeren. In ieder dorp, ook in Gemert, moesten alle paarden bijeenkomen. Daar werden ze geselecteerd welke geschikt waren voor het leger.
Allemaal vreemde paarden bijeen… ze sloegen en beten elkaar dat het niet mooi meer was.
De inkwartiering verliep als volgt: Eerst kwamen twaalf soldaten die sliepen op de zolder en in de kamer. Daags daarna kwamen vijfentwintig paarden het erf op. Een geweldige chaos was dat. Bij de veldartillerie heb je voor een kanon zes paarden nodig en voor de caissonwagen die de munitie vervoerde ook zes paarden. Dat alles samen heet dan een stuk en vier stukken is een batterij. Bij ons lag het 2e en het 3e stuk. Voorlopig, want in de herfst moesten de koeien weer op stal.
In de Pandelaar lagen in die tijd ruim duizend soldaten. In Café ‘het Vossenkamp’ lag de zaal en het kegelhuis helemaal vol. Tegenover het café stond een grote tent waarin zo’n 600 soldaten lagen. Er waren geen toiletten of sanitaire voorzieningen en ’s morgens zaten er veel in de buitenlucht hun behoefte te doen. In de pas nieuwe Pandelaarschool, en bij particulieren, overal lagen soldaten…
In Elsendorp werd achter het defensiekanaal de Peel-Raam-stelling aangelegd om bij een Duitse invasie tegenstand te kunnen bieden. Daar werden loopgraven gegraven en stellingen gebouwd voor de kanonnen. Maar ook bij ons was het een drukte van belang. Iedere dag moesten de stallen worden uitgemest en moesten ook de paarden worden los gereden. Ieder op zijn paard en nog een paard aan de hand en zo naar de Hulst en naar Esdonk. Voor een dubbeltje nam ik dikwijls zo’n ritje over wat ik maar wat graag deed tussen al die soldaten. Het liefst van al reed ik op het paard van de commandant. Dat was een echt rijpaard. Hij had twee witte sokken en zijn naam was Boefje. (Verderop nog meer over dit prachtige paard). Voor mij als jongen van veertien jaar was het een uitermate spannende tijd. Iedere dag kwam de fouragewagen langs met haver, hooi en
stro. Op een andere wagen lag een grote tank met water, want waterleiding hadden we toen nog niet (die kwam in Gemert medio 1940 – red.). Elk paard moest tweemaal per dag met emmers water gegeven worden wat een groot karwei was.
Midden in de Pandelaar was de boerderij van Hannes Rovers (die met het beeld van Michaël in de voorgevel) het centrum van alle activiteiten. In een grote loods stonden onder permanente bewaking alle kanonnen en munitie van de hele compagnie opgesteld. Er was een keukenwagen en een kleine kantine. De soldaten gingen er twee keer per dag eten halen dat daarna “thuis” werd opgegeten. Tegen etenstijd was het op de weg een drukte van belang met al die soldaten die hun hapje gingen halen. ’s Morgens brood (kuch) voor de hele dag en ’s middags de warme hap. Tegen november moesten de paarden van de stal omdat daar de koeien weer in moesten. In de schuur bleven echter dertien paarden de hele winter gehuisvest.
Voor de soldaten werd betere huisvesting gevonden. Bij ons werd de opkamer gereed gemaakt voor drie soldaten. Pietje Fransen uit Veghel, Janus van Engelen uit Breda en Piet (….?) uit Limburg. (Over de laatste straks meer.) Die drie hebben de hele winter bij ons gelogeerd en aten dikwijls met ons mee. Zo maakten ook wij kennis met kuch, margarine en capucijners. ’s Avonds werd er gekaart en naar de radio geluisterd. Door toedoen van een soldaat die bij Philips had gewerkt, konden wij een gebruikte radio kopen wat voor ons in die tijd nog een ongekende luxe was. In november was er groot alarm en moest iedereen met paarden en kanonnen naar de stellingen in Elsendorp. Na een paar dagen kwamen ze weer terug en ze waren allemaal behoorlijk onder de indruk. Bij een verjaardag kwamen alle soldaten van het peloton op het feest en na de nodige consumpties wat later op de avond werd het strijdlied gezongen. Ik ken het nog steeds uit mijn hoofd.
Wij zijn dienaars der kanonnen
Wij strijden met staal en vuur
En laat de vijand maar kommen
Wij winnen op den duur
Wat belieft u
Al strijden wij aan het strand
Of in het binnenland
Wij winnen op den duur
Onze wapens slaan te kletter
En strijden met robuust geweld
Slaat de vijand op de vlucht
Want hij is het meest geducht
Van de eerste compagnie
Van de derde veld
Nondeju
Op het laatst van maart of begin april 1940 moest alles weg uit Gemert en werd de Peel-Raam-stelling (gedeeltelijk) opgeheven. (In de nacht van 10 op 11 mei zou de stelling uiteindelijk helemaal ontruimd worden – red.). Omdat de grens te lang was om te verdedigen werd de Duitsers in zekere zin vrije doortocht gegeven richting België. De veldartillerie kwam nog even te liggen in de buurt van Den Bosch en verhuisde daarna nog verder naar het westen tot achter de waterlinie. Met Pietje uit Veghel en Janus uit Breda hebben we nog jaren contact gehad.
55 Jaar later
In de zomer van 1994 hadden wij als oud Indië-strijders een bijeenkomst bij het Indië-monument in Roermond. Er werd een bronzen plaquette onthuld op de herdenkingsmuur bij het monument. Hier staan de namen vermeld van de
omgekomen kameraden van ons bataljon, die gesneuveld zijn in Indië. Het was een emotionele en waardige plechtigheid in het bijzijn van de nabestaanden. Het was die dag ontzettend warm en na afloop zeiden wij tegen elkaar: ‘nu moesten we ergens uit de zon en aan het water een lekker pilsje kunnen drinken.’ Onze vriend Nol Waegemans die uit deze streek komt reageerde meteen met ‘ik weet wel iets.’ We reden met z’n allen achter hem aan en jawel dit was wat we zochten. Prachtige zitjes onder oude eikenbomen vlakbij de Maas. Het restaurant heette ‘Mijnheerkes’ en het lag in het dorpje Maasniel vlakbij Roermond. Toen ik die dorpsnaam hoorde schoot er mij meteen iets te binnen. Woonde daar niet die Limburgse soldaat die in de mobilisatie bij ons gelegerd was? Ik wist opeens ook weer zijn naam. Piet Slijpen! Aan de eigenaar van het restaurant vroeg ik of hij die naam kende. ‘Ja, of ik die ken,’ zei hij, ‘die woont hier recht tegenover!’ Lang heeft het niet geduurd of ik ging met mijn vrouw bij Piet op bezoek. Hij herkende mij meteen en we waren van harte welkom. Uren hebben wij zitten buurten, herinneringen ophalen en vertellen over vroeger. Hij was nog wel eens in Gemert geweest, maar had bij ons niemand thuis getroffen. Piet vertelde ons ook hoe het hem na zijn vertrek uit Gemert verder was vergaan. Eerst hadden ze nog 3 weken in Sint-Michielsgestel gelegen om daarna te vertrekken naar Zuid-Holland achter de waterlinie. Hierna volgt het relaas van Piet Slijpen op de eerste oorlogsdag: “Op de morgen van de tiende mei 1940 reed ik ’s morgens met mijn paard (Boefje) in het buitengebied van het dorpje Schelluinen. Opeens hoorde ik een vliegtuig boven mij en ik zag dat hij begon te cirkelen. Ik zocht dekking onder een boom. Er viel een schot en dat ging dwars door het hoofd van mijn paard en die viel helemaal dood neer terwijl ik de teugels nog in mijn hand hield. Het was een trieste gang terug naar het kampement met het zadel op mijn schouders en het hoofdstel in mijn hand. Ik had op de eerste dag van de oorlog mijn beste vriend verloren.”
Piet Slijpen heeft heel zijn leven op een baggermolen (schip) gewerkt om grint uit de Maas te halen. Met de bevrijding in 1944 evacueerde heel Maasniel via Duitsland naar Groningen. Toen Piet na verschillende maanden pas weer thuis kwam bleken de Duitsers alles te hebben weggehaald of opgestookt. Hij vond ’t ook heel erg dat hij geen enkele foto meer had van vroeger. Maar bij mij thuis vond ik nog een foto van Piet op Boefje, gemaakt door Jan Duppen in november 1939. En via kennissen kwam ik ook nog in het bezit van een foto van ‘het stuk’ op weg naar Elsendorp. Natuurlijk hebben we die foto’s ook naar Piet gebracht. Zo zie je wat je op een dag allemaal mee kunt maken en aan herinneringen op kunt halen.
Ik heb geprobeerd dit allemaal op te schrijven als herinnering aan de mobilisatietijd bij ons in de Pandelaar.
Onderschriften:
Korporaal Piet Slijpen uit Maasniel. Foto van Jan Duppen, Gemert, november 1939.
Een batterij op weg naar de stelling in Elsendorp. Links voor op ’t zwarte paard Piet Slijpen. Achteraan Piet Fransen uit Veghel.
Nog een batterij op weg. Voorop Frans Brull uit Heerlen.
Bekijk PDFGH-2002-03 Torenhorologies in Gemert vanaf 1500
Ad Otten
Op een kerktoren hoort een uurwerk maar je zou je af kunnen vragen sinds wanneer dat zo is. In een in 1636 aangelegd en tot 1647 bijgehouden ‘Register der Costerije van Gemert’ werd als één der taken van de koster opgetekend ‘het stellen vant urewerck’. 1 De kerkmeesters betaalden hem daarvoor jaarlijks vier gulden, welk gebruik dateerde van het jaar 1571 ’toen het urewerck op de kerck quam’. Daarmee lijkt dus meteen het jaar bekend sinds wanneer men in Gemert op de kerk kan zien hoe laat het is. Uit de achttiende eeuw zijn verder een paar etsen bekend die op het kleine torentje op het priesterkoor wijzerborden afbeelden. Verderop in dit artikel zullen we zien dat het uurwerk ‘op de kerk’ in eerste instantie niet in dit kerktorentje werd geplaatst, maar dat het in een houten huiske stond op de gewelfribben van het priesterkoor. En het kerkvolk werd ook niet ‘bij de tijd’ gehouden door wijzerplaten op het torentje maar door een stevig wijzerbord ‘van wagenschot’ boven op het priesterkoor, geplaatst in een soort dakkapel met uitzicht op het kerk(hof)pleintje aan de straat. Pas in de achttiende eeuw kwamen er aan het kleine torentje wijzerborden. Na de bouw van de kerktoren aan de westgevel in het midden van de negentiende eeuw waren de wijzerplaten op het kleine torentje niet meer nodig omdat er toen een nieuw uurwerk kwam in de veel hogere nieuwe kerktoren.
Maar zo’n drie eeuwen voor de bouw van die kerktoren was Gemert dus al ‘bij de tijd’. En dat was vrij vroeg voor een dorp. Dat althans kan geconcludeerd worden uit de literatuur over historische uurwerken.2 Bekend is dat de toren van het Binnenhof in Den Haag al in 1366 van een ‘uurklok’ was voorzien, dat ook een stad als Venlo eind veertiende eeuw al een torenuurwerk bezat, en dat er in 1513 voor de Sint Jan van Den Bosch zelfs
al een opdracht werd verstrekt voor een opzienbarende speelklok die behalve de tijd ook het laatste oordeel in beeld moest brengen. Wat betreft het bestaan van publieke torenhorloges in dorpen lezen we in een recent proefschrift (P. Mestrom, Maastricht 1997) dat Limburgse dorpen die uurwerken veelal pas kregen vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw.3
Uurklok op kasteel Gemert vanaf 1500
Gemert was er in elk geval vroeger bij. Het uurwerk dat er in 1571 ‘op de kerk’ kwam blijkt hier bovendien niet het eerste en ook niet het enige buitenhorologie te zijn geweest. Dat uurwerk was namelijk een tweedehandsje. Want in het Register van de costerije van Gemert wordt geschreven dat ‘het horologie op de kerck eerst onderhouden wert op de commandery’. 1 Op het kasteel dus.
Uitgaande van de veronderstelling dat het daar toch minstens enige decennia zal zijn gebruikt, leidt tot de slotsom dat ze in Gemert rond 1500 de klok al kenden.
Een prent van Valentijn Klotz uit 1675 geeft een prachtig ‘breedbeeldzicht’ op de voorgevel van de hoofdburcht van Gemerts kasteel en de oppervlakkige beschouwer ontgaat het in eerste instantie wellicht, maar hoog in de middenpartij van de voorgevel is onmiskenbaar een wijzerbord van een uurwerk en een grote en een kleine luidklok zichtbaar. Daar zit dus een torenuurwerk met slagwerk. De locatie boven de entree van de hoofdburcht ligt zo voor de hand dat het aannemelijk maakt dat dit ook de plaats geweest moet zijn waar vandaan in 1571 ‘een uurklok’ naar het priesterkoor van de kerk verhuisde.
Het lijkt alsof het uurwerk ‘van Klotz’ zowel een uurwijzer als een minuutwijzer heeft die in elkaars verlengde staan. Maar Gerard van Lankveld die ik de prent liet zien en met die gedachte confronteerde reageerde direct met ‘dat denk ik juist niet!’
en meteen kreeg ik de hele geschiedenis van het uurwerk om m’n oren. Minuutwijzers werden pas aangebracht na de uitvinding van het slingeruurwerk door Christiaan Huygens in 1656/1657. Pas toen werd de tijdmeting nauwkeurig genoeg om minuten aan te wijzen. Op buitenuurwerken werd echter, aldus Gerard, nog heel lang met alleen de uurwijzer volstaan. Gerard overtuigde me er verder van dat een tot in details zo nauwkeurig tekenaar als Valentijn Klotz, als er al een afzonderlijke minuutwijzer was geweest, dat hij die dan zeker niet in één lijn zou hebben gezet met de uurwijzer.
De verklaring voor de lange uurwijzer op de prent van Klotz zit hem in het feit dat oude uurwijzers allemaal zo lang waren omdat die (aldus Gerard) een contragewicht nodig
hadden. Dergelijke wijzers wezen met een pijl of een hand naar de uren terwijl die aan de andere kant vaak voorzien waren van zoiets als een halve maan. ‘Hedde gin platjes van aaw klokken?’, vroeg Gerard.
Vanalles-en-nogwa heb ik sindsdien bekeken en geraadpleegd. Ergens las ik dat
de Westertoren in Amsterdam weliswaar in 1668 al een minuutwijzer kreeg maar, dat was dan ook één van de eerstelingen en die Westertoren gold bovendien als één der meest aansprekende kerktorens van het land. We kunnen er dus gerust vanuit gaan dat Gerard gelijk heeft en dat het uurwerk in de hoofdburcht van Gemerts kasteel in 1675 alleen de uren aanwees.
Uurklok op donjon Anno 1760
Bij de tussen 1735 en 1745 uitgevoerde algehele renovatie van de hoofdburcht werd de middenpartij uit de voorgevel gesloopt om meer licht en ruimte te krijgen op de binnenplaats van het kasteel. Toen verdween hier dus ‘het kasteelhorologie’. Lang hebben de kasteelbewoners hun horologie echter niet hoeven te missen. Immers, van het hoektorentje van de donjon dat uitkijkt op de binnenkoer tussen hoofd- en voorburcht, kennen we toch tot vandaag de dag een uurwerk met een in de hoeken van de wijzerplaat aangebrachte tekst ‘AN-NO 17-60′! Spijtig genoeg is dit uurwerk rond 1960 uit het torentje gesloopt en vervangen door een nieuwerwets exemplaar. En Gerard van Lankveld, ’toen die nog ’n jungske waar’, vond het antieke origineel ’tussen de pikkers’ in een hoek van de ommuurde moeshof van het kasteel. Allemaal tandwielen en assen in een kubusvormig frame. Duidelijk een uurwerk met gaan- en slagwerk. En ook al was het dan niet compleet meer, Gerardje kon het daar toch zomaar niet laten liggen… Wel dan? Met de hulp van Rinie Kandelaars sjouwde hij het naar huis op ’t Stereind. En daar stond moeder Van Lankveld: ‘Wor hédde dé ewèg gehald jongen? Baj de paoters?? Maar jongen toch! Breng ’t mar gauw terug vur de pliesie kumt. Veuraojt veuraojt veuraojt!!’ Nee het ging echt niet van harte maar Gerard zeulde toen alles weer terug naar de pikkers… waar letterlijk en figuurlijk uiteindelijk alles verging wat er nog restte van het antieke horologie uit de kasteeldonjon. En wie zal het zeggen misschien bevatte dat uurwerk uit 1760 ook nog onderdelen van het kasteelhorologie uit 1571, want vroeger gooide men nooit iets weg wat nog ergens voor kon dienen. Ja ‘wan zeund toch aajgelek’ dat Gerards moeder niet even was gaan praten met de paters.
Jammer temeer omdat het hier wellicht handelde om een uurwerk van Gemerts fabrikaat oknogok oknog! Want suggereerde Wiro van Heugten eerder in Gemerts Heem4 niet, dat Gemert in de achttiende eeuw naast een centrum van orgelbouw ook de plaats was waar horlogemakers gevestigd waren die in de hele regio torenuurwerken bouwden
of in elk geval onderhielden. Uit de zeventiende en de achttiende eeuw noemde hij een drietal Gemertse (toren)uurwerkmakers die elkaar in dat ambacht opvolgden. De oudst hem bekende was meester Jacob de Jongh, daarna ene meester Hendrik de Jongh en vervolgens zekere Benedictus van den Bergh. De laatste installeerde in 1738 een uurwerk in de Deurnese kerktoren waarvan in het Deurnese gemeentearchief nota bene de ontwerptekening bewaard zou zijn gebleven. Redenen genoeg dus om eens wat uitgebreider onderzoek te verrichten naar die uurwerkmakers van Gemert.
Jacob de Jonghe, Magister Horologiarius
Wiro van Heugten kon in 1990 nog niet het bewijs leveren dat meester Jacob de Jongh ook inderdaad van Gemert kwam. Maar hij meende dat af te kunnen leiden uit het feit dat rond 1700 het onderhoud van diverse torenuurwerken in de regio werd overgenomen door meester Hendrick de Jongh, een naamgenoot die in Bakel bekend stond als ‘de horologiemeester van Gemert’. Wiro ging er vanuit dat rond 1700, of kort nadien, de ‘oude meester de Jongh’ was komen te overlijden en dat diens bedrijf daarna was voortgezet door een zoon of een verwant. Het bleek niet moeilijk om de naam van ‘de oude meester’ te traceren in Gemertse archivalia. Op 12 april 1713 werd ‘onze Jacob’ door pastoor Gautius ingeschreven in het begraafregister als zijnde overleden. De pastoor gaf hem daarbij als extraatje de niet mis te verstane kwalificatie mee van ‘Magister Horologiarius’. Een titel die er om leek te vragen op zoek te gaan naar de meesterwerken van deze Gemertenaar.
Maar dat kostte aanmerkelijk meer tijd. De borgemeestersrekeningen van een plaats zijn daarvoor de aangewezen bronnen maar in Gemerts gemeentearchief zijn daar vele dozen en dozen vol van. Dat werd dus een kwestie van heel veel oud nieuws doorspitten. Boeiende stuf, ik kan ’t iedereen aanbevelen, maar … ik was dus op zoek naar horologies van ene magister horologiarius… En jawel hoor na vele uren en uren bladeren en snuffelen had ik beet.
Jacob bouwde in 1668 ‘een nije oorlos’
Het was in de borgemeestersrekeningen van 1668 dat ik opeens las van ene ‘Jacop de Jonge, den uurgewerckemaecker’. Op 22 december van dat jaar werd hem tachtig gulden betaald als zijnde één van de termijnen voor “de nijen oorlos” die hij maakte in opdracht van de gemeente Gemert.5 Jacob de Jonghe woonde toen nog niet
in Gemert maar bleek afkomstig uit Megen. In een paar rekeningen wordt hij tenminste genoemd als ‘meester Jacob van Megen’. En wanneer de voerman betaald moet worden voor het bezorgen van ‘het nije uurgewerck’ dan blijkt ook dát uit Megen te zijn aangevoerd.
De vervoerskosten beliepen een rijksdaalder. Heel wat duurder was het verblijf te Gemert van de horologiemaker in de tijd dat hij het uurwerk op de gewelven van het priesterkoor installeerde. Met de regeerders van Gemert was afgesproken dat hij hier op kosten van de gemeente kon verblijven. En dat deed meester Jacob hier ‘op stand’. Een horologiemaker was per slot van rekening niet de eerste de beste. Van 22 september tot 9 october 1668 was magister Jacob de Jonghe in de kost bij schout Otto de Visschere. In diens declaratie ‘van de verteringhe in cost ende dranck van den meester horologiemaecker’ lopen de onkosten op tot 25 gulden en 13 stuiver.6 Dat is echter lang niet alles. Bij de installatie van een nieuw uurwerk kwam echt nog wel wat meer kijken. Al bij de aanbesteding had de gemeente aan meester Jacob toegezegd voor de nodige vaklieden te zullen zorgen die bij de installatie moesten assisteren. Zo dienden ook een meester-timmerman (Dierck van Gemert) en een loodgieter (Jacob Gielens) een declaratie in voor arbeidsloon en gebruikt bouwmateriaal, terwijl brandwacht Claes van Puyfelick tien stuivers kreeg voor het zorgvuldig waken bij een naar het zich laat aanzien op de gewelven ten behoeve van de horlogemeester gestookt vuurtje…5
Uit de opeenvolging van borgemeestersposten wordt ook duidelijk hoe de oplevering en betaling van een publiek uurwerk in zijn werk ging. Het begint allemaal met het (publiek) aanbesteden en vervolgens het gunnen van de opdracht. In ‘comparisies’ van meester Jacop met de regeerders van Gemert werden toen al de nodige guldens aan dranck en maeltijden geconsumeerd. Het uurwerk werd vervolgens gemaakt in de werkplaats van de uurwerkmaker, daarna ter plaatse bezorgd en dan zien we dat meester Jacop er hier in Gemert zo’n zeventien dagen werk mee had om het uurwerk op de daartoe bestemde plaats te installeren. Om ‘het uurgewerck’ werd in diezelfde tijd een huiske getimmerd, die het kostbare horloge moest vrijwaren van bijvoorbeeld nesten en mest van vogels. Dan volgt de inwerkingstelling en het ‘proefdraaien’ gedurende drie maanden. Van 12 tot 17 december 1668 is meester Jacob weer bij schout de Visschere in pension ‘om de foulten te maecken ende sijn iersten termijn te haelen’.6 Pas dan krijgt hij dus het eerste deel van de aanneemsom betaald. Op 27 en 28 october 1669, dus zeg maar een jaar na de oplevering van het uurwerk is meester Jacob weer in Gemert en hij int dan het laatste termijnbedrag. De geldsom die daarmee gemoeid was, is in de maar fragmentarisch bewaard gebleven borgemeeesterrekeningen van dat jaar niet aangetroffen. Maar dat Jacob de Jonghe weer een meesterwerk had opgeleverd weten we uit de declaratie van de schout voor zijn pensiongast ‘die de lesten partije vande sijn gelt quaem haelen van wegens het horologie’.6
Vanaf die jaren heeft meester Jacob de Jongh een band met Gemert. Elk jaar komt hij langs voor het onderhoud van het horloge op de kerk en het lijkt redelijk te veronderstellen dat hij ook het uurwerk op het kasteel onder zijn hoede zal hebben gekregen. De band met Gemert bevalt hem kennelijk zo goed dat hij zelfs naar Gemert verhuist. Vermoedelijk omdat hij hier een groter werkgebied kon bestrijken als in de uithoek van Megen aan de Maas. Dan duikt zijn naam ook op voor het onderhouden van bijvoorbeeld het uurwerk op de kerk in Aarle en wellicht is hij ook daarvan de maker. Bij het zorgvuldig doornemen van alle borgemeestersrekeningen zullen er naar mijn idee in de toekomst nog heel wat meesterwerken van ‘onze’ magister horologiarius boven water komen.
Meester Hendrik de Jonge horologiemaeker
Blijkens de rekeningen van de Aarlese borgemeesters ontving meester Jacob voor het onderhoud van het uurwerk in de periode van 1690 tot 1699 jaarlijks vier gulden.4 Na 1699 werd dit jaarlijkse onderhoud evenals in plaatsen als Bakel, Deurne, Lieshout en Beek en Donk overgenomen door meester Hendrik de Jongh, de zoon van Jacob. Er is zeker geen uitputtend onderzoek verricht naar het voorkomen van diens naam in de dorpsrekeningen uit de regio
maar dit zijn de posten die min of meer toevallig zijn komen boven drijven. En het zal niet verbazen dat we zijn naam na enig zoekwerk ook aantreffen in de Gemertse gemeenterekeningen. Zo zien we hem in 1709 met de borgemeesters van Gemert overeenkomen dat hij te rekenen vanaf 1 januari 1710 voor negen gulden per jaar het jaarlijkse onderhoud op zich neemt wat betreft ‘het horologie op de kercke’, voor een periode van twaalf jaar ‘ofte soo langh als de Here belieft’. Dit contract en ook de uit latere jaren bewaard gebleven kwitanties tekent hij met ‘Hendrik de Jong horlogiemaker’.7 Zijn contract met de gemeente Gemert zal hij maar net vol kunnen maken want in de Gemertse begraafregisters komen we zijn naam tegen als zijnde begraven op 11 september 1723. Zo’n 25 jaar is hij dan in de regio als meester horlogemaker actief. Op 11 januari 1724 ondertekent Maria de Jongh, de moeder van Hendrik, nog een kwitantie waarmee zij bekend het jaargeld voor het onderhoud van het horologie te hebben ontvangen.8 Het jaar daarop meldt zich daarvoor een nieuwe naam: Benedictus van den Bergh.
Wie was Benedictus van den Bergh?
Benedictus was behalve ‘aannemer’ ook herbergier van ‘Het Wit Perd’, een herberg die we moeten situeren recht tegenover het huidige Hotel De Kroon in de Kerkstraat. In de achttiende eeuw was in Het Wit Perd het St.Antoniusgilde ’thuis’ en dat zegt genoeg over de klandizie van die herberg en het aanzien dat diens herbergier genoot. Maar onze Benedictus blijkt ook anderszins niet de minste te zijn geweest. In 1734 werd hij ‘geroepen’ tot het borgemeestersambt van Gemert, een ‘dienst’ die alleen aan vermogende ingezetenen toeviel. Of Benedictus ook van Gemert geboortig is niet bekend. Wel weten we dat zijn ouders hier in respectievelijk 1707 (vader Jacob) en 1731 (moeder Elisabeth) werden begraven. In 1744 komt Benedictus in de schepenbank van Gemert en van 1749 tot 1760 is hij zelfs president-schepen. Van hem achterhaalden we verder dat hij was getrouwd met zekere Maria van Luxemburg (ook wel geschreven als Litzemborgh) en blijkens de Gemertse doopregisters kregen de beide echtelieden hier twee zonen en vijf dochters. Eén dochter stierf als baby en tenminste twee kinderen begaven zich in de geestelijke stand. De jongste zoon Henricus schreef zich als 19-jarige rond 1750 in als student aan de universiteit te Leuven. Dochter Hendrina trad in een zustersklooster.
Benedictus van den Bergh werd in Gemert begraven op 10 januari 1779. Hij was toen al ruim tien jaar weduwnaar. Zoon Henricus blijkt dan te zijn opgeklommen tot het pastoorsambt van ‘Calmschooten’.
Benedictus van den Bergh als uurwerkmaker
V
an Benedictus bestaat een prachtig zilveren schutsschild waarop een uurwerk als bekroning van zijn wapen is afgebeeld. Het schild liet hij vervaardigen bij gelegenheid van het feit dat hij zich in 1742 tot Coninck schoot bij het Gilde van St. Antonius en St. Sebastianus. Het op het schild afgebeelde wapen laat op de onderste helft een berg zien dat duidt op zijn familienaam en op de bovenste helft een passer en timmergereedschap dat duidt op zijn beroep. Het prachtige uurwerk dat het wapen als helmteken wordt meegegeven duidt op het gegeven dat Benedictus ‘dat’ toch wel als zijn ‘meesterwerk’ beschouwde al is het timmergereedschap daar nu niet direct een aanwijzing voor. Hoe het ook zij in de regio was Benedictus van den Bergh als uurwerkmaker bekend en decennialang komen we zijn naam ook tegen in de Gemertse borgemeestersrekeningen als de man die ‘het horologie’ op de kerk onderhoudt. De oudst bewaard gebleven kwitantie die hij tekent voor de ontvangst van negen gulden voor het jaarlijks onderhoud van de ‘allosie of horologie’ dateert van 1725. Kennelijk had Benedictus een vast contract met de gemeente Gemert want bijna veertig jaar later komen we hem nog steeds in de rekeningen tegen voor dezelfde post en hetzelfde bedrag. Inflatie bestond in die jaren niet. Uit alles blijkt dat met die openbare gemeenteklok het uurwerk op het Gemertse priesterkoor werd bedoeld. Uit de
borgemeestersrekeningen van 1759 citeren we: ‘betaelt aen Benedictus van den Bergh voor het onderhouden van het horologie staende op het Coor van de Gemertse Kerck de somme van 9=0=0’ en in 1761 heet het ‘voor het onderhouden van het horologie op de Gemertse kerck de somme van negen gulden alle jaer aen Benedictus van den Bergh’. 9
Wiro van Heugten attendeerde ons in zijn artikel in Gemerts Heem ook op een werktekening van een uurwerk dat Benedictus van den Bergh in 1738 installeerde in de kerktoren van Deurne.10 Het had gestormd en de hele Deurnese torenspits met het uurwerk was verwoest. Er volgde een openbare aanbesteding van zowel de torenspits als het uurwerk. Benedictus van den Bergh uit Gemert was de laagste inschrijver voor het herstellen van het uurwerk.
En hij moet er zin hebben gekregen want wanneer een jaar later ook ‘een verbouwing’ van het Gemertse uurwerk op de kerk op de agenda komt is Benedictus opnieuw de laagste inschrijver.
En of het met Benedictus van den Bergh met de specifieke uurwerkmakerij van Gemert is afgelopen is nog maar de
vraag. Zo maakte Willy Ivits me nog attent op zekere Dingeman Buys met beroep ‘horlogiemaker’ die op 18 november 1817 te Gemert in het huwelijk treedt met Lucia Peters van den Berg… Wie zal het zeggen misschien worden er in de toekomst nog wel meer Gemertse horologiemakers aan de vergetelheid ontrukt.
Spijtig ondertussen…
En spijtig is het toch ook dat de Rijksmonumentenzorg in de jaren zeventig van de vorige eeuw besloot om de dakkapel van het priesterkoor te slopen. Zo’n markant punt boven het kerkhofpleintje. Daar was Gemert al vanaf 1571 bij de tijd….
NOTEN:
1. Uit lezing van Gerlacus van den Elsen gepubliceerd in ‘Handelingen van het Provinciaal Genootschap tussen 1890-1909’. (Heemkamer Gemert, VARIA IX p.25-26)
2. P.T.R. Mestrom, Uurwerken en uurwerkmakers in Limburg, 1367-1850 (Leeuwarden/Mechelen, 1997); C. Spierdijk, Klokken & Klokkenmakers – Zes eeuwen uurwerk 1300-1900, 5e druk, Amsterdam 1976 (blz. 54, 60-61).
3. In een recensie in de Maasgouw Jrg. 117 (1998) maakt M. Flokstra meteen gewag van een aantal dorpen die zeker al in de zestiende eeuw over een buitenuurwerk beschikten (Venray, Swolgen, Grubbenvorst, Horst)
4. Wiro van Heugten, Uurwerkmakers van Gemert, Gemerts Heem 1990, blz.85-89.
5. Gemeentearchief Gemert [GAG] 1407-1794 invnr. 494 (borgemeestersrekeningen 1668)
6. GAG 1407-1794 invnr. 602-1
7. GAG 1407-1794 invnr. 625-2; 627-40; 629-23
8. GAG 1407-1794 invnr. 635-18
9. Gemeentearchief Gemert 1407-1794 invnr. 637-13 (bijl. borgemrsrek.) invnr. 531 (borgemrsrek. 1732), invnr. 552 (idem 1759), invnr. 672 (bijl. borgemrsrek. 1761)
10. Streekarchief Peelland – Deurne; OAA Deurne invnr.1678
GH-2002-04 Kapittelstokjes
Vrijers uit de Mobilisatie
In het vorige nummer van Gemerts Heem verraste Jan Brouwers onze lezers met zijn op schrift gestelde herinneringen aan de mobilisatietijd en de nog altijd bestaande contacten met Nederlandse militairen die indertijd in Gemert gelegerd waren. Van Dientje Wijn-Rooijmans kregen we de hierbij geplaatste foto, die ons nu vergast op Nederlandse militairen uit de mobilisatietijd die hier op vrijersvoeten gingen en daar tijdens de bezetting ook op terug kwamen. De foto dateert uit het eerste oorlogsjaar en is gemaakt op de ruïne van de op 11 mei 1940 tijdens de Duitse inval verwoeste voorburcht van Gemerts kasteel. De jongedames zijn de zusjes Wilhelmina (Mien) en Everdina (Dien) Rooijmans. De jongeheren zijn links Pierre Wolfs en rechts Sjeng van der Booren beide afkomstig uit Zuid-Limburg. Pierre uit Eijsden en Sjeng uit Kerkrade. Mien is na de oorlog ook met Pierre getrouwd, maar Dientje vond al gauw een andere man: hotelier Jan Wijn van De Kroon.
Red.-AO
Wat haalde Adriaan Thomassen zich in Godsnaam op de hals ?
In Gemerts Heem ( jaargang 44, 2002, nr.2) staat een artikel van Simon van Wetten met de titel “De Dood “.
Onder de subtitel “Voor de dood is geen kruid gewassen” wordt vermeld:
“Begraven is Adrianus Thomassen. Hij was lange tijd in militaire dienst geweest onder de Hollanders. Hij haalde zich de thisus op de hals tijdens de Deense expeditie en hij stierf bij zijn moeder vroom in de Heer” (2 jan. 1701). Ik vroeg me af wat een militair zich nu op de hals had gehaald. Een geslachtsziekte misschien?
Op zoek naar de term “thisus” leverden de gewone woordenboeken en de encyclopedie geen resultaat op. Uiteindelijk kwam ik bij een publicatie uit van Régis de la Haye: Latijnse woorden – samengesteld t.b.v. het genealogisch onderzoek, Maastricht 1983. Daarin staat het woord thysus met een verwijzing naar phtisis, phthisis of phthysis. De term staat voor tering. Tering is een algemene naam voor ziekten die een chronisch verloop hebben en vermagering en verzwakking veroorzaken. Meestal wordt het gebruikt voor longtuberculose.
Als andere termen voor tering worden nog vermeld “tabes” en “cachexia”. Deze laatste term staat ook wel voor de “groene ziekte” .
Ben van Gansewinkel
Bekijk PDFGH-2002-04 Prelaot Van Dinther 1
Riek Donkers-van den Acker
Prelaot van Dinther wás krèk as ónzen híroom aojt Èèrp, kraojshaër. Mar Van Dinther wás dus de grouten bás, óns moeder nuumden ‘m: “Hoogwaardig Heer”.
Naw han die twaë, de prelaot èn híroom, ’t plan ópgevat um saome mí d’n tram óp femieliebezoek te gon no Gímmert. ’t Zal begin dárteg gewíst zén. Ze góngen uurst no de Áchterdeel baj d’n Brèsser án; dor wás Van Dinther ‘ne naëf van.
Roond de middeg kwaame ze baj óns binne, aachterum óp de geut, wor waj mí z’n allen um de tòffel zaote mí ‘nen bùrd moesepetázzie. ’n Ribstukske zal d’r ok wél baj zén gewíst. Óns moeder verraste dè ’n bietje want ze ha in d’n hèrd de tòffel al ópgeháld mí ’n vùr dees gelaëgenhajd spíssiejaol ángeskaft tòffellaoke, mí ‘ne pèèrsen in-gewaëve raand.
“Godde gállie már vast veurin èn as de joong vèrreg zén, dan maok ik vùr állie wél wa anders vèrreg.” De prelaot èn híroom keeken ’s óvver de tòffel èn zín bèèj tegelejk: “Wa gállie óp d’n bùrd hét, dè lusse waj ok, doe már gín moejte.” Óns moeder stribbelde wa teegen èn toen vertéélde “Hoogwaardig Heer” ’t vòlgend verhaol:
“Waj kwaame vanaojt de Áchterdeel óp d’n Tùws án dízze kant óp èn dor zaage we van wejte Nèl de Smiechel ánkòmme. Nèl kömt wa kòrter baj èn zie um m’n skaowers dè pèèrs mèntelke èn véélt sebiet vùr me óp de kniejns. Ik loup no d’n óvverkant èn zég: ‘Már Nèl, gaj hoewft vùr maj nie óp de kniejns, sto tòch gaow óp.’ Nèl skiet óvveréngd èn ruupt: ‘Verdòmme Willem, béénde gaj ’t, wa hédde gaj me laote verskiejte.’ “
Óns moeder waor toew wél ínnegsins gereustgestééld. Már òf ze moesepetázzie ge-aëten hébben òf iejt anders, dè weet ik nie. Dè hé óns moeder me noojt nie vertééld.
Biografische gegevens Prelaot Wilhelmus Antonius van Dinter (Red.- AO)
4-12-1869 Geboren te Gemert. Willem was het zesde kind van Adrianus van Dinter, hoefsmid in de Molenstraat, en Elisabeth van Bussel.
1870-1871 Willem was nog maar een half jaar toen zijn vader overleed ten gevolge van een trap van een paard. Toen niet lang daarna zijn moeder werd getroffen door een beroerte en gedeeltelijk verlamd raakte werd Willem opgenomen in het gezin van zijn oom Jan van Dinter, wever van beroep.
1882-1887 student op de Latijnse School te Gemert.
27-9-1887 intrede als novice in het kruisherenklooster te St. Agatha (bij Cuyk aan de Maas).
15.8.1893 priesterwijding te Utrecht
1893-1899 werkzaam als socius-novicenmeester te Diest
1899-1910 novicenmeester te St. Agatha
10.3.1910 vertrek naar Amerika als stichter/overste van nieuwe vestigingen van de Orde der Kruisheren in Minnesota.
1927-1940 Willem van Dinter werd in 1927 gekozen tot magister-generaal van de kruisherenorde en kwam terug naar het klooster in St. Agatha. Onder zijn leiding breidde de orde flink uit. Nieuwe kloosters en vestigingen werden gesticht in zowel Nederland, België en de Verenigde Staten als in de missies, die hij alle ook bezocht, van Brazilië, Congo en Java.
27.9.1940 Overlijden van prelaat van Dinter te Nijmegen waarna hij werd begraven in de binnenhof van het kruisherenklooster te St. Agatha. Twintig jaar na zijn dood werd in de Gemertse nieuwbouwwijk Molenbroek de Prelaat van Dinterstraat naar hem genoemd.
Bekijk PDFGH-2002-04 Torenhorologies in Gemert vanaf 1500 – Deel 2
Ad Otten
Inleiding
In het vorige nummer van Gemerts Heem hebben we al kennis gemaakt met de in Gemert gevestigde Magister Horologiarius Jacob de Jonghe die in 1668 op Gemerts priesterkoor een torenuurwerk installeerde.1 In een straal van zo’n 30 kilometer rondom Gemert onderhield hij heel wat torenhorologies. Een werkzaamheid die na hem werd voortgezet door zijn zoon Magister Hendrik de Jonghe. Na het overlijden van laatstgenoemde in september 1723 komt in Gemert zekere Benedictus van den Berg in beeld als dé man die verstand heeft van torenuurwerken. Deze Sieur Benedictus stond in het Gemert van de achttiende eeuw in hoog aanzien. Hij was aannemer-timmerman en herbergier van Het Wit Perd in de Kerkstraat. Van 1744 tot 1760 zat hij in de schepenbank van Gemert en de laatste tien jaar daarvan zelfs als president.
Vanwaar Benedictus afkomstig was, was nog onbekend. Wel wisten we dat zijn vader in 1709 in Gemert stierf. Marij van Pelt-Vos meldde al snel na het verschijnen van het vorige nummer dat de familie Van den Berg uit Erp kwam. Benedictus werd daar op 12 januari 1695 gedoopt als de zoon van Jacob Lamberts en Lysken Dictus Hendriks, en dat het gezin van Jacob en Lysken kennelijk pas na hun verhuizing naar Gemert de achternaam ‘van den Berg’ bezigden.
Als tweede aanvulling op de eerdere aflevering over de Gemertse torenhorologies kan nog gemeld worden de precieze locatie van Het Wit Perd, de aannemerij annex herberg van Benedictus van den Berg. Dat pand stond op de plaats van de huidige Feestwinkel Mickers aan de Kerkstraat, pal tegenover Hotel De Kroon. En het aanzien van het vroegere pand was vrijwel identiek, maar dan gespiegeld, aan het rijksmonument met de jaartalankers 1677. Tussen de beide panden is vermoedelijk in later tijd een inrit ‘opgevuld’ met een klein huisje.
Het torenuurwerk van Deurne
Naast het jarenlange onderhoud van de Gemertse torenuurwerken zijn van Benedictus van den Berg twee grote uitvoeringswerken aan torenhorologies gevonden. Het eerste betreft dat te Deurne. In of kort voor 1738 waaide daar in een ziedende storm de spits van de kerktoren. Het uurwerk in de toren had daarbij ook veel te lijden gehad en zo ongeveer de helft van het uurwerk moest geheel worden vernieuwd. Er werd een zorgvuldig en uitgebreid bestek gemaakt van wat allemaal gerepareerd en vervangen moest worden en daarvoor werd een openbare inschrijving gehouden. Op 15 mei 1738 werd het werk gegund aan Benedictus van den Berg uit Gemert, die als de laagste inschrijver uit de bus was gekomen. Vóór 1 november van dat jaar moest hij het uurwerk kant en klaar en geplaatst op de toren, opleveren. Voor elke dag later verbeurde hij drie guldens. Geheel betaald zou Benedictus pas worden – zoals bij oplevering van torenuurwerken gebruikelijk – als hij het horologie gedurende een jaar gangagtig had gehouden.2
Drie maanden na de oplevering werd het werk van Benedictus geïnspecteerd door ene Sr. Theodorus Smits, meester orologiemaker uit Eindhoven. Hij constateerde enige defecten, maar die waren kennelijk niet van dien aard dat het Benedictus ervan weerhield om in te schrijven op een uurwerkklus veel dichter bij huis.3
Renovatie van luiklok en kerkhorologie van Gemert
Op zondag 17 september 1739 werd door drossard en schepenen van Gemert een openbare aanbesteding gehouden van ‘het maeken van eene nieuwe clockenbergh (ofte belfort) in den tooren op het choor der parochiekerke alhier, twee nieuwe wijserboorden, nieuw leywerk, een nieuw ass en klepel aen en in seeker clock met toebehooren, alsmede het verbrenghen van dito clock in de voorsegde tooren, ende aldaer luydens- en slaensveerdich te plaetsen.’ Er wordt een bestek gepresenteerd dat uitvoerig de verschillende uit te voeren werkzaamheden beschrijft alsmede de condities waaraan voldaan moet worden. Het bestek is te koop voor zes gulden en de aannemer zal alles vóór de eerste december van hetzelfde jaar 1739 al op moeten leveren.4
Zowel het torentje boven op het dak van het priesterkoor alsook het uurwerk op de gewelven (met een wijzerbord vóór op de trans of goot van het priesterkoor), kreeg een flinke renovatiebeurt. Onder meer zou de torenklok worden gecombineerd met het veel kleinere uurklokje in een nieuw te maken ‘belfort’. Dat laatste klokje (dat elk uur sloeg) hing tot dan toe onder een open dakkapelletje pal boven het wijzerbord op de trans van het priesterkoor. Op een in 1730 door Cornelis Pronk gemaakte prent van kasteel en kerk is de locatie van beide ‘dakkapellen’ te zien. Daaraan gaat in het najaar van 1739 dus een en ander veranderen. Dat wil zeggen het uurklokje verhuist naar het kerktorentje en zal daar ‘op ’t noorden’ naast zijn grotere broer, de luiklok, komen hangen. Deze luiklok zal middels een nieuw in het torentje aan te brengen eiken rad worden geluid door middel van een lang seel ofte touw, terwijl het uurklokje zich automatisch elk uur zal laten horen vanwege het in het uurwerk aangebrachte slagwerk. De aannemer moet daartoe wel het nodige draad- en ijzerwerk aanbrengen tussen uurwerk en uurklok en ‘den hamer op den clock bequaemelick stellen’, zoals in het bestek wordt geschreven.
Twee wijzerborden aan de toren en renovatie van het oude.
Tot 1739 was vanaf het kerkpleintje de tijd dus alleen zichtbaar middels het wijzerbord dat was geplaatst vóór op de trans van het priesterkoor. In het bestek wordt er gewag van gemaakt dat dit oude wijzerbord zal worden opgeknapt en dat er twee nieuwe wijzerborden bij komen en die te bevestigen aan de toren. Eén op het zuiden en één op het noorden. Voor elk nieuw bord (van 5 voeten in het vierkant) moet een uurwijzer gemaakt worden ter lengte van 32 duim. Zij moeten eerst met koper en daarna met ducaten-goud worden belegd. Het wijzerbord moet zwart worden geverfd, de uurletters moeten worden belegd met fijn ducaten-goud, in goud moet in de hoeken van de nieuwe wijzerborden ook het jaartal 1739 worden aangebracht, terwijl ook de oude wijzer onderhanden wordt genomen en (opnieuw?) zal worden verguld.
Met weglating van de beschrijving van balken, spanten etc. in het bestek ter zake van het kerktorentje en de daarin te plaatsen belfort, volgt hierna de tekst met betrekking tot de wijzerborden en de wijzers:
Den Aennemer sal moeten maecken twee nieuwe Wijserbeurden van goet duyms Wageschott. Elck beurd groot vijff voet in ’t vierkant, ende de clampen daerop breet ses duym, van goet anderhalf duyms Wageschott off eycken hout, wel dight genagelt. Item sal hij Aennemer moeten maecken twee ijsere handen of Uerwijsers, lanck twee en dertigh duym, en breedt nae den eysch van ’t werck, en die wijsers eerst met cooper, daernae met fijn ducaeten gout moeten beleggen. De voorsegde Wijserbeurden moeten geverft worden tweemael swart met goede olieverwe, en dan daerop gebragt werden de Letteren off Uergetal, ieder Letter lanck negen duym en breet nae den eysch, wel uytgedruckt, die Letters te beleggen met fijn ducaete gout, en oock op de hoecken van de beurden te brengen den datum off cijferletters des jaers, en die met fijn ducaten gout te beleggen als voor. Item sal hij Aennemer den ouden Wijser voor op het Choor nu staende moeten afnemen, opverwen en vergulden alsvoor, en dan weder op sijne plaetse brengen. Oock de nieuwe Wijserbeurden, moeten brengen en wel bequaem vastmaecken aen den voorsegde Toore ter plaetsen daer het de heeren besteeders sal believen, sonder de stijle van den Toore, die met lood bedeckt sijn, te beschaedigen met nagelen of andersints.
Nieuwe sterren, rutsels, raijen, leijspillen en ander ijserwerk
Met alleen wijzerborden en wijzers is de aannemer nog lang niet klaar. Het uurwerk dat naar we gerust aan kunnen nemen in 1668 werd gemaakt door meester Jacob de Jonge, zal vanaf 1739 drie wijzers aan gaan drijven die naar taxatie een meter of zeven uit elkaar liggen. En dat is nogal. Ook dat werk vinden we in het bestek nauwkeurig beschreven alsmede de condities waaraan voldaan moet worden.
Item sal den Aennemer moeten maecken nieuw leywerck, van het Horologie aff daer het tegenwoordigh staet tot in den voorsegde Toore, bestaende in sterren, rutsels, raijen, lijspillen, en ander ijserwerck, soodanigh dat de Uer, op de twee nieuwe alsmede op het oude Wijserbeurd, door een en hetselve Horologie off Uerwerck bequaem en behoorlijck sal aengewesen worden. Ende in soo verre eenigh hout noodigh was om voorsegde lijwerck vast te maeken off te ondersteunen, sulck hout sal den Aennemer daer moeten bijbrengen en maeken soo het behoort.
Item den Aennemer mag het gat daer men door in den Tooren klimt met sijn lijwerck niet benouwen, maer soo verre daer van af blijven, dat het luyck op voorsegde gat bequaem kan gelegt en afgenomen werden, ende de gaten die in den looten solder van voorsegde Toore, soo voor Clockseelen als lijspillen als andersints noodigh gemaekt sullen worden, sal hij wel en behoorlijck aen soldeeren, en met loote bussen voorsien, dat het water daer niet door can lopen.
En voorders alles te maecken naer den eijsch van het werck.
De uitvoering van het werk
De aanneemsom wordt ingezet door de Gemertse aannemer Gijsbert van Maanen op 293 gulden maar hij wordt ‘afgemijnd’ door Benedictus van den Bergh die de klus voor 230 gulden wil klaren. En we mogen er van uitgaan dat hij de klus naar behoren en tot tevredenheid van het Gemerts dorpsbestuur zal hebben uitgevoerd. Het gegeven dat hij korte tijd daarna wordt benoemd tot schepen van Gemert wijst in die richting. En wanneer Benedictus zich in 1742 tot koning schiet van het Sint Antonius- en St. Sebastianusgilde dan laat hij niet voor niets en met verwijzing naar het door hem geleverde ‘vakwerk’ op zijn koningsschild een uurwerk graveren.
Wanneer in het begin van de negentiende eeuw een anoniem gebleven schilder vanaf de Molenakker ‘Het dorpsgezicht Gemert’ schildert5 dan laat hij duidelijk zichtbaar ook de wijzerborden zien, zowel die aan het kerktorentje als die op het priesterkoor. Beide ogen sjiek en goed onderhouden.
NOTEN:
1. Ad Otten, Torenhorologies in Gemert vanaf 1500 – deel 1, Gemerts Heem 2002, nr.3, blz.1-14.
2. Streekarchief Peelland – OAA Deurne invnr.1676 (f.16-18); invnr.1678
3. Uit een visitatie van het Deurnese uurwerk in 1743 blijkt dat het uurwerk dan nog steeds niet tot tevredenheid van het Deurnese corpus werkt.
4. Gemeentearchief Gemert 1407-1795 invnr.788.
5. Schilderij in bezit van Noord-Brabants Museum ‘s-Hertogenbosch.
GH-2002-04 Gemerts Landboek 1717-1816: Voorloper van het Kadaster
Jan Timmers
In de inventaris van het archief van de gemeente Gemert is het Landboek opgenomen onder
inventarisnummer 414 en ondergebracht onder het kopje “verponding”. Het Landboek werd in 1717 inderdaad aangelegd als basis voor de inning van grondbelasting. Alle grondeigenaren werden in principe aangeslagen naarmate de oppervlakte van de gronden die ze in hun bezit hadden. In het Landboek vindt je echter alleen bij hoge uitzondering geldbedragen genoemd die als grondbelasting betaald moesten worden. Het Landboek bevat “slechts” alle percelen grond die particulieren in eigendom hadden met daarbij de vermelding van de oppervlakte van die percelen. In de volgorde, waarin de grondpercelen werden bezocht, kregen die percelen een nummer. Verder werd de naam van de eigenaar vermeld en tenslotte de oppervlakte van het perceel. In tabel 1 is opgenomen op welke datums er werd gewerkt en welke perceelsnummers werden “afgewerkt”.
Na afronding van deze inventarisatie was de basis voor de inning van de grondbelasting gelegd. Naast het Landboek werd, overigens meteen daarna, een ander register aangelegd, waarin de grondeigenaren werden genoteerd met daarbij alle nummers van de percelen waarvan zij eigenaar waren. Dit register heeft inventarisnummer 415 in het gemeentearchief en wij zullen het hier het Grondeigenarenregister noemen. Op basis hiervan kon worden bepaald welk geldbedrag elke grondeigenaar schuldig was.1
Het samenstellen van het Landboek
Vanaf 1 augustus tot en met 10 december van het jaar 1717 werden alle percelen bezocht en opgemeten. De samenstellers gingen met enige regelmaat met elkaar op stap, soms gedurende een dag, soms een halve dag. Jan Hes, president-schepen van Gemert, is de enige betrokken persoon die in het Landboek zelf wordt vermeld. Hij zal van alle percelen grond geweten hebben wie de eigenaar precies was. Bovendien was hij kennelijk betrouwbaar genoeg om dit werk goed te doen. De andere personen worden in het Landboek niet met name vermeld.
Opnamen in het landboek in 1717 |
|||
|
datum (allen in 1717) |
eerste nummer op die dag |
laatste nummer op die dag |
Aantal nummers op die dag |
|
1-aug |
1 |
106 |
106 |
|
12-aug |
107 |
172 |
66 |
|
13-aug |
173 |
251 |
79 |
|
14-aug |
252 |
363 |
112 |
|
20-aug |
364 |
473 |
110 |
|
27-aug |
474 |
520 |
47 |
|
28-aug |
521 |
603 |
83 |
|
1-sep |
604 |
668 |
65 |
|
2-sep |
669 |
689 |
21 |
|
3-sep |
690 |
793 |
104 |
|
4-sep |
794 |
827 |
34 |
|
6-sep |
828 |
969 |
142 |
|
9-sep |
970 |
1050 |
81 |
|
10-sep |
1051 |
1141 |
91 |
|
11-sep |
1142 |
1186 |
45 |
|
13-sep |
1187 |
1361 |
175 |
|
15-sep |
1362 |
1448 |
87 |
|
16-sep |
1449 |
1541 |
93 |
|
17-sep |
1542 |
1594 |
53 |
|
18-sep |
1595 |
1668 |
74 |
|
21-sep |
1669 |
1774 |
106 |
|
24-sep |
1775 |
1834 |
60 |
|
25-sep |
1835 |
2012 |
178 |
|
27-sep |
2013 |
2119 |
107 |
|
30-sep |
2120 |
2226 |
107 |
|
4-okt |
2227 |
2329 |
103 |
|
4-nov |
2330 |
2432 |
103 |
|
15-nov |
2433 |
2526 |
94 |
|
6-dec |
2527 |
2652 |
126 |
|
8-dec |
2653 |
2773 |
121 |
|
10-dec |
2774 |
2827 |
54 |
|
totaal aantal nummers |
2827 |
|
Gemiddeld op een dag |
91,2 |
In de rekening van het dorpsbestuur van 1717, de zogenaamde borgemeestersrekening, komen we die namen wel tegen. Jan Hes diende de volgende rekening in:2
Spesivicasie Dicatie van den jare 1717
Tot laste van Walraven van den Else, borghemeester com suus.
Item door versoeck van mijn heer drossaert en schepene ben ick gegaen met Peter Oldesee, lantmeter, om hem te helpen en aen te wijsen soo veele als mij moogelijck was de landereijen in Gemert en ider int particolier aen te meeten wie het begherden sonder dat iemandt int paerticolier daer van soude hoeven te betalen en die dat niet gedaen en woude hebben het selve aen te schrijven volghens het vorigh lantboeck.
Met gegaen naer mijnen beste weete 36 daghen
volghens sijn rechenin dico 36 daghen
om naerderhandt daer redelijck van te betalen alles op mijn eijghe cost en tot een pint bier toe en de daghen staen genoemt op Oldesee sijn rechen(in)c.
Borgemeester Walraven van den Elsen schreef daar nog onder:
Dese duitte met heern schepene geachordert met de somma van vijfenveertich gulden dito 45-0-0
Uit deze rekening blijkt inderdaad dat Jan Hes de persoon was die de percelen en de bijbehorende eigenaren kende en dat bij de samenstelling van het Landboek ook landmeter Peter Oldensee was betrokken. De rekening van de landmeter is jammergenoeg niet bewaard gebleven, althans hij is (nog) niet aangetroffen. Overigens is het niet verwonderlijk dat Peter Oldensee werd ingeschakeld. Hij was als landmeter in Gemert vaker actief, zoals in 1703 toen hij een kaart van het Binderseind en Schoorswinkel heeft samengesteld. In 1718 diende hij een rekening in bij de borgemeesters voor het inmeten van “eenigh nuew lant en vande Peel”.3 Peter Oldensee was ook in naburige dorpen actief. Zo tekende hij in 1720 een kaart van Aarle-Rixtel.4 Jammergenoeg werd bij het Landboek geen bijbehorende kaart getekend.
Peter Oldensee was beëdigd landmeter. Voor de Raad van Brabant werd hij als zodanig geadmitteerd op 1 december 1698 als Pieter van Oldenzeel, wonende in Deurne.5 Wanneer hij naar Gemert is verhuisd is niet exact bekend, maar van 1708 tot 1714 had hij hier in elk geval zitting in de schepenbank en in het Gemertse register van het hoofdgeld van het jaar 1709 zien we Peter Oldensee opgenomen als bewoner van de Haageijk.6
Uit de rekening van Jan Hes blijkt verder, dat aan het opmeten van de percelen geen kosten voor de grondeigenaar waren verbonden en dat zij niet werden verplicht om toestemming te verlenen. Echter als ze niet wilden, dan werd de oppervlakte uit het vorige landboek overgenomen. Kennelijk was het Landboek van 1717 niet het eerste. In het gemeentearchief treffen we onder inventarisnummer 413 een register van grondeigenaren aan. Of dat het bedoelde voorgaande landboek betreft lijkt echter twijfelachtig.7
Uit de borgemeesterrekeningen kunnen we voorts opmaken dat Peter Oldensee en Jan Hes niet de enige betrokken personen waren. In de rekening van 1717 treffen we nog de volgende onkostenpost aan:8
Item betaelt aen Jan Peter Huybers voor dat sijnen soon 32 dagen met den lantmetter heeft gegaen, de somme van 11-4-0, blijck bij ordinantie.
De zoon van Jan Peter Huybers was kennelijk het hulpje van de landmeter, zodat die niet zelf hoefde te sjouwen met de meetkettingen. Opvallend is dat in het landboek 31 dagen worden genoemd, waarop aan het landboek werd gewerkt, terwijl voor de knecht 32 dagen worden gedeclareerd en Jan Hes voor zichzelf uitkomt op 36 dagen. Het eerste verschil kan als een fout bij het schrijfwerk worden gezien, echter met de vier extra dagen van Jan Hes lijkt iets anders aan de hand. Was dat een declaratiefout of heeft Jan Hes extra dagen besteed.
Waarschijnlijk was dat laatste het geval en heeft Jan Hes het schrijfwerk voor zijn rekening genomen. De gegevens die voor het landboek werden verzameld werden namelijk netjes in een dik register, het eigenlijke landboek, opgenomen. Dat werk zal niet “in het veld” zijn uitgevoerd. Soms werd voor dit schrijfwerk een speciale schrijver ingehuurd of moest de secretaris van het dorpsbestuur dat voor zijn rekening nemen. Echter een rekening van de schrijver is niet aangetroffen. Daarnaast blijkt uit het vergelijken van handschriften dat de eerste inschrijvingen in het Landboek niet zijn geschreven door Adam van Alphen, die secretaris van het dorpsbestuur was van 1694 tot 1721. Daarvoor wijkt het handschrift te veel af. Dat geldt ook voor de landmeter Peter Oldensee. Ook die blijkt een behoorlijk afwijkend handschrift te hebben. Echter de gelijkenis van het handschrift van Jan Hes, dat we kennen van diverse ondertekeningen van stukken en uit de ingediende rekening, met het handschrift van de schrijver van het Landboek is opvallend groot. Het lijkt er op dat Jan Hes de daadwerkelijke schrijver van het Landboek was.
Het bijwerken van het Landboek
In de loop van de 18de eeuw werd het Landboek bijgewerkt. Dat betekent dat nieuw ontgonnen percelen werden toegevoegd. Daarnaast werd per perceel bijgehouden wie achtereenvolgens eigenaar was. Dat laatste gebeurde echter niet echt structureel. Niet bij alle percelen zijn de achtereenvolgende eigenaren opgenomen. De reden daarvan is niet bekend. Het is bovendien jammer dat in de meeste gevallen niet werd aangegeven in welk jaar het perceel van eigenaar wisselde. Dat geldt overigens wel voor toevoegingen in de 19de eeuw. Jan Francis Aelders, die het Landboek toen bijhield, vermeldde vaak wel de datum van de transacties.9 De laatst genoemde transactie in het Landboek is van 1816.
De nieuwe eigenaar van een perceel werd niet onder, maar juist boven de vorige eigenaar bijgeschreven. Een manier van werken die overigens zeer gebruikelijk was in dit soort registers, ook buiten Gemert. Omdat deze manier van noteren bij ons wat onnatuurlijk overkomt is bij de bewerking van het Landboek de volgorde omgedraaid en de nieuwe eigenaar onderaan toegevoegd. Van boven naar beneden zien we dan de achtereenvolgende eigenaren in de tijd. Soms wordt de naam van een nieuwe eigenaar voorafgegaan door het Latijnse woord “modo”. Dit woord kan het beste worden vertaald door zoiets als “vanaf nu”.
De naam “Landboek”
Het register dat wij de naam Landboek geven heeft geen omslag met daarop een titel of een aanduiding wie het register heeft aangelegd, wat de inhoud ervan is en waar het voor diende. In de Gemertse schepenprotocollen, waarin nagenoeg alle grondtransacties in Gemert staan opgenomen, wordt regelmatig vermeld dat het gaat om een bepaald nummer in Het Landboek. Bij controle blijkt dan dat het gaat om een verwijzing naar dit grondregister, dat dus kennelijk bekend stond onder de naam Landboek. Dat is dus de reden om die naam te gebruiken. In het register zelf komt deze naam nergens voor.
Bijzondere grondeigenaren en de belastingplicht
Het landboek is aangelegd ten behoeve van de grondbelasting. Dat betekent dat in het Landboek alleen grondeigenaren zijn opgenomen die ook grondbelasting moesten betalen. Particuliere eigenaren zullen om die reden allemaal opgenomen zijn. Opvallend is echter dat de Duitse Orde, die veel grond in eigendom had, nergens als eigenaar staat genoemd. Kennelijk zijn de eigendommen die de Duitse Orde in bezit had, niet opgenomen, omdat de orde geen belasting hoefde te betalen. Wel wordt van een aantal percelen in het Landboek vermeld dat zij naast het Herenland of de Herenbeemd lagen. Dat blijken verwijzingen te zijn naar het bezit van de Duitse Orde.
De kerk van Gemert komen we wel tegen als grondeigenaar, echter niet alle eigendommen worden vermeld. De Armenhoeve is ook in de 18de eeuw eigendom van de Gemertse kerk, maar komt in het Landboek niet voor. Zo komen we ook de School als eigenaar tegen. Ongetwijfeld is daarmee de Latijnse School bedoeld, die ook eigenaar was van de hoeve Hazeldonk. Deze hoeve komt echter in het Landboek niet voor. De kapel van Handel wordt op diverse plaatsen als grondeigenaar vermeld, zoals van een boerderij op de Verreheide. In de kern van Handel bezat de kapel ook een paar boerderijen, die echter in het Landboek niet voorkomen. Kennelijk zijn er bezittingen die vrijgesteld zijn van grondbelasting, maar om welke percelen en goederen het daarbij gaat is bijzonder moeilijk te achterhalen. Of er om de reden van belastingvrijstelling nog meer grondeigenaren en goederen ontbreken is niet direct duidelijk.
Behalve de al genoemde instellingen komen we als bijzondere eigenaren nog tegen de pastorie van Gemert, de kapel van De Mortel, de kloosters van Coudewater, Binderen, Soeterbeek en de Predikheren, het armbestuur, de weeskinderen van Gemert, de Acht Uren Mis, de Cortenbachse renten en de Onze Lieve Vrouwen Broederschap van Gemert. Of voor deze instellingen ook gedeeltelijke belastingvrijstelling gold is niet bekend. Vooralsnog gaan we er van uit dat voor particuliere eigenaren geen belastingvrijstelling gold. Het is echter mogelijk dat de belastingvrijstelling niet zozeer aan de eigenaar was gebonden, maar aan de eigendommen zelf. Als dat zo is dan komen ook particulieren in aanmerking voor belastingvrijstelling. Door deze complicatie is het helaas niet duidelijk hoe compleet het Landboek feitelijk is.
De oppervlaktematen
Als voorbeeld hieronder een klein fragment van het Landboek. Elke vermelding begint met het nummer dat het betreffende perceel heeft gekregen. Achter het nummer staat de eigenaar vermeld met soms daarachter een nadere aanduiding waar het perceel ligt (soms is dat een veldnaam). Tenslotte staat de oppervlakte van het perceel vermeld met behulp van 3 getallen, waartussen streepjes zijn gezet. Het eerste getal geeft het aantal lopense aan, het tweede staat voor het aantal roeden en het derde voor het aantal voeten.
56. Nelis Jan Joordens neffens de Rips 1 – 3 – 10
modo Joannes Willems van den Elsen voor 2/3 parten en Joannes Adriaens van Gemert voor 1/3 derde parte
Perceel nummer 56 was in 1717 eigendom van Nelis Jan Joordens. Het perceel lag langs het riviertje De Rips en had een oppervlakte van 1 lopense, 3 roeden, 10 voeten. Het perceel is later kennelijk gesplitst in twee delen met elk een afzonderlijke eigenaar. Jan Willem van den Elsen werd eigenaar van 2/3 deel van het oorspronkelijke perceel. Jan Adriaens van Gemert werd eigenaar van de rest. Wie daarna eigenaar(s) waren staat niet vermeld.
Om de oppervlaktematen goed te kunnen interpreteren is het nodig om hun onderlinge verhouding te kennen:
1 lopense = 50 roeden; 1 roede = 20 voeten
Opvallend is dat het aantal voeten in het Landboek meestal nul is en soms 10. In feite betekent het dat er niet nauwkeuriger werd gemeten dan in hele of halve roeden. Omgerekend betekent dit een nauwkeurigheid van ongeveer 0,2 are.
De exacte oppervlakte van 1 lopense is moeilijk te achterhalen. In boeken over oude maten wordt doorgaans opgegeven dat 1 lopense overeenkomt met ruim 16 are. Omdat het gelukt is voor een deel van het Landboek een vergelijking te maken met het kadaster van 1832 is het mogelijk om dit getal te controleren. Bij nauwkeurig nameten op verschillende plaatsen blijkt dat voor het landboek de gemiddelde grootte van 1 lopense gelijk is aan 16,2 are. Daarmee kan de oppervlakte van de percelen worden omgerekend in moderne aren. We geven een voorbeeld van het omrekenen van de oppervlakte 2 – 16 – 10.
16 roeden en 10 voeten is hetzelfde als 16,5 roeden. Dat is op zijn beurt gelijk aan 16,5/50 = 0,33 lopense. De oppervlakte uitgedrukt in lopense is dus: 2,33 lopense. Uitgedrukt in aren is dat dan 2,33 X 16,2 = 37,746 are. Dat moeten we afronden op 37,7 are.
Een oppervlakte van 1 ha komt in oude maten overeen met 6 lopense en 18,5 roeden en dat werd dan genoteerd als 6 – 18 – 10. Vergelijking met de percelen in het Landboek levert op dat er maar weinig percelen waren met een oppervlakte die 1 ha of meer groot waren. De gemiddelde perceelsgrootte bedraagt slechts 42 are.
De grondeigenaren van 1717
Alle eerste inschrijvingen in het landboek geven gezamenlijk een overzicht van alle grondeigenaren in het jaar 1717, toen het landboek werd aangelegd. In het voorgaande is al vermeld dat het landboek niet een compleet overzicht geeft, omdat kennelijk bepaalde grondeigenaren of juist bepaalde percelen vrijgesteld waren van grondbelasting. Naar alle waarschijnlijkheid zijn alle particuliere grondbezitters wel opgenomen. Daarmee is het Landboek toch een waardevolle en betrouwbare bron. De eerste inschrijvingen geven een waardevolle momentopname van de eigendomsverhoudingen in 1717.
Zoals gezegd zijn alle percelen genummerd en van elk perceel werd de eigenaar genoteerd. De meeste eigenaren worden aangeduid met hun patroniem (vaders naam). In de praktijk blijkt dat de namen van de eigenaren niet in alle gevallen op dezelfde manier werd geschreven. Afwijkende spellingen komen voor, maar leveren op zichzelf geen problemen op. Het komt echter ook voor dat een afwijkend aantal patroniemen wordt vermeld of dat de ene keer wel een achternaam wordt toegevoegd en een volgende keer niet. Dat maakt het moeilijk om vast te stellen welke percelen allemaal eigendom waren van één persoon. Met behulp van het Grondeigenarenregister (GAG inv. nr. 415) kon dat probleem worden opgelost. In dat register staan immers de grondeigenaren vermeld met daarbij alle nummers waarvan ze eigenaar waren. Deze gegevens zijn gebruikt om alle oorspronkelijke grondeigenaren in het Landboek met een eenduidige naam aan te geven. Op deze manier is een lijst tot stand gekomen, waarbij het grootst aantal patroniemen dat voorkwam wordt vermeld en, als die voorkwamen, ook een achternaam. Vervolgens werden die gegevens gesorteerd op naam, zodat alle vermeldingen die betrekking hebben op dezelfde persoon bij elkaar staan. Daardoor is eigenlijk een belangrijk deel van het Grondeigenarenregister eveneens beschikbaar, namelijk alle eerste inschrijvingen met de percelen die men op dat moment (in 1717) in bezit had. Voor de wijzigingen na 1717 zal het Grondeigenarenregister zelf geraadpleegd moeten worden.
Uit de gegevens van de grondeigenaren van 1717 blijkt dat sommigen meerdere boerderijen in bezit hadden. Met de gegevens uit het Grondeigenarenregister kon in veel gevallen achterhaald worden welke percelen bij welke boerderij behoorden. De grondeigenarenlijst is nog verder bewerkt. Van alle eigenaren werd opgeteld hoeveel grond ze in totaal bezaten. Deze lijst is overigens ingedeeld in drie delen. Een lijst van huiseigenaren, een lijst van grondeigenaren die geen huis in hun bezit hadden en een derde lijst van alle grondeigenaren die buiten Gemert woonachtig waren (voorzover dat is aangegeven).
De eigenarenlijst levert behoorlijk wat extra gegevens op. Het aantal huizen of boerderijen dat iemand bezat en de totale grootte van een boerderij. Met die gegevens kan ook worden achterhaald wat de gemiddelde grootte van een boerderij is en wat het gemiddeld aantal percelen was dat daarbij hoort. Als we vervolgens de lijst van grondeigenaren vergelijken met de lijsten voor het hoofdgeld, waarop in principe alle gezinshoofden voorkomen, dan hebben we een indicatie welk percentage van de gezinshoofden ook eigenaar was van een huis of een stuk grond. De hoofdgeldlijsten uit het jaar 1709 zijn uitgeschreven. Dat is weliswaar niet hetzelfde jaar, maar de lijsten van 1717 zijn niet compleet bewaard gebleven, zodat een vergelijking onmogelijk is.
|
Aantallen |
percentages van de gezinshoofden |
|
|
Huiseigenaren |
409 |
61 % |
|
Landeigenaren zonder huis |
111 |
17 % |
|
Gezinshoofden zonder huis of land |
150 |
22 % |
|
Totaal aantal gezinshoofden (1709) |
670 |
100 % |
|
Totaal aantal huizen |
525 |
Opvallend is dat ruim de helft (61 %) van de gezinshoofden ook huiseigenaar is. De andere gezinnen wonen kennelijk in gehuurde huizen. Het totale aantal huizen in het Landboek geeft een vertekend beeld, immers de huizen die eigendom zijn van de Duitse Orde zijn er niet in opgenomen. Dat aantal is echter niet zo groot. Daarnaast zal het personeel van het kasteel daar ook wel onderdak hebben gevonden. Maar alles bij elkaar zullen naar schatting meer dan honderd gezinnen hun huis hebben moeten delen met één of meer andere gezinnen.
De oppervlakte van percelen, erven en boerderijen
In het Landboek worden in 1717 in totaal 2832 percelen opgenomen. De gemiddelde oppervlakte van een perceel blijkt 42 are te zijn. Meerdere percelen gezamenlijk vormen een samenhangend eigendom, al dan niet met een bijbehorend huis. In onderstaande tabel zijn van die eigendommen wat kengetallen opgenomen.
|
Gemiddelde grote |
gemiddeld aantal percelen |
|
|
Grondbezit met een huis |
2,19 ha |
5,1 |
|
Grondbezit zonder huis |
0,81 ha |
2,3 |
Het grondbezit met een huis kunnen we globaal in twee categoriën verdelen: boerenbedrijven en overige huizen en erven. In het Landboek wordt dat onderscheid niet aangegeven. We verwachten echter dat de oppervlakten van de “burgererven” kleiner zullen zijn dan de boerenbedrijven. Als we de grondeigendommen met bijbehorend huis op een rijtje zetten, blijkt echter niet dat er een groep kleine erven bestaat, naast een groep grotere bedrijven, die we dan als boerenbedrijf zouden mogen beschouwen. Het enige dat we zien is dat er een groot aantal kleine erven bestaat en dat naarmate het grondeigendom groter is de aantallen kleiner worden. Bekijken we echter de kleine erven wat nauwkeuriger dan constateren we dat die grondeigendommen doorgaans bestaan uit één enkel perceel (zie bijgaande tabel). Vanaf een oppervlakte van circa 40 are blijkt dat het grondeigendom nagenoeg steeds uit meer dan één perceel bestaat. We zullen daarom de grens tussen een “burgererf” en een (keuter)boer leggen bij 42 are, omdat dat de gemiddelde perceelsgrootte is in het Landboek. Als het grondeigendom meer dan 42 are bedraagt zullen we dat bezit dus beschouwen als een boerenbedrijf.
.
|
Aantal percelen bij klein grondbezit |
||
|
categorie |
Aantal |
gemiddeld aantal percelen |
|
0-10 are |
67 |
1,0 |
|
10-20 are |
25 |
1,2 |
|
20-30 are |
21 |
1,2 |
|
30-40 are |
18 |
1,7 |
|
40-50 are |
18 |
1,9 |
|
50-60 are |
19 |
1,9 |
|
60-70 are |
17 |
2,2 |
|
70-80 are |
11 |
3,2 |
Als we deze verdeling aanhouden blijkt dat er in 1717 in Gemert 389 boerenbedrijven zijn tegen 136 burgerwoningen. In onderstaande tabel zijn deze en andere getallen opgenomen
|
aantal |
Gemiddelde oppervlakte |
gemiddeld aantal percelen |
|
|
Boerenbedrijven |
389 |
2,68 ha |
5,9 |
|
Burgerwoningen |
136 |
16,1 are |
1,2 |
De ene boerderij is de andere niet; er zijn grote boerenbedrijven en kleine keuterboeren, die naast hun bedrijf nog andere inkomsten zullen moeten verwerven. Een boerenbedrijf is in 1717 doorgaans niet groter dan 11 ha. Er zijn slechts twee bedrijven groter, een van 16,3 ha en een van maar liefst 23,6 ha. Nogmaals merken we hier op dat de boerderijen van de Duitse Orde hierin niet zijn meegenomen. Onderstaande tabel geeft de verdeling aan van de grootte van de boerenbedrijven.
|
oppervlakte boerderijen |
aantal |
|
< 1 ha |
84 |
|
1-2 ha |
112 |
|
2-3 ha |
64 |
|
3-4 ha |
53 |
|
4-5 ha |
36 |
|
5-6 ha |
17 |
|
6-7 ha |
11 |
|
7-8 ha |
3 |
|
8-9 ha |
2 |
|
9-10 ha |
3 |
|
10-11 ha |
2 |
|
>15 ha |
2 |
Verder onderzoek
Zoals uit het bovenstaande blijkt kan aan de gegevens uit het Landboek veel informatie ontleend worden. Uiteindelijk is het wellicht mogelijk om alle percelen van 1717 in hun geschiedenis te volgen tot aan de invoering van het kadaster in 1832. Als dat lukt zijn we nagenoeg in staat om de kadastrale situatie van 1717 in kaart te brengen. Dat dat niet helemaal onmogelijk is blijkt uit onderzoek hiervan voor een paar kleine gebieden. In veel gevallen blijken de perceelsgrenzen van 1832 in 1717 al te bestaan. Sommige percelen blijken identiek, soms zijn percelen na 1717 opgesplitst in meerdere percelen en er zijn helaas ook gevallen waarin de percelen en de grenzen na 1717 zijn veranderd. Juist dat maakt het onderzoek moeilijk. Er zal nog veel puzzelwerk moeten worden gedaan voordat het kadaster van 1717 klaar is.
De complete transcriptie van Het Gemerts Landboek zal binnenkort verschijnen als uitgave Nr. 3 in onze uitgavenreeks ‘Gemertse Bronnen’.
NOTEN
1. Het Landboek bevindt zich in het gemeentearchief van Gemert. Inventaris Archief van de gemeente Gemert (1271) 1407 – 1794, inv.nr 414. Het grondeigenarenregister heeft inv.nr 415 en is als verpondingskohier geregistreerd.
2. Bijlagen bij de borgemeestersrekening van 1717. Gemeentearchief Gemert inv. nr 631-7
3. Borgemeestersrekening van het jaar 1718. Gemeentearchief Gemert inv nr 518, f10.
4. Jean Coenen, Van Ricstelle tot Aarle-Rixtel, Aarle-Rixtel 1992, blz 18.
5. E.Muller en K.Zandvliet (red), Admissies als landmeter in Nederland voor 1811, Alphen a/d Rijn, 1987, blz 130 onder nummer 78.
6. Gemeentearchief Gemert, inventarisnummer 419, lijsten van 1709. Zal verschijnen in de serie Gemertse Bronnen als deel 4a.
7. In het gemeentearchief van Gemert bevindt zich een tweede legger van grondbezitters onder nummer 413, die echter de opzet heeft van een grondeigenarenregister zoals inv. nr. 415. Bovendien is de datering volgens de inventaris uit de 16de eeuw. Dat zal dus niet het “Landboek” zijn dat aan het hier besproken Landboek voorafgaat.
8. Borgemeestersrekening van het jaar 1717. Gemeentearchief Gemert inv. nr. 517.
9. Dat Jan Francis Aelders de laatste gebruiker van het Landboek was, wordt geconcludeerd uit het typische (kleine) handschrift dat uit andere bronnen bekend is als het handschrift van notaris Jan Francis Aelders.
Bekijk PDF
GH-2002-04 Gemerts dialect
Wim Vos
Op 10 september 2002 kreeg ik van Dilia Steeghs-van de Laar een aantal Gímmerse woorden en uitdrukkingen. Ik geef ze hier op trefwoord in alfabetische volgorde met wat opmerkingen van mijzelf. Sommige woorden en uitdrukkingen komen ook in het Nederlands voor, hoewel anders uitgesproken uiteraard. Dat betekent overigens niet dat ze geen dialect zouden zijn. Het Gemertse stoewl en het Nederlandse ‘stoel’ lijken erg op elkaar, maar dat bewijst alleen maar dat Gemerts een Nederlands dialect is en soms meer, soms minder op de standaardtaal lijkt. Natuurlijk hoop ik weer, zoals altijd, dat het voorbeeld van Dilia doet volgen. Verbeteringen en aanvullingen zijn natuurlijk ook welkom.
afpikke
ww: sterven. Ge pikt ’t hiejr af van de hajt / de stank.
ánde
mv: aanstalten? Dit woord komt niet uit de hierboven genoemde lijst, maar uit Dilia’s verhaal ’t Léést stuk: “Gaow ánde maoke vùrdè óns Hanna taojskömt”: opschieten voordat Hanna, mijn vrouw, thuiskomt (de spreker heeft namelijk juist een mariabeeld kapot laten vallen en wil dat lijmen).
ánwèèrk
o ev/geen mv: begin. Gín ánwèèrk maoke: geen aanstalten maken. Dit woord komt ook niet uit de hierboven genoemde lijst, maar uit een ander kort verhaal van Dilia: D’n hárde wég. “De zjoerneliste (:journalisten) maoke gín ánwèèrk um te vertrékke èn loupe gewoon wejter tòt krèk vùr Franse.” Uit Dilia’s verhaal ’t Léést stuk: (over een fiets met kapotte band) “Kop nééj bèènd, dan hédde már ínne kaër ánwèèrk”: dan hoef je maar één keer een begin te maken. Ik vond het woord ook in De Bont, Vocabularium, p. 25, in het Kempisch dialect van Oerle, s.v. a’nwä.rek: begin. Kennelijk bestaat het ook in het Gemerts. Kent u het ook?
aojtskiejte
ww: 1. uitglijden. Toew ’t snùwde waor ie aojtgeskooten óp de stoep. 2. uitmesten. Vruuger moese de boere swinters de groep áchter de koej aojtskiejte.
aojtvlákke
ww: uitvlakken. D’n dieje moete nie aojtvlákke: hij laat niet met zich sollen. (Van Dale geeft geen voorbeeld dat op een persoon slaat s.v. ‘uitvlakken’, alleen maar ‘dat moet je niet uitvlakken’: daar moet je niet te min over denken).
blék
zn o: 1. schors (van een boom). 2. blik. Gíf me d’n handvaëger èn ’t blék ífkes (stoffer en blik). 3. conservenblik. Mák dí blék appelemoes ’s oope.
botteram
m ev mv -me verkl botterèèmke. A heeft al tweemaal dezelfde vraag gesteld en B vraagt weer: “Wa zídde?” A antwoordt dan geïrriteerd: “Òf ge ‘nen botteram lust?” (vgl. een soortgelijke vermaning onder brooëd, hírreng, wátter).
brooëd
o ev/mv breuj. Zelfde situatie als bij botteram. A antwoordt geïrriteerd: “Òf ge brooëd/broud lust?” (broud is de boerenuitspraak). (Vgl. een soortgelijke vermaning onder botteram, hírreng, wátter). ’t Is ‘ne prefeet die brooëd lust: je moet je door zijn mooie praatjes/beloften niet laten inpakken/ doe geen zaken met hem, volgens Dilia. Van Dale heeft s.v ‘profeet’: ‘Hij is een profeet die brood eet, (gewestelijk) hij is een profeet van roggebrood: hij is een gewoon mens, aan zijn voorspellingen behoeft men dus geen waarde toe te kennen’; volgens Dilia kunnen de voorspellingen dus ook ingewisseld worden voor praatjes en beloften.
bukkem
m ev/mv -s: bokking (gerookte haring). [Het woord is afgeleid van ‘bok’, de mannelijke geit, die net als bokking vreselijk kan stinken]. ‘ne Stejven bukkem: een stramme, niet meegaande, verwaande man.
dénke
ww: denken. Dè hadde gedaacht: dat had je gedacht! Kom nou! Bekijk ’t maar! Dè hadde gedaacht dèè’k aw nòg oojt zal hèlpe!
deuge
ww (dùgt, dùgde, gedùgd/gedeugd?): deugen. Hiejr dùgt ’t nie: het is hier niet pluis! Graag zou ik van u weten of u zegt: Haj hé nòg noojt nie gedùgd (met een korte klinker) -of- gedeugd (met een lange klinker).
doek
m ev/mv -e verkl duukske. ’n Duukske: een filterdoekje onder in de zééj (de melkteems) bij het zeven van de melk recht van de koe in de wei of op stal. Vandaar de uitdrukkingen: Hoe weelde de soep/kòffie/teej, dik, dun òf dùr ’n duukske? Ook enigszins geïrriteerd tegen iemand met veel noten op zijn zang: Zég már hoe ge’t weelt hébbe, dik, dum òf dùr ’n duukske.
duuvel
m ev/mv -s: duivel. ’t Is òf de duuvel/d’n duuvel ‘rmí spùlt (wordt gezegd als iets niet lukken wil, of als zich een ongelukkig toeval voordoet). Eigenlijk zou je voor een mannelijk woord met beginletter d het lidwoord d’n verwachten: d’n duuvel (vgl. d’n dág, d’n dölper), dat is een vaste regel in het Gímmers. Toch heb ik vaak de duuvel gehoord (ook Dilia schrijft de). De verklaring van dit verschijnsel heeft met de etymologie van het woord ‘duivel’ te maken, maar dat leidt hier te ver.
ejsèèchteg
bn: griezelig??? Dit woord komt niet uit Dilia’s woordenlijst, maar uit een van haar verhalen (De preehiestoorie van de buurtvereenegeng De Groeskolle). Als kind moest ze naar en van school door D’n Ólliekèlder: “Bekant óp de hélft van dè kárrespoor stóng ’n kruk van ’n haojs. Dè waor mí diejen hogge majs èn ròg óp d’èkkers dor umhín ’n bietje ejsèèchteg. As ik ‘r baj in de buurt kwaam, riejpe ze (: de andere kinderen) dèè’k ‘r ok tussenaojt moes nèèje.” Kent u het woord? Heeft het misschien iets te maken met ‘ijzen’ (gruwen, griezelen) en met ‘ijselijk’? Gaarne uw commentaar!
feeng
bn (finge): 1. fijn (van structuur; uit kleine deeltjes bestaand). Zaj héélt van feeng kantwèèrk. 2. zuinig. In mijn notities vond ik: Ze zal gínne sènt teveul aojtgave, ze is zo feeng as wa. 3. kwezelachtig,
huichelachtig, overdreven in de geloofsbeleving. Dilia gaf de volgende uitdrukking: Van feeng mènse èn finge raëgen worde ’t míste bedòt: gierige mensen en motregen zijn het verraderlijkst; vertrouw gierige mensen niet, schrijft Dilia. Zoals we hierboven onder de tweede betekenis gezien hebben, betekent feeng beslist ook ‘gierig’, althans ‘zuinig’ in het Gemerts, maar ik betwijfel toch of dat de juiste betekenis is in deze uitdrukking. In Mandos: De Brabantse Spreekwoorden staat op p. 383 de volgende uitdrukking: ‘Voor fijne mensen en motregen moette oppassen.’ De verklaring die erbij gegeven wordt is: ‘Men moet geen huichelaars geloven.’ In plaats van ‘fijne mensen’ zegt men ook wel eens ‘kwezels’ in dit spreekwoord volgens Mandos. Met finge raëgen is natuurlijk motregen bedoeld, volgens de eerste betekenis. Motregen maakt je meestal natter dan je verwacht.
grit
o ev geen mv: grit, fijngemalen schelpen, gebruikt naast het kippenvoer van granen om een sterke eierschaal te krijgen, een modern woord; (bestaat ook in het Ned.; daar heeft het bovendien nog de betekenis van fijngebroken natuursteen voor slijtlagen in de wegenbouw).
haand
v ev/mv haand verkl hèèndje: hand. Kritiek op iemand die met zijn handen in zijn zakken staat: Godd’immiegreere, dè g’oew haand al in-gepákt hét? Haj hét ‘r ’n hèèndje van (án) um te laot te kòmme (ook Ned.).
hírreng
m ev/mv -e: haring. A zegt iets tegen B maar deze verstaat hem niet en zegt, i.p.v. “Wa zégde?” heel onbeleefd: “Hé?” A riposteert: “Hé? Hírreng in ‘ne pòt!” (waarbij aangetekend dient te worden dat de é van hé niet helemaal overeenstemt met de í van hírreng). (Vgl. een soortgelijke vermaning onder botteram, brooëd, wátter). Uit een verhaal van Dilia (De Kèrsman) nog dit citaat: “ik héb m’naajge d’n állenge mèèrge vùr aw aojt de naod zitte wérke um van zonne smaolen hírreng as gaj ‘nen dikke kèrsman mí ‘nen baojk te maoke!” Van Dale geeft slechts ‘zo mager als een haring’: zeer mager’.
hittepetit
v ev/mv -te: hittepetit [reduplicerende vorming, wellicht <Fr. petit (klein)]. Het woord bestaat dus ook in het Ned., maar volgens Dilia betekent het in het Gemerts: een meisje dat / vrouw die snel aangebrand reageert als iets niet naar de zin is; in het Ned. is het een klein,
bedrijvig persoontje. Misschien toch de moeite waard om het t.z.t. vanwege de afwijkende betekenis op te nemen in een tweede druk van het Gemerts Woordenboek. Graag reacties.
hómmeles
[waarschijnlijk van ‘hommelen’ in de betekenis ‘donderen, razen’]: hommeles. ’t Is wír hómmeles: het gaat weer mis, al weer gedonder. (Ook in het Ned.).
horre
m ev/mv -s: hoorn. Horres héé’k ‘r af gekrígge: ik ben des duivels/ik ben woedend. Dor zòdde nòg horres af kriejge: daar erger ik me al een hele tijd groen en geel aan. In het Ned. bestaat de uitdrukking: ‘men zou er hoorns van krijgen’: er zijn geduld bij verliezen. Kent u, lezer, deze uitdrukking ook. Wat is volgens u de betekenis?
hòrteg
bn: gejaagd. Dè’s ‘nen hòrtege: hij heeft niet veel geduld, hij is nogal kortaf.
hùpt
v? ev/geen mv: hoop, grote hoeveelheid. ‘ne Kielo vírre hé maër hùpt as ‘ne kielo lood. Doe már wa wátter baj de soep, dan kriede maër hùpt.
kattendrèk
m ev/geen mv: kattendrek. Dè’s gínne kattendrèk: dat is geen kleinigheid. (Ook in het Ned.).
kiejke
ww: kijken. D’r óp ston te kiejke: maar al te graag willen.
koew
v ev/mv koej. ’t Gí nie um ’n koew: speel die kaart nu maar! (als iemand twijfelt of hij een kaart wel of niet zal uitspelen). Meer algemeen: het is maar een spelletje! (Koeien zijn dure beesten).
léést
bn: laatst. Moete mí de lééste bus mee: waarom heb je nu zo’n haast? (getuige het woord bus een vrij recente uitdrukking).
maojs
v ev/mv meus. Ik zò daor gaër ’s meuske wille speule: ik zou daar alles wel eens stiekem willen zien en horen (als het ware vermomd als muis).
mögge
ww: mogen. Mödde dè wél: 1. mag jij dat wel? 2. (meer algemeen) mag men dat wel, is dat wel toegestaan / geoorloofd?
moorsgezeecht
o ev: nors gezicht. Dit woord zou ik graag in een zin hebben.
moorsmènneke
o ev/mv -s verkl: notoire mopperaar, man met een chagrijnig karakter, een zeurpiet. Ook graag een voorbeeld.
paas
m ev: gemak. Óp z’ne paas: op zijn gemak. Uit het verhaal De Kèrsman van Dilia: “As ze wejt genoeg de winkel in zén, gí de kèrsman óp z’ne paas no de deur”. Uit Dilia’s verhaal ‘ne Skojer in ’t dèùrp: “Óp z’ne paas góng ie án de sneej mik.” (Wie die snee wittebrood opat blijft een verrassing; u moet t.z.t. Dilia’s verhaal maar eens lezen!) Kent u de uitdrukking ook?
praot
m ev/geen mv: praat, woorden. Van praot kömt praot, ge kaant bítter oewe mónd haawe. (Vaak kun je door zwijgen onnodig(e) gedoe/roddel of hooglopende discussies voorkomen).
reegels
m mv/geen ev: menstruatie. Hédde vendaog de reegels?
sènt
m ev/mv -e: cent. Ge zot ‘m ‘ne sènt gaëve. Volgens Dilia kan dat twee dingen betekenen: 1. Je moet telkens om hem lachen, of je wilt of niet. 2. Ik baal onderhand van hem! In welke situatie wordt deze uitdrukking gebruikt, lezer, en wat is de betekenis ervan volgens u?
sèp
m ev/geen mv: 1. drop. 2. een ruitje van zwarte stof dat boven op de mouw van de jas werd gestikt. Het werd een half jaar gedragen als de officiële zwarte rouw voorbij was. Dilia kent het gebruik nog uit 1962 toen haar opa overleden was. Zij dacht hier weer aan toen ze in GH 2002, nr. 2 op p. 31 las over het overlijden van “de Vuurtorre” in 1961. Zijn kleinzoon was zes weken in de rouw, d.w.z. helemaal in het zwart en liep daarna nog een half jaar mí ‘ne zwárte sèp op zijn mouw. Dilia
vermeldt ook nog de woorden die het publiek soms meezingt als het orkest twee of meer dansnummers instrumentaal afsluit: sèp van d’n Edah, plèk-plèk.
sèpsteel
m ev/mv -e: dropsteel (te koop op de kermis).
skaof
v ev/mv -ve: schaaf. [van schaven]. Naast het door haar al eerder gemelde óp de skaof looëpe/loupe: van anderen profiteren, gratis meedrinken/-ëten, meldt Dilia nu ook: Óp de skaof laëve: gierig zijn. Kent u dat ook?
skon
bn: mooi. Dè zo skon zén as…: 1. Het zou ideaal zijn als… 2. Je moet niet denken dat… Dilia maakt de zinnen niet af. Ik denk dat de tweede betekenis ironisch bedoeld is. Kan iemand het zinnetje Dè zo skon zén as… op twee manieren afmaken?
skreene
ww: schrijnen (na een lichte ontvelling of na een lichte verbranding, schroeiing van de huid). Van wijlen Jan van Berlo hoorde ik in 1981 de uitspraak skreenge. Van Dilia zelf heb ik in 1991 skreengze gekregen. Ik zal een voorbeeldzin geven in de hoop dat u, lezer, uitsluitsel kunt geven: Ik héb m’naajge wa geskaafd, zír duug ’t nie mír, ’t skreengt / skreengst / skreent elaën nòg wa. Wat zegt u?
slon
ww: slaan. Hullie joong worre geslággen as kaf: hun kinderen krijgen regelmatig een pak slaag.
speen
v ev/mv spinne verkl spinneke: 1. spin. 2. spinneke: tenger meisje, vrouwtje.
stòk
m ev/mv -ke verkl stökske. Van z’n stökske valle: 1. flauw vallen. 2. dood neervallen van vogels.
tejd
m ev/mv tèèj: tijd. De grotsten tejd: 1. meestal. 2. de langste tijd. Kunt u voorbeeldzinnen geven met deze twee betekenissen?
vanhín
bw van plaats: vandaan. Dor kòm ik nie vanhín: zoiets zal ik nooit doen. Dor kòmme waj nie vanhín: zoiets doen wij niet, hier gelden onze fatsoensnormen. Dor kömt haj nie vanhín: het lijkt me sterk dat hij zoiets zou doen. De grondbetekenis van érges nie vanhín zén, zal wel zijn: waar wij vandaan komen en opgevoed zijn, doet men zoiets niet. (Sommige mensen zeggen vanhén i.p.v vanhín),
vertrékke
ww: vertrekken (hier van het gezicht). Haj vertròk gín spiejr: er viel niets van zijn gezicht af te lezen (ook Ned.).
vèùrm
m ev: vorm. Vùr de vèùrm: voor de vorm, omdat het zo hoort (ook Ned.).
vloeke
ww: vloeken. Dè’s èrger as gevloekt: dat is niet zomaar een wissewasje, het is erger dan je denkt.
voore
ww: tegenvallen, onwennig zijn, niet meevallen (gebruikt bij een verandering in gunstige zowel als ongunstige zin) [Etym: varen: vrezen; vgl. onvervaard]. Zie ook Gemerts Woordenboek, p. 175. Oud woord dat ook wel wordt
uitgesproken als vaore (niet te verwarren met vaore: rijden). Dilia geeft: Dè zal oew voore: daar zul je nog behoorlijk aan moeten wennen. Je kunt dit ook vertalen met: dat zal je tegenvallen.
wátter
o ev/geen mv: water. A zegt iets tegen B maar deze verstaat hem niet en zegt, i.p.v. het beleefde “Wa zégde?”, heel onbeleefd: “Wa?” A riposteert: “Wa? Wátter in de sloot!” (Vgl. een soortgelijk antwoord onder botteram, brooëd, hírreng).
zat
bn: meer dan genoeg. ’t Is meen vort zat: ik heb er schoon genoeg van!
Ik hoop lezers, dè gállie ’t Gímmers nòg laang nie zat béént en dat ik zoals altijd weer kan rekenen op uw commentaar en aanvullingen, in welke vorm dan ook, telefoontjes, brieven, lijstjes, gesprekken, enz. Ik heb overigens nog een map liggen met reacties van diverse andere mensen. Die komen ook nog aan de beurt, maar eerst moet ik daarvoor nog het een en ander aan speurwerk verrichten! Dilia bedankt voor je bijdrage!