GH-2010-03 Uit het oud-rechterlijk archief van Gemert (1)
Simon van Wetten
De auteur is bezig met het ontsluiten van het complete archief van de criminele en civiele rechtszaken die in de 16e, 17e en 18e eeuw in Gemert hebben gespeeld. Het levert een berg aan kwesties over testamenten, burenruzies en niet betaalde schulden op. Het geeft zicht op een bijkans onafzienbare reeks vecht- en steekpartijen en andere vormen van criminaliteit. Maar het geeft ook een verrassend beeld van de Gemertse samenleving in vroegere dagen.
Simon zet de meest aansprekende, ontroerende en typische voorvallen om in anekdotes waarvan u hieronder alvast enige voorbeelden aantreft. Hij heeft er inmiddels ruim honderdvijftig en dat aantal zal nog flink uitdijen (Red.).
1664 Daar is geen touw aan vast te knopen
Daar stonden ze toch wel beteuterd te kijken, de vorster én de ondervorster, beide leden van het stoere geslacht Van Puijffelick. Je zou haast gaan geloven in tovenarij. Gisteravond een half uur werk gehad met het vastkluisteren van Herman Heijbessemer. De smid heeft nog geholpen. Het been van de gevangene gemeen krap omsloten door het ene einde van de ketting, het andere einde met een grote kram stevig verankerd aan een stijl. De deur van de gevangenenkamer, hoog in het kasteel, driedubbel op slot. Met die deur was vanmorgen, toen ze Herman eten kwamen brengen, ook niets mis. Maar toen Jan van Puijffelick het slot opendraaide en de deur openduwde, bleek de kamer leeg. Z’n neef Lucas van Puijffelick, stoer of niet, liet het bord en de kroes uit zijn hand vallen. Niet te bevatten! Het raam stond open. Er hing een touw uit, vastgemaakt aan de ketting die de bewegingsvrijheid van Heijbessemer gisteren nog tot een minimum had beperkt, maar vannacht blijkbaar het houvast naar Hermans’ vrijheid was geweest.
‘Lucas, dat touw lag hier gisteravond toch niet, wel?’
‘Nee, Jan, maar wel wat lijnwaad en stro. Kijk, daar heeft ie een zeel van gemaakt.’
‘Ik zou er niet aan durven gaan hangen, zo hoog.’
‘Als ie dat heeft aangedurfd dan zal die vent nog wel meer op z’n kerfstok hebben gehad dan wij al dachten.’
Inderdaad, die Herman Fransen alias Heijbessemer was van het woestere type. Hij heeft een tijdje in Gemert gewoond met zijn bijzit, Maria Schepers. Zijn eigen vrouw had ie in Sint Oedenrode laten zitten, nadat hij het arme, zwangere mens zodanig had geslagen dat haar kindje vroegtijdig en dood werd geboren. En Maria moest het ook vaak ontgelden. Pas nog had hij haar in de gracht gegooid en met een stok ondergehouden. ’t Was dat enige passerende personen zo dapper waren om in te grijpen, anders was het vrouwke zomaar verdronken. Maar om dat soort delicten was Herman niet in de ijzers geslagen. Nee, de prioriteiten van de landdrost van de Meierij lagen niet bij het beschermen van mishandelde vrouwen. Heijbessemer, die blijkbaar meer dan alleen bezems kon binden, had vals geld uitgegeven en dáárom werd ie door de autoriteiten gezocht.
1665 De plank misslaan
Vergeet nooit de naam van een predikheer! Timmerman Jan Heijnen en kuiper Claes Maessen, allebei 26 jaar, hebben hard gewerkt in het klooster van de predikheren, aan het Binderseind. Zij hebben daar de cellen en ‘beschutselen’ van de kloosterlingen, gemaakt van dennendelen en planken, afgebroken. Een soort beeldenstorm? Een klein beetje wel! De predikheren mochten sinds 1648 niet meer als kloostergemeenschap bijeen zijn. Gemert werd toen bezet door het Staatse leger. In 1649 was de kloostergemeenschap noodgedwongen naar Mechelen verhuisd. Toen Gemert in 1662 de status van soevereine heerlijkheid van de Duitse Orde terugkreeg, was een aantal predikheren teruggekomen, als leraar aan de Latijnse school. Maar hun cellen hadden ze niet meer nodig, dat mocht niet meer. Mediteren moest voortaan in Mechelen.
Jan en Claes hadden die planken in het klooster boven de kerk op de zoldering gezet, vóór tegen de gevel, en die planken waren tussen maandag- en dinsdagnacht verdwenen. De schout en schepenen, kordate lieden als zij waren, organiseerden meteen op verscheidene plaatsen een huiszoeking. En zo kwamen zij in het woonhuis van Jan Claessen en diens vrouw Luijtje Jegers.
De schout: ‘Eens zien wat we hier hebben. Vijf planken, omtrent de 10½ voet lang, en nog negen delen met een lijstje, 8 voeten lang. Met een lijstje nota bene! Die komen voorzeker uit het predikherenklooster.’
Jan Claessen: ‘U spreekt juiste woorden, heer schout. De vader van mijn vrouw heeft ze van een predikheer gekocht.’
De schout: ‘En hoe heette die predikheer?’
Tja, dat waren Jan, Luijtje en vader Jan Jegers alle drie vergeten. Pijnlijk!
De vorster bracht de planken naar het huis van de secretaris en onze Jan en Claes, kenners van die planken, werden er bij gehaald.
De schout: ‘Mannen, zijn dit de bewuste planken?’
Jan en Claes verklaarden dat die planken ‘zeer gelijk zijn’ aan de planken die zij uit het klooster hadden gebroken, maar de ‘perfecte’ waarheid konden ze helaas niet geven.
Nogmaals, het bestond uit kordate lieden, dat span van schout en schepenen. Een ingeving leidde hen naar het huis van Jan, de timmerman. Nee, de ontbrekende planken stonden daar niet, maar bezijden de trap waarop je bij Jan naar de zolder kon klimmen, stonden wel twee ramen!
De schout: ‘Die ramen, van wie zijn die?’
Jan zei niets. Dat had ook geen zin. Het waren ramen die je als timmerman niet in je eigen vensters deed. Dan zou je je eigen glazen ingooien!
De schout: ‘Onder dit glas met raamke staat “Dominus Abraham Melchiors, kanunnik te Oirschot, 1643”, en dit glas, daar staat een wapen op afgebeeld, met daaronder: “Jan van Dinther, 1643”. Je wilt toch niet zeggen dat…’
Jan zei niets.
1690 Impregneren
‘Seks’, heer schout Johan Ambrosius Cox, kent u dat woord? Gebruikt men in uw tijd dat begrip? Nou, de schout kende in ieder geval wel andere omschrijvingen. En hij had er géén begrip voor. Hij wees op het plakkaat van 1 april 1683, op het stuk van defloratie:
‘Een jongeman, verlijdende een eerlijke dochter en haar door het bijslapen of vleselijke conversatie impregnerende, is gehouden een boete van 100 gulden te betalen.’
Wijnandt Dirck Coolen had zich niet ontzien door middel van schone woorden en trouwbelofte de dochter van Claes Thomas Strijbos te misleiden (en tegelijkertijd te vérleiden). Het meiske heette Maria.
‘Op deze familie valt, buiten dit geval, niets ter wereld aan te merken. Maar Wijnandt heeft Maria wél bezwangerd.’
De schout legde met graagte de bijbehorende boete op!
Gaat het te ver om ruim drie eeuwen na dato aan schout Cox uit te leggen dat de zo ongeveer enige man die verlijden kan, een notaris is? En dan geen skon meidje, maar een akte. Díé wordt door een notaris verleden. Ja, dat gaat inderdaad te ver. We laten dít verleden rusten …
1760 Op tijd naar huis
Zou het plakkaat van 15 juli 1760 eigenlijk al gelden? We hebben het hier over het placcaet door de heer Landcommandeur der Balije Alden Biessen als soevereine grondheer van Gemert geëmaneerd, en op 24 juli van datzelfde jaar met klokkenslag aan het volk na de Hoogmis gepubliceerd. U en ik hádden het dus kunnen weten…
Het was vanaf dat moment verboden – en wel op een boete van 25 gulden, € 11.- aan de herbergiers van Gemert om ’s avonds na tien uur te tappen. En dat niet alleen, nee, de klanten en gasten dienden op dat moment te vertrekken!
Berber, de weduwe van Jan Oswolt Robert, dreef anno 1760 ook een herberg en dreef de klanten vanaf die 24ste juli niet om 22.00 uur naar buiten. Zo’n type was zij nu eenmaal niet, zoiets doe je als gastvrije cafébazin niet. En al helemaal niet als Jantje Manders en N.N. Clefort, beide inwoners alhier, nog in je staminee zitten. Op 27 juli, drie dagen na de afkondiging van het plakkaat, ging de deur open, zowat de gehele Gemertse politiemacht, bestaande uit de vorster, de schutter en de vrijschutter, kwam binnen en Berbertje moest bloeden. Zij werd gecalengeerd, beboet.
Maar Berber was het er blijkbaar niet mee eens, zij betaalde de boete niet, en dat is de reden waarom ook dit incidentje vereeuwigd is in Gemerts Rechte(r)lijk
Archief.
GH-2010-03 De Broekstraat van weleer (8- slot)
Oude tijden keren niet weer
Adriaan van Zeeland en Simon van Wetten
Nog even, en dan … Eindelijk mogen we weer een andere kant op kijken! Acht afleveringen hebben de auteurs, steeds naar links turend, de Broekstraat van Heuvel naar Boekent en terug bewandeld, beschreven en bejubeld. Na het voltooien van dit slotepos over de meest authentieke rand van Gemert kunnen we u, na een bezoekje aan de fysiotherapeut, eindelijk weer recht in de ogen kijken, zelfs al staat u rechts van ons.
Nog drie huizen te gaan tot de finish.
De Pieckhof, Broekstraat 39-39a
Net voordat je linksaf via Daalhorst de wijde wereld in kunt, treffen wij aan onze
linkerhand de Pieckhof aan.Tweehonderd jaar geleden woonde hier een familie Pieck en in het oude landboek wordt de naam van eigenaar Thonis Peters al verlengd met “Pieckhof”. Van medio 19de eeuw boerden er in opeenvolging families Van de Weijer. De laatste is Jan van de Weijer met zijn vrouw Tonna van Rooy. Het echtpaar bleef kinderloos maar Jan stond bij iedereen bekend als secretaris van d’n Eierbond in Gemert. Enige tijd na het overlijden van ‘zijn’ Tonna (1959) verkocht hij de Pieckhof aan buurman Piet van Stiphout. En daarna duurde het niet lang of het kwam in de Broekstraat al tot een vroegtijdse boerderijopsplitsing. In 1965 trouwde Albert Rooijakkers uit de Broekstraat met Christien Theunissen uit de Donk. Zij kochten het voorhuis van De Pieckhof en Albert moderniseerde dat eigenhandig. Het achterste deel met twee dubbel staldeuren bleef nog een kleine drie decennia stal, vooraleer Harrie Hagelaars (kleinzoon van Piet van Stiphout), later met Marita, zich in deze helft van de Pieckhof nestelde. Als boerenzoon trok Harrie al vanaf zijn twaalf jaar met paard en kar zelfstandig naar de Tweede en de Derde Steeg om te hooien in ’t Broek, maar Harrie kiest uiteindelijk toch niet voor een bestaan als boer maar voor de techniek. Paardenstal, varkensstal, schuur en een mysterieuze ‘vetput’ in de Pieckhof verbouwt hij in 1992/1993 tot woning.
Met Albert Rooijakkers in het oorspronkelijke voorhuis filosoferen we over de schrijfwijze van zijn achternaam. Albert stamt uit de Broekstraatse familie R(o)o(ij)(y)a(c)(k)kers en je zou zeggen dat de nakomelingen van dat geslacht hun achternaam op identieke wijze schrijven. Maar dat is niet zo. Een tante van Albert aan moederskant, dus objectief in deze materie, zat in het onderwijs. Zij stelde dat de Gemertse uitspraak van de twee ‘o’s’ in Rooijakkers die klinkers afkneep en dat daarom vaak werd gedacht dat je ‘Roijakkers’ hoorde te schrijven. Maar als je in het onderwijs zat dan prikte je daar natuurlijk doorheen en wist je dat de naam met twee ‘o’s’ geschreven moet worden!
Albert is geboren en opgegroeid in het huis waar nu de Van Bommels wonen en is qua domicilie dus uiteindelijk maar vijftig meter opgeschoven.1 Het sleutelwoord van Alberts jeugd is “afgeblokt”. Alle ambities die Albert had werden afgeblokt. De kans om makelaar te worden? Vader Rooijakkers zei dat je daar je brood niet mee kon verdienen. Geld lenen bij de Boerenleenbank om het half ingestorte bedoeninkske van Boertje van der Asdonk te kopen.2 Of Albert iemand had die borg stond? Nee, niemand. Dan maar piloot worden! “Ge vaalt d’n uurste kaër al aojt de loocht,” meende de familie. Alles werd afgeblokt. Het werd dus vier jaar landbouwschool. Daar was ook een
leraar Scheepers aan de Ambachtsschool, die het vak ‘weven’ gaf. Hij kwam bij Albert thuis, betoogde dat het landbouwbestaan geen toekomst had. Weven, dat was het! Maar Albert koos voor het beroep van metselaar, wilde niet tussen vier muren zitten. Wel muren metselen. Het was de opmaat van een zeer druk bestaan. Albert kocht de (halve) Pieckhof – hij had nu geen borg meer nodig – en brak het huis op de kap na helemaal af. Voordat u bouwkundige vragen gaat stellen: de kap stond zolang op stempels. Tussendoor haalde Albert zijn aannemersdiploma in Eindhoven en moest daar op de fiets naar toe. De aankoop van een NSU-brommer werd in huize Rooijakkers als een zeer overdreven en veel te luxe uitgave beschouwd, maar met 400 geleende guldens van Boerenleenbank-directeur Jan Swinkels werd dit voornemen nu eens niet afgeblokt.

Overdag metselen, ’s avonds naar school en ’s nachts in de varkensstal slapen in de tijd dat de zeugen moesten biggen. In de ijskoude winter van 1963 overleed vader Rooijakkers en Albert werd als oudste zoon ook nog eens voogd over de drie jongste kinderen. Toen zes jaar later zijn broer Jan door een tractorongeluk overleed, heeft Albert de boerderij een half jaar draaiend gehouden. Dat ongeluk kwam volgens Albert door het feit dat zijn broer met klompen de ijzeren pedalen van de tractor bediende. Die klompen waren bij het inkuilen spiegelglad geworden.3
Het leven van Albert is bepaald niet zonder tegenslagen verlopen. Ook in de Broekstraat krijgt niemand een garantie op een gelukkig, hèndeg leven.
Het Begijnhof
Op onze heenweg door de Broekstraat zijn we al de boerderij tegengekomen die getooid is met de schone naam “Het Begijnhof”. Deze boerderij werd gebouwd nadat de oorspronkelijke hoeve met dezelfde naam op 18 mei 1895 was afgebrand. Het oude Begijnhof stond aan de overzijde van de weg. Jazeker, de plaats waar we nu, op de terugweg en naar links kijkend, langs lopen! Het aardige is dat Harm, de zoon van wijlen Bart van de Laar, weer terug overgestoken is. Hij heeft tegenover zijn ouderlijk huis, dus op de gronden waar ooit het oude Begijnhof stond, een nieuw huis gebouwd. Harm ondersteunt zo het credo dat de geschiedenis zich herhaalt en heeft er nog een schepje bovenop gedaan door twee van zijn stieren de naam Soeterbeek mee te geven. Als ze dat op het KI-station in de vrouwelijke lijn doortrekken, dan hoeven de koeien niet uitsluitend als Klara 1, 2, 3, enz. door het runderleven te gaan. De koffiemelk in de koffie die u drinkt terwijl u dit artikel leest, zou dan best eens het extract van de melk van de bevallige en altijd aanstekelijk loeiende koe Klara Soeterbeek 6 kunnen zijn.
Het klooster Soeterbeek en de Broekstraat hadden een band, de zusters uit Nederwetten hadden hier bezittingen. De Augustinessen van het klooster waren weliswaar geen begijntjes, maar in tijden van vervolging was het wel zo handig om een uitwijkplaats in Gemert te hebben en nóg veiliger was het dan om zogenaamd begijn te zijn in plaats van kloosterlinge. Zo ongeveer zal de naam Begijnhof zijn ontstaan.
Aan de Stinckert

We weten het: bewoners van “De Stinckert” voelen zich soms wat ongemakkelijk bij de naam van hun boerderij. Helemaal niet nodig natuurlijk, want het is wel één van de allermooiste boerderijen die we in Gemert hebben. En de naam, in vervlogen tijden altijd gespeld als “Aen de Stijnckaert”, slaat bovendien niet eens op het huis,
maar op de wijde omgeving. Eén van de gedachten over die eigenaardige naam is dat er in dit toen drassige stukje van Gemert vlas werd geroot.4 Dat proces levert een behoorlijke stank op. Een nog aardiger en tegelijkertijd griezelige theorie is gebaseerd op het feit dat er, wel in een ver verleden maar niet zó ver weg, twéé galgenvelden in het achterland van deze boerderij lagen. Het ene in het verlengde van de huidige Galgenveldse weg, net over de Snelle Loop (aan de oude weg naar Beek!). Daar stonden de Beekse galgen. Het andere galgenveld lag op Milschot, een eindweegs stroomopwaarts aan de Snelle Loop, maar wel bereikbaar middels dezelfde Galgenveldseweg. Daar stonden de Gemertse galgen. Soms hingen daar al een tijdje de ter dood veroordeelden, in weer en wind. En als de wind dan enigszins verkeerd staat …
De eeuwenoude boerderij was nog niet zolang geleden het decor van autogarage Van de Laar. Daarna woonde er een paar jaar een dierenarts en nu is het de monumentale woonstee van de familie Van Helvoort.

Slot
We zijn terug bij de hoek Heuvel-Broekstraat, de plek waar nu “De Zoete Moeder” herrijst en waar we twee jaar en acht afleveringen geleden aan onze progressieve, links georiënteerde wandeltocht door deze prachtige straat begonnen. We hopen dat we de hoeven en huizen, de bewoners en vooral de sfeer van dit nog immer landelijk stukje Gemert goed over het voetlicht hebben gebracht. En als over honderd jaar de nieuwe rage van hoogbouw in Gemert ook deze straat in de houdgreep heeft genomen, dan kunnen de bewoners van al die verdiepingen de acht elektronisch gebundelde afleveringen van “Gemerts Heem”, gezellig zittend bij het elektrisch haardvuur, nog eens aanklikken en tegen elkaar zeggen: “Wat was het hier toen schoon!” Ze bedoelen dan natuurlijk: SKON!
NOTEN
1. Zie aflevering zeven in Gemerts Heem 2010 nr.2.
2. Zie aflevering zes in Gemerts Heem 2010 nr.1.
3. Zie ook aflevering zeven.
4. roten = de stengels van vlas aan de werking van water blootstellen teneinde de bastvezels los te maken.
Bekijk PDF
GH-2010-03 Het Vrijthof
Begraven in en rond de kerk
Ton Thelen
Een korte voorgeschiedenis
De kerk van Sint-Jansonthoofding is gebouwd tussen 1437 en 1455. In 1437 werd de parochie Gemert als zelfstandige parochie opgericht, afgescheiden van de oude parochie Bakel die viel onder de abdij van Echternach. De oprichting van een zelfstandige parochie was het gevolg van het feit dat het hele gebied van Gemert toebehoorde aan de Duitse Orde.
De Duitse Orde bestond uit edellieden die plechtig beloofd hadden dat zij zich voor de verdediging van het geloof zouden inzetten en zouden zorgen voor pelgrims naar het Heilige Land en voor behoeftige mensen in hun omgeving. De Duitse Orde had daarnaast eigen priesters, waarover de bisschoppen niets te zeggen hadden.
Doordat veel edellieden lid werden van de Duitse Orde, waarmee ook hun bezittingen aan de Duitse Orde vervielen, en doordat talloze adellijke personen veel land en kerken aan de Duitse Orde schonken, breidde het bezit en de macht van de Orde zich over heel Noordwest-Europa uit. Om dat allemaal te kunnen besturen, verdeelde zij dat bezit in drie grote gebieden, die weer verdeeld werden in landcommanderijen en commanderijen. Gemert was zo’n commanderij. Bij een commanderij behoorde een huis of kasteel en een kapel of kerk. Gemert is in die zin bijzonder dat kasteel en kerk (bedoeld tevens als parochiekerk) zijn gebouwd volgens een vooropgezet plan om Gemert te doen uitgroeien tot een geestelijk-cultureel centrum voor de regio, passend in de bovenregionale politiek van de Duitse Orde in de Zuidelijke Nederlanden, waarbij de commanderij op de nominatie stond tot landcommanderij te worden verheven.1
De kerkhof
Zoals bij alle kerken en kapellen ligt er een hof rondom de parochiekerk van Gemert. De naam kerkhof wil niet zeggen dat er alleen maar mensen begraven werden. De begraafplaats was maar een deel daarvan. Zo’n kerkhof had veel functies: hij werd gebruikt voor rechtspraak, er werd kermis gevierd, op de feestdag van de patroonheilige,
meestal de dag waarop de kerk werd ingewijd, het was een ontmoetingsplaats en een stuk grasland waar men zelfs het vee op liet grazen, hoewel dat niet gewenst was. Veelal was er ook de school op gevestigd. Zo ook in Gemert, al genoemd in 1582. Hij lag in de noordwesthoek, langs een zandweg. In 1843 is het gebouw afgebroken, nadat de school het jaar daarvoor in een vlakbij vrijgekomen spinfabriek was ondergebracht.2 De kerkhof was voorts een vrijplaats, waar men asielrecht genoot. Dit was een oud recht, ouder dan het christelijke geloof, dat oorspronkelijk verbonden was aan het gebouw van de tempel, eigendom en woonplaats van de goden. Ieder die deze heilige ruimte betrad, begaf zich in de macht van de goden. Geen kwaad mocht hem geschieden door mensenhand, de godheid zelf strafte of beschermde. In de vierde eeuw ging dit recht over op de kerk en later de kerkhof. Maar het was niet de bedoeling dat misdadigers zo hun straf konden ontlopen. Met allerlei bepalingen, die niet overal hetzelfde waren, werd dat in de hand gehouden. Bovendien was die vrijdom van beperkte duur, meestal niet meer dan drie dagen. Geheel uitgesloten van asiel waren moordenaars, brandstichters, rovers en personen die op gewijde plaatsen een misdaad hadden begaan. De naam ‘vrijthof’, die in sommige plaatsen nog voorkomt, herinnert aan dit oude recht.3
De begraafplaats
De hof om de kerk was door een heg, muur of gracht afgescheiden van de wereld daarbuiten. De gehele kerkhof was gewijd terrein, een ’temenos’, een uit de profane wereld ‘uitgesneden’ terrein. Het deel dat tot begraafplaats was bestemd, heette de ‘cimiteria ecclesiae’, de ‘kerkelijke slaapsteden’, waar de doden uitrusten van de vermoeienissen des levens, in afwachting van de wederkomst van Jezus Christus aan het einde der tijden, op de Jongste Dag, als zij ‘die Hem behoorden met Hem uit de dood zouden opstaan’
.
De ingang van de kerkhof was de zwakste schakel. Om te voorkomen dat hier dieren, die in steden of dorpen gewoon rondliepen, deze ruimte konden betreden, was aan de ingang een rooster aangebracht. Volgens het bijgeloof hield het ook de duivel tegen: met zijn bokkepoten of paardevoeten kon hij niet daarover heen.4 Ook in Gemert scheidde een rooster het profane en sacrale domein. Verordeningen van de burgerlijke overheid werden hier, naast het gemeentelijk klokkenhuis, afgekondigd. Aldus profiteerde de overheid van de sacrale kracht die uitgang van dergelijke overgangsplaatsen, wat haar regelgeving extra gewicht gaf.5
Begraven in de kerk
Het kerkgebouw was evenals de kerkhof een gewijde plaats, waar men contact kon hebben met God, met Christus en de heiligen. De meest heilige plaats in de kerk was die dicht bij het altaar, dat vanaf het einde van de vierde eeuw verrees boven het graf van de martelaren
die voor het ware geloof waren gestorven. De graftombes van martelaren trokken andere graven aan. Aan het begin van de 9de eeuw werd bij deze praktijk aangesloten, doordat sedertdien begraven in de kerken officieel was toegestaan. Maar dat was een voorrecht voor allereerst de geestelijken en daarna verdienstelijke leken, belangrijke en vermogende personen. Hoe dichter bij het altaar begraven, hoe meer men in de geur van heiligheid vertoefde, bij Christus die voor de mensheid was gestorven, maar ook hoe voornamer of rijker men was.6
Het priesterkoor, dat alleen toegankelijk was voor leden van de Duitse Orde en voor het dorpsbestuur, was als begraafplaats voorbehouden aan commandeurs. Blijkens een 18de-eeuws document zijn hier begraven: Hendrik van Eynatten (†1544), Wijnant van Eynatten († 1570), Hendrik van Holtrop († 1630) en Ambrosius van Virmundt († 1684). Ook Ulric van Hoensbroek († 1655), die de commanderij uitleverde aan de Staten-Generaal (1648-1662), en Bertram van Loë († 1712) zijn hier ter aarde besteld.7 Bij de vernieuwing van de vloer van het priesterkoor in 1952-1953 zijn deze graven aangetroffen en (alle?) geopend. Helaas is de opmetingstekening die Willem Vos sr. toen op verzoek heeft gemaakt, door de eigenaar niet ter inzage gegeven. In elk geval bleek één commandeur in zijn mantel begraven te zijn.
Daarvan restten de zilverdradige biezen en het ordenskruis van de mantel en is ook het gedragen zilveren borstkruis bewaard gebleven. Behalve enkele scherven van geslepen glas zijn ook muntjes aangetroffen. Het gaat hier waarschijnlijk om een oud voorchristelijk gebruik, dat ondanks een kerkelijk verbod lang gehandhaafd is gebleven. Wat iemands eigendom is geweest komt hem volgens die oude opvattingen ook in de dood toe. Het moet in elk geval voor zijn gebruik aan de levenden worden onttrokken. Welnu, het meegeven van enkele muntstukken (later vervangen door waardeloze) is niets anders dan het afkopen van het bezit van de dode uit angst dat de dode de overlevenden niet rustig in hun bezit zal laten.8 Het is te betreuren dat alle vondsten uit die graven, op de zilverdradige stukken na, in particuliere handen zijn terechtgekomen en niet als cultureel erfgoed voor de gemeenschap behouden zijn. De zerken zelf zouden al aan het einde van de jaren twintig van de 19de eeuw uit de kerk verdwenen zijn.9
In het Gemertse dodenregister staat van enkele voorname personen vermeld dat zij ‘in templo’ begraven zijn; en dat moet dan zijn geweest in het schip van de kerk. Pater Ed. Loffeld van de Congregatie van de H. Geest noemt onder andere de ‘zeer adellijke dame’ Margaretha de Bruninx († 1664), de gelijknamige freule Maria († 1664), de weduwe van schout Walram van den Boogaert († 1673), Matthias de Becker en zijn echtgenote Justina († 1675) en Johannes Baptista († 1677), de zoon van secretaris Johannes van der Lee.10 Of in de periode 1648-1662, toen de kerk in protestantse handen was, begraving van protestanten binnen of buiten heeft plaats gehad, is gelet op hun zeer geringe aantal niet te verwachten. Was dat wel het geval geweest, dan zou de begraafplaats nadien opnieuw gewijd moeten worden, wat wel gebeurd is met het kerkgebouw, aangezien het protestantse gebruik beschouwd werd als ontheiliging. Of ooit de zojuist genoemde graven (en zerken) gevonden zijn, is een onbeantwoorde vraag. Evenmin gevonden, maar wel dankzij zijn testament bekend, is het graf van de weldoener van de armen, Godert van Werme († 1454). Hij had bij testament een hoeve aan de kerk geschonken, de Armenhoeve, waarvan een deel van de opbrengst jaarlijks verdeeld werd onder de armen. In dat testament stond ook dat op zijn sterfdag de grafzerk bedekt moest worden met een kleed, dat er brandende kaarsen bij geplaatst moesten worden en er voor zijn zieleheil werd gebeden. De armen die dan voor hem baden, konden een brood gaan halen op de Armenhoeve. Nog tot in de jaren dertig van de twintigste eeuw was deze brooduitdeling in zwang. Het graf van Godert van Werme lag volgens het testament pal voor het heilig kruisaltaar, dat zich bevond in het midden van het koorhek dat het priesterkoor afscheidde, en bestemd was voor de parochianen.11
Omdat de kerkvloer als gevolg van het begraven vaker openlag, kon het behoorlijk stinken in de kerk. Vandaar de naam ‘rijke stinker’ voor mensen die veel geld hebben. Begraven in de kerk was dan ook een gewilde inkomstenbron. Vanwege het ongemak, de stank en het onhygiënische werd aan het begin van de negentiende eeuw het begraven in de kerk echter verboden. Bij Koninklijk Besluit van 1827 was het vanaf 1 januari 1829 definitief niet meer toegestaan om de kerk nog als begraafplaats te gebruiken.
De begraafplaats buiten de kerk
Dorpelingen van gewone komaf of zonder een maatschappelijke positie van aanzien werden buiten de kerk op de dodenakker begraven. Op de kerkhoven werd (aanvankelijk) vrijwel uitsluitend de mindere begraven. Een eenvoudig houten kruisje, of een plank met enkel zijn naam was het enige dat de plaats aanwees waar de overledene rustte. Aangenomen mag worden dat Gemert hierop geen uitzondering vormde, omdat het vrij algemeen voorkwam. Die situatie bracht ook met zich mee dat na verloop van tijd vanwege het vergankelijke materiaal men niet meer wist wie
en/of waar begraven lag. Bij begraving kon men op beenderen van anderen stuitten. Deze werden dan in een zogenaamd knekelhuisje bewaard. Dit hield verband met het geloof in de lichamelijke opstanding uit de dood. Knekelhuisjes kwamen meer in de steden voor vanwege de beperktere ruimte en het grotere inwonertal.12 Het kerkhof was grotendeels een grasvlakte, wat uitnodigde er vee op te laten grazen. Op een tekening van de kerk en het kasteel uit de 18de eeuw is te zien dat iemand vee drijft langs de zuidzijde van de kerk, dat kan zijn op de kerkhof of op een toen wellicht langs de gracht gelegen pad, die dan uitliep op een poort in de kerkhofmuur, te zien op een schilderij van rond 1815. De west- en oostzijde diende in elk geval als begraafplaats. Op de prent van Romein de Hooghe (1700) staat aan beide plaatsen een vermoedelijk stenen kruis. Dit kan wijzen op een zogenoemd ‘eigen graf’, wat duidde op meer welstand, en kon ook in de vorm van een zerk of monument de plaats en daaraan verbonden rechten markeren. Maar wellicht stelde de Duitse Orde beperkingen aan het begraven in de kerk.13 Weinig gewild was de noordkant van een kerk. Niet alleen omdat er maar weinig zon kwam, maar ook vanwege de bijgedachte uit vervlogen tijden dat het noorden de woonplaats was van de goden, dus heidens.14 In Gemert heeft toch ook de noordzijde van de kerk als begraafplaats gediend. De aanleg van een afgebakende begraafplaats op de kerkhof lijkt in Gemert dan ook niet het geval, althans pas in de tweede helft van de 19de eeuw is daarvan duidelijk sprake.
Omdat zowel het begraven in de kerk als op de kerkhof daarbuiten tot hindernis, stank, en onregelmatigheden leidde, werd meer en meer aangedrongen op overheidsbemoeienis, mede ook uit oogpunt van gezondheid en hygiëne. Door de inlijving van Nederland bij Frankrijk in 1810 werd hier de Franse wet van 1804 van kracht die het begraven in kerken verbood. Bovendien moesten begraafplaatsen op 35 à 40 meter buiten de bebouwde kom zijn gelegen. Goed en wel een maand na zijn terugkeer in Nederland herstelde Willem I bij Koninklijk Besluit van 24 december 1813 de oude begrafenisrechten. Wel stelde hij tevens een commissie van geneeskundigen in, die de eventuele schadelijke gevolgen hiervan moest onderzoeken. Pas in 1824 kwam een rapport gereed, waarvan de uitkomst zijn beslag kreeg in het Koninklijk Besluit van 22 augustus 1827. Het begraven in kerken was per 1 januari 1829 weer verboden en vóór die datum was elke gemeente met meer dan 1000 inwoners verplicht een openbare begraafplaats aan te leggen buiten de bebouwde kom, op een afstand van meer dan 35 meter, en moest het oude kerkhof rondom de kerk worden gesloten. Het is onduidelijk of dit tevens inhield dat daarmee alle kerkhoven nu eigendom van de burgerlijke gemeente waren. In vele opzichten liet de wet aan duidelijkheid en nauwkeurigheid te wensen over. Wat de wet in elk geval ook teweegbracht is dat sedertdien de kerken met meer vaste banken bemeubeld konden worden, omdat niet steeds de vloer voor een begraving geopend werd.15
De kerkhof lag ingeklemd tussen de kasteelgracht ten zuiden en de woningen en achterliggende tuinen langs de straat ten noorden van de kerk. In de behoefte aan meer ruimte voor het begraven van de overledenen kon alleen worden voorzien door grond te verwerven aan de westzijde van de kerk. Uitbreiding heeft vanaf 1828 in die richting plaatsgevonden. Een eerste aanzet ging uit van de burgerlijke gemeente, die ingevolge de wet van 1827 grond aankocht voor een nieuwe begraafplaats. Begin september 1828 keurden Gedeputeerde Staten de aankoop goed van enkele percelen grond, bestemd voor begraafplaats en een weg daarheen.16 Deze percelen lagen aan de overzijde van de zandweg (de kerkstraat) achterdoor, die liep van De Haag richting kasteelgracht en van daar in westelijke richting afboog langs de gronden van het kasteel. Deze algemene begraafplaats stond onder haar beheer en daarmee lijkt inderdaad het begraafrecht voortaan aan de burgerlijke gemeente voorbehouden. Immers begin juli 1830 bevestigen Gedeputeerde Staten het gemeentebestuur in zijn standpunt om aansluitend op de nieuwe beleidslijn geen begraving toe te staan van lijken op de oude en vervallen kerkhoven in gemeenten, “alwaar den nieuw aangelegden begraafplaatsen reeds genoegzaam ingericht zijn, om de lijken van afgestorvenen te ontvangen”. Ingevolge de gemeentelijke bepalingen van 10 juni dienaangaande noteerde het college van B&W dat op 5 juli het eerste lijk en daags daarna het tweede lijk op de nieuwe begraafplaats ter aarde was besteld. Tien jaar later werd er ondanks ernstige maatregelen, hoe ongaarne men die ook nam, nog geen gebruik gemaakt van de nieuwe begraafplaats en bleef alles bij het oude.17
In strijd met de wet wilde het kerkbestuur in 1843 toch het oude kerkhof weer in gebruik nemen. Districtcommissaris Carel Wesselman waarschuwde het kerkbestuur dat men zonder toestemming van Gedeputeerde Staten het oude kerkhof niet mocht openen. Door een handige zet, naar het schijnt, slaagde men in de opzet. Door het schoolgebouwtje in de noordwesthoek van de kerkhof af te breken voldeed de omvang van de te openen begraafplaats aan de wettelijke vereisten. Bovendien lag de begraafplaats op 35 meter afstand van de naaste woningen. Voorwaarde was wel nog dat de bomen gerooid moesten worden, de kuilen gedicht, de begraafplaats werd afgesloten met een muur of heg en onder toezicht bleef van de plaatselijke politie.18 Hoezeer de bevolking hechtte aan de eigen begraafplaatsen bleek wel kort daarna toen voor een lange reeks van jaren een deel van de nieuw aangelegde begraafplaats door de gemeente werd verpacht als grasland, telkens voor vijf jaar, ingaande maart 1850, en voor het laatst eindigend in 1917!19 En in 1852 verkocht de gemeente een perceel dat ten noorden grensde aan het goed van de weduwe van Hendrik Frunt en ten zuiden aan de katholieke begraafplaats en ten westen aanlag tegen het kerkpad.20 In 1853 kreeg jonkheer Adriaan van Riemsdijk verlof een eigen begraafplaats te mogen inrichten. Wel moest hij zelf zorgen voor een toegang over de kasteelgracht.21 De vergroting van de kerk in de jaren 1853-1854 bracht met zich mee dat de begraafplaats aan de westkant door het verlengde kerkfront en de inpandige toren te klein was. Het kerkbestuur vroeg en kreeg van de bisschop toestemming om een in 1859 een beschikbaar gekomen stuk grond te kopen (voormalig Duitse Ordegoed) van de erven Van Riemsdijk. De noodzaak om de begraafplaats te vergroten deed het kerkbestuur aan het gemeentebestuur vragen om een deel van de toegang tot het oude kerkhof, welk strookje grond van de gemeente was, te verkopen.22
De aanleg van de begraafplaatsen in de gemeente Gemert voldeed aan de nieuwe Wet op de lijkbezorging van 1869. Daarin was onder meer bepaald dat elke gemeente minstens één algemene begraafplaats had, gelegen op minstens 50 meter van de bebouwde kom.23 Dit leverde in Gemert geen problemen, wel was de verhouding tussen kerkbestuur en gemeentebestuur als beheerder van de begraafplaats niet erg duidelijk. Zo vroegen Gedeputeerde Staten aan de gemeente of de in 1874 gehouden enquête wel juist was ingevuld waar de gemeente had opgegeven dat alle begraafplaatsen onder zijn beheer vielen. En wat was een algemene rooms-katholieke begraafplaats?24 Wel heel verbaasd keek het kerkbestuur toen in 1917 bleek dat de kerk en kerkhof – abusievelijk (?) – op naam stonden van de burgerlijke gemeente.25 ”Pastoor zonder kerk te Gemert”, zo schreef pastoor L. Poell.
Zowel links als rechts van de kerk kon men naar het achterland. Aan de linkerkant, de zuidzijde van de kerk, ‘het rijke kerkhof’, leidde dit tot overlast. Men liep zo maar tussen de graven door en spelende kinderen hadden al helemaal geen aandacht voor de doden. Het kerkbestuur besloot toen een omheining aan te brengen. De bisschop gaf in 1869 toestemming om daarvoor geld uit te geven.
Het nieuwe kerkhof
In 1902 werd aan de westzijde een geheel nieuwe begraafplaats aangelegd. Daarbij werden de oude begraafplaatsen aan de zuid- en de noordkant van de kerk opgeheven. Het gietijzeren hekwerk kreeg een nieuwe bestemming op de begraafplaats van de parochie De Mortel 26 In de beleving en symbolische betekenis van een begraafplaats is de nieuwe begraafplaats heel bijzonder. Vanaf het altaar in de kerk loopt een rechte lijn naar de calvarieberg in het westen. De calvarieberg is gebouwd door de firma J.A. Oor te Roermond, die ook enkele beelden leverde voor het interieur van de kerk.27
Niet alleen het kerkgebouw is georiënteerd, ook de begraafplaats past in die symboliek. Ligt het altaar op het oosten, waar Christus zal verrijzen, de begraafplaats ligt op een rechte as op het westen. Het westen staat in de beleving voor de dood, daar gaat de zon onder, terwijl aan de andere kant van de lijn, het oosten, de zon opkomt. Leven en dood zijn zo op een prachtige wijze met elkaar verbonden. De doden zijn op een enkele uitzondering na allemaal met het gezicht gekeerd naar het oosten, wachtend op het einde der tijden als zij uit hun graf zullen opstaan. Links van de calvarieberg, die het sterven van Christus in herinnering brengt, liggen priesters begraven. Vanuit het kruis gezien is dat de rechterzijde, de kant waar het hart van Christus gedacht werd en waar Maria stond. Maria is de moeder van Christus en daarmee de moeder van de Kerk. Vandaar dat aan haar zijde ook de bedienaren van de kerk zijn begraven. De kruisvorm van de hoofdpaden versterkt de sterk symbolische vormgeving van de begraafplaats. De sobere inrichting past in de afstandelijke beleving van de dood. Maar de sociale status tijdens het leven is niet vergeten. De ‘aanzienlijken’ en welgestelden liggen begraven langs de zichtlijnen, de paden van het dubbele kruis.
Deze inrichting en symboliek is in de jongste tijd losgelaten. In 1992 is achter het oude kerkhof een nieuwe begraafplaats aangelegd, met een geheel eigen karakter. Daarin is ook een columbarium aangebracht, waarin de urnen, de askruiken, geplaatst worden van de gecremeerde overledenen. Crematie is pas in 1959 bij wet niet meer strafbaar gesteld, ondanks bezwaren van de kerken. De Katholieke Kerk stond pas in 1964 openlijk crematie toe.28
NOTEN:
1. J. Mertens, ‘Gemert, de parel aan de Biesense kroon’ in: T. Thelen (ed.), Soevereine Heerlijkheid Commanderij Gemert (Gemert 2009), 10-36.
2. Peter van den Elsen, De Komschool (Gemert 1978), 11, 24-25.
3. H.L. Kok, Thanatos. De geschiedenis van de Laatste Eer (Berne 2005), 69-71.
4. Begraven en begraafplaatsen, Uitgave Teleac (Utrecht 1994), 38-39.
5. Ad Otten, Elke seconde telt…400 jaar Gemertse brandweer (Gemert 1999), 3, 163.
6. Cees van Raak, Dodenakkers (Amsterdam 1995), 20-23.
7. Archief Gemeente Gemert-Bakel (AG), parochiearchief St. Jan, inv.nr. 040-241.
8. H.L. Kok, Funerair Lexicon (Maastricht 2000), 103.
9. P.C. Bloys van Treslong, Genealogische en heraldische gedenkwaardigheden in en uit de kerken der Provincie Noord-Brabant (Utrecht 1924), 197-198.
10. Gemertsche Courant, 27 november 1953.
11. Ad Otten, De vestiging van de Duitse Orde in Gemert 1200-1500 (Gemert 1987), 118-120, 150-154.
12. Thanatos, 73-78.
13. Begraafplaatsen als cultuurbezit, uitgave De Terebinth (Den Haag 1992), 14-15.
14. Thanatos, 13.
15. Thanatos, 114-119.
16. AG, Gemeentearchief Gemert, inv.nr. 003-2271, diverse stukken.
17. AG, Gemeentearchief, inv.nr. 003-2272, diverse stukken.
18. AG, Parochiearchief St. Jan, inv.nr. 040-248, diverse stukken.
19. AG, Gemeentearchief, inv.nr. 003-2273, 2274, diverse stukken.
20. AG, Parochiearchief St. Jan, inv.nr. 040-248, diverse stukken.
21. AG, Gemeentearchief, Uitgaande brieven B&W, inv.nr. 002-73, nr. 363.
22. AG, Gemeentearchief, inv.nr. 003-2276, uitbreiding begraafplaats.
23. Funerair Lexicon, 320, 341; J.J. Fahrenfort en C.C. van de Graft, Dodenbezorging en cultuur (Amsterdam 1947), 73-75.
24. AG, Gemeentearchief, inv.nr. 003-2286, Staat toestand begraafplaatsen.
25. AG, Parochiearchief St. Jan, inv.nr. 040-235; Officieel Kerkbericht, 16 en 22 september 1917.
26. AG, Gemeentearchief, inv.nr. 2276-2277; Parochiearchief St. Jan, inv.nr. 040-248; Notulen Kerkbestuur, 1902; Bisschoppelijk Archief ‘s-Bosch, Ingekomen brieven, 8 januari 1903.
27. Ton Thelen en Wil van Lierop, Langs velden en wegen (Gemert2006), 61-62.
28. Funerair Lexicon, 50-53.
Bekijk PDFGH-2010-04 Banhek bij de Snelle Loop
Simon van Wetten
De tijd gaat snel. Neem de vrede van de Snelle Loop. Alweer vijftien jaar geleden! In oktober 1995 hebben we aan de boorden van het roemruchte riviertje alsnog de vrede getekend van het conflict tussen Aarle, Beek en Rixtel enerzijds en Gemert anderzijds. Een ruzie die al sinds 1539 voort sudderde. Het ging over koeien en ander Gemerts vee, dat het gras aan gene zijde van de Snelle Loop zes keer zo lekker vond en daarom massaal overstak en op buitenlands grondgebied de sappige grassprieten vermaalde en daarna ook nog eens uitdagend ging liggen herkauwen. Ja, dan maak je die van Aarle, Beek en Rixtel bóós! De boosheid was pas in 1630 enigszins gezakt.
Het werd rustiger in het broekland tussen de voorheen kijvende dorpen, maar het banhek bij de doorgang van de weg Gemert-Beek – Snelle Loop bleef staan.
Dit banhek belette halverwege de 19e eeuw een soepel verloop der postbezorging. Het hoofd van postkantoor Helmond diende een klacht in over het vervelende obstakel op de weg van Beek en Donk naar Gemert.
“Bij normaal weer staan daar altijd wel kinderen die het hek voor de postkoets openen tegen een kleine geldelijke vergoeding. Bij slecht weer echter is er niemand en moet de postkoets blijven wachten tot er iemand in de buurt is om het hek te openen. Dat levert ernstige vertragingen op. De postman kan en wil het hek niet zelf bedienen omdat hij een erg onrustig paard heeft.”
Bekijk PDFGH-2010-04 Gemerts dialect: twee verklaringen voor imkerijterm
Wim Vos
In de eerste helft van dit jaar heb ik me o.a. beziggehouden met de invoering van de agrarische terminologie in de Database Gímmers. Een van mijn bronnen was Deel II, aflevering 9 van het Woordenboek van de Brabantse Dialecten [WBD], gewijd aan de vaktaal van de imker.1 Deel II is gewijd aan de niet-agrarische vaktalen, die ik eigenlijk wegens tijdgebrek niet wil opnemen in mijn database voor de tweede druk van het Gemerts Woordenboek, maar de imkerij heeft toch wel veel raakvlakken met het boerenleven, dat uiteraard veel sporen heeft nagelaten in de dagelijkse Gemertse omgangstaal. Vandaar. Het voorwerk voor deze aflevering werd al in 1973 verricht door Piet Vos, die toen een vragenlijst met afbeeldingen (N63) opstelde over de terminologie van de imker. Met behulp van het concept van deze lijst en de definitieve versie verzamelde hij zelf materiaal om de vragenlijst uit te proberen. Hij interviewde daarvoor drie Gemertse imkers.2
1. J. Blummel, geboren in 1896 te Schijndel en vanaf 1934 woonachtig te Gemert op de Heuvel 44. Zijn antwoorden werden door Piet Vos persoonlijk genoteerd in het oude spellingsysteem voor het Gemerts.
2. J. Blummel jr, geboren in 1930, die destijds woonde op de Heuvel 46, naast zijn vader. Hij vulde de vragenlijst eigenhandig in. Zijn spelling was geïmproviseerd.
3. Marinus J. de Wit, geboren te Uden in 1910, woonachtig te Gemert vanaf 1922. Marinus, jarenlang bestuurslid van onze Heemkundekring, had het imkeren geleerd van Johan Jonkers (korven en kasten) en van Jochem van de Rijt (kastimker) uit Gemert. Ten tijde van het interview met Piet begin jaren ’70 woonde Marinus overigens al bij zijn zuster in de Julianastraat 18 te Bakel. Zijn antwoorden werden door Piet Vos genoteerd.
In tegenstelling tot sommige andere afleveringen van het WBD is de frequentie van de antwoorden in het Gímmers zeer hoog: in bijna elk lemma komt wel een antwoord voor van één van de Gemertse geënquêteerde imkers onder de code L207 (:Gemert).
In dit artikeltje wil ik het hebben over twee Gemertse vormen van de Nederlandse imkersterm ‘endeling’, in het WBD (enigszins ingekort) gedefinieerd als: De eerste nazwerm of, met de voorzwerm meegerekend, de tweede zwerm. Ze is kleiner dan de voorzwerm. Acht tot tien dagen nadat de voorzwerm eraf is, vliegt de eerst uitgelopen en nog onbevruchte moer of koningin met een deel van het bijenvolk weg, vergezeld van meerdere, iets later uitgekomen, allemaal onbevruchte koninginnen; zij vormen ofwel nieuwe afsplitsingen of vechten met elkaar, totdat er nog één koningin over is; elk volk kan slechts één koningin gebruiken.3
In mijn database heb ik twee Gemertse termen opgenomen voor dit begrip, namelijk èndel (bron Marinus de Wit) en èntel (bron J. Blummel) en natuurlijk vroeg ik me af waarom een nazwerm in het Nederlands ‘endeling’ en in het Gemerts èndel of èntel heet. Misschien is het antwoord al te vinden in dezelfde database. Daarin vond ik namelijk het werkwoord èntele: ww: aarzelen, treuzelen, talmen, dralen (soms met opzet, wat voor anderen vervelend kan zijn). We han al laang vèrreg kanne zén as haj nie aald blíf èntele.4
De bron voor dit lemma was de Gemertse Woordenlijst van Martien van der Wijst5 met de summiere vermelding ‘èntele: aarzelen’. Het woord is vanuit de GWL terechtgekomen in het Gemerts Woordenboek6, maar dan met meer informatie en een voorbeeld zoals hierboven in mijn database.
Het lijkt mij dus mogelijk dat we de Gemertse termen èndel of èntel en misschien ook wel het Nederlandse ‘endeling’ mogen interpreteren als ’treuzelaar(s)’, een zwerm die pas vertrekt uit de korf of kast na lang aarzelen.
In het EDWB van Weijnen komt het woord ‘èntelen’ ook voor. Weijnen geeft echter als betekenis “kibbelen, bekvechten, frequentatief bij het Middelnederlandse ‘anden’ (:irriteren).” Die irritatie vindt men echter ook terug in de definitie in mijn database hierboven: “aarzelen (…) dralen (soms met opzet, wat voor anderen vervelend kan zijn)” 7
Een alternatieve verklaring van de woorden zou men echter kunnen distilleren uit wat Wim van Gompel zegt in het Reusels Woordenboek.8 De Reuselse varianten zijn ‘èndeling’ of ‘anderling’: tweede zwerm. Volgens hem zal ‘enderling’ ontstaan zijn uit ‘anderling’. Nu betekent het woord ‘ander’ oorspronkelijk ’tweede’ en ‘anderling’ zou dus letterlijk ’tweede zwerm’ kunnen betekenen. Hiervoor spreekt dat in het Reusels ook de termen ‘dòrreling’ (derde zwerm of tweede nazwerm) en ‘vierling’ (vierde zwerm of derde nazwerm) bestaan. In het Gímmers worden deze twee termen echter niet genoemd in het WBD.
)
_______________
NOTEN:
1) Woordenboek van de Brabantse Dialecten (WBD), Deel II, Aflevering 9, Vaktaal van de imker, red. drs. Lenie Messelink-Zijlmans, Gopher Publishers 2005.
2) Ingevulde vragenlijst N63 van de Nijmeegse Centrale voor Dialect- en Naamkunde (NCDN), waarvan ik de kopieën van Piet Vos mocht inzien.
3) Vgl. WBD, II, afl.9, p.53 s.v. endeling met de twee Gemertse versies (èndel en èntel).
4) W.J. Vos /M.A. van der Wijst, Gemerts Woordenboek (GWB), Gemert 1996, p.53, s.v. èntele.
5) Gemertse Woordenlijst, Gemerts Heem, nr. 61, winter 1975-’76, p.21, s.v. èntele.
6) GWB, p.53, s.v. èntele.
7) Prof. dr. A.A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag, 2003, 2e druk; p.97, s.v. èntele.
8) Wim van Gompel, Reusels Woordenboek, Deel 3, Beroepen en andere bezigheden, Reusel 2004, p.238, s.v. endeling.
Bekijk PDFGH-2010-04 Anna-te-drieen
Peter van den Elsen
Tijdens de tentoonstelling in de Walravens Hoeve in 1995, bij gelegenheid van het driehonderdjarig bestaan van de Esdonkse Spijkerkapel, werd een beeld van Anna-te-Drieën getoond dat in één van de schuurkerken op Esdonk had gestaan. De kapelaan en latere pastoor van Gemert, Joannes Quix, noteerde hierover: “Wij hadden onsen dienst gedaen in de schuere van Goosen Leunis op Esdonck, dese schuere staet op het Boekels ende het huys daer die schuere onderhoort op het Gemerts en wij woonden in de camer van Jan Aertjes op Boekel.”
In 1648 werd de katholieke godsdienst in Gemert verboden. De Duitse Orde verloor de soevereiniteit over de Vrije Heerlijkheid Gemert. De Commanderij kwam onder het bestuur van de Staten Generaal van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Dit vloeide voort uit het verdrag dat te Munster werd gesloten na het beëindigen van de Tachtigjarige Oorlog. Deze situatie zou zo blijven tot 1662, toen de Teutoonse Orde in haar rechten werd hersteld.
Direct gevolg van het verlies van de Status Aparte was dat de Sint Janskerk werd geconfisqueerd en de katholieken hun toevlucht zochten op Esdonk, net op Boekels grondgebied. Aanvankelijk vinden de kerkelijke diensten plaats in een schuur van Goosen Leunis en vanaf 12 juni 1653 in een nieuw gebouwd kerkenhuis waar de pastoor en kapelaan ook gingen wonen. Het nieuwe gebouw stond op een perceel grond van Antonius Willems Hes, aan de weg van Esdonk naar de Mutshoek. Kennelijk hebben de geestelijken niet alles mee naar hun nieuwe woonplek verhuisd, want het beeld van Anna-te-Drieën bleef na 1653 achter in de boerderij van Jan Aertjes op de Mutshoek.
Anna-te-Drieën is een voorstelling van de heilige Anna met haar dochter Maria en haar kleinkind Jezus. De meest voorkomende uitbeelding is dat Anna links wordt afgebeeld, met een boek of een vrucht (druiventros), dochter Maria (als jonge vrouw) rechts en het kindje Jezus in het midden. Het hier beschreven beeld vertoont veel overeenkomsten met beelden uit de 15de eeuw. Het gepolychromeerde houten beeld is eenvoudig gesneden en erg verweerd. Het beeld is circa 30 cm hoog. De ouderdom is moeilijk in te schatten, zeker is dat het van voor 1648 is. Haar verering nam grootse vormen aan in het Rijnland (o.a. Keulen en Düren) en de Nederlanden. De heilige Anna werd in de vijftiende eeuw één van de bekendste en geliefste heiligen. Na de kruistochten, toen veel relieken hun weg naar het westen vonden, nam haar cultus verder toe met een hoogtepunt rond 1500.
Als grootmoeder van Jezus dacht men haar bijzondere macht toe als hemelse voorspreekster bij haar kleinzoon. Omdat Anna na de dood van haar eerste echtgenoot, Joachim, nog twee keer getrouwd zou zijn geweest en van iedere echtgenoot een dochter zou hebben gebaard met de naam Maria, was ze ondermeer de patroonheilige van de onvruchtbaren, kinderenlozen, het huisgezin en grootouders. Zij werd speciaal aanbeden door hen die maar moeilijk kinderen konden krijgen of door jonge vrouwen die hoopten een huwelijkskandidaat te vinden.
In de Gemertse parochiekerk was een zijaltaar gewijd aan de heilige Anna. Van dit altaar waren Maria Magdalena, Agatha, Brigida, Joachim (de man van Anna) en Joseph (de man van Maria) eveneens de patroonheiligen. De feestdag van Sint Anna valt op 26 juli, vier dagen na de feestdag van Maria Magdalena (22 juli), de patrones van de Esdonkse spijkerkapel. Misschien ligt hierin het motief dat het beeld uit Gemert mee naar Esdonk/Mutshoek is
gekomen. Waarom de toenmalige geestelijken het beeld niet hebben meegenomen naar het nieuwe kerkenhuis, is onduidelijk. Was het een gift aan Jan Aertjes als blijk van dank voor het geboden onderdak? Was het, omdat het beeld ook toen al erg verweerd was? Of was het omdat de Sint Anna-devotie na 1600 op zijn retour was? Anna was drie keer getrouwd en in de kerkelijke propaganda in de periode van de contrareformatie was dat een minder aantrekkelijk voorbeeld.
Het beeld is voorgoed uit Gemert verdwenen, maar Sint Anna wordt nog op enkele plaatsen vereerd. Op de eerste plaats in het Sint-Annakeske tegenover Activiteitencentrum De Eendracht. In één van de nissen van het keske aan het Kruiseind staat een beeld van Sint Anna. Na 1600 werd Sint Anna nauwelijks nog afgebeeld als Anna-te-Drieën. Deze verbeelding verdween niet alleen uit Gemert, maar ook uit de devotionele cultuur. Wel werd Sint Anna na 1600 vaak met haar dochter Maria afgebeeld, zoals op een console in de Gemertse kerk.
Bronnen:
– Ton Brandenburg, Heilige Anna, Grote moeder. De cultus van de Heilige Moeder Anna en haar familie in de Nederlanden en aangrenzende streken. Uitgeverij SUN. Uden, 1992.
– Peter van den Elsen, Esdonk, Geschiedenis van een kapelgehucht, 1981, BGG nr. 8; pagina 39-40.
– Walter Corssmit e.a., Boekel zô âs ’t vruger waor. Uitgave Heemkundekring St. Achten op Boekel, deel 1, 1992, pagina 11.
– Ton Thelen, In volle glorie. De kerk van Sint-Jansonthoofding te Gemert. Gemert in beeld nummer 11, 2003.
– Ton Thelen en Wil van Lierop, Langs velden en wegen. Monumenten van devotie in Gemert-Bakel, Gemert in beeld, nummer 14, 2006.
Bekijk PDFGH-2010-04 Bouwen op Schoorswinkel: permissie uit 1612
Ad Otten
In de afgelopen twee jaar zijn we een heel stuk wijzer geworden wat betreft de vroegste bouwgeschiedenis van Gemerts kasteel. Daarvoor kunnen we op de allereerste plaats wijzen op de bijzondere bijdrage van bouwhistoricus Jos Schrijen onder de titel ‘Gemert revisited – Een nieuwe bouwgeschiedenis van kasteel Gemert’ opgenomen in het kostelijke in december 2009 verschenen kasteelboek van Ton Thelen (ed.), Soevereine Heerlijkheid – Commanderij Gemert. Verder hebben twee artikelen in Gemerts Heem van resp. Jan Timmers en Ad Otten, te weten ‘De Rips en de Beek – historisch watermanagement in het dorp’,1 en ‘Dingbank aan de Plaatse bij het Kasteel’2 nieuwe en verhelderende inzichten geleverd over het kasteel en zijn omgeving tot in het begin van de 17de eeuw.
In het hiernavolgende gaat onze aandacht naar de jaren toen het kasteelcomplex werd voorzien van een buitengracht met een nieuw poortgebouw. Van dit gebouw kennen we het bouwjaar 1607. De muurankers 0 en 7 zijn in de westgevel van het poortgebouw zelfs nog bewaard. Maar verder is er van de bouwactiviteit in de archieven tot dusver maar bitter weinig aangetroffen. Een schepenprotocol van 11 juli 1612 geeft achteraf echter toch nog enige interessante informatie. Bij de door de Commanderije voorgenomen bouw was er kennelijk een ‘questie’ gerezen met Willem Peters van Seeland en diens familie. Het betrof: het doen “affbreecken van seecker cleijn huysken gestaen hebbende gehadt aent Goorswinckele” tegenover het kasteel. Dat huiske, eigendom van de familie van Willem van Seelant was door de commandeur c.s. gesloopt om “in desen troublen ende crijchsoirlogen” het kasteel oftewel het Huys van Gemert “voir alle periculen ende inconvenienten van roverijen des crijchsvolck te betere te moegen bewaeren.”
In het tenminste vijf jaar durende conflict tussen de commandeur en de Duitse Orde aan de ene kant en de familie Van Seeland aan de andere kant moet onder meer de pastoor (Albert Strijbosch) met nog een andere geestelijke hebben bemiddeld. In de zomer van 1612 kwam men uiteindelijk tot een vergelijk. Voor het gesloopte huiske betaalde de commandeur een schadevergoeding van 200 gulden. Overeengekomen werd verder dat zo lang de commandeur zou leven er tegenover het kasteel niet gebouwd mocht worden. Na het overlijden van de commandeur (Hendrik van Holtrop) zou het Willem van Seelant en consorten echter vrij staan om daar ter plaatse weer te bouwen mits de helft van de in 1612 overeengekomen schadevergoeding van 200 gulden (dat is dus 100 gulden) aan de nieuwe commandeur zou worden terugbetaald.
Het lijkt merkwaardig dat er onder de volgende commandeur op deze lokatie weer wel gebouwd zou mogen worden. Wanneer we ons echter verplaatsen in het tijdsbestek waarin de partijen tot het overeengekomene kwamen dan kan men zich daar toch iets bij voorstellen. Het vergelijk dateert namelijk uit de periode van het zogeheten Twaalfjarig Bestand (1609-1621) en in 1612 verwachtte iedereen dat na het verstrijken van het bestand het ook definitief tot vrede zou komen en dat men van vluchtelingen, muitende troepen, roverijen etcetra, ook in Gemert veel minder last zou hebben. En dat moet wel van invloed zijn geweest op de permissie tot bouwen op Goorswinkel op de lange termijn. In de tweede helft van het Twaalfjarig Bestand voltrokken zich echter grote wijzigingen in het regeringsbeleid. De vredelievenden onder de geuzen, die onder meer in het belang van de handel ook pleiten voor meer verdraagzaamheid en godsdienstvrijheid, werden letterlijk en figuurlijk een kopje kleiner gemaakt. De populaire raadpensionaris Johan van Oldenbarneveldt werd als “verdrukker van het orthodoxe Calvinisme” op het Binnenhof in 1619 zelfs onthoofd. En zijn rechterhand de geleerde Hugo de Groot werd opgesloten in Slot Loevestein. Oldenbarneveldt zou weliswaar de geschiedenis ingaan als “martelaar voor de ware vrijheid” maar onder de strijdlustige Prins Maurits werd na het verstrijken van het bestand met Spanje de oorlog in alle hevigheid hervat en die eindigde pas in 1648 toen de tachtig jaren van oorlogvoeren vol waren.
De roerige tijden bleven dus. Ook in Gemert! En daarom is van de permissie tot bouwen tegenover Gemerts kasteel nooit gebruik gemaakt. Al spoedig verwerft de Commanderij van Gemert de velden tegenover het poortgebouw in eigendom. En alles wijst er op dat het slepende conflict over de sloop van het huiske in Schoorswinkel geen naweeën heeft gehad. In 1614 zien we Willem van Seeland zitting nemen in de Gemertse schepenbank. De commandeur en Duits Ordensridder Hendrik van Holtrop sterft in 1630. Hij wordt begraven in de Gemertse kerk en de het jaar tevoren uit ‘s-Hertogenbosch door de geuzen verdreven bisschop Ophovius leidt hier in Gemert de begrafenisplechtigheid.
In het onderstaande de transcriptie van het grootste deel van de op 11 juli 1612 opgemaakte schepenakte waarmee de “questie Goorswinkel” werd beslecht.3
——————
Alsoe questie was geresen tusschen den Eerwerdigen Eedelen ende Gestrengen Heeren Heeren Henricken van Holtrop Duytsch Ordens Riddere ende Commenduere van Gemert ter eenre ende Willemen Peeters van Seelant man van Merike dochtere Andries Gerits Jacops met sijne consorten ter andere sijden, noopende van het affbreecken van seeckere cleijn huysken gestaen hebbende gehadt aent Goorswinckele tegenover des Heeren Huysse van Gemert den voirszegden Willem Peters c.s. toebehort hebbende ende bijden voirszegden Heeren Commandeur in desen troublen ende crijchsoirlogen doen affbreecken om door dyen middele het Huys Gemert voir alle periculen ende inconvenienten van roverijen des crijchsvolck te betere te moegen bewaeren…… doer spreecken van goede mannen te weten Heeren Albert van Strijbosch pastoir tot Gemert ende Heeren Jannen Laureysen van Erp priester…… een accordt…… de commandeur betaelt voir het affgebroocken huysken een somme van 200 gulden ende Willem Peeters cum suis moegen nyet op heure erfve int Goorswinckele tegenover den Huyse van Gemert doen oft laten tymmeren ennige huysinge oft woeninge soe lange als den voersegde commandeure leven sal. Ende naede doot ende afflijvicheijt vanden commandeur sullen die voerszegde Willem Peters cum suis oft heure erfven aldaer op heure erfven wederom moegen tymmeren ennige nyewe huysinge soe wanneer hen dat gelieven sal. Beheltelijc nochtans dat die ghene die alsdan sal aldair begeren te te tymmeren eerst en voer all gehouden ende gebonden sall wesen aenden Heere commandeure sal hebben te restitueren de somme van 100 gulden. ……
——————-
NOTEN:
1. Jan Timmers, De Rips en de Beek – historisch watermanagement in het dorp’, in: Gemerts Heem 2008 nr.1 blz.10-17.
2. Ad Otten, Dingbank aan de Plaatse bij het Kasteel, in: Gemerts Heem 2009 nr.3 blz.26-30.
3. Gemeentearchief Gemert-Bakel; Schepenprotocol R112 folio 283-283v

GH-2010-04 Uit het oud-rechterlijk archief van Gemert (2)
Simon van Wetten
De auteur is bezig met het ontsluiten van het complete archief van de criminele en civiele rechtszaken die in de 16e, 17e en 18e eeuw in Gemert hebben gespeeld. Het levert een berg aan kwesties over testamenten, burenruzies en niet betaalde schulden op. Het geeft zicht op een bijkans onafzienbare reeks vecht- en steekpartijen en andere vormen van criminaliteit. Maar het geeft ook een verrassend beeld van de Gemertse samenleving in vroegere dagen.
Simon zet de meest aansprekende, ontroerende en typische voorvallen om in anekdotes waarvan u hieronder weer enige voorbeelden aantreft. Hij heeft er inmiddels ruim honderdvijftig en dat aantal zal nog flink uitdijen. (Red.)
1690 Rentmeesterlijke reputatie
We laten het verleden rusten, maar niet dat van Pieter van der Putten. Let wel, de rentmeester van de commandeur! Een bevoorrecht man. Drie keer getrouwd geweest. Lag in 1678 doodziek op bed, heeft toen met zijn tweede, zeer rijke echtgenote Catharina Herinx – niets is immers zekerder dan de dood – een mooi testament opgesteld, maar niet hij, nee, zíj ging dood. En terwijl hij volgens de dorpsobservatoren slechts twee kannetjes in zijn tweede huwelijk heeft ingebracht, bezit hij dankzij dat testament nu een leienhuis, met maar liefst acht vuursteden, een zomerkeuken met een stenen poort en een schone hof daarachter, met een nieuw daaraan gelegen mouthuis, en nog een huis met twee vuursteden en een brandhuis en een paardenstalling. Dit alles behoort aan Pieter toe en ligt en staat in de Schoolstraat, en is – naar ons dunken – 9000 gulden waard. Het heeft overigens, zegt meester Pieter, meer dan 10.000 gulden gekost. Dan heeft Pieter nog een huis gelegen in de Stinckert op den Heuvel, 13 lopense groot, met een waarde van ongeveer 1500 gulden. En verder heeft Pieter een tros getuigen aan zijn broek, om te beginnen Liesbeth Cornelissen, 54 jaar, die in haar levensonderhoud voorziet met eikes verkopen.

De schepenen: ‘Ken je Maria Jan Vrijnssen?’
Liesbeth: ‘Ja, die woont in het huis van Joost Bouwmans, bij haar moeder, achter in een kamerke.’
De schepenen: ‘Weet je iets van de zwangerschap van Maria?’
Liesbeth: ‘Ik heb horen zeggen dat Maria omtrent Kerstmis te Antwerpen een kind heeft gebaard. En ook dat Pieter van der Putten de vader zou zijn. Enige dagen nadat Maria uit Antwerpen thuis was gekomen heb ik aan Maria gevraagd of ze hier zou blijven. Dat wist ze nog niet. Toen ik een keer met Maria naar Handel liep, is rentmeester Van der Putten omtrent de houten molen bij ons komen lopen, tot aan het huis van Claas Hoevenaars. Wat er toen tussen de rentmeester en Maria is besproken? Dat weet ik niet.’
Maria Arts, 25 jaar, jongedochter, wonende bij haar ouders, kent Maria Jan Vrijnssen óók: ‘Er wordt onder het volk veel gepraat, ik ken de verhalen van baren in Antwerpen en dat de vader Pieter van der Putten zou zijn. Ik heb met Pasen laatstleden de rentmeester met Maria gezien; ze stonden op straat met elkaar te praten. Ook heb ik gehoord dat die twee elkaar ontmoetten ten huize van Gerart van der Putten, en dat er een plan is geweest om Maria mee naar Venraij te nemen.’
Maria Peter Bouwmans, 36 jaar, noemt ook al die feiten dan wel geruchten op, en weet nog méér:’Pieter van der Putten heeft met Maria achter het huis van Barthel de Witt gestaan, dat was omtrent Pinksteren. De dochter van Diris Heijlblommers passeerde daar en de rentmeester dreigde het meiske met een stok te slaan en riep tegen haar: “Wat komt gij hier doen?” Verder gaat het gerucht dat Maria wederom bezwangerd is. Daarom is Van der Putten van plan geweest Maria mee te nemen naar Venraij.’
Joris Arts, 22 jaar, vertelt dat voordat hij ging getuigen, de rentmeester aan hem vroeg ‘dat hij swijgen soude’. Dat doet hij dus niet, ook hij kent de verhalen rond Maria Jan Vrijnssen en Pieter van der Putten: ‘Ik ben de voerman geweest, ik mende de paarden voor de kar waarmee naar Venraij zou worden gegaan, maar Maria is niet meegevaren. Pieter van der Putten heeft toen overlegd met de pastoor, waarop ze terug naar het dorp zijn gegaan.’
Oordelen wij over Pieter van der Putten op grond van zijn hoge positie? Zijn wij niet allen rentmeesters? Niet van de commandeur, maar van onze tijd en talenten, van onze kennis en kunde, van ons doen en laten? Laten we eindigen met de vaststelling dat Pieter iets van de feestdagen máákte: hij zag zijn Maria met Pasen én met Pinksteren.
1725 Geboortecijfers
Op 11 september 1725 zijn Jan Hendrik Janssen en Johanna Maria getrouwd en de vrouw is op 12 februari 1726 in de kraam gekomen.
‘Ja, dat is dan vijftig Carolusguldens.’
‘Zoveel geld? Waarvoor?’
‘Voor het ontijdelijk te saemen als man en vrouw huishouden.’
Seks voor het huwelijk was in Gemert verboden, want er werden veel dochters en jonge weduwen beslapen en bezwangerd door degene met wie zij dan later pas trouwden. Vaak werd dat, even los van de lust en de passie, heel bewust gedaan, bedoeld als dwangmiddel naar de ouders toe.
‘Wat, mogen wij niet met elkander trouwen?’
‘Dan zullen we eens even samen gaan huishouden!’
Wat jammer dat de schout vervolgens ook een rekenmeester bleek te zijn!
1754 Een hondenbeet
Als vorster doe je trouw wat je wordt opgedragen. Jacob Emmerik, die dit verantwoordelijk ambt halverwege de 18e eeuw met inzet en veldwachtersdoorzettingsvermogen in Gemert bekleedde, kreeg van de drossaard de opdracht zich naar Handel en Strijbos te begeven, om daar bij de huizen aan te kloppen en te vragen of er nog vreemde bedelaars of andere verdachte personen te vinden waren.
Bij het huis van Wouter van Mensel ‘op’ Handel stond de vorster zodoende in de achterdeur te praten met de zuster van Wouter, toen hij door diens hond – dat móét een vals kreng geweest zijn – werd gebeten. Het gebeurde op 13 maart (een vrijdag?) 1754, en vorster Jacob heeft veel pijn gehad en kon een poos zijn arbeid niet volbrengen gelijk in andere tijden. De ernst van de verwondingen wordt onderstreept door de mededeling dat de vorster maar liefst drieëndertig pleisters van 5 stuivers ’t stuk heeft moeten gebruiken, maar hij is Godlof wel genezen. Prima pleisters!
Op 4 september, een half jaar later dus, zou Jacob wéér naar Handel, naar Wouter van Mensel moeten gaan, om deze aan te manen het chirurgijnloon, de pijn, de smart en het verlet te vergoeden. Maar om begrijpelijke, preventieve redenen (geschiedenis heeft de neiging zich te herhalen) heeft Jacob de ondervorster, Jan Korsten gestuurd…
Bekijk PDFGH-2010-04 Gemert verklaard (2)
Jacques van der Velden
Recent onderzoek heeft geleid tot nieuwe inzichten in de historische ontwikkeling van het landschap van de Kempen. Vooral het oorkondenonderzoek daarin is interessant, omdat het informatie verschaft over de begroeiing van vóór 1300. Hiermee is beter te begrijpen hoe Gemert er uit moet hebben gezien toen haar naam voor het eerst opdook in de annalen. Alhoewel lang niet alle vragen zijn opgelost, lijkt het me toch zinvol om te bekijken wat dit voor de verklaring van ‘Gemert’ kan betekenen. De beste verklaring zal op den duur toch winnen.
In mijn vorige artikel Gemert verklaard heb ik gesteld dat Gemert in goed verstaanbaar Nederlands de moeren of het moeras betekent, daarbij verwijzend naar de moerassige wijstgebieden. Gemert werd daarin gezien als een samenstelling van ge-, -mer- en -t, met als betekenis ge- ‘gene’, mer ‘moer, moeras’ en -t verzamelachtervoegsel. Met de nieuwe inzichten van het onderzoek kom ik uit bij de samenstelling en betekenis ge- ‘gene’ en -mert ‘mirt, gagel’. Gemert betekent dan ‘de plaats waar veel gagel of mirt groeit’.
Gemert kan gezien worden als een samenstelling van gene en merde, gebaseerd op de oudste schrijfwijze Gemerde [1172]. Het bepaald lidwoord gene is de vorige keer uitgebreid behandeld. Alleen van het tweede deel merde wil ik nu de betekenis op basis van de nieuwe inzichten doorgronden. Merde vergelijk ik daarbij met mierde, omdat oudere schrijfwijzen sterk op elkaar lijken en omdat er landschappelijke overeenkomsten zijn. Bovendien krijgt mierde meestal de betekenis moeras, maar nu ook de betekenis mirt toegeschreven.
De landschapsvorm wijstgronden wordt uitgebreid behandeld op de site Geologie van Nederland. Wijst is het merkwaardige verschijnsel van hoger gelegen natte gronden, tengevolge van slechte ontwatering, veroorzaakt door ondoorlaatbare breuken in de ondergrond. Het heeft als kenmerk, moerassige gebieden door opgestuwd grondwater [kwelwater] aan de hoge kant van de breuk en zeer droge gronden [klapzand] in de relatief lage gebieden aan de andere kant van de breuk. In het natste gebied, waar veel ijzerhoudend kwelwater aan de oppervlakte komt, kan zich ook veen vormen. Veen bestaat vooral uit afgestorven veenmos, dat op voedselarme plaatsen groeit. Gemert is aan de Peelrandbreuk gelegen. De Midden-Brabantse dekzandrug ten westen hiervan reikt bijna tot aan deze breuk en vormt een barrière voor de Aa die daardoor gedwongen wordt om zoveel mogelijk richting Peelrandbreuk op te schuiven. Deze nauwe doorgang veroorzaakt daardoor een overstrominggebied tussen de Aa en de breuk.
De tekening uit de wateratlas van Noord-Brabant laat zien dat de verschillende wijstgebieden in elkaars verlengde liggen. De grootste gebieden liggen direct langs de Peelrandbreuk en de kleinere langs een paar zijbreuken ook wel storingen genoemd, zoals de Storing van Handel.. Recent onderzoek heeft
geresulteerd in de herontdekking van de Storing van Zeeland. Deze breuk loopt langs de Geneneindsche Velden en vervolgt zijn weg dwars door Gemerts grondgebied richting Zeeland. Gemert is aardkundig dus te kenmerken als een breukengebied.
Er zijn diverse toponiemen in Gemert die verwijzen naar bomen, zoals Els, Beuk, Esp etc., maar de vraag is of er vóór 1172 hier wel bossen waren die hoofdzakelijk uit bepaalde bomen bestonden.
Onderzoek naar het landschap van de Kempense wildernis aan de hand van ruim 2000 oorkondeteksten heeft uitgewezen dat vóór 1300 de plantengroei op woeste gronden of wildernis, werd aangeduid met de Latijnse woorden Mirica en Thimus, woorden die naar Gagel en Tijm verwijzen. Verder werden woorden aangetroffen voor: Eikenbos, Hout (bos van opgaande bomen; Boekend?), Goor (moerassig gebied), Kromven, Laar (open plek in bos?), Moer (veen) en de vermelding van losse bomen. De conclusie was dat we uit moeten gaan van een zeer gevarieerd landschap met gras, struiken en bomen, in een vochtig tot nat parklandschap. Dus nauwelijks aaneengesloten begroeiing. Tijm groeit op droge, zure zandgronden, maar Mirica op voedselarme venige plekken, niet zelden rond heidevennen. Omdat we in Gemert met voedselarme natte venige wijstgronden te maken hebben, is Mirica de meest waarschijnlijke plantengroei van de twee. Omdat hij ook op plekken groeit die ’s winters onder water staan en zomers droogvallen, komt gagel ook in overstromingsgebieden voor. Blijkbaar gingen zulke namen van planten fungeren als aanduiding voor een heel gebied. Dit kan gebeuren omdat een plant een belangrijke rol speelt, erg opvalt of ter plaatse veel voorkomt. De takken zijn opvallend rood van kleur en de rol die het had in de bereiding van gagelbier destijds kan ook haar populariteit verklaren. Waarschijnlijk heeft Gemert vanwege haar kenmerk breuken- en overstromingsgebied opmerkelijk veel gagel gehad. Hier kan dan de verbinding liggen tussen de moerassige wijstgebieden en de naam Gemert.
Huidige landschap.
Met de bevolkingstoename van na het jaar 1000 ontstond er behoefte aan meer voedsel. Vanaf de 10e eeuw werd vanuit de oudere nederzettingen begonnen met het ontginnen van de woeste gronden. Vóór deze tijd vonden ontginningen slechts plaats op beperkte schaal en vooral om uitgeputte gronden te vervangen. In deze tijd ontstonden dan ook vele gehuchten en dorpen. De periode daarna, tussen de 11e en 13e eeuw, wordt wel aangeduid met de tijd van de grote ontginningen en verbeterde landbouwmethoden. Meer landbouwgrond werd gewonnen op de bossen, de woestenij, de heide en het moeras.
Ook van Gemert weten we dat in het verleden diverse waterlopen en moerassen op de schop zijn gegaan, want namen zoals Walgraaf, Heggraaf en Doregraaf duiden op het graven van waterlopen. Onlangs ontdekte men op grond van waarnemingen dat de visvijver De Dribbelei in het verleden een veel grotere plas moet geweest zijn. Daarom ga ik er van uit dat de wijstgronden oorspronkelijk ook veel groter waren. Dat dit samenhangt met die veranderingen in de waterhuishouding lijkt mij duidelijk. Deze ontginningen zorgden voor een snellere afvoer van het regen- grond- en kwelwater door aanleg, kanalisering en normalisering van waterlopen. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een algehele verdroging waardoor gagel nu een zeldzame plant is geworden en daarom op de rode lijst terecht is gekomen. Intensieve bemesting zal hierbij ook een rol gespeeld hebben.
Gagel.
Een zeer sterk riekende heester, die voor komt in gebieden met een zeeklimaat. Gagel is een inheemse struik van
lichtzure en vochtige grond en wordt 1-2 m. hoog. Het is te vinden op de flanken van beekjes, vennen, moerassen en donken [Gageldonc, 13e eeuw]. Een overgangsplant tussen heidevelden en beekdalen, tussen heidevelden en hoogveen en langs venoevers, liefst met één been in het water. Naar mijn mening zal het zich ook thuis voelen op moerassige wijstgronden, waar voedselarm kwelwater aan de oppervlakte komt. Het groeit dus zeker niet uitsluitend in breukgebieden.
Zo is de Gagelweg in Handel genoemd naar deze ter plaatse veel voorkomende heester. Hier ligt ook de Handel-Oost storing in de ondergrond. Is dit toeval? Gezien de biotoop van Gagel, moeten er nog meer gebieden met deze kenmerken aan te wijzen zijn. Kwel is grondwater dat door toestroming naar lagere gebieden in het landschap aan de oppervlakte komt. Op zulke plaatsen kan zich ook ijzeroer vormen. De zuurtegraad en opgeloste mineralen in dit water bepalen verder welke flora zich daarop kan ontwikkelen. In het geval van beukranden waar het grondwater uit veengebieden zoals de Peel [infiltratiegebied] wordt afgevoerd dragen het kenmerk van voedselarm water [kwelwater]. In Brabant bevinden dit soort gebieden zich op de flanken van de Peelhorst en aan de westzijde van de Centrale Slenk, waar zich ook een peelgebied heeft gevormd. Het toponiem De Peel gelegen dicht bij De Moeren aan de grens met België ten zuiden van Reusel-De Mierden getuigt hiervan. Gemert en Hoge- en Lage Mierden kunnen daarom mogelijk met elkaar in verband gebracht worden.
Mierde.
Volgens sommigen komt miert van het Latijnse woord myrtus ‘mirte, gagel’. Er bestaat een Bijbels geïnspireerd verband tussen buxus als vervanger van de palm en gagel (myrthe-mirt) als vervanger van de eveneens sterk geurende struik myrrhe. Een bron uit 1287 zegt mirtus etewi dat gaghel ‘mirtus noemen wij gagel’. De Zweedse natuuronderzoeker Carl Linnaeus [1707-1787] heeft de inheemse mirt of gagel de naam Myrica gale L. gegeven. Bij Hoge- en Lage Mierden lopen ook diverse breuken. De Hoge Mierde breuk (Rauwbreuk) en de Reusel breuk. Ze lopen evenwijdig aan de Peelrandbreuk en zijn naar het oosten aflopend. Ze omlijsten de centrale slenk, zoals de Peelrandbreuk bij Gemert dat doet in het oosten. Je zou kunnen spreken van een spiegelbeeld situatie en is daarom perfect vergelijkingsmateriaal. In de buurt van de Hooge Mierdseweg komt ook het toponiem ‘De Gagel’ voor.
Samen met de conclusies van het onderzoek (Het landschap van de Kempense wildernis) ben ik geneigd om miert als ‘gagel, mirt’ te zien. Helaas is het toponiem mierde ‘plaats met veel gagel’ in de omgeving van Gemert niet bekend of het zou Gemert zelf moeten zijn. Ik denk daarbij aan de mogelijkheid van ‘gene mierde’ of ‘gene meerde’.
Hypothese ‘gene mierde’.
In mijn vorige artikel heb ik gesteld, dat het denkbaar is dat mert van mart, mert, miert of mort komt. Alleen Mierde is bij mijn weten de enige plaatsnaam buiten Gemert die in dit rijtje past en voldoende overeenkomsten heeft met Gemert, dus kies ik voor miert. In het Limburgs dialect wordt de Nederlandse ie dikwijls uitgesproken als ee, zoals bij: niet > neet, bediend > bedeend en alstublieft > ezzebleef. Dit verschijnsel doet zich ook voor bij familienamen, zoals: Peter van Meerde=van Mierde=van Merde [Herentals 1296], en van Miert; van der Mierde(n), van (der) Meert, Vermier(d)t die naar de plaatsnaam Mierde [NB] verwijzen. Hieruit concludeer ik dat mierde en merde dezelfde oorsprong kunnen hebben.
Een plaats waar veel Gagel of Mirt groeit.
Het grondgebied van Gemert vormde door zijn moerassige wijstgronden en overstromingsgebieden langs de Peelrandbreuk een uitstekende voedingsbodem voor gagel of mirt. Ik verwacht dat het hierop gevormde veen alleen geschikt was voor kleinverbruik. Het ijzeroer uit de ijzeroerbanken werd in funderingen van huizen verwerkt en zelfs geëxporteerd naar Pruisen.
Ook gagel werd verhandeld, in de Kempen werd het daarom Kempisch Goud genoemd.
Andere namen voor de heester Gagel of Mirtedoorn zijn onder andere: Brabantse mirt, Mirt, Mirtetakken, Luiskruid, Mottekruid, Vlooiekruid, Vlooiehout en Wilde wilg. In de Peel en andere delen van Brabant komt het dialectwoord mirt ‘gagel’ voor. Er was in de Middeleeuwen zoveel gagel in Brabant dat het werd geëxporteerd. Enkele buitenlandse benamingen voor de Brabantse mirt zijn: Brabander Myrte [Duits]; Samouco-do-brabante [Portugees] en Mirto de Brabante [Spaans]. Het was een belangrijk kruid dat in gruit of grut verwerkt werd om bier op smaak te brengen. Bovendien is het een goed conserveringsmiddel. Pas vanaf de 13e eeuw werd hiervoor ook hop gebruikt. Uit de naamgeving blijkt dat het ook gebruikt werd tegen ongedierte. Er werd namelijk gagel in het bedstro gestopt om de vlooien te verjagen. De woeste gebieden of wildernis waar de gagel groeide was in het bezit van de Landheer. Hij bezat dan ook het gruitrecht dat fungeerde als een soort van belasting of (ac)cijns. Zo had Dirck van Ghemert ook een aandeel in de gruit van Ghemert.
9-7-1383
Dirck van Ghemert heeft opgedragen aan Gooswijn Henrick Gooswijn Steenwech een cijns van 40
schellingen en een cijnshoen welke Tielken van Ghemert hem betalen moet uit huis en hof etc waarin
Tielken woont in Ghemert; en zijn deel in de gruit van Ghemert en zijn gemeint in Ghemert
Conclusie.
De naam Gemert heeft zich mogelijk ontwikkeld zoals De Mierden uit Myrtha [ca. 1200] of Mirde [1201] waaraan het bepaald lidwoord gene zich heeft vastgehecht, zoals bij Geenhoven. Aangezien waarschijnlijk in deze streek de ee voor ie is gegaan zoals in het Limburgs dialect kunnen we bovendien uitgaan van Meerde in plaats van Mierde. Gemert is dus mogelijk ontwikkeld uit de gereconstrueerde vorm *geenmeerde. De n is daaruit verdwenen zoals dat in Onland > Olland en Onstade > Ostade is gebeurd. De oudste schrijfwijze werd daardoor Gemerde. Dit werd zoals we weten op den duur Gemert, de naam van het grondgebied, waar de moeren, het moeras of moerassige wijstgronden aan de Peelrandbreuk eertijds waren gelegen. De herkomst en oorspronkelijke betekenis is dan ‘de plaats waar veel gagel of mirt groeit’ zoals dat op woeste gronden in Brabant toentertijd veel voorkwam. Deze heesternaam is gaan fungeren als aanduiding voor het grondgebied Gemert.
Afkortingen en geraadpleegde bronnen (boeken en internet):
> ‘is geworden tot’; * ‘gereconstrueerde vorm’.
Etymologisch woordenboek van het Nederlands, onder hoofdredactie van dr. Marlies Philippa met dr. Frans Debrabandere en dr. Arend Quak, 2004, Amsterdam University Press. Lemma: gagel.
Middelnederlandsch handwoordenboek bewerkt door J. Verdam, 1981, Martinus Nijhoff. Lemma: gagel.
Van d’n Aabeemd tot de Zwijnsput, Toponiemen in de cijnskring Helmond vóór 1500 in naamkundig en nederzettingshistorisch perspectief, 1996, Henk Beijers en Geert-Jan van Bussel. Lemma: gagel, graaf, meer.
Woordenboek van de Brabantse dialecten, Deel III, Sectie 4: De wereld tegenover de mens, Aflevering 3, Flora, Dr. J.Swanenberg m.m.v. dr. H. Brok. Hoofdstuk Gagel. 2002.
Prof. Dr. Otto Wilhelm Thomé Flora von Deutschland, Österreich und der Schweiz 1885, Gera, Germany
Noordbrabantse plaatsnamen, Valkenswaard, H.E.M. Mélotte en J. Molemans, 1979. Lemma: Geenhoven.
Woordenboek van de familienamen in België en Noord-Frankrijk, door dr. Frans Debrabandere, 2003.
Gemerts Heem Jrg. 45, 2003, nr. 3, p.23, Jan Timmers, Cultuurhistorische aspecten van wijstgronden.
Gemerts Heem Jrg. 50, 2008, nr. 1, p.10, Jan Timmers, De Rips en de Beek, Hist. watermanagement in het dorp
Gemerts Heem Jrg. 52, 2010, nr. 2, p.5, Jacques van der Velden, Gemert verklaard.
Gemerts Heem Jrg. 52, 2010, nr. 2, p.19, Harry Slits, Gemerts ijzererts naar Pruisen.
http://www.allesoverstraatnamen.nl/ Gagelweg, Gemert A-J.
http://users.bart.nl/~leenders/txt/wolvenput.pdf Het landschap van de Kempische wildernis. Dr. K.Leenders.
http://www.kijkverdriet.be/Myrthe/ Gagel in Kempense Toponiemen, M.van Mierlo.
http://www.natuurinformatie.nl/ Gagel, EcoMare.
http://www.biopix.com/ Afbeelding: Bog Myrtle. Plaats: Store Øksø, Rold Skov
http://nl.wikipedia.org/wiki/Wilde_gagel Wilde Gagel.
http://nl.wikipedia.org/wiki/Wijstgronden Wijstgronden, Wijst.
http://nl.wikipedia.org/wiki/Peelrandbreuk Peelrandbreuk, Overzicht hoofdbreuken.
http://nl.wikipedia.org/wiki/Stippelberg Klapzand
http://www.scapreel.nl Veel gestelde vragen over de Middeleeuwen. Dranken bier, gagel, gruit.
http://dialect.ruhosting.nl/wbd Woordenboek van de Brabantse Dialecten.
www.reuseldemierden.nl/ Gemeente Reusel-De Mierden
http://brabant.esrinl.com/wateratlas/ Wateratlas Noord-Brabant. Overstromingsgebieden, Wijstgebieden.
http://www.geologievannederland.nl/landschap/landschapsvormen/wijstgronden Landschapsvorm wijstgronden.
http://www.wulfila.be/tw/query/?prv=35 Myrtha en Myrta – Abdij van Averbode. Mirde – Abdij van Postel.
http://www.museumasten.nl/ In de museumtuin zijn twee gagelstruiken te bewonderen.
GH-2010-04 Middeleeuws kruisbeeld met eksteroog
Ad Otten
Het in het voorjaar 2010 geopende spiksplinternieuwe Ruijschenbergh kreeg meteen ook een aantal relikten mee uit haar voorgeschiedenis. Zo kreeg het antieke stenen beeld van de Heilige Elisabeth, patrones van de armen en behoeftigen, een prominente plaats in de moderne entree. Elisabeth is afkomstig uit de topgevelnis van de in 1974 gesloopte Gasthuiskapel aan de Nieuwstraat. Behalve dit uit 1908 daterende beeld werd in Ruijschenbergh in de nieuw ingerichte ‘stiltekamer’ een eikenhouten Christus aan het kruis opgehangen. En daaraan is tot dusver in de Gemertse annalen eigenlijk nog nooit aandacht geschonken, terwijl we hier – te oordelen naar de stijlkenmerken – naar alle waarschijnlijkheid van doen hebben met een aantal honderd jaren ouder beeld dan dat van Elisabeth. Ook deze crucifix is afkomstig uit het oude gasthuis aan de Nieuwstraat. In 1874 of heel kort daarna, moet het in processie vanuit klooster Nazareth door de zusters Franciscanessen naar het Gasthuis zijn gedragen toen de zusters onder supervisie van het RK Parochieel Armbestuur daar de zorg voor de Gemertse bejaarden op zich namen. Het kruisbeeld kwam te hangen in de mannenzaal en is daar gebleven tot het gasthuis eind 1970 werd verruild voor Bejaardenhuis Ruijschenbergh aan de Kapelaanstraat.
Ad Marinus die in de loop van 1970 al aantrad als directeur van Ruijschenbergh ziet het er zo nog hangen. Je keek er recht op wanneer je de mannenzaal binnekwam. “En,” zo vertelde Ad, “de mènnekes zaoten op allemol verskillende stuujl op ’n rij langs de muur èn ze keeke allemol nèt zo zieleg as de Christus die ‘r booven hing.” Uit ’n gesprek tussen twee van die ‘mènnekes’ is hem altijd de vermaning bijgebleven: “Ge moet nie zo klaoge. Kiek daor mar ‘ns!” waarbij nadrukkelijk gewezen werd op de zichtbaar lijdende Christus aan het kruis, boven aan de muur. Ad nam het beeld eind 1970 mee naar de Kapelaanstraat en liet het tot ieders instemming – behalve die van architect Reuser – ophangen op een verder lege muur in de kapel van het nieuwe Ruijschenbergh. Voor iedereen meteen in het zicht bij het binnenkomen van de kapel. De architect wilde helemaal niets aan de muur. Schoon metselwerk was hem genoeg.
Van de zusters vernam Ad Marinus dat het beeld afkomstig was uit de vroegere vestiging van de zusters te Weert en dat het via het (moeder)klooster van Oirschot naar Gemert was gekomen. Uit deze mondeling overgeleverde voorgeschiedenis kunnen we concluderen dat het beeld tenminste uit de zeventiende eeuw moet dateren. Maar wanneer je in beeldenboeken zoekt naar vergelijkingsmateriaal dan krijg je al gauw de indruk dat de crucifix misschien nog wel twee eeuwen ouder is. Het is in elk geval een beeld dat de aandacht waard is.
In de loop van de tijd is het verschillende keren ‘verstukt’, de armen zijn het meest duidelijk uit een veel jongere tijd en zijn zeer zeker ook niet door een groot kunstenaar gemaakt maar dat is zeker wel het geval met het indrukwekkende lijdende hoofd, de borstkas en de benen van Christus. Die zijn oud en authentiek en op één der voeten meen ik zowaar een eksteroog te zien verbeeld… Mijn eerste indruk is dat we van doen hebben met een middeleeuws kruisbeeld en ik ben daarmee op pad gegaan naar een bevestiging van dat idee.
Toon Grassens verontschuldigt zich dat hij geen echte kunsthistoricus is, en dat ik eigenlijk niet bij hem moet zijn, maar hij is wel van jongsaf in antieke beelden en stijlen geïnteresseerd. Toon is ook meteen onder de indruk bij het zien van de crucifix: “Ja, heel skon beeld. Skonne kop. Boerengothiek noem ik het.” Hij maakt er foto’s van en neemt het beeld de maat. Hoogte: 76 cm van kruin tot voet en 75 cm is de spanwijdte van de armen. Wijzend op die armen: “de restaurateur die die armen gemaakt heeft, en dat daar (een stijf stuk lendendoek – ao), is maar een prutser in
vergelijking met de oorspronkelijke beeldsnijder. Kijk eens naar die vingers. Het lijken wel frikadellen!” De
krimpscheur in het hoofd is naar het idee van Toon echter goed opgevuld. Hij wijst ook op uithollingen in de schouders om (verdere) inrotting tegen te gaan. Restauratie(s) die lang voor de tijd van Ad Marinus moeten hebben plaatsgevonden. En er hebben wellicht ook verschillende restaurateurs aan gewerkt . “Eerder primitief Nederrijnse gothiek, dan Vlaamse,” denkt Toon en als verantwoording geeft hij daarbij: “anatomisch klopt ’t allemaal niet zo, maar dat heeft te maken met de stijl van toen. In de late middeleeuwen werd realistisch gewerkt naar louter optische waarneming. Pas in de renaissance werd alles anatomisch perfect. Met als grote meesters Michelangelo (Italië), Riemenschneider (Zuid-Duitsland), en in onze streken Heinrich Douvermann werkzaam in het Nederrijnse (Kalkar en Kleef). De grof gesneden boerengothiek is echter ouder.”
Toon wijst nog op een ontbrekende houtscherf op het dijbeen, en op de afgebroken doornen van de doornenkroon waardoor die meer weg heeft van een heraldische wrong dan van een doornenkroon.
En dan kan ik het niet laten om te vragen: “Toon wat vindt jij van dat eksteroog op Christus z’ne voet?” Toon lacht en helpt me meteen uit de droom: “De halve rechtervoet is later aangebracht en jouw eksteroog is niks anders dan een eikenhouten pinnetje dat die halve voet verankert aan het oorspronkelijke beeld!” Hij wijst vervolgens op de grote teen van de linkervoet. “Kijk! Ook vervangen!”
Kunsthistorica Marloes van de Hei is het in grote lijnen eens met de bevindingen van Toon Grassens. Het relatief grof gesneden beeld met het krullende en golvende haar acht zij typisch 15de eeuws. Louter afgaand op de benen van Christus zou zij echter geneigd zijn die vroeg 16de eeuws te dateren, maar de uitgemergelde ribbenkast brengt haar weer een eeuw terug, naar de tijd van de zogeheten ‘moderne devotie’, toen men het lijden van Christus zo uit wilde beelden dat je zelf mee kon lijden….
Met dit artikel en de prachtige foto’s van Toon Grassens willen we meer mensen (en deskundigen) interesseren voor de crucifix in de stiltekamer van Ruijschenbergh. Het beeld heeft al veel meegemaakt.
met dank aan Ad Marinus, Toon Grassens en Marloes van de Hei.


