GH-2008-04 Dopen in de Rips
Ad Otten
Dopen in de Jordaan is bekend maar wist u dat studenten van de Latijnse School in Gemert, bij wijze van ontgroening, ook werden gedoopt in De Rips. In een album van het
in het gemeentearchief in bewaring gegeven ‘archief van de Latijnse School’ vonden we daarvan een fotoreportage. In optocht en begeleid door een tamboer trokken de ouderejaars met de nog ongedoopten door de Ruijschenberghstraat en De Haag. Even Jas d’n Boter voorbij was de doopplechtigheid. Één van de foto’s laat zien dat je van die doop niet alleen nat werd maar dat je hoofd
van die ontgroening ook echt een andere kleur kreeg. Roestbruin!
Bekijk PDF
GH-2008-04 Sprinkhaonen en aander bisjes
Wim Vos
Tijdens de correctie van het onderdeel ‘woordenschat’ in het 11e Grooët Gímmers Dikteej 2008 in het Boerenbondsmuseum ontstond enige discussie over de betekenis van het Gímmerse hojwipper. De deelnemers konden kiezen uit de volgende bete¬kenissen: a. langpootmug, b. vrijer, c. sprinkhaan. ‘Vrij¬er’ (met een knipoog naar de sexy betekenis van het Neder¬land¬se ‘wip¬pen’) viel natuurlijk af, maar was het nu ‘langpoot¬mug’ of ‘sprinkhaan’?
Ik heb wat research verricht en ben tot de conclusie gekomen dat sommigen misschien de hojwaoge (een soort spin) verwarr¬en met de hojwipper (een sprinkhaan), ook omdat in Boekel een hooiwipper een hooiwagen kan zijn.
hojwaoge
m ev/mv -s: hooiwagen, spin met een klein eivormig li¬chaam, rug bruin, buik licht, heeft vier paar heel lange en dunne poten, waardoor het dier zich enkele centimeters boven het oppervlak kan verheffen; overdag verborgen, gaat ’s avonds op roof uit; als de hojwaoge wordt aange¬vallen, laten de poten gemakkelijk los; alge-mene soorten: Phalangium opilio en Opilio parietinus.
hojwipper
m ev/mv -s: veldsprinkhaan of wekkertje (Omocestus
viri¬dulus), kleine groene of bruine insecten, kunnen hoog op springen, zeer alge¬meen in Brabant, 14-24 mm, in hooi en droog gras¬land, de manne¬tjes sjilpen op warme dagen door met hun poten over de vleugels te strijken; het wijfje legt door een legboor eitjes in de bodem; de veldsprink¬haan kan niet vlie¬gen.
sprinkhaon
m ev/mv -e grote groene sabelsprinkhaan (Tettigonia
viri¬dissi¬ma), hele¬maal groen met een bruine streep op kop en borststuk, tot 40-55 mm, algemeen in Brabant, kan ook vliegen.
wátterspeen
m ev/mv -s: langpootmug (Tipulidae), familie van muggen met zeer lange, broze poten, wat onhandig vliegend, niet lastig, middelgroot insect; een bekende soort, Tipula oleracea, de koollangpootmug, wordt 23 mm lang; de lar¬ven, emelten (ímmelte) zijn schadelijk want zij vreten aan de wortels van cultuurplanten.
LITERATUUR:
1.Voor hojwaoge’ zie: Woordenboek van de Brabantse Dialec¬ten (hierna WBD), Deel III, sectie 4, afl.2 Overige Dieren, ed. dr. J. Swanenberg, p.246,247. Voor Boekel noemt Swanenberg overigens twee woorden: ‘hooikar’ en ‘hooiwipper’; in Gemert is die laatste dus een soort sprinkhaan, in Boekel ook een hooiwagen, een soort spin, althans volgens één zegsman, maar de Boekelse variant ‘hooikar’ geeft te denken. Geen wonder echter dat er in Gemert verwar¬ring bestaat over de juiste betekenis:rela¬ties tussen Gemert en Boekel zi¬jn altijd inten¬sief geweest(bv. door huwe¬lij¬ken).
2. Ms. Enquête Willems 1885, ingevuld door Gerlacus van den Elsen O.Praem; hij geeft voor sprinkhaan: hojwipper; deze enquête is onze oudste bron voor het Gímmers.
3. Voor hojwipper en sprinkhaon, zie WBD, III,4,afl.2, p. 219, 22¬0; Swanenberg noteert hojwi¬pper voor Lies¬¬hout, Gemert en Stiphout. Swanenberg plaatst de namen voor de twee genoemde spri¬nkhaansoorten in één lemma en laat dus in het midden voor welke soort al de op¬ge¬somde Brabantse dialect benamingen voor het beestje bedoeld zijn.
4. Ook Mw. Jo van den Elzen van De Bloemerd kende hojwip¬per voor
sprinkhaan.
5.Martien van der Wijst in een brief, d.d. 29-04-2008; n¬.¬a¬.v. de vertaling van het woord ‘sprink¬haan’ in het Gímmers in zijn verta¬ling van het Bijbelboek Prediker, schrijft dat hij voor de Bijbelse sprinkhanen de voorkeur geeft aan het Gímmerse sprinkhaon, omdat volgens hem de de sprinkhaon de grote groene variant is, die ook beter geschikt zou zijn om op te eten (zoals in de Bijbel vermeld wordt. Volgens hem is de hojwipper “dat kleine beestje in gras en hooi”. Voor mij is dit de aanleiding om de kleine (niet-vliegende) en de grote (vliegende) soort op te nemen in twee lemmata, resp. hojwipper en sprinkha¬on, temeer omdat ik het woord sprinkhaon al veel eerder had gesignaleerd en ikzelf bij dat woord ook altijd dacht aan de grote, groene variant.
6.Zie ook: Michael Chinery: Insecten, Uitgeverij Het Spec¬trum B.V., Utrecht, 2005; p.44, s.v. wekkertje; p.58, s.v. grote groene sabelsprinkhaan met kleurenfoto’s van de twee varianten.
7.Voor wátterspeen, zie WBD III,4,afl.2, p. 152, 153, s.v. langpootmug, voor Gemert ‘waterspin’ (niet fonetisch gedocumenteerd) en p.188, s.v. emelt, larve van de lang¬pootmug.
Bekijk PDFGH-2008-04 Eerste jaren buurtvereniging Noord-West
Martien van der Wijst
Vóór 1958 werd er, elke keer als er een bruiloft, priesterfeest of andere activiteit in de buurt was, een feestcomité gevormd en een collecte langs de deur gehouden. In 1958 kwam Toon de Wit met het idee van een vast comité daarvoor te kiezen als bestuur van een buurtvereniging.
Op zaterdagmiddag 12 april 1958 kwam ik met de fiets thuis van een familiebezoek (ik werkte toen in Den Bosch en ik was 24 jaar) en mijn moeder zei, dat er een briefje was binnengegooid met de mededeling, dat er een vergadering voor de bewoners van de buurt was in één van de lokalen van Raymakers’fabriek en of ik daar even heen wilde gaan om te “kiejke wa ze dor weete”. Ik had weinig zin en het had twee dagen tevoren nog flink gesneeuwd ook, maar ik ging, gehoorzaam als ik was, toch.
Toon zette de plannen uiteen en stelde voor, dat we verkiezingen zouden houden onder iedereen die aanwezig was voor vijf bestuursleden. Dat gebeurde en gekozen werden: Toon de Wit, Driek van den Broek, Wim Huybers, meester Hunnekens en ik. Toon bood aan penningmeester te worden, de contributie overal op te halen en het meeste werk te doen. Toen moest er een voorzitter gekozen worden door de aanwezigen. Dat werd ik met één stem méér, van een man, een zekere Smits, die pas in de buurt was komen wonen en alleen mijn moeder kende en daardoor ook wel vertrouwen in mij had. Wim Huybers werd secretaris.
Zo kwam ik volkomen onverwacht als voorzitter weer bij “ons moeder” thuis.
Op 25 april vergaderde het bestuur bij Hunnekens. Op 30 april vergaderde het bestuur bij Hunnekens. Op 30 april deden we mee aan de optocht voor Koninginnedag met een wagen (die we leenden bij Antoon van den Elsen onder voorwaarden dat we geen spijkers in het hout zouden slaan) met als thema ‘Hans en Grietje’. Peter van Nistelroy was Hans, Pieternel Vos Grietje en Anny Pennings de Heks. Er waren toen ook kinderspelen met knikkerlopen, zaklopen, hardlopen en de was ophangen.
Ik had het wel druk in die tijd met werk en studie en en op 13 mei slaagde ik voor het examen archivaris, maar het buurtcomité zorgde voor de gezellige afwisseling. Op 7 juni was er een ledenvergadering van de buurt en op 22 augustus vergaderden we, volgens mijn agenda, weer. Op 1 september 1955 was De Haag door het Gemeentebestuur gesplitst in de Voorhaag en Achterhaag, wat vooral de bweoners van de Achterhaag niet zinde. Omdat ik in 1958 ook secretaris was van de Heemkundekring konden we die inschakelen om de oude naam De Haag (historisch Die Haghe) weer terug te krijgen, wat lukte.
In 1959 ging ik in Arnhem werken en wonen, maar ik moest voorzitter blijven, omdat ik toch eens in de veertien dagen “thuis” kwam en ze op weekenden bij mijn moeder in huis wel zouden vergaderen. Zo hebben we jaren lang gewerkt met uitstapjes voor de kinderen, buurtspelen, gecostumeerde voetbalwedstrijden en openluchtdansfeesten in De Hoef. Ook de optochten met Koninginnedag en Bevrijdingsdag en we vierden carnaval, waarvoor we speciaal de club “De Aovend-uule” oprichtten, wat overigens hetzelfde comité was, en we deden ook met die optocht mee. Het bleef zo tot 12-12-1964 toen ik trouwde en Toon de Wit zei, dat ze nu wel een andere voorzitter zouden zoeken.
Ik ben erg blij, dat het daarna altijd zo goed is gegaan. Van mijn zwager Ad van Hout, hoorde ik altijd het laatste nieuws en zo leefde ik eerst vanuit Arnhem en na 1973 vanuit Heerlen met plezier altijd een beetje mee.
* Herinneringen op schrift gesteld op verzoek van de 50-jarige Buurtvereniging “Noord-West”.
Bekijk PDFGH-2008-04 De Broekstraat van weleer
Oude tijden keren niet weer
Adriaan van Zeeland & Simon van Wetten
We gaan wandelen. Wandelen door een skon stukske Gimmert en wandelen door de tijd. Ons dubbele startpunt: de eerste helft van de vorige eeuw én de kop van de Heuvel, ons hoofd naar de Broekstraat gericht. Heen kijken we naar links, en als we over een aflevering of drie op Boekent omdraaien, dan kijken we wéér naar links. Zo slaan we geen huizen en zo min mogelijk bewoners over bij het vastleggen van de sfeer aan de rand van Gemert in een tijd dat West- noch Zuid- noch Noord-om ons leven doorsneed. En bepaal bij dat laatste werkwoord zelf maar waar u de klemtoon wilt leggen…
De Zoete Moeder
Je kwam wat anders Gemert binnen, destijds. Gehinderd door rotondes noch files,
hooguit met een twee-of-drie-borrels oponthoud bij “De Drie Ossen”, liep je van de Beekse dijk zomaar de Heuvel op. Deze invalsweg liep aldaar tussen een paar huizen door die naar de normen van moderne welstandscommissies nogal slordig en scheef aan de rand van de straat waren gedrapeerd. Op de hoek van de Heuvel en de Broekstraat leek zich meteen de mogelijkheid voor te doen om middels een bezoek aan café “De Gezelligheid” de Gemertse gastvrijheid in een vroeg stadium te genieten. Léék, want de waardin van dit etablissement droeg net als haar kroeg de bijnaam “De Zoete Moeder”, maar had die strelende omschrijving verworven vanwege een omgekeerde, averechtse reden. Zoals de bekende vooroorlogse dorpsfiguur De Paus zijn hoge titel te danken had aan zijn met vloeken doorspekt taalgebruik, zo had de kasteleinse de reputatie een uiterst bitsig vrouwspersoon te zijn. De klantenkring van de Zoete Moeder paste dan ook hendig op één foto en echt gezellig was het er volgens de buurtbewoners absoluut niet.1 Hoewel, de echtgenoot van de bazin had een goei
piano, was ook de organist en de koster van de kerk, en nam na de kerkkoorrepetities
Ad Maas en de gebroeders Jaspers van twee huizen verderop mee naar zijn café om nog wat verder te zingen. Dan werd het toch nog
gezellig! En er is nog meer goeds te melden: het kinderloze echtpaar had een menneke helemaal uit de stad Den Haag geadopteerd en zorgde daar prima voor.2 Moeders géven melk, maar die van Van de Weijer bráchten juist iedere dag melk naar de Zoete Moeder.3

Boerderij Broekstraat 6 (nu Heuvel 66-68)
Die van Van de Weijer waren de naaste buren van De Zoete Moeder. De boerderij staat er nog, aan dat deel van de Broekstraat dat nu doodloopt op de moderne infrastructuur van Gemert. Toen de wereld nog openlag vormde deze plek de thuishaven voor zeven koeien, een paard en achtenveertig varkens, én het gezin Van de Weijer, dat bestond uit vader en vijf kinderen. Moeder is in 1947 in het kraambed, na de geboorte van haar jongste dochter, gestorven.4
Vóór 1938 was Janus van Zeeland de boer die hier woonde. Hij en zijn vrouw hadden slechts één kind. Het was bij diens geboorte allemaal niet van een leien dakje gegaan, Dries was achterlijk, maar gruwelijk sterk. De hele buurt had toch wel een bietje schrik van deze geweldenaar, die – toen zijn ouders overleden – opgenomen werd in een gesticht in Venraij. Het was deze inrichting waaraan vader Van de Weijer eerst de huur- en later de kooppenningen voor de boerderij betaalde.
Op de bekende 11e mei 1940, de dag dat de Duitsers de Gemertse bevolking gijzelden op het mertveld, lag hier de grens tot waar de arm
van het nieuwe gezag reikte; de mensen die op de kop van de Heuvel woonden werden meegenomen, de Van de Weijers en de Jaspers’ en andere Broekstraatbewoners zagen kans om door de velden richting Milschot te ontkomen.
De oorlog heeft Jan van de Weijer in zekere zin het leven gered! Hij werd geboren in 1943, gedijde tijdens de borstvoeding, maar eenmaal van de moedermelk af, werd hij zieker en zieker. Moeder Van de Weijer gaf de Engelsen de schuld, die verwenden de kinderen met grote hoeveelheden kwatta en “daar kan onze Jan niet tegen.” Jan kwam in het Gasthuis terecht en aan de andere kant van Nederland heerste de Hongerwinter. Een Groningse arts viel het op dat patiënten met de klachten zoals Jan die ook had, daar in het noorden van Nederland tijdens de hongerperiode opbloeiden! Het ongewilde dieet deed hen goed. En zo is de medische wetenschap aangaande glutenintolerantie, ook wel coeliaki genoemd, voor Jan net op tijd in een stroomversnelling gekomen.
Die Engelsen hadden tijdens hun intocht in Gemert in september 1944 de hennenkot van de boerderij ingevorderd. De hennen moesten maar zolang los in d’n hof scharrelen. Zo zijn dus niet alleen de Gemertenaren, maar uitdrukkelijk ook de kippen van de familie Van de Weijer door de Engelsen bevrijd.
Voorbij de boerderij begon de open ruimte van de Broekstraat. Zeker ter linkerzijde was de afstand naar de volgende hoeve groot, zo’n driehonderd meter. Niettemin, als Toon Jaspers tijdens het melken van de koeien in de stal de plumeau van een koeienstaart in z’n gezicht gezwiept kreeg, dan schreeuwde hij die koe zo schrikkelijk hard van alles toe, dat ze bij Van de Weijer wisten dat het melkenstijd was, bij wijze van spreken dan toch.
Wordt vervolgd
NOTEN
1. Zie ook Ad Otten, ‘Wie was ‘De Zoete Moeder’?, in: Gemerts Heem 2006/1, blz. 24 en verder. Ad verbindt de naam van de Zoete Moeder met het keske van De Vlucht naar Egypte in deze buurtschap.
2. Janus van Rooij, koster/organist/kastelein, afkomstig uit Beek en Donk, heeft samen met zijn vrouw Anna Maria (Ant) van den Berk – de Zoete Moeder van toen en Aarlese van geboorte – in 1931 het café betrokken. Daarvóór woonden ze in Weert. Hun pleegzoon heette Frans Evers, geboren in 1918 in ‘s-Gravenhage.
3. Binnenkort wordt De Zoete Moeder herbouwd, op grond van de oude bouwtekeningen! Weliswaar op een paar meter van de oorspronkelijke plaats (er staat nu een bushokje in de weg), daar waar een fietscarrousel een paar jaar de term “De techniek staat voor niets” stond te ontkrachten.
4. Vader Antonius van de Weijer (1902-1981) was afkomstig uit Milheeze. Moeder heette Petronella Cornelissen.
GH-2008-04 Senang in Gemert: Integratie van twee kanten
Ties van de Werff
Op zaterdag 6 september 2008 werd er een heus Indië-monument onthuld in Gemert. Een kunstwerk van de Mierlose beeldhouwer Johan van Hoof, gesitueerd op de hoek van de Pater van den Elsenstraat, verbeeldt de integratie van de Indischen in Gemert. Gemert kent een groot aantal Indische families, en dat is geen toeval. Nadat Indonesië een onafhankelijke Republiek werd, vertrokken veel KNIL-militairen en Indischen die voor de Hollanders werkten per boot naar Nederland. In 1951 besloot de Gemertse gemeenteraad om 120 van deze Indische gezinnen op te vangen in Gemert, een relatief groot aantal voor een dorp van nog geen 10.000 inwoners. Voor het eerst kwamen er ‘van die
bruine’ in Gemert wonen. De integratie van deze buitenlandse Nederlanders verliep relatief vloeiend. Een van de eerste Gemerts-Indische gezinnen in Gemert was de familie Van de Werff.
In 1935 besloot Adriaan van de Werff, zoon van Pieter van de Werff en Sientje Gijsbers, om als soldaat voor het KNIL-leger te werken in Batavia. Tijdens zijn verblijf op Java ontmoette Adriaan Leentje Merckx, een inlandse die te vondeling was gelegd bij een rijkere Belgische familie met een theeplantage – een praktijk dat in het arme Nederlands-Indië wel vaker voorkwam. In 1938 kregen zij hun eerste kindje, Willy. Vier jaar later werd Jantje geboren. Jantje was amper vijf weken oud toen de Japanners Indonesië binnenvielen. Adriaan en Leentje werden krijgsgevangen gemaakt en gescheiden van elkaar. Adriaan werd ingescheept naar Birma, overleefde een zeeaanval van de geallieerden, en werkte drie jaar in alle ellende aan de beruchte spoorlijn. Leentje werd met Willy en Jan geïnterneerd in het Jappenkamp ‘Demak Idjoe’. Adriaan zou zijn vrouw en kinderen pas vijf jaar later weer zien.
Na de capitulatie in 1949 vertrok het gezin Van de Werff naar Nederland, alwaar deze eerste golf repatrianten
opgevangen werd in pensions. Leentje, Willy en Jan kwamen terecht in het pension ‘De Wilde Zwanen’ in Laren (het latere Singer-museum). Daar werd in 1950 Theo geboren. Terwijl Adriaan nog in het militair hospitaal in Utrecht lag, vertrok Leentje met haar drie kinderen alvast naar Adriaans geboorteplaats Gemert.
Leentje, Willy en Jan waren een van de eerste ‘bruine’ die arriveerden in Gemert, en hun aankomst trok dan ook veel bekijks. Mensen hingen zelfs in lantaarnpalen; iedereen wilde een glimp opvangen van ‘da klein zwart weefke’ dat Adriaan had meegenomen. Leentje en haar kroost trokken zolang in bij de ouders van Adriaan in de Molenstraat. Het aarden in Gemert ging niet vanzelf. Gemert leek in niets op de rijstvelden van Java, en dat kleine stroompje De Rips stelde ook al niet veel voor. Vervelender was dat de Hollandse familie van Adriaan Leentje met argusogen bekeek. Zij moest bijvoorbeeld vaak met Willy en Jan in de schuur eten. Het moet een moeilijke tijd geweest zijn.
In de tussentijd had Adriaan in het militair hospitaal prins Bernard aan z’n mouw getrokken. Gemert kampte met een grote woningnood, en het bleek moeilijk voor Adriaan om in zijn geboortedorp een woning te krijgen. Door Bernhards toedoen kregen Adriaan en Leentje uiteindelijk een woning in de Alde Biezenstraat, die eigenlijk bedoeld was voor een ambtenaar. In juli 1950 kon het gezin Van de Werff zich dan eindelijk vestigen in Gemert.
Amper vijf maanden later kwam burgemeester De Bekker met het initiatiefvoorstel tot de opvang van 120 Indische gezinnen. Hiermee kreeg Gemert de mogelijkheid om veel woningen te bouwen, met als beloning extra woningen voor de Gemertenaren zelf. Het initiatief haalde de landelijke dagbladen. Al snel werd er gebouwd, en de nieuwe wijken Berglaren en Molenakker werden gereed gemaakt voor de Indische gezinnen. Om de integratie te verbeteren, hanteerde Gemert een slim spreidingsbeleid: tussen elk Indisch gezin werd een Gemerts gezin geplaatst, om zo de onderlinge communicatie te verbeteren.
Regelmatig kwamen er kindjes aan de deur bij het gezin Van de Werff, om te kijken hoe donker zo’n Indische dan wel niet was. Leentje vertelde de nieuwsgierige kinderen dan maar dat zij in het oerwoud speelde met een leeuw, en dat Adriaan haar toen zogenaamd vond. Aan voorlichting kon dus nog wel het een en ander gebeuren. Adriaan besloot een poging te doen en schreef in 1951 vier stukken in de Gemertsche Courant om de Gemertse bevolking voor te lichten over de ‘Indische medemens’. Hoewel het aanvankelijke idee was om de mensen te vertellen over de nieuwe Indischen, beperkte Adriaan zich al snel tot zijn eigen kampervaringen.
Voor de eerste generatie Indischen – die vaak gedwongen waren om Indië te verlaten – was het wel even wennen in het koude en platte Nederland. In de jaren ’50 vonden veel Indischen ontspanning bij elkaar in de gezelligheids- en sportvereniging ONI (Ontspanning Na Inspanning). Daar konden zij samen sporten, eten en dansen. Adriaan fungeerde in de begindagen als sportcommissaris, en richtte ook een judoclub op bij het Vossenkamp. Na wat strubbelingen verdween de vereniging, om enkele jaren later opgevolgd te worden door BINGO (Band Indië-Nederland Gemert en Omstreken). Een van de initiatiefnemers was Adriaan (naast oa J. de Haas, Th. Kiliaan, L. Matagora en anderen). Naast sportactiviteiten hield BINGO ook dansavonden.
In de jaren ´50 deed de indorock haar intrede met bands als The Tielman Brothers, en ook Gemert kende een flink aantal muzikanten. Een van de eerste Indorock bands in Gemert waren The Rocket Strings, de latere Roy & The Kiliaan Brothers. Jantje van de Werff bouwde zelf gitaren achter in de schuur, en speelde in de begindagen van The Rocket Strings mee. De bands speelden in het Vossenkamp, en vaak op de dansavonden van de BINGO. Het publiek was niet alleen Indisch; veel Gemertse jongeren kwamen dansen en genoten van de gezellige Indische sfeer. Muziek bleek een goed integratie-instrument.
Er was veel èèremoej in die na-oorlogse tijd. Maar aan kinderen geen gebrek. In 1951 werd Magda geboren in het Gemertse gasthuis. Met vier kiendjes was het flink aanpoten in huize Van de Werff. Zoals zoveel Hollandse gezinnen hadden Leentje en Adriaan dan ook varkens en kippen achter in de hof. En zoals bij zoveel Indischen, stond de deur altijd open voor mee-eters. Wanneer er meer volk dan eten was, stiefelde Leentje gelijk naar achteren om een kiep te slachten. Naast oer-Hollands eten als zuurkool, worst en petazzie, kookte Leentje vaak Indisch, en in het begin moest Adriaan – ondanks zijn jaren in Indië – helegaar niets hebben van ‘da vèèrkesvoejer’. Maar dat veranderde snel. Indisch eten bleek de stille kracht van een ontheemd volkje.
In de groentewinkel van Noud Tijk (Van Schijndel) in de Virmundtstraat, kon men al snel sambal en kruiden kopen. Lomboks en kookgerei werden rondgebracht door de Warung Kelilung een soort Indische SRV die alle Gemerts- Indische families afging. Om wat geld bij te verdienen maakten veel Indischen nasi- en bamiballen, loempia’s en andere exotische lekkernijen die gretig aftrek vonden bij de Gemertse bevolking. Ook Leentje maakte zelf Indische hapjes voor de verkoop. In dezelfde teil waarin de kleine Magda en Theo zich moesten wassen op zondag, werd de nasi geroerd. Met zijn eerste brommertje leverde Adriaan dan de hapjes af bij (de) Schattefor, de automatiek aan de Molenstraat tegenover de bioscoop.
Voelden de eerste-generatie Indischen zich soms ontheemd, de kinderen (de tweede generatie) hadden daar vaak
wat minder last van. De opgroeiende Theo werd zich pas bewust van zijn bruine kleur op tienjarige leeftijd. Samen met Jan Thijs ging Theo op bezoek bij de oma van Jan Thijs in Oploo.’t Vrouwke vroeg bij het zien van Theo: “Koomde gaj oit de missie mènneke?” En bij de koffie kreeg Theo geen twee boterhammen en een eike zoals de rest, maar een hele stapel boterhammen en wel vier eikes. Kindjes uit de missie hadden immers honger (Theo spaarde toen op school zelf voor de kiendjes uit de missie). Sindsdien riep oma Thijs als hij op bezoek kwam: “Berta, ’t geel mènneke stí wír vur de deur!”
Ook Magda werd zich pas later bewust van haar Indisch-zijn. Vreemde culturen hebben vaak een soort aantrekkingskracht, en het mag geen geheim heten dat Indischen erg mooie mensen zijn. Magda kan zich herinneren dat zij als pubermeisje flink aangekeken en nagestaard werd; veel jongens vonden haar meer dan interessant. Maar dit soort interculturele uitwisselingen ging het bestuur van de BINGO toch te ver. Zowel bij de ONI als bij de BINGO werd continu gehamerd op ‘passende kleding en gedrag’. Intiem dansen, laat staan zoenen, was niet toegestaan, zoals Rob de Haas prachtig vertelt in zijn boek ‘Enkele Reis Indië-Gemert’.
Die netheid is karakteristiek voor de Indischen. Veel Indo-families behoorden tot de gegoede burgerij in de koloniën, daar zij vaak werkten als ambtenaren of administrateurs. Het bleek een verrassing voor de plat praotende Gemertenaren dat deze exotische mensen beter ABN praatten dan zij. Vele Indische families waren dan ook erg netjes en lieten zich van de beschaafdste kant zien. In dialect praten paste daar niet bij. Daarnaast was de eerste generatie Indischen ook vaak erg streng voor haar kinderen, door al het oorlogsleed dat zij had meegemaakt.
Ook in huize Van de Werff werd er nooit over de oorlog gerept, en waren Leentje en Adriaan vrij streng. De opvoeding was tweeslachtig. Op zondagmiddag draaide Leentje afwisselend Indische krontjong en Zangeres Zonder Naam. Als een echte Gemertenaar ging Adriaan elke zondag langs de vele cafés ‘vur d’n inlég’, tegelijkertijd had hij ook het ’tjebokken’ overgenomen (het wassen van de bips met de linkerhand, na het poepen). Ook praatte hij geen ABN maar plat Gimmers. De kinderen praatten dus ook dialect. Een bruin mènneke dat plat praote zorgde nog wel eens voor verbazing. En dat had soms z’n voordelen: Theo’s ‘hawdoe’ en ‘olliede gállie d’n állie-jen ok’ leverde een flinke korting op toen hij in ’67 geluidsapparatuur ging kopen in Helmond. Aanpassen, dat kunnen die Indischen wel.
De Indischen hebben Gemert kleur gegeven. Zowel het slimme huisvestingsbeleid als het aanpassingsvermogen van de Indischen hebben daaraan bijgedragen. Toch vindt de echte integratie plaats door het delen van primaire behoeftes: eten, muziek, dansen en, jawel, liefde en lust. De familie Van de Werff was misschien wel meer Gemerts dan Indisch. Als derde-generatie Van de Werff voel ik me dan ook weinig Indisch, anders dan een vaag geel huidje en een bovengemiddelde fascinatie voor eten. Dik vijftig jaar nadat de eerste Indischen in Gemert aankwamen, is er van integratie geen sprake meer. Waj zén allemol Gímmertenaoren!
VOOR MEER ACHTERGROND-INFO:
– Rob A. de Haas, Enkele reis Indië – Gemert, Gemert 2001.
– B. Paasman (et al.), Tjalie Robinson: de stem van Indisch Nederland. Den Haag, 1994.
– Bertus van Berlo, En ons moeder skrûwde, Gemert 1997.
– L. v Leeuwen, Ons Indisch erfgoed: 60 jaar strijd om cultuur en identiteit, A’dam 2008.
Bekijk PDFGH-2008-04 Kruidentuin 1947-1953
Hortus Medicamentorum Ghemertanus
Frans de Kemp
In het hele land was na de Tweede Wereldoorlog (WO II) het bestaan van kleine boeren problematisch; het was in Gemert en omstreken zelfs een ernstig probleem. De bedrijfsresultaten van de bestaande bedrijven – de meeste ca 5 ha – waren minimaal. Er was te weinig cultuurgrond voor uitbreiding of stichting van nieuwe bedrijven. Jonge boeren konden zich daarom niet als zelfstandige boer vestigen. Emigreren naar bv. Canada, Australië of Nieuw Zeeland leek de enige uitweg.
Dit “kleine boerenvraagstuk” ging het gemeentebestuur van Gemert in de tijd van wederopbouw na WO II zeer ter harte. Het ging zich daarom oriënteren op andere mogelijkheden. Hierbij werd gedacht aan de teelt van zgn. klein fruit, zoals aardbeien, bessen, frambozen e.d. en de teelt van geneeskrachtige en andere kruiden. Ook de regering raadde voor kleine boeren de teelt van kruiden aan en stimuleerde die.
Gemeentesecretaris Jacques van den Broek (zelf een hobbyist in het telen van kruiden in zijn groentetuin) promootte het idee van de kruidenteelt en nam het initiatief om intensivering van kleine bedrijven te gaan onderzoeken door de teelt van gewassen die arbeidsintensief waren en een relatief hoge opbrengst gaven in verhouding tot weinig cultuurgrond. De teelt van geneeskrachtige en aromatische kruiden zou wat arbeidstijden betreft de verschillende seizoenen aanvullen. Er was immers een grote verscheidenheid in de kruiden, die ook oogsten op verschillende tijden mogelijk maakten. De grootte van de gezinnen speelde hierbij een belangrijke rol. Er zouden meewerkende kinderen ingeschakeld kunnen worden.
Zowel de rijkstuinbouwconsulent in Noord-brabant, ir H. Slits, als diens collega in Friesland, ir. C. van der Slikke, boden kennis, ervaring en diensten aan en juichten de teelt op zandgronden toe. Verder werd het Ministerie van Landbouw in de persoon van ir. J.L. Burg bij de plannen betrokken.
Natuurlijk konden de plaatselijke land- en tuinbouwinstanties niet ontbreken. De R.K. Boerenbond, in de personen van voorzitter Antoon Jaspers uit de Broekstraat (wethouder en locoburgemeester) en secretaris Cobus Donkers van de Wolfsbosch – een kenner van de tuinbouw – droeg het plan een warm hart toe. De R.K. Tuinbouwbond met als voorzitter Wim van Hoof uit de Pandelaar en secretaris Jan van Zeeland van de Witte Brug steunden eveneens het plan. De NCB (Noordbrabantse Christelijke Boerenbond), later opgegaan in de ZLTO (Zuidelijke Land- en tuinbouw Organisatie) en de CHV (Coöperatieve Handels Vereniging) te Veghel stelden het initiatief van de gemeente zeer op prijs. Het plan voor de kruidenteelt werd dus breed gedragen.
Stichten kruidentuin.
Om het teeltproces goed te kunnen begeleiden, was het nodig een proef- en demonstratietuin dicht in de buurt te hebben. De teelt was immers voor de boeren helemaal nieuw en een onbekend gebeuren. Zij moesten terug kunnen vallen op deskundige bijstand en voorlichting. Daarom besloot de gemeenteraad op 27 juni 1947 tot het stichten van een kruidentuin.
De totale stichtingskosten van de tuin werden geraamd op ruim twintigduizend gulden.
Het beheer van de tuin was in handen van het college van B & W. Jacques van den Broek werd administrateur en kassier van het kruidenteeltbedrijf. Al op 12 november 1947 werd overeengekomen dat de NCB, de R.K. Tuinbouwbond, de CHV en de gemeente gezamenlijk een stichting zouden oprichten, die de kruidentuin zou gaan exploiteren. Opmerkelijk is dat de plaatselijke Boerenbond hierbij niet betrokken was, terwijl het toch ging om het oplossen van het “kleine boeren vraagstuk”. Mogelijk dat de plaatselijke boerenbondsafdeling werd vertegenwoordigd door de NCB, zijnde de overkoepelende organisatie.
Locatie
Men wilde het liefst een plek midden in Gemert die voor iedereen goed bereikbaar was.
Geen betere plek was denkbaar dan het bouwland aan de Wijnboomlaan (nu H. Geestlaan) tegenover het Kasteel. De grond was eigendom van de Congregatie van de H.Geest en verpacht aan landbouwer Johan Vereijken uit De Hoef. De voorkeur ging uit naar circa l,35 ha, in het midden van het totale perceel, tegenover het toekomstige kruidenhuis (nu de woning van de burgemeester). De Paters waren bereid deze grond aansluitend aan hun boomgaard voor twaalf jaar te verhuren. In de boomgaard lagen enkele weitjes waar koeien van de paters graasden. De pacht van Johan Vereijken werd naar tevredenheid afgekocht. Midden in de tuin kwam een toegangspaadje met poort vanaf de Wijnboomlaan. Het grote materieel moest gebruik maken van de Witte Brug op dezelfde wijze zoals nu de woning van de burgemeester is ontsloten.
Voorlichting
Jacques van den Broek vroeg de eerder genoemde ir. H. Slits om assistentie voor de voorlichting en begeleiding van de kruidentelers. Deze vond de heer Antoon A. de Kemp uit Berlicum in 1947 bereid deze taak op zich te nemen. Antoon was consulent bij de rijkstuinbouwvoorlichtingsdienst en tuinbouwvakonderwijzer. Hij bekwaamde zich in korte tijd in de kennis van de kruidenteelt. In Gemert zou hij vooral voorlichting moeten geven in de keuze en de teelt van de kruiden. In 1948 kwam hij en zijn gezin in Gemert wonen op Keizersbosch.
Indeling van de proef- en demonstratietuin
De kruidentuin ging begin 1948 ook daadwerkelijk van start. Na de gebruikelijke bemesting en grondbewerking werd de proeftuin verdeeld in 102 perceeltjes, elk met een oppervlakte van 1 are. De demonstratietuin van 5 are groot werd gesitueerd bij de ingang aan de Wijnboomlaan.
In 1948 kwam Dirk Reitsma vanuit Buitenpost (Friesland) naar Gemert. Hij werd aangesteld als chef van de kruidentuin en moest de tuin mede vorm en uitstraling geven. Tevens was hij voorlichter voor de demonstratietuin.
In het tweede seizoen waren er al 450 bezoekers; hoofdzakelijk aspirant kruidentelers. Verder werden voor onderhoudswerkzaamheden aangesteld Martien Scheepers uit de Schoolstraat en Adriaan Vereijken uit De Hoef. In groepjes van telkens ongeveer vijf perceeltjes werden de volgende kruiden in vele soorten gezaaid/geplant.
Proeftuin
Angelica archangelica – aartsengelwortel
Rheum palmatum – chinese rabarber
Valeriana officinalis – valeriaan
Hyssopus – hysop
Melissa – citroenmelisse
Marrubium vulgare – malrove(bloem)
Carduus benedictus – gezegende distel
Viola tricolor – driekleurig viooltje (bloem)
Calendula officinalis – goudsbloem
Levisticum off. – Lavas of maggiplant
Achillea Millefolium – duizendblad
Thymus vulgaris – tijm
Datura stramonium – doornappel (giftig)
Artemisia absinthium – absintalsem
Hyoscyamus Niger – bilzenkruid (giftig)
Digitalis purpurea – gewoon vingerhoedskruid (giftig)
Digitalis lanata – wollig vingerhoedskruid (zeer giftig)
Atropa bella donna – wolfskers (zeer giftig)
In het laatstgenoemde kruid, Atropa bella donna zit atropine, een stof die de pupillen verwijdt. Vroeger gebruikten welgestelde Italiaanse dames deze stof om hun pupillen te vergroten en daarmee indruk te maken op de mannen . Bella donna is Italiaans voor schone vrouw, maar dit terzijde. Er werden verschillende proefveldjes ingericht voor proeven met bemesting, grondbewerking, tijd en wijze van oogsten, enz. Hierna volgt een beperkte weergave van de kruiden in de demonstratietuin. Hier werd het stammateriaal ondergebracht en volgens de plantenfamilies gerangschikt. Een greep uit wat er bloeide en groeide:
duizendblad, valkruid, bijvoet, koeienoog, goudsbloem, voorjaarszonnebloem, paardenbloem, kamille, guldenroede, beekpunge, kaasjeskruid, mierikswortel, herderstasje, gevlekt longkruid, slangenkruid, bosaardbei, zilverschoon, vrouwenmantel, pimpernel, nagelkruid, kruizemunt, pepermunt, fluitenkruid, koriander, blauwe monnikskap, bosanemoon, akkerhoornbloem, hemelsleutel, Sint-janskruid, muizenoor, adderwortel, wijnruit, opgeblazen lobelia, basielkruid, mint en marjolein.
Alle perceeltjes werden zo veel mogelijk omzoomd met kruidenbloem-gewassen.
De opbrengst in 1948 van de bladgewassen was f. 900 netto en van de wortelgewassen f. 400 netto. Tengevolge van de droogte in dat jaar waren wel enkele teelten mislukt. Het Onderzoekinstituut te Wageningen onderzocht regelmatig de verschillende soorten kruiden op hun gehalte werkzame stof. De kruidentuin verleende ook medewerking aan dit Onderzoekinstituut door de teelt van moederkoren bij enkele telers aan te bevelen en te laten zaaien voor proefneming. De botanische tuin in Utrecht stelde de kruidentuin in de gelegenheid om van verschillende buitenlandse tuinen zaden te betrekken voor vergelijkingsproeven. Hiervoor werd op de grond achter het toekomstige kruidenhuis een tuinserre geplaatst voor de opkweek van plantjes van buitenlandse zaden.
De kruidentelers
In de vergadering van de tuinbouwbond van 4 december 1947 heeft Antoon de Kemp een uiteenzetting gegeven over de kruidenteelt, die vooral voor de kleine boeren van belang kon zijn. Hij spoorde alle leden aan zoveel mogelijk enkele aren grond gereserveerd te houden om in het voorjaar te kunnen beginnen met inzaaien of planten. Op korte termijn zou de R.K. Tuinbouwbond de leden hierover nader informeren. 
Ook vertelde hij van de plannen voor het stichten van een proeftuin voor de kruidenteelt.
Op 2 januari 1948 stuurde de tuinbouwbond aan de leden een zeer enthousiaste brief met een uitnodiging voor een lezing op 8 januari in het Patronaatsgebouw. De lezing zou worden gehouden door Ir.W.Blaauw, rijkstuinbouwconsulent in Friesland, die grote ervaring had met de teelt van kruiden. Nog diezelfde avond meldden zich tachtig kandidaat-boeren aan die in 1948 met de teelt wilden beginnen. Samen zouden zij 7,50 ha kruiden kunnen telen. Hierna volgden nog vier cursusavonden om de teelt voor iedereen nog beter begrijpelijk te maken. De telers moesten zich wel gaan verenigen in een coöperatie. Alleen dan konden zij verzekerd zijn van de afname van de kruiden door de drogerij, het verkrijgen van zaaigoed en een garantieprijs. Voor het eerste teeltjaar 1948 werd het zaad geleverd door de kruidentuin te Buitenpost- Friesland en verdeeld onder de kruidentelers. Daarna zou de kruidentuin in Gemert zoveel mogelijk het zaad leveren.
Vermeldenswaard is dat Jacques van den Broek op zijn perceel aan de Beeksedijk ook kruiden teelde zoals valeriaan, Chinese rabarber en vingerhoedskruid. Hij werd daarbij geholpen door de gebroeders Vereijken uit De Hoef.
Opbrengsten
Voor 1951 waren de gemiddelde opbrengsten per are f. 22 per kruidensoort. Voor gewassen die niet in het teeltplan waren genomen, maar waar wel vraag naar was, werd de opbrengst geraamd op gemiddeld f. 28 per are. Het betrof hier de goudsbloem, de doornappel (wolfskers) en de paardenbloem. De betaling gebeurde door de kruidendrogerij. De angelica (aartsengelwortel) en de digitalis lanata (wollig vingerhoedskruid) groeiden hier het beste. Valeriaan vroeg veel tijd en aandacht en de teelt daarvan kwam niet goed tot zijn recht. De digitalis purperea (gewoon vingerhoedskruid) ging het steeds beter doen.
Het kruidenhuis
Het kruidenteeltbedrijf kreeg voor de bouw van o.a. een kruidenhuis aansluitend aan de proeftuin een perceel van 45 are voor 30 jaar in erfpacht van het R.K. Kerkbestuur van de Parochie St.Jansonthoofding. Het gebouw zou dienst moeten doen voor de opslag van gereedschappen, opslag van zaden, een kruisslagmolen en pottenpers, schaftruimte, een kantoor en een droogkamer voor het drogen van kleine partijen kruiden.
De opzichter-tekenaar Mies Jagers uit de Deel, werkzaam bij de dienst gemeentewerken, maakte een fraai ontwerp. De bouw werd uitgevoerd door het aannemersbedrijf Moors en Van Dooren uit de Oudestraat voor ca f. 15.000 en was klaar in mei 1950. Toen werd ook een elektrische droogkast in de droogkamer geplaatst. De grond, naast en achter het kruidenhuis, werd benut voor proefveldjes. Daar kwam ook een hulpstation van het K.N.M.I. uit De Bilt te staan, waardoor de klimatologische invloeden op de teelt konden worden gemeten.
Kruidentelers buiten Gemert
Antoon de Kemp, vaak samen met de heer Martien Huberts van de kruidendrogerij in Veghel, gaf in de regio en daarbuiten tot in de Kempen toe, lezingen en voorlichtingsavonden om ook daar de kruidenteelt te bevorderen. Op diverse landbouwscholen heeft hij aandacht gevraagd voor de kruidenteelt. Hij ging daar eerst met de fiets naartoe, daarna met zijn scooter en later met Martien Huberts in diens auto. Zij hebben veel tijd en energie gestoken in hun streven zoveel mogelijk kleine boeren voor de kruidenteelt te interesseren. Hun rondgang had tot resultaat dat in de omgeving van Wijchen zich veertig kruidentelers meldden. Uit de omgeving van de Bommelerwaard kwamen ongeveer vijfenveertig telers, uit de omgeving van Gemert zo’n dertig en uit de Kempen twintig.
De kruidendrogerij
Al in 1947 probeerde burgemeester De Bekker een drooginstallatie te realiseren in een bedrijfsgebouw bij hoeve “De Dompt” in Elsendorp. Dit plan ging echter niet door, omdat de eigenaar uiteindelijk niet bereid was mee te werken.
De CHV in Veghel bouwde in 1948 een bestaande droger om tot kruidendroger, die al snel te klein werd. Toen men daarom in 1952 voornemens was een nieuwe te bouwen, heeft de Gemertse burgemeester tevergeefs geprobeerd de kruidendroger naar Gemert te halen. Immers, het ministerie van landbouw had deze drogerij gesubsidieerd met steun uit het Marshall-fonds, en Veghel kreeg daarom als groeikern de voorkeur én de drogerij. Hoewel de drogerij al maanden in gebruik was, werd deze pas op 17 februari 1954 officieel geopend. Martien Huberts uit Veghel werd de directeur.
De drogerij kreeg de naam van “Zuid Nederlandse Kruidendrogerij”. Deze werd geëxploiteerd door de Coöperatieve Kruidenkwekersverenigingen van de NCB van Wijchen en van Gemert. In 1951 werd de Verenigde Nederlandse Kruiden Coöperatie (VNK) opgericht, waarbij alle regionale kruidenkwekersverenigingen aansloten. Zij hebben zich toen verbonden de gedroogde kruiden aan het VNK af te dragen. In Doornspijk kwam een centrale opslagplaats en het VNK verzorgde dan verder centraal de verkoop in binnen- en buitenland.
Subsidies
Het Ministerie van Landbouw doneerde een substantiële subsidie: uit het Marshallfonds betaalde het f. 15.800. De CHV maakte f. 2.200 over en de Stichting voor de Landbouw f. 500. Andere organisaties deden hun eerdere
subsidietoezeggingen niet gestand, zolang er geen stichtingsvorm tot stand was gekomen. Mede om die reden zagen wellicht Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant daarin aanleiding de uitbetaling van de aangevraagde subsidies uit te stellen. In september 1952 schreef het gemeentebestuur aan GS dat het plan bestond de kruidentuin te gaan exploiteren als productiebedrijf voor zaad- en plantgoed voor de plaatselijke telers om daarmee het bedrijf tot een rendabele exploitatie te brengen. GS waren het hier echter niet mee eens en schreven op 22 oktober 1952 dat het niet op de weg van de gemeente lag om de kruidentuin als gemeentebedrijf verder te exploiteren. Zij gaven het gemeentebestuur in ernstige overweging de kruidentuin als gemeentelijk bedrijf te liquideren. Als gevolg hiervan werden de provinciale subsidies over 1948 tot en met 1951 niet uitbetaald.
LEI-rapport.
In 1951 heeft het Landbouw Economisch Instituut samen met het Technologisch Instituut voor Noord-Brabant een rapport samengesteld over de betekenis van de kruidenteelt voor de landbouw in Gemert.
De conclusie was, dat de kruidenteelt vooral gezien kon worden als een middel om op de kleine bedrijven beneden 5 ha de arbeidsprestatie te verhogen en dus het inkomen van die bedrijven te verbeteren. Men achtte het stichten van zuivere kruidenteeltbedrijven in deze periode niet gewenst. Dit omdat er nog teveel onzekerheden bestonden over de toekomst van de kruidenteelt.
Verkoop aan derden:
De kruidentuin heeft niet alleen zaden geleverd aan de telers maar ook kruiden verkocht aan onder andere de Wenneker likeurstokerij in Schiedam, de farmaceutische industrie in Nederland en België, het Koninklijk Instituut voor de Tropen in Amsterdam, het Botanisch Laboratorium en de Hortus Botanicus van de Universiteit van Utrecht.
Opheffing
Zoals eerder vermeld waren de NCB, de CHV en de R.K. Tuinbouwbond op 12 november 1947 overeengekomen samen een stichting te gaan oprichten voor de exploitatie van de
kruidentuin. Op 30 juni 1953 nam de gemeenteraad echter kennis van het feit, dat deze organisaties geen belangstelling meer hadden in het deelnemen in een stichting. Wel vonden zij het in het belang van de kruidenteelt gewenst, dat de werkzaamheden van de kruidentuin werden voortgezet, maar dat die werkzaamheden beter konden worden gecombineerd met die van de reeds bestaande Stichting Tuinbouw proef- en selectiebedrijf van de NCB te Middelrode-Berlicum. Dat zou minder kostbaar zijn dan een afzonderlijke exploitatie van een proefbedrijf in Gemert. De gemeenteraad nam eveneens kennis van het standpunt van burgemeester en wethouders dat het nu niet meer op de weg van de gemeente lag om, buiten deze organisaties om, de exploitatie van de kruidentuin voort te zetten. In een brief van 19 juni 1953 aan de directeur van de Tuinbouw te ‘s-Gravenhage schreven burgemeester en wethouders dat zij voornemens waren de gemeenteraad voor te stellen de werkzaamheden van de kruidentuin in de loop van 1953 te doen beëindigen. Een voorstel van deze strekking is er echter niet gekomen.
Dirk Reitsma, Martien Scheepers en Adriaan Vereijken kregen met ingang van 1 september 1953 eervol ontslag, in verband met de voorgenomen opheffing van de kruidentuin.
Begin 1954 vroegen de oorspronkelijke pachter Johan Vereijken en de eigenaar, de Paters van de H.Geest, de grond terug, omdat er geen kruiden meer op werden geteeld. Ook bij de boeren liep de interesse voor de kruidenteelt hard terug.
In Gemert waren bij de opheffing van de kruidentuin nog twaalf kruidentelers actief. Boekhoudkundig is het kruidenteeltbedrijf in 1956 afgesloten. Het kruidenhuis werd gebruikt als timmerwerkplaats en opslagruimte van de gemeente. De inventaris is verkocht.
Nawoord
In feite viel op 30 juni 1953 het doek voor de kruidentuin, hoewel dit niet expliciet in een raadsbesluit is vastgelegd. Het is opvallend dat noch in de vergaderingen van de R.K. Tuinbouwbond noch in die van de R.K. Boerenbond is gesproken over de kruidenteelt, laat staan over de opheffing van de kruidentuin.
In het begin van de jaren vijftig gingen de boeren langzaam aan op grotere schaal boeren. De extensivering van de landbouw kwam zachtjesaan op gang. De mechanisatie deed hier en daar ook al zijn intrede. Agrarische stallen werden uitgebreid of beter ingericht. De veestapel werd groter. Er werden ook al voorbereidingen getroffen voor een vrijwillige ruilverkaveling in de gebieden Kranenbraken en Groeskuilen. Uiteindelijk bleek de kruidenteelt toch niet echt lonend te zijn geweest in verhouding tot de hoeveelheid werk die zij kostte. Het heeft daarom niet geleid tot betere bestaansmogelijkheden voor de boeren. Bovendien was het een zeer intensieve teelt op kleine percelen, waarin de boeren als landbouwer hun energie onvoldoende kwijt konden. Hun interesse ging meer uit naar het zuivere boerenvak. Het LEI-rapport is volgens mij ook van invloed geweest op de verminderde interesse voor de kruidenteelt.
Na de opheffing van de kruidentuin bleef Antoon de Kemp samen met Martien Huberts van de Zuid-Nederlandse Kruidendrogerij de nog aanwezige telers in en buiten Gemert regelmatig bezoeken en voorlichting geven. Het is niet precies bekend wanneer de kruidenteelt in Gemert en Oost-Brabant definitief is opgehouden.
Omdat valeriaan een moeilijke teelt was, zeker op de hier relatief droge zandgronden, experimenteerde ook Antoon de Kemp – mijn vader – zelf in zijn groentetuin met een aantal proefveldjes met valeriaan om de juiste teeltmethode te kunnen vaststellen. Mijn vader en ik gingen in de bloeiperiode – van juni tot augustus – regelmatig valeriaanplanten zoeken in het populierenbos van Jacques van den Broek in de Kampen. In de volksmond heette dat bos “het lucifersbos”. Jacques van de Broek overleed op 79-jarige leeftijd op 9 maart 1991.
Antoon de Kemp ging na opheffing van de kruidentuin door met experimenteren met de teelt van verschillende andere kruidensoorten dan valeriaan. Hij deed dit op de grond die nog beschikbaar was achter en naast het Kruidenhuis (gepacht van het R.K. Kerkbestuur). Jammer genoeg heeft Antoon zijn voorlichtende taak en het experimenteren met de kruidenteelt niet kunnen voortzetten. Hij kwam op 7 mei 1956 in Beek en Donk om het leven door een ongeval met zijn scooter.
Martien Huberts, de directeur van de drogerij in Veghel, overleed op 13 mei 2008 op 86-jarige leeftijd. Met hem had ik kort tevoren nog een boeiend gesprek over de kruidenteelt en – drogerij. Met zijn heengaan ontviel ons de laatste persoon die in de jaren na WO II de kruidentelers in Gemert en omstreken goede voorlichting gaf.
BRONNEN:
– Gemeentearchief Gemert-Bakel [GAG] Archief Gemeentelijke Kruidentuin; Archief R.K.Tuinbouwbond (notulen); Archief R.K. Boerenbond (notulen).
– Heemkamer dossier Kruidentuin (Hortus Medicamentorum Ghemertanum)- Rapport F.de Kemp, juli 2008.
– Agenda van Antoon de Kemp ()1952-1956
– Informatie (met veel dank) van: Antoon van Erp, Harrij Donkers, Harrij Vereijken, Marie-José van den Broek, allen uit Gemert, Martien Huberts () uit Veghel en Henri Dillen uit Geldrop.
Bekijk PDFGH-2003-04 Kapittelstokjes
KAPITTELSTOKJES
STEMPELTJE
Nou had die Leonardt Peters het dan toch eindelijk voor elkaar: op 19 april 1681 mocht hij voor het eerst zijn handtekening zetten onder een akte in het Gemerts schepenprotocol. Er was wel een klein probleempje, want Leonardt kón zijn handtekening niet zetten. De andere schepenen maakten de verplichting, hen opgelegd door de commandeur van de Duitse Orde, om eigenhandig hun signatuur onder een akte te zetten, met wisselend succes waar. In onbeholpen hanenpoten of zwierige krullen vereeuwigden zij telkenmale hun naam. Maar Leonardt moest erkennen dat zijn fijne motoriek niet zó fijn was. Hij kon niet schrijven. De ganzenveer leidde in de vingers van de nieuwbakken schepen een geheel eigen leven, en kliederen op dat dure protocollenpapier was natuurlijk uit den boze.
Wat nu? Goede raad was in 1681 ook al duur. Wie uiteindelijk op het idee is gekomen, wordt in de minuutakten niet vermeld, maar Leonardt schafte zich een noviteit aan, een oplossing voor zijn analfabetisme, namelijk een stempeltje! Niet zo maar een stempeltje, met een of andere onbenullige afbeelding. Nee, een stempeltje met zíjn naam, LINDERt PETERS. Akkoord, die kleine ’t’ was een beetje een dissonant, en die ‘S’ leek erg veel op een vishaak, maar verder had niemand zo’n stempeltje en iedereen was het erover eens: de techniek staat tegenwoordig voor niets!
De eerste keer dat Leonardt zijn stempeltje echt en officieel mocht gebruiken, ging het nog wat mis – pure zenuwen – maar vanaf de tweede keer stond er fier en zéér duidelijk leesbaar de naam van schepen Leonardt – Lindert – Peters. Alsof het gedrukt was!
Simon van Wetten
BRUILOFT MET “CADEAU-TIP” NIET ALLEEN VAN ONZE TIJD
Op 2 september 1649 schreef zekere R. van Tienen uit ‘s-Hertogenbosch een uitnodiging aan het adres van het Gemertse dorpsbestuur om aanwezig te zijn op de trouwerij van zijn neef op 7 september daaraanvolgend. Tegelijk vraagt hij daarbij om ‘een cadeau in natura’. Gebraden wild moet het zijn, en hij verzoekt om dat een paar dagen van tevoren te willen laten bezorgen. Een ‘Cadeau-tip’ of zoiets als een ‘Amerikaanse fuif’, zijn dus geen uitvindingen van de moderne tijd. De uitnodiging voor de bruiloft in 1649 is zorgvuldig bewaard in het Gemeenterachief van Gemert.1 Hierna volgt de exacte tekst:
De Borgemeesters ende Regeerders tot Gemert werden mits deesen versogt mij de vrindschap te doen ende coomen tegens den 4de, 5de oft 6de van de toecoomende maent September mijn keucken van wiltbraet voorsien alsoo mijn neeff op den 7de September sal trouwen ende de bruijloft hier t’mijnen huijse sal wierden gehouden, sullende bij gelegentheijt t’selve werden aen ingesetenen sothe(?) te erkennen.
Actum ‘s-Bosch den 2den September 1649. T v Tienen
Aan bovenstaand verzoek is het dorpsbestuur van Gemert nog tegemoet gekomen ook. Want op de uitnodiging is in een ander handschrift aangetekend: Op dit voorseit versoeck is gevolcht aen mijn heer Thienen te weten: twee haesen ende drije coppelen hoender ende vier coppelen patereijsen.
Maria van de Vossenberg-Lorteije
NOOT:
1. Gemeentearchief Gemert 1407-1794 inv.nr.931
GEMERTSE PRIESTERSTUDENTENCLUB?
De Heemkamer kreeg jaren geleden bijgaande foto met op de achterzijde de tekst “Het R.K. Gemertsch Studentencorps O.N.S.” De foto werd gemaakt op 12 augustus 1930. De ‘club’ was toen op de ‘brokken’ bij pater J. v. Houtert in de Nieuwstraat. De club ging een week voor diens eerste H. Mis gezamenlijk de kerk en het woonhuis versieren.
Op de foto zien we zittend vlnr: 1. Antoon van Houtert 2. kapelaan Sliepen 3. Johan van Houtert 4. Piet van Ganzewinkel 5. André van de Crommenacker Staand vlnr: 1. Frans Rooijmans 2. Hein Manders 3. Paulus Bouw 4. Harrie Jansen 5. Harrie van den Elsen 6. Piet Verhofstad 7. Jan Verhoeven 8. Piet Sleegers 9. Willy Frunt 10. Theo Scheepers 11. Jan van de Laar 12. Frans van Dijk 13. Hein Verhoeven 14. Jan van der Wijst.
Wie van onze lezers kan ons nog meer vertellen over deze club? Was het een club voor alleen maar priesterstudenten, of mochten ook andere studenten lid worden? Wat betekenen de letters O.N.S.? En… was er een verband met de Studentenvereniging ‘Edward Poppe’ van de leerlingen van de Latijnse School?
GEMERTSE TORENUURWERKMAKER WERKTE OOK IN THORN
De actieradius van de Gemertse torenuurwerkmaker Hendrick de Jong moet nog een stuk uitgebreider zijn geweest dan de aanvankelijk gedachte 20 tot 30 kilometer rond Gemert. Binnen een maand na het verschijnen van het tweede deel over de Gemertse horologiemakers uit de zeventiende en de achttiende eeuw (Gemerts Heem 2002 nr.4) kwam er een reactie van Ruud Mestrom uit Maastricht die ons attendeerde op een onderhoudscontract van Magister Hendrick de Jong uit Gemert in zake het onderhoud van het kerkhorologie van de abdij Thorn. Voor 40 Reichsthalers zou Hendrik het betreffende uurwerk gedurende een periode van 10 jaar onderhouden.
Het contract werd opgemaakt in het jaar 1703. En men had toen al enige ervaring met de Gemertse magister horologium, want uit de Thornse archieven was ook al een tekst komen boven drijven: “Hatt H(err)Canonicus Beeren auf sich genommen einen Horologiemächer von Gemert zu bestellen umb dasiger kirchen horologium zu visitiren, und wegen reparation mit demselben zu accordiren.” Het geleverde werk van Magister Hendrik de Jong moet dus ook hier goed zijn bevallen. De actieradius van de Gemertse horologiemeester strekt zich inmiddels uit van het Graafschap Megen aan de Maas in het noorden tot het Vorstendom Thorn, voorbij het Land van Horne, in het zuiden. (Bron: Gemeentearchief Thorn, Kapittel 537, Protocollen 1703)
Ad Otten
GH-2003-04 De Zeejkweurm en de Laojs
DE ZÉÉJKWÈÙRM ÈN DE LAOJS
Wim Vos
Grèùjt zaot mí d’r kléénkénder kòrt baj ’t vuur ónder de skaow, want ’t waor raw weer baojte. Jao, ’t raëgende dèè’t zeek èn ‘r waor zèlfs ’n haowmaow gewíst ’n dèùrp wejteróp die de ròg óp de vèèlde ha verrinneweerd. Grùtje raokelde ’t vuur nòg ’s óp mí de pook, skudde d’raajge ’n tas vòrse kòffie in èn begós te stùrrie-je um die dèbbers ’n hòrtje bízzeg te haawe.
’n Laojs èn ‘ne zééjkwèùrm waoren án ’t keeke um ’t skonste plèkske óp de misse. “Ikke waor ’t uurst”, zí de laojs. “Doede gaj aald zo nárzeg?” greengzde de mierzééjker. De laojs tròk ’n grùts gezeecht èn begós vast ’n kùlleke te graove um ‘r ’s lèkker laangaojt baj te kanne gon ligge. De zééjkwèùrm worde zo rood as ’n kroot, zo kaod worden ie. “Dè’s naw krèk waa’k wo”, daocht de mèrleng baj z’naajge toew ie ‘r nívvenaf kwam getreepeld, èn ie fraot bèèj de bísjes óp.
De kénder vóngen ’t evél haël èrg vùr de laojs èn de zééjkwèùrm. Már já, dùr dè gestèchel han de bísjes ok nie goewd aojt hullie döp gekeeke. Oopoe viejt vùr èlk kiendje ‘ne saojkersèp aojt ’t trùmmelke èn èèjde ’t jóngste dùrske óvver z’n bölleke.
Èn baojte tròk de loocht al wír wa óp….
NOTEN:
– Spelling: Nieuwe Gemertse Spelling (ngs) van Drs. P.H. Vos en W.J. Vos (vervangt sinds begin 2000 de Oude Gemertse Spelling (ogs) in Gemerts Heem en andere publicaties van Heemkundekring “De Kommanderij Gemert”).
– mier : 1. zééjkwèùrm (m). 2. mierzééjker (m).
– grootmoeder: 1. grèùjt (v). 2. grùtje (verkl. o). 3. oopoe (v).
– tarwe: tèrw. Tarwe werd nauwelijks verbouwd in Gemert; als de rogge platsloeg tijdens een storm was dat veel erger.
– stùrrie-je: druk vertellen. Vgl. W.J.Vos & M.A. van der Wijst: Gemerts Woordenboek, Gemert 1996, p. 158. Ze zaot zo te stùrrie-je dè ze vergaëte waor de soep óp te zétte (spelling gemoderniseerd). Het woord is helaas in onbruik geraakt.
– nárzeg (bn): (eigenlijk) kribbig, gemelijk, nukkig, slecht gehumeurd, kregel, nurks. Vgl. het Ned. narrig. Het Gemerts heeft –rz- in het midden van het woord, vroeger een suizende r. (Synoniem: nèùtelek).
GH-2003-04 In Memoriam pater Martin van der Drift
IN MEMORIAM PATER MARTIN VAN DER DRIFT
Rob de Haas
Op donderdag 2 oktober 2003 overleed op het kasteel van Gemert pater Martin van der Drift vlak voor zijn tweeëntachtigste verjaardag. Als lid van de congregatie van de Heilige Geest en kasteelbewoner heeft hij veel gedaan voor de Gemertse gemeenschap. Vooral voor mensen van buitenlandse afkomst die hier een nieuw bestaan probeerden op te bouwen. Met name de grote groep Indische Nederlanders die in 1951 en daarna in Gemert zijn komen wonen,hebben veel steun van hem gehad. In de uitgave van de heemkundekring “Enkele reis Indië – Gemert” (2001) wordt de belangrijke rol van pater Van der Drift bij de inburgering van de Indischen uitvoerig belicht.
Priester-leraar
Martinus Adrianus van der Drift werd op 16 oktober 1921 geboren in Maasland vlakbij Maassluis aan de Nieuwe waterweg, tussen Vlaardingen en Hoek van Holland. Een zondagskind, tweede van een groot katholiek gezin met zes jongens en zes meisjes. Niet ongewoon in die tijd. Zijn vader teelde druiven in kassen, de eerste stookkassen in het Westland en zo leerde de jonge Martin in de praktijk de fijne kneepjes van de druiventeelt. Hij deed er verder niets mee, want op 12-jarige leeftijd wist hij het al zeker. Missionaris zou hij worden. Spannende verhalen van missionarissen over hun werk in verre vreemde landen spraken tot zijn verbeelding en vanwege een aardige pater van de Heilige Geest, die bij hem thuis over de vloer kwam, koos Martin voor diens congregatie. Hij moest daarvoor na de lagere school wel helemaal naar het kleinseminarie in Weert. In die tijd een hele onderneming. Na zes jaar Weert en een jaar noviciaat in Gennep, kwam Martin van der Drift voor het eerst op het kasteel van Gemert terecht. Hier studeerde hij enkele jaren theologie. Die studie vervolgde hij aan de universiteit van Freiburg in Zwitserland, waarna hij in Genève tot diaken en subdiaken werd gewijd. In 1947 keerde hij naar het kasteel in Gemert terug. Daar werd hij op 21 november, 26 jaar oud, tot priester gewijd. Met spanning wachtte Martin af naar welk land hij als missionaris uitgezonden zou worden, maar het hoofd van de congregatie bepaalde anders. Pater Van der Drift werd teruggestuurd naar Weert om er op zijn oude school Latijn en Grieks te geven. Dat deed hij tot hij de opdracht kreeg om in Gemert de bekende Pater dr. Ed. Loffeld op te volgen. Deze gaf op het kasteel aan aanstaande missionarissen les in het kerkelijk recht. Maar om de lestaak van pater Loffeld over te kunnen nemen, moest Martin van der Drift zich eerst in dat vak bekwamen en daarin promoveren. Daarvoor ging hij naar Leuven. Aan die studietijd bewaarde hij goede herinneringen, zo zei hij zelf. Wat hij in België zo plezierig vond, was het internationale gezelschap dat uit medestudenten bestond uit 23 verschillende landen. Hij had toen al bijzondere belangstelling voor andere culturen en die is in de Leuvense periode alleen maar gegroeid. Na zijn promotie keerde Martin van der Drift weer naar Gemert terug. Liever was hij als missionaris naar Afrika gegaan, maar hij legde zich uiteindelijk neer bij de wens van zijn superieuren om les te gaan geven op het grootseminarie van Gemert. Dat deed hij van 1952 totdat in 1966 de priesteropleiding op het kasteel werd opgeheven.
Lokaal missiewerk
In de jaren zestig had de congregatie van de Heilige Geest zich tot taak gesteld om niet alleen missiewerk te doen in overzeese ontwikkelingslanden. Haar leden dienden zich ook verdienstelijk te maken binnen de plaatselijke gemeenschap. Dus zag je voortaan priesterstudenten in Gemert actief als sporttrainer, of catecheet, of als groepsleider. Dat waren in 1966, toen het grootseminarie ophield te bestaan, nog rond de zestig studenten. Gemert zou hen voortaan moeten missen. Voor pater Van der Drift en kasteeloverste pater Van Rooy reden om samen met o.a. mevrouw Corrie van Bommel en mevrouw Truus Fraza de Stichting Samenlevingsopbouw Gemert (SOG) op te richten. Inhakend op de democratiseringsbeweging van eind jaren zestig begin jaren zeventig werkte SOG aan de openbaarheid van bestuur en aan medezeggenschap van de Gemertse burgers op sociaal-maatschappelijk gebied. Daaruit vloeiden allerlei initiatieven voort, zoals de oprichting van de openbare bibliotheek en het jongerenwerk. Nu hij geen les meer hoefde te geven, kon pater Van der Drift zich naast zijn pastoraal werk geheel wijden aan de Gemertse gemeenschap. Jarenlang was hij secretaris van SOG en actief voor het weekblad “De Streek”. Maar het sterkst betrokken bleef hij toch altijd bij culturele minderheidsgroepen. Het kwam door zijn ‘missionarissenbloed’, zoals Martin het zelf noemde, dat hij zich tot hen aangetrokken voelde en dat hij zich altijd heeft ingezet voor minderheidsgroepen. Ook latere asielzoekers konden rekenen op zijn oprechte belangstelling en steun.
Vertrouwenspersoon
Pater Van der Drift heeft steeds een bijzondere positie in de Gemertse Indische gemeenschap ingenomen. Hij kende het wel en wee van heel wat Indische gezinnen en werd vooral beschouwd als een huisvriend. Op Indische avonden was hij steevast van de partij. Het bestuur van BINGO, de Indische vereniging die streefde naar intensivering van de contacten met de Gemertse burgers, benoemde hem tot erelid.
Het eerste contact met de Indische gemeenschap had echter een tragische achtergrond. Als assistent van pastoor Strijbosch van de nieuwe Gerardusparochie, komt pater Van der Drift in maart 1957 op condoleancebezoek bij de familie Lenoir op de Berglaren. Het zesjarig dochtertje van de familie was op tragische wijze om het leven gekomen bij een auto-ongeluk. Hij maakte toen kennis met diverse Indische mensen en al snel kreeg hij uitnodigingen om eens aan te komen. Zo groeiden de contacten met de Indische gemeenschap. Katholiek of protestant, het maakte hem niets uit.
Voor de Indischen werd Martin van der Drift een soort vertrouwenspersoon. Hij genoot hun respect en vertrouwen vanwege zijn hartelijkheid, openhartigheid en zijn toegankelijkheid. Er was altijd wel een aanleiding om bij iemand op bezoek te gaan. Dat gebeurde meestal ’s avonds. Ouders rekten zijn bezoek tot de kleinere kinderen naar bed waren en daarna kwamen de verhalen los. Over Indië, over het leven ginds, over hun ervaringen in de oorlog, maar ook over hun problemen hier met Gemertenaren en hun gewoontes, met hun eigen kinderen of over huwelijksproblemen. Over financiële perikelen ook wel eens, maar niet zo vaak. In die gevallen verwees hij naar hulpverleningsinstanties.
Bij de integratie van de Indische Nederlanders in de Gemertse samenleving heeft pater Martin van der Drift een heel belangrijke rol gespeeld. Zonder hem zou die zeker stroever zijn verlopen.
Pastor
Een bijzondere rol speelde pater Van der Drift ook als parochiegeestelijke. Als pastor ging hij voor bij de wekelijkse vieringen in de kapel van het kasteel. Toen binnen de katholieke kerk dramatische veranderingen plaatsvonden, – het aantal priesters en praktiserende gelovigen nam sterk af -, verstond hij de geest van de tijd. Samen met veranderingsgezinde parochianen vormde hij de kapelgroep, die op eigentijdse wijze invulling gaf aan de geloofsbeleving. Aan uittreden heeft hij nooit gedacht. Niet dat hij geen moeite had met sommige pauselijke wetten en uitspraken, maar hij vergeleek de kerk en de paus met een vader en zijn gezin. Ook al zou hij problemen hebben met zijn vader, daarom zou hij het gezin nog niet de rug toekeren. Ruimdenkend als hij was, toonde pater Van der Drift steeds warme belangstelling voor mensen met een andere cultuur en een ander geloof. Hij stond open voor andersdenkenden en respecteerde hun overtuiging.
Met het overlijden van pater Martin van der Drift is een geestrijke man heengegaan, die zich meer dan een halve eeuw in dienst heeft gesteld van de Gemertse gemeenschap.
GH-2003-04 Wat aan de verbouwing van de Kerkstraat voorafging
WAT AAN DE BEBOUWING VAN DE KERKSTRAAT VOORAFGING
Jan Timmers
Het is in lang niet alle gevallen mogelijk om na te gaan wanneer bepaalde percelen in het dorp Gemert ontgonnen werden of wanneer er voor het eerst een woonhuis op werd gebouwd. Voor de percelen aan de Kerkstraat, gelegen tussen de kerk en de Ruijschenbergstraat, is dat wel het geval.
Van het perceel op de hoek van de Kerkstraat en de Ruijschenbergstraat kenden we al langer de eigenaar in 1477: Jan Goyarts van Geldrop. Tot voor kort was het vermoeden dat hij het perceel had gekocht van Goyart van Gemert, de zoon van Diederik, laatste heer van Gemert. De reden voor deze veronderstelling was dat het perceel nagenoeg aan alle zijden was ingesloten door bezit van de familie Van Gemert en bovendien was er een verkoop van goederen van Goyart van Gemert aan Jan van Geldrop, zonder dat bekend is om welke goederen het precies ging1. De verkoopakte van het betreffende perceel was echter niet gevonden. Dat is intussen wel het geval. Naar nu blijkt kreeg Jan van Geldrop het perceel in erfpacht van de Commandeur van Gemert. In het archief van de Commanderij is deze akte niet bewaard gebleven. De rentmeester van de Duitse Orde, die de erfpachten jaarlijks moest innen, noteerde in zijn register: “non inveni litteras in registrium” (ik heb geen brieven hierover in het register aangetroffen). Doorgaans werden alle verkoopakten bewaard, zowel door de koper als de verkoper en bij verkoop van een perceel gebeurde dit “met de alde brieven”. Dat wil zeggen dat ook de oude eigendomsbewijzen aan de nieuwe eigenaar werden overhandigd. Dat was het geluk van de rentmeester, want hij noteerde eveneens: “Maer Jan Valcks heeft mij sijnen brief gleent daer hijt mede van den voorsegden Oerden gecoeft heeft”. Eén van de latere eigenaren, Jan Valcks, had de oorspronkelijke brief dus nog en de rentmeester heeft hem mogen lenen om er een kopie van te maken.2 De uitgifte in erfpacht betrof een perceel van 2 lopense gelegen naast de steeg (thans Ruijschenbergstraat) die gaat naar het huis dat van Dirk van Gemert was (Hooghuis en Hofgoed) en aan de andere kant naast een perceel van het Huis van Gemert (de Commanderij dus). Verder lag aan het ene einde de hoeve die van Dirk van Gemert was (het Hofgoed) en aan het andere eind de gemene straat (thans Kerkstraat). De verkoop vond plaats op 25 juni 1477.
Op diezelfde dag werd het aangrenzende perceel aan de Kerkstraat door de Duitse Orde in erfpacht uitgegeven aan Dirk Goyarts van Geldrop, de broer van Jan. Van deze akte is wel een exemplaar in het Commanderijarchief bewaard gebleven. Hier ging het om een perceel van 1 lopense gelegen tussen een perceel van het Huis van Gemert en een perceel van Jan van Geldrop met aan een eind de hoeve die van Dirk van Gemert was (het Hofgoed) en aan het andere eind de gemene straat (Kerkstraat).3
Tussen het perceel dat aan Dirk van Geldrop was verkocht en de kerk van St Jan met het bijbehorend kerkhof, lag kennelijk nog een stuk grond dat nog even van de Duitse Orde bleef. In 1501 blijkt echter dat Dirk, zoon van Maes Dirk Michiels eigenaar is van een perceel bij de kerk naast de kerkhof en aan de andere kant naast een perceel van Dirk van Geldrop en aan een eind een perceel behorend bij de hoeve die eertijds van Dirk van Gemert was. Tegelijkertijd wordt geschreven dat Dirk dit perceel voortijds verkregen had van Jan van Eynatten, Commandeur van Gemert. De transactie moet na 1483 hebben plaatsgevonden, omdat Jan van Eynatten daarvoor nog geen commandeur was. Bij de verkoop ging het om een “camp lands”, terwijl er in 1501 inmiddels een huis op gebouwd was.4
Bij de verkoop van de eerste twee percelen aan Jan en Dirk van Geldrop is in het geheel geen sprake van dat op de percelen een huis stond. In 1477 was het terrein tussen de kerk en de Ruijschenbergstraat kennelijk nog geheel onbebouwd. Na de verkoop door de Duitse Orde blijken de kopers er overigens vrij snel een huis op te bouwen. Jan van Geldrop bouwde vóór 1481 een huis. Zijn broer Dirk vóór 1483 en Dirk Maes Dirk Michiels (die later de naam De Cremer draagt) vóór 1501.
Behalve dat we nu weten dat de percelen aan de westkant van de Kerkstraat vóór 1477 nog onbebouwd waren, kunnen we ook nog iets zeggen over de ontginning van dit terrein.
Het gebied was vóór 1477 eigendom van de Duitse Orde. Het sluit aan bij het gebied waarop vanaf ca 1400 het kasteel werd gebouwd en waarop ook de kerk van St Jan de Doper werd gebouwd vanaf ca 1430. Al die grond behoorde tot de bezittingen van de Commanderij, echter nog niet zo heel lang. Vanaf het moment dat de Duitse Orde plannen maakte voor de bouw van het kasteel en kerk ontstond er grote onenigheid tussen enerzijds de Duitse Orde en anderzijds de familie Van Gemert. De Van Gemerts beweerden bij hoog en bij laag dat het gebied hún eigendom was. De Duitse Orde beweerde daarentegen dat dat grondgebied inmiddels eigendom van de Orde was, omdat Diederik van Gemert destijds (in 1366) zijn gehele heerlijkheid, inclusief alle daarbij behorende gemene gronden, aan de Duitse Orde had verkocht. In de periode van 1391 tot 1394 worden meerdere oorkonden opgemaakt over het geschil tussen beide partijen. De ingeschakelde scheidslieden trekken steeds de conclusie dat de betreffende percelen tot de gemene gronden behoren en dus eigendom zijn geworden van de Duitse Orde. We zullen hier niet verder ingaan op het geschil zelf, omdat het belangrijkste gegeven voor ons nu is, dat de betreffende percelen kennelijk in 1394 nog niet ontgonnen waren, want dat is de essentie van gemene gronden.
De ontginning heeft kennelijk plaats gehad tussen 1394 en 1477, immers bij de verkoop door de Duitse Orde wordt vermeld dat het om percelen “land”gaat; een term die in gebruik was voor akkerland.
De conclusie is dus dat een fors gebied, midden in de huidige kern van het dorp Gemert, in ieder geval tot 1394 onontgonnen was en pas na 1477 werd bebouwd.

NOTEN
1. Jan Timmers, Ontwikkelingen in middeleeuws Gemert, in Het Hooghuis te Gemert, bijdrage tot de geschiedenis van Gemert deel 27, blz 94.
2. Archief Commissie van Breda, inventarisnummer 430 folio 22.
3. Inventaris Archief Kommanderij van de Duitse Orde te Gemert (AKDOG) nr 606, regest 376
4. AKDOG inventaris nummer 793. In de inventaris staat dat het perceel de naam Vollicke camp droeg, echter dat berust op een leesfout.
| Enige genealogische gegevens van de familie Van Geldrop
Goyart van Geldrop, zoon van Philips van Eijck, had een natuurlijke zoon Dirk, die priester was en pastoor (investiet) van Fooz. Dirk was van 1407 tot 1412 eigenaar van het goed De Wouw in Gemert. Deze Dirk van Geldrop had vier natuurlijke kinderen bij Kartha, dochter van Ywaen van Tricht. De vier kinderen zijn: a. Katelijn, gehuwd met Johannes Kock van Roda b. Heilwig, gehuwd met Aert Spierinc c. Margriet, gehuwd met Anthonis, natuurlijke zoon van de kannunnik Goyart van de Velde d. Goyart van Geldrop, gehuwd met Margaretha, natuurlijke dochter van Jan van Kryekenbeek. Uit dit huwelijk de zonen Dirk, Jan en Ywaen. Dirk en Jan zijn de broers die de percelen aan de Kerkstraat gaan bebouwen. Bronnen: Fiches Bossche Protocollen; Inventaris Archief Kommanderij Gemert van de Duitse Orde; A. van den Bichelaer, Het notariaat in stad en meierij van ‘s-Hertogenbosch tijdens de late middeleeuwen, bijlage 1. |
