GH-2003-04 Middeleeuwse boerderijbeschrijvingen
MIDDELEEUWSE BOERDERIJBESCHRIJVINGEN
Jan Timmers
In het kader van het jaar van de boerderij werd door de heemkundekring een boekje uitgegeven met drie fietstochten door de gemeente Gemert-Bakel met daarin korte beschrijvingen van maar liefst 170 boerderijen. Allemaal bestaande panden, waarvan een aantal nog geen 100 jaar oud, anderen veel ouder. Van sommige gaan delen zelfs terug tot in de 17de of misschien 16de eeuw. Middeleeuwse boerderijen kennen we niet. Als we willen weten hoe de boerderijen van toen er hebben uitgezien zijn we vaak aangewezen op oude schilderijen van bijvoorbeeld Pieter Breughel of Jeroen Bosch. We vragen ons dan wel af of dergelijke boerderijen ook in Gemert hebben gestaan. Dat blijkt inderdaad het geval te zijn. We kennen dan wel geen schilderijen of tekeningen uit de middeleeuwen van dergelijke gebouwen in Gemert, maar in middeleeuwse archiefstukken komen beschrijvingen voor, die nauwkeurig genoeg zijn om ons daarvan een beeld te kunnen vormen.
In 1446 geeft Henrick Becker, de eigenaar van het goed Hazeldonk, opdracht aan Maes Blox om een nieuw gebouw te timmeren op de Hazeldonk. In de beschrijving werden zelfs de maten van het gebouw vermeld. De tekst van de Helmondse schepenakte zullen we niet herhalen, omdat die al eerder in Gemerts Heem werd gepubliceerd.1 Nadien verscheen in het tijdschrift Brabants Heem van de hand van Herman Strijbosch een artikel over een middeleeuwse boerderij uit Broekhoven, waarvan het oorspronkelijke houtskelet nog bewaard was gebleven als onderdeel van een bestaand gebouw.2 Er kon een reconstructie worden gemaakt van dat middeleeuws gebouw. Opmerkelijk was dat de beschrijving van de Gemertse hoeve Hazelbosch precies overeen kwam met de reconstructie van de Broekhovense hoeve. Zelfs de maten kwamen met elkaar overeen. De reconstructie van het Broekhovense gebouw kan dus tevens gelden als reconstructie van het pand dat in 1446 op de Hazeldonk werd “getimmerd”.
Inmiddels werd in de Gemertse schepenprotocollen nog een bouwovereenkomst aangetroffen uit 1494. In deze overeenkomst wordt de boerderij die moet worden gebouwd globaal beschreven. Ter informatie volgt de complete tekst.3
Een vorwarde van eenen tymmeringen gemaeckt tuschen Jan Henrycks ende Heymeryck Jan Tymmermans, dat Heymeryck Jannen Henrycks tymmeren ende maken sal een huys van v gebonden groet van Jan Henrycks hout ende dat huys sal Heymerick Jannen maken ende leveren rontome op syn stock metter uutcameren ende al tot den latten toe ende totten doerren toe ende Heymeryck sal noch maken vijff rybben voer uutgebonden met iii cruysvensteren ende met sine gelaessgaeten gelyck dat behoert ende noch sal hy maken een sijeldoer met ii gelaessgaeten als des behort ende alle dyt hout sal hem Jan Henrycks doen ende Jan sal dat tymmerhout moten doen sagen te langhs ende Heymken salt te wers sagen ende wyl Jan Henrycks daer over aen gemaeckt hebben then hier voer in bescheyen is dat sal Jan hem sonderlengen loenen ende dese wermen sullen lanck sijn lx voet met einen overspronck ende met einen topbalck ende Jan Henrycks sal Heymke met sinen knecht den cost doen al die wijllen dat hy tymmerende is ende soe sal Heymken Jannen maken dyt hij huys lofber ende wael tot tymmeren met pryssen ende hyer aff sal Jan Henrycks Heymken besorgen v peter elcken peter van xix stuiver ende Heymken sal aen dyt werck bestaen te wercken ter stont nae paessen naescomende ende getugen hier bij ende over geweest Jan van Hout, Jacop van Hugenvort ende Jan Vogel ende meer anderen.
Vrij vertaald kunnen we lezen dat Heimerik Jan de Timmerman een huis timmert voor Jan Hendriks. Jan moet zelf het hout leveren. Heimerik maakt het houtskelet (de “stock”) met uitkamers, kompleet tot en met het latwerk en de deuren. Bovendien maakt hij een overstek van vijf balken (ribben). Er komen drie kruisvensters in met openingen voor het glas. Verder een deur in de zijgevel met twee openingen voor glas. De wormen moeten 60 voet lang zijn met een overstek en een topbalk.
Alhoewel dat niet als zodanig wordt gezegd gaat het hier om de constructie van het houtskelet van een boerderij, bestaande uit ankerbalkgebinten, waarover in de lengterichting een balk (de worm) wordt aangebracht. Op dit houtskelet rust de kapconstructie. De wanden zullen vakwerkwanden zijn, waarvan het vlechtwerk niet door de timmerman wordt gemaakt. Hij levert het huis op tot en met de latten, deuren en ramen. Feitelijk levert hij al het timmerwerk, wat ook de kern van het huis was. De afwerking van de vakwerkwanden, de dakbedekking (doorgaans van stro) en het plaatsen van glas in de ramen horen er niet bij.
Vergelijken we de constructie met het huis op de Hazeldonk dan valt op dat er grote gelijkenis is. Het grootste verschil is de lengte van het pand. Op Hazeldonk is sprake van een houtskelet van drie gebinten, terwijl het hier gaat om vijf gebinten. De lengte van De Hazeldonk was 28 voet en hier is het huis 60 voet lang. De afstand tussen twee gebinten is dus in het ene geval 14 voet en in het andere geval 15 voet. Omgerekend is dat een afstand van 4 tot 4¼ meter. De afstand tussen de gebinten bij nog bestaande oude boerderijen komt hier redelijk goed mee overeen. De totale lengte van het huis kwam op 17 meter. De oude hallenhuizen, die bij bouwhistorisch onderzoek in Noord-Brabant zijn aangetroffen bestaan vaak uit vier ankerbalkgebinten, soms uit vijf. De hier beschreven boerderij is voor zijn tijd een tamelijk lang gebouw.
Een andere overeenkomst met De Hazeldonk is de vermelding van een overstek. Als de gegevens goed zijn geïnterpreteerd gaat het hier om een uitkragend zolderfront aan de voorzijde van het huis. De voorgevel steekt een stuk naar voren, vanaf zolderhoogte tot aan een topbalk, die de twee wormen in de zijgevels met elkaar verbindt. Dit uitkragend zolderfront rust op vijf zolderbalken die in de lengterichting van het huis op de ankerbalken liggen en bij de voorgevel een stuk uitsteken. Op deze balken rust ook de zolder van het woongedeelte van de boerderij. We mogen ervan uitgaan dat er naast de vijf “ribben” ook nog in de zijgevels vooruitstekende balken aanwezig zijn. Als de lengte van een ankerbalk en daarmee de breedte van het huis, de gebruikelijke afmeting van ca 6 meter heeft, betekent het dat de zolderbalken één meter uit elkaar liggen. Bij het huis op Broekhoven tekent Herman Strijbosch tien zolderbalken.
Er is nog een bijzonderheid te melden bij onze boerderij. In het “bestek” is sprake van een uitkamer. Daarmee wordt waarschijnlijk een soort van aanbouw bedoeld; een deel van het gebouw dat buiten de hoofdbouw en dus buiten het houtskelet van het pand gebouwd wordt. De vraag is dan natuurlijk waar die aanbouw zich zal hebben bevonden. In de beschrijving wordt de plaats van de uitbouw niet aangegeven Dat betekent dat de plaats min of meer voor de hand heeft gelegen en dat de timmerman wel geweten zal hebben waar hij die uitbouw moest maken. Een aanbouw in de lengterichting is niet waarschijnlijk. Op de eerste plaats omdat het huis al relatief lang is en op de tweede plaats, omdat een verlenging van het huis zou betekenen dat er een extra gebint moet worden gemaakt. In dat geval zou de opdracht dan veel eerder geweest zijn om een huis te bouwen van zes gebinten en de vermelding van de uitbouw zou dan achterwege zijn gebleven.4
Verder staat er letterlijk in de tekst: “metter uutcameren”, en dat is meervoud. Er is dus sprake van meer dan een aanbouw. Mijn conclusie is dat met de “uutcameren” bedoeld wordt dat aan het hoofdgebouw aan weerszijden een zijbeuk moest worden aangebracht. Dat betekent dat er in zijn geheel een drieschepige constructie ontstond, die we bij de oudste nog bestaande boerderijen nog steeds kennen.
Hiermee hebben we wel een duidelijk verschil met het huis op De Hazeldonk. In dat bestek is in het geheel geen sprake van een of twee zijbeuken. Daar is in 1446 een huis zonder zijbeuken gebouwd. Het gebouw dat Herman Strijbosch reconstrueerde in Broekhoven heeft aan één zijde een zijbeuk en het pand dat in 1494 in Gemert werd gebouwd had kennelijk twee zijbeuken. Tot nu toe wordt in de literatuur over de ontwikkeling van de Brabantse boerderij automatisch aangenomen dat in de middeleeuwen steeds sprake was van drieschepige gebouwen. Uit opgravingsplattegronden van boerderijen uit de 13de eeuw blijkt dit steeds het geval te zijn. Uit de voorbeelden die we nu hebben gezien blijkt dat in de 15de eeuw die drieschepige opzet niet steeds realiteit was. In het hier beschreven bestek wordt expliciet vermeld dat er zijbeuken moeten worden gemaakt, waaruit blijkt dat dat (nog) niet vanzelfsprekend was. We moeten daarom vraagtekens zetten bij de opvatting dat de drieschepige opzet continue vanaf de middeleeuwen in gebruik was. Daarmee is een geleidelijke ontwikkeling van de boerderij vanuit de archeologisch bekende plattegronden ook niet vanzelfsprekend.
NOTEN:
1. Jan Timmers, Een nieuw gebouw op de Hazeldonk in 1446, Gemerts Heem 1987, nr 3.
2. Herman Strijbosch, Hofstede in Broekhoven? De bouwgeschiedenis van een gesloopte boerderij, Brabants Heem jrg 50 (1998) nr 4 blz 150
3. Rijksarchief Den Bosch; Gemert R 98, los bij f7, anno 1494
4. In het vorige nummer van Gemerts Heem is een globale reconstructie van de Haageijk rond 1500 geschetst. Daar is, overigens zonder argumentatie, een “uutcamer” geïnterpreteerd als een uitbouw in de lengterichting. Simon van Wetten, Gemert vóór vijfhonderd jaar-1 (Haageijk), Gemerts Heem 2003, nr 3, blz 13.
GH-2003-03 Wie was Jonkvrouw Ysentruit ?
WIE WAS JONKVROUW YSENTRUIT?
Jan Timmers
Wouter Spiering van Gemert was de tweede of derde zoon van Diederik van Gemert en Sophia van Dinther. Diederik was de laatste heer van Gemert uit de adellijke familie van Gemert. In 1366 verkocht hij zijn heerlijkheid aan de Duitse Orde. Van Wouter Spiering is niet veel bekend. Hij zal vlak na 1366 zijn geboren. Hij had twee natuurlijke kinderen, die hij waarschijnlijk in Gemert kreeg. Vóór mei 1421 is Wouter Spiering overleden. Uit een vermelding van 1432 weten we hoe zijn vrouw heette. Dan wordt vermeld dat Leunis van Gemonde gehuwd was met Ysentruit, de weduwe van Wouter Spiering. Hij had geen wettige erfgenamen. In het hertogelijk cijnsregister van 1418 betreffende Bakel vinden we als achtereenvolgende cijnsbetalers:
Spierinc filius Theodoric de Gemert pro relicta et liberis Theodorici de Gemert
Domicella IJsentrudis relicta
Godefridus de Ghemert
Godefridus de Langvelt gener
Hieruit blijkt dat Domicella (Jonkvrouw) IJsentrudis erfgenaam van Wouter Spiering was en dat vervolgens de cijnsgoederen overgingen op Goyart van Gemert, de broer van Wouter Spiering en vervolgens op diens schoonzoon Goyart van Lankvelt.
Ysentruit was kennelijk jonkvrouw, maar verder wordt niet duidelijk uit welke familie of streek ze afkomstig was. Misschien komen we een stapje dichterbij via een tekst op internet, afkomstig uit een leenregister van het Huis Bergh. Daar wordt een leengoed genoemd te Leuth in de Duffel (tussen Nijmegen en Kleef -red.) met de achtereenvolgende leenverheffingen:
1. Isentruyd, Wolter Spyrinx wiif van Ghemert. Hulder is haar man, dien zij aan dit leen lijftocht, 1417 October
2. Deric van der Horst, haar dochters zoon, na overgifte door Ysetrut. Hij lijftocht haar, 1432 Juni 3. Nota: Ick meynde, dat Elbert van Alphen dit van Deric hefft
3. Heer Johan van Alphen, heer tot Honepel, 1462 September 22
4. Werner van Pallant Carcelissoen, heer tot Bredebant, als man van de dochter van Elbert van Alphen, 1470 April 25
Ysentruit bezat kennelijk een leengoed in Leuth, waarvoor haar man Wouter Spiering van Gemert in 1417 leenhulde deed. Daarna wordt leenhulde gedaan in 1432 door de kleinzoon van Ysentruit met als naam Dirk van der Horst. Na hem komt het leengoed aan leden van de familie Van Alphen. Ook hier weer geen nadere naamsaanduiding van Ysentruit. Zij had kennelijk wel een dochter, die met een Van der Horst trouwde en een zoon Dirk had. Dit kan echter geen dochter van Wouter Spiering geweest zijn, anders was zij beslist zijn erfgenaam geweest in zijn Gemertse en Bakelse goederen. Gezien het feit dat in 1432 de kleinzoon van Ysentruit al volwassen was is het ook onmogelijk dat het om een kleinzoon van Leunis van Gemonde gaat. Die huwde pas na 1421 met Ysentruit. Conclusie is dat Ysentruit al gehuwd geweest was voordat zij met Wouter Spiering trouwde. Uit dit eerste huwelijk moet dan de dochter stammen. Van dit huwelijk zijn echter tot nu toe geen gegevens bekend. We zullen nog moeten blijven zoeken naar de afkomst van Ysentruit en haar eerste relatie. Dat zij goederen in de Duffel had wil nog niet zeggen dat zij ook uit die streek afkomstig was. De goederen kunnen namelijk behoord hebben tot de bezittingen van haar eerste echtgenoot.
GH-2003-03 Cultuurhistorische aspecten van wijstgronden
CULTUURHISTORISCHE ASPECTEN VAN WIJSTGRONDEN
Jan Timmers
De peelrandbreuk is een breuk in de ondergrond. Ter hoogte van breuklijnen verschuiven aardlagen in verticale richting ten opzichte van elkaar. Oostelijk van de peelrandbreuk stijgt het oppervlak, westelijk van de breuk daalt het juist. Eén van de effecten van de peelrandbreuk is dat het grondwater, dat van hoog naar laag en dus van oost naar west wil stromen, door de peelrandbreuk wordt tegengehouden. Het grondwater kan de breuk moeilijk passeren en door de hydrostatische druk wordt het grondwater ter hoogte van breuk omhoog gestuwd. Dit kwelverschijnsel is langs de peelrandbreuk op veel plaatsen aanwezig en veroorzaakt daar natte, moerassige stroken grond, die in de volksmond wijstgronden worden genoemd1.
Het begrip wijst komt al in de middeleeuwen voor. In 1444 komt in de zogenaamde Bossche Protocollen aangaande Nistelrode de plaatsaanduiding voor: “op Delst aen die wijst” en elders lezen we “lant aen die wijst”. Duidelijk wordt dat de naam “wijst” al in de middeleeuwen in gebruik was, en bovendien blijkt dat in de onmiddellijke nabijheid ervan al grond in cultuur was gebracht. Of de naam wijst overal langs de peelrandbreuk een even oude geschiedenis heeft is moeilijk vast te stellen. Opvallend is dat in het noordelijk gedeelte (van Heesch tot Uden) de naam ook terugkomt in veldnamen en de namen van nederzettingen (o.a. Hoge en Lage Wijst in Heesch) en familienamen (van der Wijst en Verwijst). Van een Udense familie Van der Wijst is bekend dat de eerste die de naam Van der Wijst droeg woonachtig was op de wijstgronden bij Hoenderbosch. De middeleeuwse vermeldingen van het woord “wijst” hebben in het algemeen ook betrekking op de plaatsen Uden, Nistelrode en Heesch. In het zuidelijk deel van de peelrandbreuk zijn geen middeleeuwse vermeldingen bekend 2. Opvallend is daar wel het voorkomen van de namen Sprenk (ten zuiden van De Mortel) en Sprèng tussen Esp en Geneneind in Bakel. Beide liggen op wijstgebied. De naam refereert duidelijk aan de kwel van water. Elders komt de naam Spreng voor in combinatie met de bron van een beek, de plaats waar een beek ont-“springt”. In het meer recente verleden komt het begrip ‘wijst’ overal langs de peelrandbreuk voor.
Dat wijstgronden voor de bewoners iets onverklaarbaars en intrigerends hadden blijkt uit verhalen van oudere mensen, die er van overtuigd zijn dat de wijst een onderaardse rivier is. Dat wordt mede veroorzaakt door de ligging van de wijst langs de peelrandbreuk, waardoor een min of meer lijnvormig verschijnsel ontstaat. Dit werd kennelijk, bij gebrek aan een betere verklaring, direct vertaald in een onzichtbare en dus onderaardse rivier.
Effect op het verloop van beken
Oostelijk Noord-Brabant ligt op een hellend vlak. Het oppervlak helt globaal in zuidoostelijke richting. De beken lopen daarom, globaal genomen, in noordwestelijke richting. Op een overzichtskaartje constateer je dat alle beken naar Den Bosch lopen. De peelrandbreuk heeft een oriëntatie die nagenoeg hetzelfde is, maar niet helemaal. Gezien het natuurlijk reliëf lopen beken gemiddeld genomen nagenoeg parallel aan de peelrandbreuk, maar naderen deze langzaam vanuit oostelijke richting. Op het moment dat de beek de terreinhelling bereikt, die met de peelrandbreuk gepaard gaat, wijzigt het verloop van de beek abrupt. Hij neemt dan het grootste verval en draait recht naar de breuk toe. Als de beek de terreinhelling rond de breuk gepasseerd is, neemt hij zijn oorspronkelijke stroomrichting (noordwestelijk) vervolgens weer aan. Dit verloop is niet overal herkenbaar vanwege lokale “verstoringen” in het reliëf, maar is duidelijk aanwezig bij De Leygraaf in Uden en De Rips in Gemert. Bij de Esperloop in Bakel en de Vlier in Deurne is dat ook het geval, maar wat minder duidelijk. Bij kleinere beken komt het verschijnsel eveneens voor.
Een tweede punt dat aandacht verdient is dat wijstgronden heel vaak de plaatsen zijn, waar natuurlijke beken hun oorsprong vinden. Op moderne topografische kaarten is dat minder duidelijk, maar uit vergelijking met oude kaarten blijkt dat veel beken bij de peelontginning in oostelijke richting werden verlengd. Op oude kaarten is het oorspronkelijke beginpunt van de beken aangegeven. Voor de gemeente Gemert-Bakel zijn de natuurlijke beken samen met de peelrandbreuk(en) op kaart gezet. Opvallend is dan dat de bron van de meeste beken op de wijstgronden ligt.
Stuifduinen op wijstgronden
Er wordt wel beweerd dat stuifzand door de natte wijstgrond eerder wordt ingevangen en vastgehouden, zodat er ter hoogte van de breuk (en de wijstgrond) stuifgebied ontstaat. Als dat de plaats van de stuifduinen zou verklaren, dan mag je ervan uit gaan dat het stuifgebied zich ten oosten van de breuklijn bevindt, gezien de overheersende westenwinden. Het zand wordt dan op de wijst ingevangen en later kan het stuifgebied zich dan verder oostwaarts uitbreiden. Opvallend is echter dat op plaatsen waar stuifzandgebieden op of over de breuk liggen, steeds een belangrijk deel van zo’n stuifzandcomplex toch aan de westkant van de breuk ligt. Dat geldt bij alle stuifzandcomplexen bij de peelrandbreuk. Dat zijn achtereenvolgens van noord naar zuid: Holenberg (Schaijk), Achterstraat (Nistelrode); Slabroek en Bedafse Bergen (Uden), Vliegberg (Boekel), Hogen Aarle (Gemert), Zandse Berg (Bakel), Stippelberg (Milheeze), Hoberg (Bakel). Het lijkt me daarom moeilijk overeind te houden dat juist de wijstgronden oorzaak zijn voor het ontstaan van de stuifduinen ter plaatse.
In publicaties over het wijstverschijnsel op de Stippelberg kom je regelmatig de term “stippels”tegen, die betrekking zou hebben op de vorm van de stuifduintjes ter plaatse. Deze naamgeving is echter niet gebaseerd op onderzoek, maar lijkt bedacht op basis van het uiterlijk dat de stuifduintjes op een topografische kaart hebben gekregen. De Stippelberg is een oud toponiem dat oorspronkelijk verbonden was aan het noordwestelijk deel van het complex. In de middeleeuwen heette dat gebied de Stegeberg. De naam verbasterde via Stîberg tot Stippelberg en wordt nu toegekend aan het gehele complex, zelfs aan het meest oostelijke deel. Enig verband tussen de naam Stippelberg of Stegeberg met de stuifduintjes blijkt nergens uit. Ook de benaming “stippel” voor een dergelijk stuifduintje kan niet herleid worden tot een oorspronkelijke benaming.
Effect op wegen
Omdat wijstgronden, zeker plaatselijk, erg moerassige en venige eigenschappen hebben, zijn ze moeilijk toegankelijk. In de loop van de ontginning en inrichting van het cultuurland zijn relatief kleine percelen ontstaan, die ook nog eens gekenmerkt werden door bijzonder versnipperde eigendomsverhoudingen. Om de bereikbaarheid van percelen te realiseren ontstond een zeer fijnmazig netwerk van wegen en paden. Opvallend is nu dat bij de wijstgronden dit fijnmazige netwerk in het algemeen ook wel aanwezig was, maar dat die padenstructuur bijna nergens de peelrandbreuk kruiste. Zowel vanuit het oosten als vanuit het westen liepen allerlei paadjes naar de wijstgronden, maar ze passeerden de wijstgronden niet. Deze vormden kennelijk een te groot obstakel. Opvallend is dat bij de wijstgronden in Uden en Nistelrode-zuid (St Annabosch, Raktse beemden, Revennen). Op een afstand van hemelsbreed drie kilometer kruisen van oudsher slechts vijf paden de peelrandbreuk, terwijl elders op cultuurgronden bijna elke 100 meter wel een pad te vinden was.
De oude hoofdwegenstructuur is duidelijk door de peelrandbreuk beïnvloed. Dat is niet alleen sinds de middeleeuwen zo, maar al eerder. Een oude prehistorische route volgt aan de westelijke en dus “droge” kant de peelrandbreuk. Het tracé verloopt vanaf De Heitrak (doorgang door de Peel) tot aan Heesch, via Deurne, Bakel, Gemert, Nistelrode. Ter hoogte van Uden werd het tracé Kraanmeer, Duifhuis, Hoogstraat, Brakke gevolgd. Op sommige delen van het tracé is het opvallend dat de route de peelrandbreuk op minimale afstand volgt. Dat is bijvoorbeeld het geval vanaf Bakel tot voorbij Gemert (Neerstraat, Oude Bakelsedijk, Oudestraat, Koksedijk). Op deze plaatsen is er dus een directe relatie tussen de oude weg en de peelrandbreuk.
Effect op overige infrastructuur
Mensen hebben in de loop van de tijd zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de eigenschappen van de wijstgronden. Aan de ene kant vormden ze een barrière en waren het moeilijk ontginbare gebieden. Aan de andere kant leverde de wijst water op. Diverse beken en beekjes ontspringen op de wijst en verzamelen water dat bijvoorbeeld bruikbaar was voor het aandrijven van watermolens. Langs de grotere Brabantse beken zijn meerdere watermolens te vinden. Opvallend langs de peelrandbreuk is dat ook aan kleinere waterlopen watermolens functioneerden. In de nabijheid van de peelrandbreuk treffen we watermolens aan te Deurne op de Vlier, ten zuiden van Bakel aan de Kaweise Loop (Molenhof), ten oosten van Uden op de Leygraaf en in Gemert op De Rips. De watermolens van Deurne en Gemert liggen exact op de peelrandbreuk. Bij beiden was sprake van een spaarbekken, de vloet genaamd, gelegen vóór de molen op de wijst. In dit spaarbekken werd water verzameld. Als het peil hoog genoeg was kon vervolgens de molen gaan draaien. De wijstgronden zorgden ook in de zomer voor wateraanvoer.
Ook in verband met het voortdurend beschikbaar zijn van water werden aan het eind van de middeleeuwen in de gemeente Gemert-Bakel drie omgrachte boerderijen aangelegd in de onmiddellijke nabijheid van de wijstgronden, die in droge zomers nog voor wateraanvoer zorgde. Het gaat om de Commandeurshoeve op Esp in Bakel, de hoeve Ten Hogen Aarle in Gemert (Lagen Aarleseweg) en huize Lankvelt (ook genaamd Het Slotje) in de huidige dorpskom van Gemert. Het gaat om bezittingen van vooraanstaande families, die door de aanleg van een gracht de status van hun bezit wilden accentueren. Alle drie lagen op minder dan 100 meter afstand van de peelrandbreuk. Ook de situering van de omgrachte kastelen van Gemert en Deurne zullen een relatie hebben met de Peelrandbreuk, evenals de inmiddels verdwenen burcht van Uden (bij de watermolen op de Leygraaf).
Tenslotte is er een duidelijk relatie tussen het bedevaartsoord Handel en de wijstgronden. In Handel wordt Maria vereerd, maar wat bij die verering eveneens een rol speelt is het zogenaamde wonderbare putje van Handel, gelegen in het processiepark achter de kapel. Het wonderbare putje bevatte zelfs in de droogste perioden nog water. Het feit dat een dergelijk putje een rol gaat spelen in de religieuze beleving van mensen en dat men het putje als wonderbaarlijk bestempelde, geeft aan dat het wijstverschijnsel werd ervaren als een speciaal verschijnsel dat slechts verklaard kon worden als “wonder”. Dat het putje precies op de wijst ligt bij de storing van Handel-west zal voor de huidige lezer niet meer verrassend zijn.
NOTEN:
1. Voor een uitgebreidere beschrijving van de peelrandbreuk en het wijstverschijnsel zie bijvoorbeeld J. Timmers, De Wijst, Gemerts Heem 1986, nr 1 blz 15 e.v.
2. De vermeldingen in Nistelrode zijn ontleend aan: Rien van Berkom, Veldnamen, voorlopige lijst van toponymen in Nistelrode en Vorstenbosch van 1420-1455 en van 1800-1910, Nistelrode 1987. In “Van den Aabeemd tot de Zwijnsput, Toponiemen in de cijnskring Helmond vóór 1500 in naamkundig en nederzettingshistorisch perspectief van Henk Beijers en Geert-Jan van Bussel komt geen enkel wijst toponiem voor.
GH-2003-03 Betekenis enkele Gemerste woorden heroverwogen!
STRIEPPOLLENG EN MILKOERS
BETEKENIS ENKELE GEMERTSE WOORDEN HEROVERWOGEN I
Wim Vos
In Gemerts Heem, jg. 42, 2000, nr. 4, blz. 27 vroeg de Redactie (Ad Otten) de lezers welke vis bedoeld kon zijn met het woord strieppolleng n.a.v. een verhaal van Jan van de Laar. De redactie gaf zijn verhaal als volgt weer:
“In augustus 1932 brandde de oude boerderij Ploesterdonk aan de Wijnboomlaan vrijwel tot de grond toe af. De brandweer van Gemert was paraat maar stond machteloos. Jan van de Laar, de huidige bewoner van de (nieuwe) Ploesterdonk, weet zich te herinneren dat de brandweerlieden het bluswater betrokken uit de sloot aan de andere kant van de weg tegenover de boerderij. Met het slootwater zogen de spuitgasten indertijd ook nog iets anders de lucht in. Jan, toen een jaar of vijf-zes, vond het na de brand terug aan de andere kant van de verwoeste boerderij: Álleng hooëpe gerùkte strieppolleng! Wie kan ons vertellen welke vis er vroeger in de sloten van De Kampen kan hebben gezwommen die men de benaming strieppolleng meegaf?”
Welnu, het dialectwoord streeppaling, de vernederlandste vorm van strieppolleng komt voor in in het Woordenboek van de Brabantse Dialecten 1). Dr. Jos Swanenberg identificeert hierin deze vis als de grote modderkruiper of weeraal (Misgurnus fossilis) en beschrijft hem als volgt: “wordt 35 cm lang; een aalvormige vis met donkere overdwarse strepen en tien baarddraden om de bek; hij leeft in de modderige bodem van stilstaand water, sloten en vijvers; bij naderend onweer wordt de modderkruiper onrustig en gaat trilen; opvallend gedrag is ook de zogenaamde ‘accessoire darmademhaling’, in zuurstofarm water hapt hij naar lucht boven water, slikt die lucht in, haalt er in zijn spijsverteringsorganen zuurstof uit en stoot vervolgens de verbruikte lucht als ‘winden’ weer uit.”
Het dialectwoord streeppaling voor de grote modderkruiper wordt volgens Swanenberg gebruikt in Dinther en Nijnsel, evenals melkoors, melkaas, milkoors, die frequent voorkomen in Oost Noord-Brabant en ook in Weelde, andere varianten zijn meelkor in Knegsel en merkor in Moergestel en Luyksgestel.
Bij milkoors moest ik uiteraard onmiddellijk denken aan milkoers en mílkoors in het Gemerts Woordenboek 2). Daar heb ik geschreven dat de milkoers (mijn eigen uitspraak) of de mílkoors (de uitspraak van Martien van der Wijst 3)) o.a. in de Peelse Loop voorkwam, althans vóór de ruilverkaveling. Die mening was gebaseerd op een jeugdherinnering. Als jongens vingen wij daar namelijk tussen 1947-1950 een roestkleurig/ beige vis van ca. 12 cm met de hand tijdens het potjebaaje. In onze onkunde, naar nu blijkt, noemden wij die milkoers.
Toen in 1996 de Woordenlijst drastisch werd uitgebreid tot het Gemerts Woordenboek, definieerde ik de milkoers/mílkoors als de kleine modderkruiper (Cobitis taenia), op grond van a. de grootte van de kleine modderkruiper (12 cm) die overeenstemde met de vis die wij destijds milkoers noemden, b. de definitie van Van der Wijst (“een in modder levende vis” 3)) en c. de kleur van de kleine modderkruiper, die ook roestkleurig/beige was, net als de vis die wij als jongens met de hand vingen in de Peelse Loop.
Die identificatie blijkt fout te zijn geweest, omdat a. de Peelse Loop een sterke stroming had in die tijd en geen stilstaand water was, b. een gele zanderige bodem zonder modder had, c. Martien van der Wijst de mîlkoors (oude spelling) “een in modder levende vis” noemde, d. Dr. Jos Swanenberg, s.v. modderkruiper, de varianten melkoors, melkaas en milkoors en streeppaling noemt voor de grote modderkruiper en e. ook de beschrijving van mijn broer, Piet Vos, afweek van mijn herinne¬ring en meer overeenstemde met die van Swanenberg.
De conclusies van dit verhaal zijn:
a. Ik weet nog steeds niet hoe die beige visjes van ca. 12 cm heten die wij destijds in de Peelse Loop vingen (en die ook beslist niet leken op palingen, realiseer ik me achteraf).
b. In het Gemerts zijn strieppolleng en milkoers/mílkoors identiek en betekenen beide: grote modderkruiper (Misgurnus fossilis), die tot 35 cm lang kan worden en op paling lijkt en die heel goed in het stilstaande water van de Kampen kan hebben geleefd (en misschien nog wel leeft). Zie voor de verdere beschrijving van de milkoers/mílkoors/strieppolleng de derde alinea van dit artikel.
OPMERKINGEN:
A. Het tweede lid -koers/-koors zou ‘snorharen’ betekenen, als die van een kat; in Gennep wordt de grote modderkruiper dan ook mèrkat, mèrkétje genoemd; in Hoogstraten markat.
d. de grote modderkruiper (Misgurnus fossilis) wordt ook wel ‘donderaal’ of ‘weeraal’ genoemd in het Nederlands, omdat hij bij naderend onweer onrustig wordt en naar boven komt.
NOTEN:
1) Woordenboek van de Brabantse Dialecten, Deel III, sectie 4: De wereld tegenover de mens; Fauna, Aflevering 2 Overige dieren, Assen 2001 door Dr. J. Swanenberg, pp. 100-101, s.v. modderkruiper.
2) W.J. Vos en M.A. van der Wijst, Gemerts Woordenboek; Een keuze uit de woordenschat van het dialect van Gemert, Gemert, 1996, p. 110, s.v. mîlkoors.
3) M. A. van der Wijst, Gemertse Woordenlijst; Gemerts Heem, winter 1975-’76, nr. 61, p. 42, s.v. mîlkoors.
GH-2003-03 Gemert voor vijfhonderd jaar-I (Haageijk)
GEMERT VÓÓR VIJFHONDERD JAAR – I (HAAGEIJK)
Simon van Wetten
Een fors deel van het Gemerts schepenprotocol is inmiddels door de auteur van dit artikel getranscribeerd. De periode 1473-1690 is verwerkt, de periode 1790-1813 óók.1 Twintigduizend minuutakten vertellen elk een fragment van de Gemertse geschiedenis. Die fragmenten kunnen op verschillende manieren en in diverse combinaties aan elkaar worden geplakt. In een bij deze op te starten project wordt Gemert zoals het er een half millennium geleden ongeveer uit heeft gezien, in samenwerking met tekenaar Koos Brisco in beeld gebracht.
Het is goed om te benadrukken dat de volgorde van objecten, gebouwen en hun bewoners heel goed en dus waarheidsgetrouw uit de eeuwenoude mededelingen van de dorpsbestuurders is te destilleren, maar dat naar de vorm van die gebouwen en objecten en hun onderlinge verhouding en afstand slechts te gissen valt.
Deze eerste aflevering gaat over: De Haageijk
De naam Haageijk wordt pas op 3 februari 1505 voor het eerst in het protocol vermeld.2 Vóór die tijd werd het buurtschap aangeduid als “die Bruck”, “die Brug” en “die Brugge”, dat is de brug over de Rips, die de Haageijk op de T-splitsing Molenstraat/Nieuwstraat kruiste. De ligging van de nabije huizen in de (huidige) Nieuwstraat, Molenstraat en Haageijk werd dan omschreven als “aan” of “omtrent” de Brug. Dáár was de bebouwing het dichtst; verderop in de Haageijk – en trouwens ook in de Molenstraat en de Nieuwstraat – waren nog behoorlijk grote open plekken.3
Op de tekening kijken wij, als het ware met onze rug tegen de straatwand van de overgang tussen de Molenstraat en de Nieuwstraat staande, de Haageijk in. We zien op de voorgrond het bolronde van de brug (die immers ook wel de Hoge Brug werd genoemd), en concentreren ons voorlopig op de linkerzijde van de straat. Het eerste huis dat we daar zien, was de leerlooierij van Dirk Schut. Dirk was getrouwd met Lijsbet Melis Maessen, en het echtpaar was waarschijnlijk kinderloos, want in 1512 deed Dirk de looierij over aan zijn neef Jan Schut, onder de voorwaarde dat hij met Lijsbet in het huis mocht blijven wonen, in de “utcamer”, met nog een slaapkamer. Jan en zijn vrouw Katherine Anssems van Soersel zouden oom en tante dan ook verzorgen en om te beginnen een schoorsteen in die uitkamer laten aanbrengen. Op de tekening is de uitbouw, inclusief de extra schoorsteen, al aan de achterzijde van het huis aan’gebouwd’. Achter het huis was een boomgaard; Dirk mocht éénderde van het ooft uit die gaarde hebben.4
Naast Dirk Schut woonde aanvankelijk Hendrik van Lenen, die het huis door zijn huwelijk met Heijlwich, de dochter van Jacop van der Lijnden, had verworven. We zien van dit huis slechts een flinter van de voorgevel en een klein stukje van het dak. Na Hendrik was Art, zoon van wijlen Art Beckers de eigenaar. Hij verkocht, samen met zijn drie dochters, op 18 augustus 1503 het pand aan Haijwich, de dochter van Melijs Karlijs.5
Vervolgens, iets verder de Haageijk in – nog steeds aan de linkerzijde – zien we het pand dat wellicht al in die tijd verreweg het oudste huis van het buurtschap was: het Gasthuis.6
Dit gebouw was eigendom van de Armen Tafel van de Heilige Geest. Het bood onderdak aan zieken en gewonden, maar ook aan pelgrims en aan armen. De Gemertse armen die nog wel een eigen dak boven het hoofd hadden, konden op gezette tijden bij het Gasthuis hun aalmoes ophalen. Zij dienden een teken van hun armoede en van hun recht op bedeling op de kleding te dragen. Dat teken was een duifke.7 De vrouw op de tekening heeft blijkbaar net haar aalmoes geïnd.
Het laatste huisje dat we – ternauwernood – aan de linkerzijde waarnemen, is waarschijnlijk omstreeks deze ‘momentopname’ anno 1500 gebouwd. Een echte omschrijving van het huis treffen we pas in 1516 aan, maar het had toen al enige eigenaren versleten.8 Het was maar klein, met 12 roeijen (zo’n 240 m²) land er bij. Mogelijk was de bouwer de al genoemde Hendrik van Lenen, die ondanks de verkoop van het huis tussen de leerlooierij en het Gasthuis toch aan de Haageijk is blijven wonen.9 Op de vage gegevens omtrent dit pand en perceel kun je geen huis bouwen; daarom is het afgebeeld als zijnde in aanbouw.
Niet zichtbaar, maar vanaf nu voor u een weet is dat net om de hoek in de Haag een huis of hoeve stond waarin eerst Gerrit van Steyn en later zijn dochter Jenneke de scepter zwaaiden. Flinke stukken van de grond wat verder achter de huizen aan de linkerzijde van de Haageijk waren van de familie Van Steyn.10
We beginnen opnieuw, maar nu bekijken we de rechterzijde van de tekening. Het eerste deel is onbebouwd, de grote eik valt op.11 Die eik is wellicht de prieeleik, de boom die aanvankelijk de naamgever van deze plaats was, en tevens de logische voorloper van “de Haageijk”. In 1394 nog werden onder deze eik de rechtszittingen in Gemert gehouden. Daar was de oudste (?) dingbank, in de tijd dat het bestuurlijk centrum van Gemert nog werd gevormd door de lijn die te trekken valt tussen het mottekasteel en de watermolen. Toen de Duitse Orde steeds vastere voet én een kasteel in Gemert kreeg, werd in de loop van de 15e eeuw de dingbank verplaatst naar de Plaatse, het huidige Ridderplein.12 In de belending van de nabije huizen werd dit stukje onbebouwde grond omschreven als “erve der heren van Gemert”. Hier moet ook de wrijfmolen hebben gestaan die in de oude belendingen van het Goed Ter Watermolen wordt genoemd.13 Daarachter, richting watermolen, lag – voor ons dus buiten beeld – “die Vloet”, waarop de molenaar het water ten behoeve van de watermolen kon schutten.
De grote boerderij die het straatbeeld beheerste, was de (toen al minstens een eeuw oude) hoeve Ter Watermolen.14 Je kon namelijk, langs de hoeve lopend, naar de watermolen. In ‘onze’ tijd – we hebben het nog steeds over 1500 – was Hogart van den Ravenacker de hoevenaar van Ter Watermolen. Zoon Peter kocht in 1509 zijn drie broers en twee zusters uit:
De kinderen van Hogart van den Ravenecker, te weten Gherijt, Art, Hillegont, en ook de kinderen van Henrick Hogarts en met hen Art Steenbeckers als man van Geertruijt, hebben gezamenlijk overgegeven aan hun broer Peter hun deel van een huis, schuur en erfenis, geërfd van hun vader, gelegen aan den Brugge tussen erfenis Claes Goessens en erfenis der heren van Gemert en van die Roysp tot de gemeijnstraet. De cijns aan de Commanderije: 5 mud en 1 vat rogge, 4 vaten saets, 8 pond boter, 8 smael hoender, 100 eieren, 12 el vlaslaken en 4 voyer turf.15
Dankzij het bovenstaande citaat weet u ook wie de buurman van hoeve Ter Watermolen was: Claes Goessens, voluit Claes Goessens Oliestoters, die eerder in de Haag had gewoond. Claes’ vrouw heette Jenneke.
De buurman van Claes ter linkerzijde was Goert de Smet, maar waarschijnlijk stond diens woning een stuk verder van de straat af, omdat zijn huis ook vaak op de Fellenoerde werd gesitueerd, en dat toponiem moeten we zoeken in de rechthoek die wordt gevormd door de huidige Vondellaan, het Kruiseind en de Deel. “Op de Fellenoerde nabij die Rijtt” staat er heel vaak. De Rijt was de waterlaat die van de Rips naar de Kampen liep, ongeveer parallel met de Haageijk/Kruiseind/Pandelaar.16 De Rijt wordt ook veelal als de achtergrens van de percelen aan de oostzijde van de Haageijk genoemd. Veel “achterland” aan die zijde was van de familie Goert van Lancvelt. Hier lag ook ergens het huis en de schuur van Boeyke Wautghers en zijn vrouw Lijsbet, later van Haywig dochter van Peter Hermans. En verderop, ergens op de Fellenoerde, stond de “alde hostat” van Theuwen Denis. Deze had veel grond in de nabijheid van de Rijt en de Beverdijk.
Later, in 1524, werd het huis van Goert die Smet bewoond door ene Michiel Claessen, die heel goed een zoon van Claes Goessen die Oliestoter zou kunnen zijn.
Kijkt u nog maar eens goed naar de schets van Koos Brisco. En als u morgen bij het boodschappen doen door de Haageijk komt, dan gaan uw gedachten als vanzelf terug naar het aanzicht dat de tekening biedt. Op dat moment overbrugt u een periode van vijfhonderd jaar. Een heuse tijdreizig(st)er!
Vergeet uw boodschappen niet.
NOTEN:
1. Het oudste protocol in het Rechtelijk Archief (zo worden de boeken van de schepenen genoemd) dateert van 1473. In 1810 hield de schepenbank op te bestaan en werd vervangen door een vorm van gemeentebestuur zoals wij die nu nog kennen.
2. R99/485.
3. Er werden ook nog gewoon stukken land aan de Haageijk verhandeld, zoals in 1518 door de kinderen van Lucas Jan Gherijts van den Waterbeempt (R100/320).
4. Dirk had op zijn beurt het huis ooit van Thomas Pelgroms gekocht, en die had het weer van de Heiligegeestmeesters. Zie R99/963+964. Tegenwoordig bevindt zich op deze plaats het pand met de kapperszaken “Dorothé” en “Max”..
5. R99/406 en 407. Tegenwoordig staat op dit perceel de winkel van schilder Van den Heuvel.
Het lijkt er overigens op dat Hendrik van Lenen later aan de andere zijde van het Gasthuis een nieuw huis heeft gebouwd (R99/1032).
6. Niet te verwarren met het Gasthuis in de Nieuwstraat dat de wat oudere Gemertenaren nog zo goed hebben gekend. Tegenwoordig bevindt zich op deze plaats de meubelzaak Rooijackers.
7. Ad Otten, 100 jaar bejaardenzorg (Gemert 1977) 11-12.
8. R100/162.
9. R99/1032.
10. Zie bijvoorbeeld R102/242.
11. Hier ligt tegenwoordig het parkeerplaatsje in de vork van de Haageijk en de Molenstraat.
12. Ad Otten, ‘Haageijk: Gerecht in Prieeleik’, in: Gemerts Heem 43, nr. 3 (2001) 27-28.
Zie ook Alphons van den Bichelaer, Het notariaat in de Meierij van ‘s-Hertogenbosch in de late middeleeuwen, bijlage I.; RA ‘s-Hertogenbosch KADOG inv. nr. 1083.
13. Ad Otten, ‘De watermolen en zijn omgeving’, in: Gemerts Heem 40, nr. 4 (1998) 19-20.
14. Tegenwoordig staat hier apotheek Lindner.
15. R99/729. Peters weduwe Jenneke hertrouwde later met buurman Albert Maes Aerts van der Santfoert (die het huis van Claes Goessens Olistoters had gekocht) die op deze wijze zo’n beetje de hele oostzijde van de Haageijk in zijn bezit kreeg (R102/66, 474, 603).
16. Zie bijvoorbeeld R99/223, 611, 823.
GH-2003-03 Oorsprong van de Valkenswaardse processie naar Handel ?
OORSPRONG VAN DE VALKENSWAARDSE PROCESSIE NAAR HANDEL?
Ad Otten en Willy Ivits
De jaarlijkse processies vanuit Valkenswaard en Geldrop naar Ons Maria van Handel zijn al eeuwenoud. Daarom hebben we in Handel ook een Geldropweg en een Valkenswaardhof als straatnamen.
De oorsprong van de Geldropse processie gaat terug tot de Handelse rector Johannes Aldenhuizen die in de tweede helft van de zeventiende eeuw tegelijkertijd pastoor was van Geldrop. In de laatstgenoemde parochie kon Aldenhuizen niet resideren vanwege de onvrijheid van godsdienst in de Generaliteitslanden waartoe ook Geldrop behoorde. Aldenhuizen ‘ontving’ daarom zijn Geldropse parochianen één keer per jaar heel massaal in de tot de Vrije Heerlijkheid Gemert behorende bedevaartplaats Handel.
In tegenstelling tot Geldrop is er voor de Valkenswaardse processie tot nu toe nooit zo duidelijk een ‘processie-stichter’ aangewezen kunnen worden. In feite werd er alleen maar geopperd dat de eerste initiatieven zouden genomen kunnen zijn door de Geldroppenaar Adriaan van Dijck. Die werd in 1752 pastoor van Valkenswaard en hij zou naar het voorbeeld van de Geldropse processie het initiatief tot een gelijkaardige Valkenswaard¬se proces¬sie genomen kunnen hebben.1 En dat kan natuurlijk. In genoemd jaar is er in elk geval in Handel een Valkenswaardse processie geweest. Maar ook in Valkenswaard wordt er eigenlijk toch vanuit gegaan dat hun processie naar Handel al van eerder en tenminste van de eerste helft van de achttiende eeuw dateert.2
Dat het ontstaan van die processie nog net iets verder teruggaat en net als die van Geldrop dateert uit het laatste kwart van de zeventiende eeuw daarvoor kunnen sinds kort bovendien (nieuwe) argumenten worden aan gevoerd. Ook Valkenswaard blijkt namelijk in die periode een pastoor te hebben gehad die van Gemert geboortig was en die in de kwaliteit van ‘aartspriester’ van het district Eindhoven bovendien in regelmatig contact stond met zijn oud-plaatsgenoot Johannes Aldenhuisen, pastoor van Geldrop en tegelijkertijd rector van Handel.
Gaspar Molensteens pastoor Valkenswaard en aartspriester Kempenland
Na een brief van Noud Jonkers uit Valkenswaard waarin hij verzocht om genealogische gegevens betreffende de zeventiende en achttiende-eeuwse familie Molensteens uit Gemert ging er een lampje branden. Jonkers was op zoek naar de herkomst van een uit de tijd van de schuurkerken tot op dat moment onbekend gebleven pastoor van Valkenswaard. In het parochiearchief van Leende had hij een archiefstuk gezien dat handelde over de pastoors-installatie aldaar van zekere Henricus Hurkmans. Het stuk was gedateerd 5 september 1694 en voor hem intrigerend was vooral het gegeven dat het document was ondertekend door ene Gaspar Molensteens in de kwaliteit van ‘pastor in Valkensweerde et Archipresbyter dist(rictus) Endoh(oven)’. Intrigerend omdat de naam van Molensteens ontbrak in de hem bekende lijst van Valkenswaardse pastoors en die juist in die periode een hiaat vertoonde.
Vanwege de Staatse overheersing had het bisdom Den Bosch in die tijd al ruim een halve eeuw geen bisschop meer. Het bisdom werd toen zo goed en zo kwaad als het ging bestuurd door een veelal in Antwerpen residerende apostolisch vicaris met assistentie van door de Meierij rondtrekkende ‘aartspriesters’ die de dekenfuncties uit vroeger perioden waarnamen. En zoals uit het Leendse parochiedocument blijkt, installeerden deze aartspriesters ook de door de apostolisch vicaris (d.i. in 1694 zekere Martinus Steyaert) benoemde pastoors.
Zoals gezegd was de naam van Gaspar Molensteens als pastoor van Valkenswaard tot dusver onbekend. Wel noemt Schutjes deze Molensteens in zijn ‘Geschiedenis van het Bisdom ‘s-Hertogenbosch’ als pastoor van Stiphout in 1677 en in 1683. In 1686 kreeg Stiphout een nieuwe pastoor waarna onze Molensteens bij Schutjes pas weer opduikt in 1697 als pastoor van Schijndel. Daar blijft hij aan tot zijn overlijden op 5 april 1713.3 Opmerkenswaard is daarbij het gegeven dat er met name uit de Schijndelse parochie in de 17de en de 18de eeuw nogal wat wonderbare genezingen bij het Onze Lieve Vrouwke van Handel officieel werden opgetekend en zelfs een aantal in (votief)schilderijen afgebeeld. Welke functie en/of werkzaamheden Molensteens vervulde tussen 1686 en 1696 is in Schutjes onbesproken gebleven. En dat, zo wordt nu duidelijk, moet de periode zijn geweest dat hij pastoor was van Valkenswaard….
Uit het bekende boek over de Noordbrabantse universiteitsstudenten uit de periode 1550-1750 destilleerden we al iets over zijn opleiding. Gaspar Molensteens studeerde namelijk te Leuven waar hij op 25 februari 1669 als ‘Gemertanus’ werd ingeschreven aan de universiteit.4 En dat gegeven was voor Noud Jonkers uit Valkenswaard de reden om bij de Gemertse heemkundekring eens te informeren naar wat meer gegevens over zijn afkomst en zijn familie.
Student te Leuven en duiveluitbanner van Stiphout
In het boek van mgr. Frenken over ‘Helmond in het verleden’ kan men nog een en ander lezen over Gaspar Molensteens missioneringsarbeid in Helmond en omgeving. Van 1677 tot 1686 was hij pastoor te Stiphout. Maar in diezelfde periode was hij ook actief in de zielzorg in het naburige Helmond. Zijn priesterijver en zijn propaganda voor het duiveluitdrijvende Stiphoutse mirakel, werkte de Helmondse dominee Johan Costius (Jan Kost op z’n Hellemonds) danig op de zenuwen. Het kwam zover dat Costius eigenhandig een misdienst ging verstoren omdat de schout van Helmond de paapse activiteiten van Molensteens maar door de vingers bleef zien. Costius stal onder meer de kandelaars van het in een huis bij het Helmonds kerkhof voor een misdienst gereed staande altaar. Maar de toeloop van Helmonders naar de misdiensten van Gaspar nam daardoor alleen maar toe. Vierkant stelden zij zich op achter de pastoor van het naburige Stiphout. Costius bracht toen nog wat zwaarder geschut in stelling en stuurde officiële klachten naar Den Haag. Eind 1681 kwam het ten gevolge daarvan tot een proces tegen – zoals de dominee het noemde “den afgodswinckel en de duivelbanderijen van Meulensteens en diens lijfquesel Perina Roefs”. Maar ook dat is kennelijk op niets uitgelopen omdat de Helmondse protestanten, met de schout voorop, ter wille van de lieve vrede, een gedoogbeleid prefereerden boven een streng handhaven van de door Den Haag opgelegde regels.5
Stichter van de Valkenswaardse processie?
Na zijn pastoraat te Stiphout moet Molensteens dus denkelijk rond 1687 pastoor van Valkenswaard zijn geworden en tegelijk of kort daarop aartspriester van het district Eindhoven. Gaspar zal op zijn omzwervingen door de Meierij meermalen gewezen hebben op de vrijheid van godsdienst in de Vrije Heerlijkheid Gemert en de daar overeind gebleven mogelijkheid van het oudtijdse processiehouden dat elders in de Meierij was verboden. Dat bij deze van Gemert geboortige pastoor ook gezocht moet worden naar de oorsprong van de Valkenswaardse processie naar Handel klinkt heel aannemelijk. Hij was pastoor van Valkenswaard in dezelfde periode dat Joannes Aldenhuizen, als pastoor van Geldrop, de Geldropse processie naar Handel op gang bracht. Als aartspriester of zeg maar ‘deken’ van Eindhoven was Gaspar Molensteens bovendien de superieur van de pastoor van Geldrop. En, zoals Noud Jonkers uit Valkenswaard ons mededeelde, het was in vroeger tijden ook zo dat juist in Eindhoven zich van oudsher vele Eindhovenaren bij de Valkenswaardse processie aansloten. Dat de eerwaarde Gaspar ondertussen, door al zijn werk in de Meierij, zijn geboorteplaats Gemert niet was vergeten en daar nog veelvuldig kwam, moge blijken uit de Gemertse doopregisters. Daar zien we zijn naam zowel op 18 maart 1684 als op 16 februari 1701 opgeschreven als getuige en peetvader bij de doop van kinderen van zijn Gemertse bloedverwanten.
Genealogische gegevens van de familie Molensteens
Tot slot enige genealogische gegevens over de familie Molensteens. Uit diverse bronnen is zoveel materiaal vergaard dat dat teveel is om hierbij allemaal te publiceren. Voor de geïnteresseerde verwijzen we daarvoor naar de Gemertse Heemkamer.6 Hierna volgt een korte samenvatting toegespitst op Gaspar Molensteens:
De familie Molensteens, ook wel geschreven als Meulensteens, blijkt te stammen uit een oud-molenaarsgeslacht dat al in de vijftiende eeuw de Gemertse molens pachtte van de Duitse Orde. Tenminste drie generaties staan als zodanig bekend onder de naam ‘die Moller’. De generaties daarna noemen zich óf Smulders óf Molensteens. De vader van Gaspar Molensteens, de hoofdpersoon in dit artikel, was overigens geboortig van Bakel maar zoon Gaspar werd weer wel in Gemert gedoopt. Op 7 augustus 1644. Gaspar was het vijfde kind van Bartholomeus Wijnands Molensteens en Anna Gaspar Jansen. Pas op zijn 25ste jaar liet hij zich inschrijven op de Universiteit van Leuven. Gaspar lijkt een zogeheten late roeping, maar kijken we naar de periode waarin Gaspar tot wasdom kwam, dan blijkt diens (middelbare)schooltijd precies te vallen in het tijdsbestek dat Gemert door Staatse troepen was bezet en de Latijnse School in Gemert gesloten. Het zou dus wel eens zo kunnen zijn dat de voorgenomen priesteropleiding daardoor enige jaren vertraging op liep. Hoe het ook zij, op zijn 33ste was Gaspar reeds ‘geroepen’ tot pastoor van Stiphout. Hij ontpopte zich daar als een gedreven en erg mobiele missionaris die de moeilijkheden niet uit de weg ging. In 1694 blijkt hij de aartspriester van het dekenaat Eindhoven en tegelijk pastoor van Valkenswaard. Vermoedelijk is hij dat van 1687 tot in 1696. Daarna is hij tot zijn overlijden in 1713 pastoor van Schijndel.7
Dat Gaspar Molensteens de aanstichter is geweest van heel wat processies naar het vrije Handel ligt eigenlijk wel voor de hand, vooral ook omdat zijn pastorale en aartspriesterlijke arbeid valt in een periode dat allerwege pogingen werden ondernomen om de bedevaart naar Handel te bevorderen.
Met veel dank aan Noud Jonkers uit Valkenswaard.
NOTEN:
1. Vgl. Peter Lathouwers in: Kinderen van Maria, De bedevaart van Valkens¬waard naar Handel, 1993, blz.55.
2. Hans de Kinderen, secretaris van de Broederschap der Handelse processie, schreef afgelopen voorjaar nog in een artikel ‘Traditionele bedevaart naar Handel op 21 en 22 juni 2003’: vermoedelijk is de bedevaart van Valkenswaard naar Handel ontstaan in het begin van de 18de eeuw. (zie: www.valkenswaard-kerken.nl)
3. LHC Schutjes, Geschiedenis van het bisdom ‘s-Hertogenbosch, dl.5 (St. Michielsgestel 1876), blz. 687, blz.643 en blz.778.
4. H. Bots e.a. Noordbrabantse studenten 1550-1750, BGZN dl. 44, blz.520.
5. A.M. Frenken, Helmond in het verleden, deel 2, 1929, p.132-135
6. Heemkamer Gemert, Genealogische gegevens: Parenteel van Hanrick Dierckx die men heit die Moller (samengesteld door Willy Ivits).
7. LHC Schutjes, Geschiedenis van het bisdom ‘s-Hertogenbosch, dl.5 (St. Michielsgestel 1876), blz. 643.
GH-2003-03 Mijn herinneringen aan De Haag
MIJN HERINNERINGEN AAN DE HAAG
Toon Grassens
’t Is zóndermaër apárt èn gruuwelijk skon as ‘r dùr iemes anders ’n stuk van oew jeugd èn oew buurt wort beskrívve, èn dan nòg ángeveuld mí footos ok nòg. Dor wil ik naomes alle mènse aojt De Haog Martien van der Wijst èn de mènse van d’n Heemkundekring haël hártelek vùr bedanke.
Aajgelek kóm ik zèèlf aojt de Vùrhaog. Dor bén ik in 1939 geborren èn in 1947 zén waj no de Áchterhaog verheusd, rèècht tíggenóvver Góndas. In de ooëge van Mertiene, Merietjes èn Merieneskes waore waj ímmiegrante.
Mertien beskreeft de Haog, zo-as ie zèèlf zí, van áchter de port, want veul wejter kwaom haj nie èn dè mèrke waj ok zo-as ie hum verhaol duu. Ik héb ‘m noojt nie mee zien speule mí de aander joong van de buurt, nèt zo min as dè haj wél ’s baj aander mènse áchter ’t haojs kwam. Tòt in de klénste details beskreeft haj hullie-jen hòf, már niks óvver de heuf van aander mènse die tòch ok hullie-jen hòf tòt án de áchterdeur han umgespaojd èn die vól stónne mí èrpel, flòdderbonne èn haowkes. Sómmege mènse han kneent òf zèlfs ’n vèèrke vùr de slácht, alles vùr aajge geriejf.
De míste haojshaawes bestónne aojt zés, aacht òf maër kénder, dus de mènse han hùpt noddeg, ’t moes van alles haël veul zén èn ze han naw ímmel nie genog pláts in d’n aajgen hòf, èn as ze iejt te kòrt kwaome, dan gónge ze már no Góndas. Die ha wél ’t aën èn aander èn ’t waor haël gewoon dè ge ’t liejt ópskreeve èn óp ’t léést van de waëk pas betálde; dè waor gín skaand.
De Haog waor ’n smaal strùtje mí án wírskante ’n breej strook zaand tusse de höfkes èn de kèèjewég wor de kárresporre in aojtgesleete waore. Sotteres waor iederaën druk bízzeg dè stukske zaand te griesele in verskillende motieve, rèècht òf visgraot.
Sóndes dan krígge we slorres, novvenant oewen aawer twaë òf vééjf sènt, dan gónge we no Anna de Flés in ’t Kraojsánd, wor naw Simon van Wetten wont, um dor wa snoeppepiejr òf blaozertjes (siegrètte vùr kénder) te kooëpe èn as we dan nòg ínne sènt óvver han, dan gónge we no Miet d’n Botter (de vraow van Jasse) um aajgegemákte strooptoetjes te kooëpe.
As kléén joong han waj veul óntzág vùr ’t pèrd van Jan Mártes (Jan van Doornik) van de Keulse Kaar (’n kefee in ’t Kraojsánd). Jan, die voerman waor, stuujrde hullie-je Máks (‘nen hónd) mí ’t pèrd (‘nen Bèlse knòl) lòs no de wèèj in de Kampe. ’n Hòrtje d’rnoo kwaom Jan óp z’n gemák ángefietst um wátter te sköppe èn de wèèj deecht te maoke.
Vaast tígge de Haog laoge de Hoewf, de Ùrste Kampsesteeg (Wijnboomlaan), dormí parallel de Twídde Kampsesteeg (’n dooëdlooëpend pad no de Ao), dan de Dèrde Kampsesteeg (Paandelaorse Kampe).
’t Skonste spùlvèldje waor ’t Dónkerstígje (Kleikampen) mí haël veul kléén kaaveltjes, roontelum deecht begroejd mí élzenhégge, braamstraojke èn grooëte kánniedasse baojm. As ge wot, kós oew dor gín mèns vénge. Naw is ’t nèt zo kaol as d’n Knòllenbejter, wor we toen kónne skátse tòt án d’n Hulst. Ok d’Èèrk èn d’n Bluumerd hèùrden baj óns speulgebied, nèt zo goewd as de Ripskant.
Vùggelkes aojthaole dè wás aën van de belangrejkste hòbbies in de zommer. ’t Góng ‘rum wie de grotste krans mí de míst verskillende èèjkes ha. We kéénden ok alle sorte vùggelkes, zèlfs in de vlucht. De eléktriese drèùj waore toen nòg bóvvegrónds èn zaote in de zommer vól mí zwállenge.
As we in de zommer baojte án ’t speule waore, zo-as méskepikke (‘landje veroveren’), pindòlkappe, meuskebèèrge òf tawkespringe, dan han we gín tejd um taojs te aëte, már han we ‘ne staopel botteramme in òns haand mí stroop òf reuzel, èn as we dan án de bùrt waore, dan línne we die már éfkes érges nír. Van ’n bietje zaand òf ’n blaojke waore we nie vies; dè spawde we wél aojt.
Már ’t is wor! Mertien, z’n zeuster èn z’n bruujr spùlde noojt nie mí óns mee èn zeeker nie mí voetballe baj hullie tígge de skuurdùrre. Ik skaom m’n aajge naw nòg as ik ‘r án dénk hoe dè waj Góndas hébbe geplaogd. Wa ik maj nòg goewd herinner is, dèt ‘r baj Jaantje Put priesterstuudènte in de kaost waore èn óp ‘ne kaër, toen ze wír no de Letejnse Skool liejpe, góng Frènske Verhofstad as kléén mènneke baj Góndas tígge de skuurdùrren án ston èn riejp: “Stuudènt, stuudènt, kie, ik kan elaën pisse.”
In diejen tejd waor ’t haël gewoon dè de mènse in de zommer saoves baojte zaoten te kaorte èn te buurte. ’t Waor ècht gezélleg. De wees han ‘r ’n sort kómpetiesie van gemákt wie smondessmèèrges ’t ùrste de was án d’n draod ha hange. Dè waor bekant van veur toew aachter óvverals. Án de wasdraod koonde zien wa iemend vùr wèèrk dín.
Tíggeworreg kaande niks doen òf ge hét ’n vergunneng noddeg, már toen waor ’t haël gewoon dè in de zommerdág de dùrre van ’t febriek van Raymakers èn die van Van d’n Èkker (Van den Acker) oope stónne èn dan koonde de getawe taojs nèt zo goewd hèùren as in ’t febriek zèèlf. As smondessmèèrges de kíttel gestokt moes worre van ’t febriek èn de mènse de was baojten han hange èn al ’t roewt óp de was terèèchtkwaom, dan hálde de mènse de was gewoon van de lejn òf de blééjk èn as de rook èn ’t roewt waoren ópgetròkke, dan góng de was wír no baojte, èn dor worde niet wejter óvver geprot.
Hoe dan ok, ’t waor ‘ne skonnen tejd èn Martien van der Wijst hég ’t baojtegewoon skon beskrívve! Bedankt Mertien, naomes iederaën aojt de buurt ‘Noord-West’ (ok dízze naom is dùr aw bedaacht).
De Haag, 4 april 2003
GH-2003-02 Wirwar familienamen rond Korstiaan van de Mortel
WIRWAR FAMILIENAMEN ROND KORSTIAAN VAN DE MORTEL
SCHEPEN VAN GEMERT 1389 – 1426
Jan Timmers
Over Gemert in de middeleeuwen is in Gemerts Heem al het nodige geschreven. Zo langzaamaan ontstaat er een beeld van de manier waarop Gemert zich in de loop van de middeleeuwen heeft ontwikkeld. Maar over de mensen die in die periode in Gemert hebben gewoond en het dorp mede hebben vormgegeven, daarover is niet zoveel bekend. Een uitzondering daarop vormen de leden van de adellijke familie Van Gemert, hoewel daarover nog zeker niet het laatste woord is gezegd. We gaan nu op zoek naar andere Gemertse middeleeuwers. Eén van die middeleeuwse bewoners van Gemert staat hierbij centraal en wel Korstiaan van de Mortel. Alleen zijn naam al is opvallend: Van de Mortel. Hij was geen ‘Heer’ van De Mortel, immers De Mortel was een onderdeel van de heerlijkheid Gemert. Wat we wel mogen aannemen is dat Korstiaan belangrijke goederen in De Mortel tot zijn bezit kon rekenen. Zoals heel vaak voorkomt in de middeleeuwen werden mensen genoemd naar hun belangrijkste eigendom en dat zal bij Korstiaan van de Mortel niet anders geweest zijn. Zijn achternaam blijkt namelijk nog niet echt een familienaam te zijn. In de schepenprotocollen van Den Bosch, de zogenaamde Bosche Protocollen, treffen we in 1429 aan: Lambert van Doernen, zoon van Corstiaen van den Mortel 1. De zoon van Korstiaen heeft kennelijk dus een andere achternaam. Gaan we vervolgens op zoek naar de vader van Korstiaen, dan komen we in het archief van de Kommanderij Gemert in 1410 tegen: Korstiaen van de Mortel, zoon van wijlen Arnt Ghibenzoon 2. In 1413 heet diezelfde persoon Aert Ghiebenzoon van Bakel en behalve Korstiaan van de Mortel blijkt hij nog een tweede zoon te hebben met als naam Aert van Medelscoet 3. In drie opeenvolgende generaties komen we maar liefst vier verschillende achternamen tegen: Art Ghiben van Bakel, Korstiaan van de Mortel, Aert van Medelscoet en Lambert van Doerne. Het lijkt de moeite waard om over deze familie wat meer zaken uit te zoeken en op een rijtje te zetten.
Korstiaan van de Mortel
In het kommanderij archief komen we Korstiaan van de Mortel tamelijk veel tegen. Hij is schepen van Gemert vanaf 1389. Van 1401 tot 1416 en van 1423 tot 1426 wordt Korstiaan steeds als eerste genoemd in de lijst van schepenen. Dat betekent dat hij dan voorzitter van de schepenbank is of, zoals dat destijds genoemd werd, president- of voorschepen. Daarmee is hij één van de meest vooraanstaande inwoners van Gemert. In 1410 krijgt Korstiaan van de Mortel het goed Looheide van de Duitse Orde in erfpacht.4 Het goed Looheide behoorde oorspronkelijk tot de hoeve Scherpenberg en lag in De Mortel aan de oostkant van de Renseweg, globaal tussen de Koolhof en de Kranebrakenseweg. Het goed komt later onder de naam Looheide niet meer voor, maar wordt dan De Vossenberg genoemd. Een broer van Korstiaan, de al genoemde Art van Medelscoet (we zouden hem nu noemen Arnold van Milschot) krijgt in 1413 van de Duitse Orde de Leeuwakker (gelegen in Gemert) in erfpacht. Art van Milschot zet hierbij als onderpand in de helft van De Vossenberg in De Mortel gelegen naast “Korstiaens erve van de Mortel ende Maes sijns swaegers” 5. Maes, de zwager van Art en/of Korstiaan is verder (nog) niet bekend. Uit de oorkonde blijkt dat de twee broers (en misschien ook hun zuster?) tesamen een behoorlijk groot grondbezit hadden in De Mortel. Dat is ongetwijfeld ook de reden van hun nieuwe achternamen. Korstiaan had blijkbaar zijn belangrijkste bezit in De Mortel en zijn broer Art werd genoemd naar zijn bezit op Milschot.
Hun vader Art Ghiben wordt Van Bakel genoemd. In de cijnsregisters van Bakel blijkt hij inderdaad als grondeigenaar voor te komen, evenals zijn vader en sommige van zijn kinderen. Het is goed denkbaar dat Art Ghiben van Bakel gehuwd was met een dochter van een Mortelse grondeigenaar en op die manier aan een aantal kinderen die goederen kon nalaten. De beste kandidaat voor deze Mortelse familie is de familie Van Milschot. In 1379 komen we als schepen van Gemert tegen Jan Ansem van Milschot en iets later (1385 – 1389) is Willem van Milschot schepen van Gemert. Dezelfde Willem van Milschot is tevens leenman van de Duitse Orde. Het blijken leden te zijn van een vooraanstaande familie, die gezien de achternaam hun belangrijkste bezit in het zuidoosten van De Mortel, op Milschot, had.
Art Ghiben van Bakel en Giselbert van Bruheze
Voor gegevens van Art Ghiben zullen we in Bakel moeten zoeken. Veel gegevens van hem zijn er niet. Hij was in 1410 al overleden. In de Bossche Protocollen komen we naast Korstiaan van de Mortel nog als kinderen van hem tegen: Gijb, zoon van wijlen Art Gijbensoen van Bakel, Andries en Willem zoons van wijlen Aart Ghijben en Lijsken (Elisabeth) Bentheims van Bakel natuurlijke dochter van Aart Ghijben bij Lijsbeth Mickarts.6
In de Helmondse cijnsregisters en het Hertogelijk cijnsregister betreffende Bakel7 komen we Art Ghiben en zijn familie meerdere malen tegen: Ghibo en Arnoldus, kinderen van Arnoldus Ghibonis. Juist zoals Aart of Arnt een roepnaam is voor Arnoldus, zo is Ghibo of Ghijb een roepnaam voor Gijsbertus of Giselbertus. De “achternaam” Ghiben komen we tegen als Ghibonis, Ghiben, Ghijben, Giselberts en Gijsberts. Art Ghiben blijkt als Bakelse erfgenaam te hebben zijn zoon Ghijb Art Ghiben, soms samen met zijn andere zoon Arnoldus, die we in Gemert leerden kennen als Art van Milschot. Opvallend is dat Korstiaan van de Mortel geen Bakelse erfenis heeft. De aanvankelijk gezamenlijke Bakelse bezittingen van Ghijb en Art blijken in de meeste gevallen ook terecht te komen bij Ghijb, die daarmee de belangrijkste Bakelse erfgenaam is. Korstiaan en Art zullen zich tevreden hebben gesteld met de Gemertse (Mortelse) erfenis.
In de oudste cijnsregisters betreffende Bakel leren we bovendien de vader van Art Ghiben kennen. Een aantal bezittingen van Art Ghiben bleken voorheen eigendom geweest te zijn van Ghibo van Bruheze. Tweemaal komen we in de registers tegen: de kinderen van Arnoldus, zoon van Ghibo van Bruheze. Het leidt geen twijfel of Art Ghiben is de zoon van Ghibo van Bruheze. In het Hertogelijk cijnsregister komen we hem tegen als Giselbert van Bruheze. Weer een generatie verder terug en weer een nieuwe achternaam.
Ghibo van Bruheze blijkt in Bakel te beschikken over veel bezittingen, waarvan het belangrijkste lijkt te zijn het goed Vlinkenvloge. Dit goed omvatte de oostkant van de dorpskom en strekte zich uit vanaf de Bakelse kerk tot aan de Vlinkert, voorbij het terrein van de Zorgboog (St Jozefheil en Jan de Wit kliniek). Dat gebied had kennelijk ook de naam Zoersel, want er is meerdere malen sprake van Vlinkenvloge in Zoersel. Het goed Vlinkenvloge wordt aanvankelijk verdeeld onder twee kinderen van Ghibo van Bruheze: Art Ghiben en Jan Ghiben genaamd van Zoersel. In het hertogelijk cijnsboek komen we ook nog tegen Gertrudis, dochter van Gisbertus van Bruheze.
Al met al kunnen we nu de volgende “stamboom” opzetten.
Generatie 1
Giselbert (Ghibo) van Bruheze, gehuwd circa 1335, overleden vóór 26-2-1345 8, waarschijnlijk heette zijn vrouw Elisabeth, immers zijn beide zonen hebben een dochter Elisabeth, die vernoemd zal zijn naar hun grootmoeder. Ghibo had uitgebreid bezit in Bakel.
Generatie 2
De kinderen van Ghibo van Bruheze.
1. Jan Ghiben genaamd van Zoersel.
We komen van hem drie kinderen tegen in de bronnen: Heer Gijsbert van Bakel, zoon van Jan Ghiben, priester in de Sint Janskerk van Den Bosch van 1384 tot 1418.9 Willem, zoon van Jan Ghiben van Zoersel, en Elisabeth, dochter van Johannes Ghibensoen genaamd van Zoersel.
2. Art Ghiben van Bakel
Overleden vóór 1410; vermeld vanaf 1381 tot 1387. Vermoedelijk gehuwd ca 1360 met een vrouw uit de Gemertse familie Van Milschot.
3. Gertrudis, dochter van Gisbertus van Bruheze. Verder geen gegevens.
Generatie 3
De kinderen van Art Ghiben van Bakel
1. Ghijb Art Ghiben
Gegoed in Bakel. Volgens het Helmonds cijnsregister heeft hij drie kinderen, waarvan één met naam bekend: Aart Ghijben, overleden vóór 1444.
2. Korstiaan van de Mortel, vermoedelijk geboren omstreeks 1365 en gehuwd circa 1390
3. Art van Milschot
4. Andries Art Ghiben
5. Willem Art Ghiben
6. Elisabeth Art Ghiben alias van Benthem, natuurlijke dochter bij Elisabeth Mickarts (die men heit Van Benthem).10
Magister Lambert van Doerne, zoon van Korstiaan van de Mortel
Naar de kinderen van Korstiaan van de Mortel is nog geen uitgebreid onderzoek gedaan. In 1434 wordt melding gemaakt van Lambert van Doerne en Dirk en Corstiaen, zoons van wijlen Corstiaen van den Mortel. In 1436 komen we tegen Aert Corstiaens gehuwd met Yda en kinderen: Corstiaen, Jan en Aert.11 Hans Vogels trof in de bronnen verder nog aan: Lijsbet Corstiaens van de Mortel, gehuwd met Jan die Sluyter; Gevart Corstiaens van de Mortel; Everart van Doerne en Geertruijt van Doerne. We beperken ons verder tot de meest opvallende: Lambert van Doerne, die geboren zal zijn in de periode 1395-1400.
Aanvankelijk wordt hij nog vermeld als Lambert van de Mortel van Gemert, zoon van Corstiaen, of als Lambert Corstiaens van de Mortel.12 Vanaf 1429 wordt steevast de achternaam Van Doerne gebruikt. Hij was gehuwd met een Lijsbeth, die in 1469 zijn weduwe wordt genoemd.13 Lambert woonde en werkte in Den Bosch als schrijver. Geen schrijver van verhalen of romans, maar ambachtelijk schrijver. Hij was in dienst van de stad Den Bosch, samen met andere klerken, voor het schrijfwerk van de protocollen, het uitwerken van de schepenakten “in het net” en ander schrijfwerk. Vanwege zijn directe betrokkenheid bij het opmaken van schepenakten komt hij ook vaak als getuige voor in de Bosche schepenprotocollen. Dat is het geval vanaf 1422. In 1449 wordt hij genoemd magister Lambert van Doerne, secretaris van Den Bosch. In 1450 zijn er vier secretarissen: meester Lambrecht van Doerne, meester Gerit Boest, Rutger van Arkel en meester Arnt van Weilhuizen senior14. Voor het laatst komt Lambert als secretaris voor in 1463. In dat jaar is er een grote stadsbrand in Den Bosch. In een aantekening in het schepenprotocol staat vermeld dat bij gelegenheid van die brand het eerste blad van de “codex” van de secretaris Lambert van Doerne verbrand was. Met “blad” wordt dan waarschijnlijk het eerste katern van het register bedoeld. Hij schreef in dit register destijds de minuten van de akten op. Op dat eerste blad (katern) hadden toen nog verschillende contracten gestaan die nog niet “in het net” waren uitgewerkt15.
Hoe Lambert tot het beroep van schrijver is gekomen is moeilijk te achterhalen. Opvallend is wel dat in de periode van 1390 tot 1420 in diverse archiefstukken voorkomt Thomas die Scriver, zoon van Maes van Haselbosch en ook deze schrijver is afkomstig uit De Mortel. Hij was net als zijn vader eigenaar van de helft van de hoeve Haselbosch, gelegen aan de noordkant van De Mortel. Bovendien was hij schepen in Gemert van 1421 tot 1426. Thomas de Schrijver was een leeftijdsgenoot van Korstiaan van de Mortel, de vader van Lambert van Doerne. Of zij (aangetrouwde) familie waren is onbekend, maar niet onmogelijk. De moeder van Lambert van Doerne is tot nu toe in de archieven niet gevonden. Dat zij een lid was van de familie Van Haselbosch is overigens niet erg waarschijnlijk. De reden daarvoor heeft te maken met de naam die Lambert zichzelf heeft aangemeten. Lambert van Doerne woonde in Den Bosch en er zijn geen aanwijzingen dat hij veel bezittingen had in Deurne (wat destijds Doerne genoemd werd). De vraag is dan hoe hij eigenlijk aan zijn achternaam kwam. De meest waarschijnlijke verklaring daarvoor is dat de naam Van de Mortel in de stad Den Bosch het niet zo goed deed. Zonder meer een andere naam kiezen kon ook toen al niet en naar alle waarschijnlijkheid kon Lambert de naam Van Doerne aangemeten krijgen omdat zijn moeder lid was van de familie Van Doerne. Ook de namen van zijn broers Gevart en Everart pleiten voor een moeder Van Doerne, omdat die namen veelvuldig in die familie voorkomen en tamelijk typerend zijn. In de tot nu toe bekende gegevens van de familie Van Doerne kunnen we overigens niet direct een “passende” vrouw vinden. Hans Vogels uit het vermoeden dat Korstiaan van de Mortel gehuwd was met een dochter van Art Lamberts van der Haghe en diens vrouw Katelijn, dochter van Everart van Doerne en Lijsbeth Claes Scilder16.
Een tweede Arnt Ghiben ?
In het voorgaande zijn we Art Ghiben van Bakel tegengekomen als vader van Korstiaan van de Mortel. In het Kommanderij Archief komen we een paar vermeldingen tegen van een Art Ghiben die we tot op dit moment niet hebben genoemd. Het gaat om Arnd Ghibensoen, die schepen genoemd wordt in het gericht van Diederik van Gemert in het jaar 1364. Deze Arnd Ghiben speelde in middeleeuws Gemert ook een rol. Hij was betrokken bij de onenigheden tussen de kommandeur van Gemert en de familie Van Gemert over het bezit van de heerlijkheid. De Duitse Orde trok daarbij aan het langste eind en de medestanders van Diederik van Gemert moesten boeten voor hun bijdragen. Zo ook Arnd Ghiben. Op 15 maart 1383 wordt er een akte opgemaakt door de Duitse Orde waarin gemeld wordt dat een aantal medestanders van Diederik van Gemert trouw zweren aan de kommandeur van Gemert door ledig leenman te worden van de Duitse Orde. Eén van die mensen is Arnt, zoon van Ghijbe, zoon van Roef van Broghel. Als in 1387 een register van leenmannen van de Duitse Orde wordt opgemaakt komt daar eveneens in voor de ledige leenman Arnolt Giben soen Roefs soen van Broghel 17. Dat deze drie vermeldingen betrekking hebben op één en dezelfde persoon lijkt duidelijk. Het gaat dan om een Arnoldus zoon van Gijsbertus, die op zijn beurt een zoon is van Roelof (Roef) van Breugel. We moeten ons nu de vraag stellen of deze Arnt Ghijben en de Art Ghiben uit het voorgaande dezelfde zijn of juist twee verschillende personen. Het zijn in ieder geval tijdgenoten van elkaar. Omdat er geen aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat het verschillende mensen zijn, gaan we er vooralsnog van uit dat het dezelfde personen zijn. Dat betekent dat Giselbert (Ghibo) van Bruheze, de vader van Art Ghiben, een zoon is van Roelof van Breugel18. Aan het gewirwar met achternamen zijn we intussen wel gewend, maar de opeenvolgende vaders en zonen blijken toch een opvallende reeks van zowel voornamen (allemaal verschillend) als achternamen (allen genoemd naar verschillende dorpen in de rego) op te leveren. We zetten de vijf generaties nog eens op een rij:
Roelof van Breugel, Gijsbertus van Bruheze, Art Ghiben van Bakel, Korstiaen van de Mortel, Lambert van Doerne.
NOTEN:
1. Bossche Protocollen (BP) 1429-1430 f9v
2. Archief Kommanderij van de Duitse Orde Gemert (AKDOG) inv nr 683. In het regest (nr 161) staat Arnt Ghielensn, maar in het origineel staat Arnt Ghibensn.
3. AKDOG 125, regest 169
4. zie noot 2
5. AKDOG 125, dd 25-7-1413
6. BP (1414-1415) f450; (1406-1407) f260v; R220 f90v;
7. Met de Helmondse cijnsregisters worden bedoeld de cijnsregisters van de Heer en het Huis van Helmond, zoals die zich bevinden in het Huisarchief Helmond. De Hertogelijke cijnsregisters zijn de cijnsregisters van de Hertog van Brabant. Er is gebruik gemaakt van de transscripties van de cijnsregisters, zoals ze zijn opgenomen op de CDROM “Bakelse Geschiedenis” van Pierre van de Meulenhof.
8. AKDOG regest 29 dd 26-2-1345: wijlen Gijsbertus van Bruheze
9. Dat hij priester was in de Sint Janskerk van Den Bosch staat opgenomen in de bijlagen bij A. van den Bichelaer, Het notariaat in stad en meierij van ‘s-Hertogenbosch tijdens de late middeleeuwen (1306-1531)
10. Natuurlijke dochter Elisabeth had bij Jan van Amstel een natuurlijke zoon Jan volgens BP 1433-1434. Zie ook A. van Asten, Voorzaten van Jan van Amstel, scheepskapitein. Brabantse Leeuw 23 (1974) pag 13. Volgens Mr Dr L. de Gou, Het geslacht van Eyndhouts in Jaarboek CBG 1974 pag 70 heeft dezelfde Elisabeth ook een natuurlijke dochter bij de priester Roelof genaamd Rover van Eyndhouts, zoon van de Helmondse schout Herman van Eyndhouts. Deze natuurlijke dochter heette ook Elisabeth en huwde later met de Helmondse schepen Aart Jans van Papendonk.
11. BP (1431-1435) f 9v en BP dd 19-5-1436.
12. BP (1425-1428) f130v en (1427-1428) f222v.
13. BP (1469-1470) f183v
14. Volgens gegevens in de bijlagen bij A. van den Bichelaer, Het notariaat in stad en meierij van ‘s-Hertogenbosch tijdens de late middeleeuwen (1306-1531)
15. M.H.M. Spierings, Het schepenprotocol van ‘s-Hertogenbosch 1367-1400, Bijdr. tot de geschiedenis van het zuiden van Nederland deel LIX, blz 71
16. Gegevens (met dank aan Hans Vogels) over de familie Van der Haghe: Art Lamberts van der Haghe, zoon van Lambert Arts van der Haghe, huwt tussen 1360-1365 met Kathelijn van Doerne, dochter van Everart van Doerne uit diens tweede huwelijk (ca 1340) met de Bossche Lijsbeth Claes Scilder. Uit dit huwelijk zijn 4 zonen bekend: Lambert, Everart, Art en Andries. Zoon Lambert huwde Margriet Wouter Goyarts van Dommelen en had bij haar vier zonen: Jan, Art, Lambert de oude en Lambert de jonge. Het is goed mogelijk dat er in het huwelijk van Art Lamberts van der Haghe en Katelijn van Doerne, naast de zonen, ook minstens één dochter was, die met Korstiaan van de Mortel huwde. Qua leeftijd zouden ze in elk geval passen.
17. AKDOG regest 37, regest 69 en inv nr 43
18. De naam Van Bruheze komt in onze regio veelvuldig voor. Het gaat om een omvangrijke familie. Het lijkt er op dat Gijsbertus van Bruheze, als zoon van Roelof van Breugel, niet direct uit deze familie stamt. Het is goed mogelijk dat hij huwde met een vrouw uit de familie Van Bruheze en op grond daarvan zijn achternaam kreeg.
GH-2003-02 Heilige Losbol vroeger patroon van Gemert-kermis
HEILIGE LOSBOL VROEGER PATROON VAN GEMERT-KERMIS
Ad Otten
De kermis stond tot ver in de eerste helft van de twintigste eeuw in heel ‘het katholieke zuiden’ in een kwaad daglicht. Met name de r.k. geestelijkheid fulmineerde fel tegen het drankgebruik, de danswoede, en het veel te vrije verkeer tussen jongens en meisjes tijdens de kermisdag(en). Eigenlijk al vanaf de Franse Tijd stelden daarom de elkaar opvolgende pastoors van Gemert diverse pogingen in het werk om de kermis te verbieden. Terwijl de kermis van oorsprong toch het feest was waarop men de ‘verjaardag’ vierde van de officiële inzegening van de plaatselijke parochiekerk. Niet voor niets is de naam ‘kermis’ ook een afgeleide van het oorspronkelijke ‘ker(k)-messe’.
Meer dan een eeuw lang probeerde de r.k.-geestelijkheid de kermis van de kalender afgevoerd te krijgen. Maar die pogingen mislukten. Zelfs in Gemert waar volgens zeggen van mijn beide opa’s toch “d’n heilige losbol van de kèrmis de patroon was.”
Als je dat zo hoort of leest ben je direct geneigd om dat gezegde te interpreteren als dat ’t er op Gimmert-kèrmis nog heel wat schandelijker aan toe ging dan elders. Maar… dat blijkt na nadere beschouwing, zoals zo vaak in de geschiedenis, toch te simpel gedacht. Tot mijn niet geringe verbazing bleek namelijk de ‘heilige losbol’ een echte heilige te zijn. Het is de wat volkser aanduiding voor de heilige Dionysius. Een martelaar en bisschop waar zelfs een heel Parijs stadsdeel naar werd vernoemd (Saint Denis). Deze Dyonisius of Denis moet door zijn beulen daar ter plaatse zijn onthoofd, waarna hij onmiddellijk zijn hoofd weer moet hebben opgeraapt en het zijn moordenaars heeft getoond alsof hij daarmee wilde zeggen van: “Vlegels, kijk nou eens wat jullie gedaan hebben….”
Bisschop Dionysius is later heilig verklaard en diens heiligenbeeld is heel gemakkelijk te herkennen. Want zijn beeltenis is die van een man, die zijn gemijterde hoofd niet op zijn romp draagt maar in zijn handen. En het is die omstandigheid die heeft geleid tot de volkse benaming van ‘heilige losbol’.
De heiligendag van St. Dionysius valt op 9 oktober en dat is nu juist de datum waarop na een door de Geuzen voorgevallen ontheiliging van de Gemertse parochiekerk, de kerk door de Roermondse bisschop Reginald Cools (in 1683) opnieuw werd ingewijd. Sedertdien is het ook zo dat op of rond de dag van 9 oktober in Gemert kermis werd gevierd. Gemert-kermis was tot in de verre omtrek de laatste kermis van het jaar. Pas ergens in de jaren twintig van de twintigste eeuw werd de kermisviering hier verschoven naar de juli-maand.
Al-met-al was in het verleden ‘de heilige losbol’ dus ècht de patroon van Gimmert-kermis! Ja, en dan herinnert iedereen zich natuurlijk ook dat het gezegde van ‘d’n heilige losbol is de patroon van Gimmert-kermis’ door mijn twee opa’s heel verschillend werd geïnterpreteerd. De een was van mening, dat dankzij ’t wakend oog van d’n heilige losbol ’t allemaal nogal meeviel met de kermis, terwijl de ander vond dat je maar beter weg kon blijven van die kermis onder het patronage van d’n heilige losbol.
Om een indruk te krijgen van het pastoorsverzet tegen het kermisvieren in Gemert in de periode van 1800-1930 volgt als bijlage hierna een letterlijke tekst uit het Registrum Memoriale Parochiae Gemertanae. Dat register werd aangelegd door pastoor-deken Petrus van Beek (pastoor van 1880-1915) maar kijkt onder de rubriek ‘kermis’ terug tot het pastoraat van Den Dubbelden (1800-1834), terwijl vanaf 1915 die rubriek in het register werd vervolgd door pastoor Lambert Poell (pastoor van 1915-1937).
Bijlage uit Parochieregister onder de kop “Kermis”:
Sedert de kerkwijding van 1683 door ZDH Reg. Cools wordt de kermis hier gevierd op zondag na het feest van de H. Dyonisius 9 october. In vroeger tijden had dit grootendeels plaats gedurende den nacht. Op het dringend en herhaald verzoek van de pastoor H. den Dubbelden (pastoor van 1800-1834-red.) is dit misbruik opgehouden. De vermakelijkheden gedurende den dag bleven echter voortduren. Wijl dit echter doorgaans met onzedige handelwijze gepaard ging tot niet geringe ergernis van menige jongeling en jonge dochter achtte de pastoor Aarts (pastoor van 1862-1880-red.) het zich een plicht ook dit misbruik zoveel mogelijk tegen te gaan. In deze poging mogt hij, nogtans niet zonder veel moeite in zooverre slagen dat in 1877 het kermishouden, wat de danspartijen betreft, genoegzaam als geëindigd kon beschouwd worden. In het jaar 1885 werd een ernstige poging tot wederinvoering gedaan door de Sociëteit die bij meerderheid van stemmen, ondanks het verzoek hen door de pastoor afzonderlijk en in het publiek tot hen gericht besloten tot het houden van een bal. Op tamelijk duidelijke wijze werd het verkeerde en lage dezer handelwijze voor gesteld. En volgend jaar was daarvan dan ook geen sprake meer.
– In 1919 gaf de Burgemeester – of de Raad aan wien hij de beslissing overgaf, verlof tot dansen óók in den avond, in café’s en danstenten. De pastoor ging voor de kermis de caféhouders die zouden laten dansen af. Niettegenstaande zijn verzoek om ’t fatsoen te bewaren werd er zelfs tot lààt gedanst. In 1920 zou de Burgemeester alleen schriftelijk verlof geven en dan ook alleen voor de café’s. In 1929 gaf de nieuwbenoemde burgemeester verlof aan die ’t vroegen voor alle kermisdagen, dus óók op Zondag. Er waren op dien Zondag zooveel vreemden dat men de Gemertschen als het ware niet zag.
GH-2003-02 Borgercompanie gevonden in Kerkstraat
BORGERCOMPANIE GEVONDEN IN KERKSTRAAT
Ad Otten
De Borgercompanie was enige jaren vóór het aanbreken van de zogenaamde Franse Tijd een drukbeklante en spraakmakende herberg in het centrum van Gemert. Maar tot voor kort wisten we niet eens waar die herberg nu eigenlijk gelegen was. Wel wisten we dat het in die herberg te doen was, toen de bevolking van Gemert in het voorjaar van 1793 in opstand kwam tegen de gevestigde macht van de Duitse Orde. Herbergier was ene Francis Smits en eind 1792 droeg zijn ‘uitspanning’ nog een andere naam. Althans wanneer dan de tekst wordt ingeleverd voor een door de stadsdrukker (J. Kriege) van Grave uit te geven almanak voor het jaar 1793, speciaal voor de Vrije Heerlijkheden in Oost-Brabant, dan komt daarin nog de herberg van Francis Smits voor onder de naam “De Duitse Grootmeester”.1 Het moet de tijdgeest zijn geweest die Francis er toe bracht om de naam van zijn herberg te veranderen. Francis zal ene Frans- en revolutiegezinde zijn geweest.
We hebben het over de tijd van de patriotten. De adel had het in Frankrijk sinds het uitbreken van de Franse Revolutie al een paar jaar totaal verkorven en dat dat ook de mensen van Gemert bezig hield blijkt wel uit de naamsverandering van het gezagsgetrouw klinkende ‘In de Duitse Grootmeester’ naar het naar de gunst van het volk dingende ‘De Borgercompanie’.
Die naamsverandering staat niet op zichzelf. In het vroege voorjaar van 1793 komt namelijk heel noordwest-Europa in beroering en zoals gezegd Gemert ook.2 Op 1 februari van dat jaar werd in Parijs de oorlogsverklaring gedecreteerd tegen de stadhouder van de Vereenigde Nederlandse Provincien en een week later blijkt dat nieuws ook in het Vrije Gemert het gesprek van de dag. Veertien dagen na genoemd decreet staat een eerste Franse legereenheid zelfs al in Helmond. Dan blijken niet alleen daar, maar ook in ‘onze’ Vrije Heerlijkheid heel wat personen, die met de Fransen sympathiseren. En met ‘de bevrijders’ zo dichtbij steken ze hun Fransgezindheid ook niet langer onder stoelen of banken. De uit Frankrijk gevluchte bisschop van Chalons-sur-Marne (monseigneur A.Clermont-Tonnerre) die als Frans refugé onderdak had gevonden op het kasteel te Gemert vond het in Gemert daarom niet meer veilig en vertrok richting Grave. Zijn voorbeeld werd gevolgd door rentmeesteres Borret met haar gezin, alsook door de stadhouder-commandeur Robijns en de hoogste functionaris in dienst van de Duitse Orde, te weten drossard Meijer.
Intussen reisden twee patriotgezinde Gemertenaren, de oud-drossard Hendrik van Moorsel en zekere Nicolaas Bonhomme, in tegenovergestelde richting naar Helmond en Deurne, om de Fransen te vragen of zij ook in Gemert de vrijheidsboom wilden planten. In de straten en herbergen werd al druk gepraat en gediscussieerd over de voor- en nadelen van hun komst. Jan van den Crommenacker wist heel zeker dat het met name “voor geringe luyden” van groot voordeel zou zijn. Want volgens Jan zouden met de Fransen, de tienden, de cijnsen, de grondlasten en ook de exclusieve jacht en visserij voor de hoge heren, worden afgeschaft…
Op zaterdag 1 maart omtrent 3 uur in de namiddag trok een detachement van 85 Fransen de Vrije Rijksheerlijkheid Gemert binnen. Op het Marktveld werd de Franse Constitutie afgekondigd en in d’n hof van het kasteel kapten Franse soldaten een lange den, die, getooid met een rode Jacobijnse muts, als vrijheidsboom op de Markt werd geplant onder een toeloop van meer dan 1500 (!) Gemertenaren. Op zondagmorgen verliet dit eerste Franse detachement alweer het dorp om door de Peel op te trekken in de richting Sint Antonis. Lang hebben de Fransgezinde Gemertenaren daarover niet hoeven te treuren, want een paar uur later marcheerden 180 man Frans voetvolk het dorp binnen, terwijl zich daarbij in de namiddag nog eens 200 man paardenvolk voegden. Beide groepen bleven tot in de ochtend van 6 maart hier ingekwartierd. Maar toen hen bekend werd dat hun Franse medebroeders elders in het Brabantse land flink klop hadden gekregen namen zij hals-over-kop de benen in de richting vanwaar ze waren gekomen….
Lang heeft het daarna niet geduurd of de vertegenwoordigers van de Duitse Orde kwamen weer in Gemert terug. Drossard Meijer liet de Gemertse collaboranten oppakken en maakte verschillende procesverbalen op. De Gemertenaren kwamen er veelal van af met een geldboete. Maar voor zekere Giliam, een oud-student van de Latijnse School, kende men geen pardon. Hij moest in Alden Biesen een gevangenisstraf uitzitten en werd voor levenslang uit Gemert verbannen. Giliam, aangemerkt als een echte raddraaier, was de grote zondebok van alles en iedereen die de Fransen kort tevoren hadden toegejuicht.
In een getuigenverhoor verhaalde de gemeente-secretaris (Godefridus Snoeckx) alsook een schepen (Henricus Strijbosch) van een voorval in de zogeheten “Borger-Companie” nog voordat de Franse troepen in Gemert arriveerden. Zij zaten daar ten huize en herberge van Francis Smits toen Giliam er binnenkwam met op zijn hoed een Franse nationale cocarde. Een stevige woordenwisseling ontbrandde er toen tussen Giliam en de knecht van de bisschop van Chalons, aldus de getuigen.3 Het was allemaal nogal ‘revolutionaire’!
‘De Borgercompanie’ naast ‘Het Wit Perd’
Intussen weten we nog altijd niet waar we de Borgercompanie van Francis Smits nu moeten zoeken. Het is altijd weer een hele puzzel om uit te vinden waar een huis of herberg met een bepaalde naam exact gelokaliseerd moet worden. Maar soms wordt de lokatie je ook in de schoot geworpen. Toen enige jaren geleden Mari van Berlo en Annie van den Brand terugkwamen naar Gemert en zich vestigden in het pand in de Kerkstraat voorheen van Van Ommeren, wilden zij eigenlijk wel wat meer weten over de geschiedenis van het pand en daartoe gingen zij overal te rade. Veel bejaarden in Gemert wisten nog te vertellen dat vóór Van Ommeren het pand eigendom was van Mie de Sik, oftewel de weduwe van gemeentesecretaris Petrus van der Kamp. Mie en later haar dochter Pieta dreven in het pand een zogenaamde ‘ellen- of manufacturenwinkel’.
Uit bronnen in het gemeentearchief werd duidelijk dat gemeentesecretaris Petrus van der Kamp het pand in 1895 had laten bouwen. En de kadastrale gegevens wezen verder uitdat de plattegrond van het nieuwe pand vrijwel gelijk moet zijn geweest aan die van het oude pand. De oudste plattegrond werd teruggevonden op het uit 1826 daterende en in 1832 gewaarmerkte minuutplan van het kadaster.
Van der Kamp kocht het oude pand van de erven van de in 1883 overleden bakker Albert de Hezelaar. Deze was sedert 1861 raadslid en van 1869-1875 wethouder van Gemert. Verder was hij kapitein van de rustende schutterij en tot 1864 ook brandmeester van de plaatselijke brandweer. Een vooraanstaand man dus in het Gemert van die dagen. Als curiosum kan nog vermeld worden dat hij in de plaatselijke patentregisters in 1850 voor komt als ‘moppenbakker’. Met die ‘moppen’ moet beslist een Gemertse delicatesse zijn bedoeld!
Verder terug in de geschiedenis van het pand zien we dat Albert de Hezelaar het pand over nam van diens ouders Adriaan de Hezelaar en Christina Verhofstadt, ook een bakkersfamilie, terwijl op hun beurt deze beide laatsten het pand op 10 december 1806 aankochten van herbergier Francis Smits, die we in het voorgaande al leerden kennen als de uitbater van “De Borgercompanie” in 1793. Vermeldenswaard is nog dat deze Borgercompanie toen gevestigd was naast het Etablissement ‘Het Wit Perd’ (nu Feestwinkel Mickers), terwijl van het nu alom bekende Hotel De Kroon, daar pal tegenover, toen nog helemaal geen sprake was. Een dergelijke naam paste toen ook niet in die tijd. In een vroeger Gemerts Heem werd er al eens op gewezen hoe trend- en politiek-gevoelig juist herbergnamen in de loop der tijden waren.4 Een naam als De Kroon kon pas weer gedijen toen sympathie met ons eigen koningshuis moest worden uitgedragen. En dat was pas in de tijd van de mobilisatie gedurende de Belgische Opstand (1830-1839) het geval.
Oude naam spiksplinternieuw
Het pand Kerkstraat 32 werd een aantal jaren geleden van binnen en van buiten prachtig gerestaureerd en toen kwam er ook een nieuw bovenlicht in glas-en-lood met daarin de naam “Borgercompanie 1793”. Het is de herinnering aan een boeiende achtergrondgeschiedenis. De nieuwe bewoners hebben wellicht nog gepeinsd over de naam “In de Duitse Grootmeester” die aan de “Borgercompanie” voorafging, maar ze zullen gedacht hebben dat de ‘borger’ hen toch beter paste en dat de grootmeester zijn wapen al heeft in de tympanon van het kasteel en dat aan diens ‘heerschap’ bovendien in Gemert al een straatnaam is ontleend oknogok!
Bronnen:
1. Comptoir- en Schrijfalmanack voor het jaar 1793 van de Stad Grave en Lande van Cuijck, Stad en Lande van Ravenstijn, Vrijheerlijkheid Boxmeer en Gemert. Gedrukt te Grave bij J.A. Kriege, Stadsdrukker. Zie ook: Officieel Kerkbericht van de Kerken der Parochie Gemert 23-9-1923.
2. Peter van den Elsen, De Franse Nationale in Gemert in 1793, Gemerts Heem 1983, p. 54-60; zie ook: M.M. Romme, Vijftigponds varkenshammen en een zondags pak. Gemertse gastvrijheid voor Franse revolutionaire troepen, in: Dansen rond de vrijheidsboom, Den Bosch 1993.
3. Rijksarchief Den Bosch – Archief Kommanderije Gemert inv. 354 bijl.6.
4. Ad Otten, De Keizer en de trendgevoeligheid van een herbergnaam, Gemerts Heem 1989, p.76-82