GH-2003-02 Bezige baas als burgemeester in Franse Tijd
BEZIGE BAAS ALS BURGEMEESTER IN FRANSE TIJD
Simon van Wetten
De trouwe lezers van Gemert Heem hebben al kennis gemaakt met François de Kesschietre van Havre, de eerste burgemeester van Gemert.1 Ondanks het gewicht van die langgerekte naam was Frans – ik tutoyeer hem gewoon, want dat is óók Frans – een man vol actie, een bezige baas. Dat blijkt uit het Register des Proces-Verbaux, dat als een laatste flintertje Frans Archief opdook onder de betiteling “1813-1926”, maar waarin ook de jaren 1810-1813 in vierenveertig processen-verbaal zijn vastgelegd, en dat is puur Franse Tijd! In die periode was Nederland immers ingelijfd bij het Franse Keizerrijk en stonden we ook in Gemert toch tamelijk rechtstreeks onder de bestiering van de keizer, van l’Empereur Napoleon Bonaparte, de man die – als wij de afbeeldingen mogen geloven – altoos zijn hand onder zijn revers vleide, zo tussen de tweede en derde knoop van zijn indrukwekkend uniform. Voor dat soort poses had Francois de Kesschietre van Havre absoluut geen tijd. Los van het leiden van de “séances du conseil municipal”, de gemeenteraadsvergaderingen, het jaarlijks afnemen van de eed van gehoorzaamheid aan de constituties van het Keizerrijk en trouw aan de keizer van belastingontvangers, van de leden van het Bureau van Weldadigheid, van de “guarde de chasse” (de boswachter), van de gemeentesecretaris en van de loco-burgemeester, het controleren van de gemeentekas en de kas van de directeur van het successierecht, het functioneren als ambtenaar van de burgerlijke stand, het publiceren van bepalingen van de hogere overheid en ga zo maar door, ging onze eerste burgemeester ook heel vaak op pad! Toen hij van zijn collega uit Venraij bericht had gekregen over de desertie van ene Willem Welten uit Bakel, ging hij die voortvluchtige soldaat zelf arresteren in het huis van landbouwer Hendrik Geenen. En toen Leonard van Deursen, een 60-jarige wever uit Gemert, geheel tegen de nieuwe wetgeving in steeds maar door ging met het assisteren bij de bevallingen van de Gemertse vrouwen, ging burgemeester Frans hem hoogstpersoonlijk de wacht aanzeggen. Een voortvluchtige gevangene uit St. Remis in het departement van de Ourte was zo onvoorzichtig zich in Gemert te vertonen. Plots voelde hij de hand van, jawel, De Kesschietre, op zijn schouder. En natuurlijk spoedde Frans zich in de nacht van 27 juli 1812 naar het in brand staande huis van de weduwe Antoon Verbakel om te helpen blussen. Goed, hij legde zijn werkzaamheden en emmer water even neer om de student Gerard Degens van een proces-verbaal te voorzien, maar verder werkte hij zich toch in het zweet. Wat Degens misdaan had? Die was uit de rij waterdragers weggelopen omdat hij “andere dingen te doen had”.
Op het Binderseind vroegen twee vrouwen en een kind, afkomstig uit Zutphen en Zwartsluis, zonder toestemming om een aalmoes aan de passanten. Nou, burgemeester Frans was er als de kippen bij om ze water én brood te geven, in het cachot. En wat later liepen Hendrik Hofman en Wauterine van Vuuren, beiden uit Den Bosch, bedelend door Gemert. Dat hadden ze dus beter niet kunnen doen. Onze burgemeester controleerde hun reisbrieven, vond die te oud en arresteerde de Bosschenaren.
Houtdraaier Jan Theodoor van den Berg in de Kerkstraat versperde het voetpad voor zijn huis met een enorme stapel hout. Tótdat de burgemeester door de Kerkstraat kwam.
En over hout gesproken, de burgemeester passeerde het (toen nog bosrijke) Molenbroek, hoorde in het sparrenbos stemmen en begaf zich onverwijld in die richting. Hij trof daar Peter van Duijnhoven en Jan van den Hurk aan. Ze stonden met een mes en ieder een vers gesneden tak van een spar in de hand en er lagen ook nog verse takken in hun nabijheid op de grond. En ze konden natuurlijk wel beweren dat zij slechts afgevallen en dorre takken aan het rapen waren, maar daar had Frans geen boodschap aan. Op het Esdonks Broek – zover liep de burgemeester – betrapte hij Andries van Handel op het illegaal weiden van schapen op gemeentelijke grond. De Kesschietre maakte middels een ferm proces-verbaal aan Andries duidelijk dat deze, samen met zijn kudde, tegen de wet handelde. Zesendertig waren het er. Burgemeester Frans had zijn schaapjes geteld! Terug in Gemert bleek dat maar liefst vier personen hun inkomsten trachtten op te vijzelen met de ongeoorloofde teelt van tabak in hun hof. Gemerts eerste burger vond deze manier van bijverdienen uiterst laakbaar en gaf de vier mannen een week de tijd hun kleine plantages te vernietigen (“détruire”), wat ze, bij de controle een week later, ook alle vier gedaan bleken te hebben. Vervolgens bezocht de burgemeester alle commercie drijvende mensen in Gemert. Die maakten immers vaak gebruik van maten en gewichten en hadden, vanwege de invoering van het metrische stelsel, al lang hun spullen aangepast moeten hebben. Maar o, o, constateerde onze Frans verdrietig en boos tegelijk, dat hadden de meeste winkeliers natuurlijk nog niet gedaan. “Over acht dagen kom ik terug”, had hij tegen alle neringdoenden gezegd. En toen bleek alles inderdaad in orde. Terug op het gemeentehuis wachtte daar de ‘voorlopige’ griffier van het Vredegerecht, Jan Corstens, op de burgemeester. Hij wilde graag de geboorte van zijn dochter aangeven. “Wanneer is je vrouw bevallen?”, wilde Frans weten. “Vorige week, op de 16e oktober”, zei Jan trots. Waarop Frans zijn pen demonstratief in de houder plaatste. “Je hebt de wet overtreden, Jan Corstens. Die wet zegt duidelijk dat je binnen drie dagen na de geboorte aangifte moet doen. Ik weiger dat kind in te schrijven.” Hoe het verhaal is afgelopen, vermeldt het proces-verbaal niet, maar Jan had zich toch kunnen verweren met te stellen dat De Kesschietre altijd maar boeven en bedelaars en overtreders aan het betrappen en arresteren was.
Op naar de Molenstraat, waar Willem van Hout ’s avonds laat op straat, ter hoogte van het huis van molenaar Adriaan Kivits, doodliggend was aangetroffen. Definitief geveld door een geweerschot. De burgemeester begon onmiddellijk aan het verhoor der omstanders, en kwam op grond van wat hij vernam tot de conclusie dat de zoon van de molenaar, Cornelis, de meest voor de hand liggende verdachte was.
En toen, op de 7e februari 1814, moest de burgemeester toch echt naar het gemeentehuis. Geen wandeling naar welke uithoek van de gemeente ook. Er was namelijk een aanschrijving van de heer Commissaris van het Arrondissement Eindhoven binnengekomen, met het verzoek om zo snel mogelijk de gemeenteraad bijeen te roepen en aan de leden het volgende voor te lezen: Namens onzen doorlugtigen Souvrein Zijne Koninglijke Hoogheid de Heere Prince van Oranje Nassau wordt u van uw eed aan het Fransch gouvernement gedaan, ontslagen.
De Franse Tijd was definitief voorbij. Maar ook in de nieuwe tijd onder het nieuwe bewind zou burgemeester François de Kesschietre van Havre niet tot rust komen.2
NOTEN:
1. Simon van Wetten, De Gemertse burgemeesters, in: 200 Jaar Gemeente Gemert, Gemerts Heem, Jrg.38, nr.4, 1996.
2. Peter van den Elsen, Drossard, baljuw, maire, burgemeester en schout te Gemert van 1807-1820, Gemerts Heem, Jrg.36, nr.4, 1994.
GH-2003-02 Gemert beefde
GEMERT BEEFDE
Bjorn van Lieshout
Waar was je op 11 september 2001? Velen zullen zich nog precies weten te herinneren waar ze zich bevonden op het moment dat ze het nieuws over het World Trade Centre te horen kregen. Zelfs over tientallen jaren zullen veel mensen zich de beelden van de twee brandende torens voor ogen kunnen halen. Maar waar was je op 11 september 1999? De meeste mensen zullen het antwoord op deze vraag schuldig moeten blijven. Toch was deze datum voor veel Gemertenaren in sommige opzichten ‘schokkender’ dan diezelfde dag precies twee jaar later. Op deze datum vond namelijk een aardbeving plaats waarvan het epicentrum in de omgeving van Mariaheide lag. Deze aardbeving werd tot in de verre omgeving gevoeld. Het was een vrij lichte beving, met een kracht van 3.4 op de schaal van Richter. Toch werd hij in Gemert algemeen gevoeld, huizen kraakten en onstabiele voorwerpen vielen om. De aardbeving vond plaats op de Peelrandbreuk. Deze breuk in de aardkorst loopt van Geldermalsen, Heesch en Uden, dwars door de kern van Gemert, de Mortel en Bakel, vervolgens langs Deurne, Meijel en Swalmen om tenslotte even ten noordoosten van Vlodrop de Duitse grens over te steken. Aan de noordzijde verspringt de breuk iets naar het noorden en gaat over in de Mid-Nederlandse breukzone. Maar hoe ontstaat nu eigenlijk zo’n aardbeving? En wat voor effect hebben aardbevingen op Gemert?
Hoe aardbevingen ontstaan
Een doorsnede van de aarde is grofweg te verdelen in 5 zones. Het buitenste gedeelte is de aardkorst. Gemiddeld is deze aardkorst 30 tot 35 kilometer dik. Dan volgt de mantel, die weer te verdelen is in de vaste bovenmantel en in de viskeuzere ondermantel. De binnenste zone is de aardkern, die op zijn beurt weer te verdelen is in een binnenste en een buitenste kern. De aardkorst en de bovenmantel worden samen ook wel de lithosfeer genoemd. Deze lithosfeer is als het ware de harde schil rond de aarde, die drijft op de stroperige ondermantel (de asthenosfeer). De lithosfeer bestaat uit een tiental grote platen ook wel aardschollen genoemd. Deze aardschollen zijn niet stationair, maar ze ‘drijven’ langzaam in verschillende richtingen op de asthenosfeer, waarbij ze constant in contact zijn met de platen er omheen. Deze bewegingen kunnen plaatsvinden in drie richtingen: de aardschollen kunnen op elkaar botsen, zo’n beweging heet compressief. Ze kunnen uit elkaar bewegen, dan heet het extensief. Verder kunnen ze langs elkaar schuren, dat noemt men transformerend. Deze bewegingen zijn minimaal, over het algemeen slechts enkele centimeters op jaarbasis. Het verschuiven van deze platen gebeurt geleidelijk, maar is niet constant. Bij een lichte druk tussen twee platen zal er niets gebeuren. Als de platen verschuiven zal de druk groter worden, totdat uiteindelijk de druk te groot wordt en de platen een aardbeving veroorzaken als ze plotseling ten opzichte van elkaar bewegen. Aardbevingen kunnen dus alleen plaatsvinden in de lithosfeer, deze is hard genoeg om bij een dergelijke beweging te gaan trillen en schudden. De lithosfeer heeft op sommige plaatsen een dikte van wel 700 kilometer. Aardbevingen kunnen dus tot op die diepte ontstaan. Het is echter niet mogelijk een aardbeving te voelen die plaatsvindt op een dergelijke diepte, wij merken alleen de gevolgen van aardbevingen die plaatsvinden op dieptes tot ongeveer 30 kilometer. Hoewel de meeste en hevigste aardbevingen plaatsvinden aan de randen van de aardschollen, bevinden zich midden op de platen ook scheuren of breuklijnen waarlangs (over het algemeen lichtere) aardbevingen kunnen plaatsvinden. De Peelrandbreuk is een voorbeeld van zo’n breuklijn die zich midden op een schol bevindt.
In 1935 ontwierp de Amerikaanse seismoloog Charles Richter een schaal om de kracht van een aardbeving te meten. Deze kracht wordt gemeten aan de hand van de sterkte van de trillingen die een aardbeving veroorzaakt. Deze kracht wordt ook wel magnitude genoemd.
De schaal van Richter is als volgt ingedeeld:
1 Zeer lichte aardbeving Geen schade.
2 Zeer lichte aardbeving Trillingen voelbaar, geen schade.
3 Lichte aardbeving Ramen en deuren rammelen, losstaandevoorwerpen vallen om.
4 Lichte aardbeving Schrikreacties, veel voorwerpen vallen om, scheuren in minder sterke huizen.
5 Lichte aardbeving Schoorstenen breken, leidingen lekken.
6 Zware aardbeving Paniek bij mensen en dieren, spoorrails verbuigen, minder sterke huizen storten in.
7 Zware aardbeving Zware schade aan veel gebouwen en ondergrondse leidingen worden vernield.
8 Zeer zware aardbeving Algemene verwoesting van gebouwen.
9 Zeer zware aardbeving Niets blijft overeind, rotsen breken in stukken, veel aardverschuivingen.
Aardbevingen in Gemert?
Hoewel de Peelrandbreuk in vergelijking met grote breuken (zoals de beruchte San Andreas breukzone bij Los Angeles in Amerika) niet zoveel voorstelt kunnen aardbevingen ook in Brabant voor nog behoorlijk wat opschudding zorgen. Op grond van historische aardbevingen schatten seismologen dat een aardbeving in Zuid-Nederland maximaal een magnitude van 6,3 op de schaal van Richter kan hebben. Bij een bodemonderzoek op de Peelrandbreuk zijn echter sporen gevonden van plotselinge bewegingen die mogelijk veroorzaakt zijn door aardbevingen met een grotere magnitude dan de maximaal geschatte waarde van 6,3.1
Momenteel bevindt de Peelrandbreuk zich in een extensiefase, Dit wil zeggen dat de twee aardschollen aan beide zijden van de breuk uit elkaar bewegen, waarbij één gedeelte verzakt ten opzichte van het andere. Het lage gedeelte, dat langzaam naar beneden zakt, heet een slenk of graben. Het bovenste gedeelte wordt een horst genoemd. De slenk in deze regio heeft de naam “Roerdalslenk” en de horst het “Peel blok”. Tussen het Peel blok en de lager gelegen Roerdalslenk bevindt zich de breukzone. Dit is het gebied rond de breuk. Binnen deze zone, die gemiddeld ongeveer drie kilometer breed is, kan het hoogteverschil oplopen tot meer dan vier meter. Dit sterke verval zorgt er ondermeer voor dat de stroomsnelheid van beken en rivieren op de breukzone hoger is. De oude watermolen van Gemert stond ook precies op deze breukzone. Door de sterkere stroming van de Rips was deze locatie bij uitstek geschikt voor de aandrijving van het waterrad.
De beweging van het Peel blok en de Roerdalslenk is niet altijd extensief geweest. Heel vroeger in het Trias en Juratijdperk was dit nog wel het geval. Maar in de late-Krijt ( ± 90 miljoen jaar geleden) werd de beweging omgedraaid. De beweging was toen compressief, dit wil dus zeggen dat de Roerdalslenk en het Peel blok tegen elkaar gedrukt werden, waarbij de Roerdalslenk omhoog werd gedrukt in plaats van zijn normale verzakking ten opzichte van het Peel blok. In het Tertiair ( ± 60 miljoen jaar geleden) werd de beweging opnieuw geïnverteerd naar zijn huidige extensieve beweging.2 In de omgeving van Bakel verzakt de Roerdalslenk gemiddeld ongeveer 0,3 millimeter per jaar, in Gemert schijnt deze beweging minder te zijn.
Bij extensieve breuken vinden aardbevingen meestal op geringe diepte plaats. Maar wat voor een aardbeving ondiep is, is voor menselijke begrippen toch nog behoorlijk diep. Een aardbeving op de Peelrandbreuk vindt over het algemeen plaats op een diepte variërend van ongeveer tien tot twintig kilometer. De plaats in de bodem waar de aardbeving plaats vindt, noemt men het hypocentrum. Het gebied op het aardoppervlak recht boven het hypocentrum heet het epicentrum. Omdat de Peelrandbreuk een schuine helling heeft is het epicentrum van een aardbeving die op de Peelrandbreuk plaatsvindt bijna nooit op dezelfde plaats als waar de breuk aan de oppervlakte komt. De Peelrandbreuk heeft een zuidwest-helling van ongeveer 70 graden. Dit houdt dus in dat een aardbeving waarvan het hypocentrum op 15 kilometer diepte op de Peelrandbreuk ligt, een epicentrum heeft dat ongeveer 5,5 kilometer ten zuidwesten ligt van de plaats waar de breuk aan de oppervlakte komt.
De Peelrandbreuk is niet zomaar een losse breuklijn, maar ze maakt deel uit van een groot systeem van breuken. De Peelrandbreuk is onderdeel van de Roerdalslenk, die op zijn beurt weer de noordwestelijke tak is van een nog veel groter breukensysteem; de Rijndalslenk. Ook is de Peelrandbreuk niet de enige breuklijn in onze gemeente. Even ten noordoosten van de Peelrandbreuk lopen nog twee breuken. De eerste is de Storing van Handel-west, deze loopt dwars door de kern van Handel. Even verderop vinden we de Storing van Handel-oost, deze loopt tussen Handel en Elsendorp in. Beide storingen lopen ongeveer parallel aan de Peelrandbreuk. Er zijn echter geen bewijzen dat er ooit een aardbeving heeft plaatsgevonden langs een van deze twee storingen.
Aardbevingen in Gemert!
Er zijn geen aardbevingen bekend waarvan het epicentrum in of rond de gemeente Gemert lag. Dit wil echter niet zeggen dat we in Gemert nooit met de gevolgen van een aardbeving te maken hebben gehad. Er zijn uit de literatuur een elftal aardbevingen bekend die langs de Peelrandbreuk plaatsvonden en waarvan de effecten in Gemert merkbaar waren. Meestal beperkten deze effecten zich tot het feit dat de aardbevingen in Gemert gevoeld werden. Een voorbeeld hiervan is de aardbeving in Roermond van 13 april 1992. Dit was de hevigste aardbeving die ooit op de Peelrandbreuk heeft plaatsgevonden.
’s Ochtends om 3:20 uur werd vrijwel de gehele bevolking van Gemert ruw wakker geschud door die aardbeving. Verschillende voorwerpen in huis vielen om, deuren die op een kier stonden sloegen dicht en sommige mensen raakten licht in paniek. Voor zover bekend is er in Gemert geen grote materiële schade ontstaan door deze aardbeving. Dit terwijl de totale schade in Nederland en Duitsland geraamd werd op ongeveer 300 miljoen gulden (ongeveer 136 miljoen Euro).
De enige aardbeving waarvan bekend is dat hij in Gemert schade heeft veroorzaakt, is de aardbeving van zondag 20 november 1932 te Uden. Een dag eerder, op 19 november om 21:00 uur, kondigde de aardbeving zich al aan middels een eerste kleine voorschok. Het duurde echter nog meer dan een dag voordat de hoofdschok zou komen. Zes minuten over half twaalf begon de aarde te trillen. Op datzelfde moment begon de naald van de seismograaf in Heerlen wild te bewegen. De hevigste trilling was zo groot dat zelfs de naald van het apparaat vloog. Volgens de Zuidwillemsvaart (een regionaal dagblad uit die periode) van de volgende ochtend snelden vele Gemertenaren de straat op “…in nachtgewaad, of verder op z’n zonderlingst uitgedoscht en het gebeurde werd druk besproken.” Dinsdag 22 november verscheen het volgende bericht in de krant “Men meldt ons uit Gemert: De aardschokken van zondagnacht hebben hier behalve veel angst ook materieele schade veroorzaakt. In den tuin van de Latijnsche School knapte een boom af, terwijl de muren van het gebouw op verschillende plaatsen zijn gescheurd. Op de kamer van den conrector, die zich juist ter ruste wilde begeven, werd de bidstoel wel een meter van z’n plaats geslingerd. Een schilderij viel van de muur. Dat de ontsteltenis hier ook groot was, laat zich begrijpen.” De naschokken van deze aardbeving zijn nog gevoeld tot 8 mei 1933.
Natuurlijk worden in Gemert ook vele aardbevingen gevoeld die niets met de Peelrandbreuk te maken hebben. Zo vond er bijvoorbeeld een zware aardbeving plaats op 1 november 1755. Het epicentrum van deze aardbeving, met een magnitude van ruim 8.5 op de schaal van Richter, lag bij Lissabon (Portugal). Hij was zo hevig dat in Gemert de kaarskronen in de kerk ongeveer één voet (ongeveer 30 cm.) heen en weer slingerden.3
Wat brengt de toekomst?
Niemand kan voorspellen waar of wanneer de volgende aardbeving zal plaatsvinden en hoe hevig deze zal zijn. In Gemert zullen we waarschijnlijk nooit dezelfde taferelen krijgen zoals we die kennen van het nieuws, maar toch kunnen aardbevingen zelfs in onze regio veel schade berokkenen. De Peelrandbreuk, die zo belangrijk is geweest voor de landschapsvorming in onze gemeente, zal ook in de toekomst het landschap blijven hervormen. Dit betekent dat de Peelrandbreuk ons ongetwijfeld nog wel eens wakker zal schudden, om ons er aan te herinneren dat we haar niet mogen vergeten.
Bronvermelding, Noten en Dankwoord
– G. Houtgast, aardbevingen in Nederland, De Bilt 1991
– TNO-NITG, Toelichting bij kaartbladen XIII en XIV Breda-Valkenswaard en Oss-Roermond, Utrecht 2001
– K.N.M.I. (www.knmi.nl)
– J. Timmers, De Wijst, Gemerts Heem 1986 nr.1 pag. 15-22
1 TNO-NITG, Toelichting bij kaartbladen XIII en XIV Breda-Valkenswaard en Oss-Roermond, Utrecht 200, pagina 102
2 Gegevens samengesteld uit “Toelichting bij kaartbladen XIII en XIV Breda-Valkenswaard en Oss-Roermond. (TNO-NITG, Utrecht 2001) Hoofdstuk 14: Geologische Geschiedenis.
3 G. Houtgast, Aardbevingen in Nederland, De Bilt 1991, pag. 52
Ik ben speciale dank verschuldigd aan de heer Doornenbal van het TNO-NITG voor het beantwoorden van mijn vragen en het corrigeren van mijn fouten.
GH-2005-03 Kapittelstokjes
GONDELS AFRIKA, CASTEEL EN BAGAMOYO EN DE KANO MONTY
Nu afgelopen zomer het botenhuis aan de binnengracht van het kasteel weer zo prachtig is gerestaureerd is het navolgende toch wel interessant. In het op 4 mei 2005 verschenen boek ‘Kasteel bezet – kasteel bevrijd’ van Anny van de Kimmenade-Beekmans werd toen niet alleen melding gemaakt van de bouw van het botenhuis aan de binnengracht in de jaren 1944-1945 maar ook van een destijds door de broeders van de congregatie op het kasteel gebouwde kano, die als herinnering aan het kasteelbezoek op 11 december 1944 van veldmaarschalk Montgomery de naam werd meegegeven van ‘Monty’.1 Montgomery reikte die dag op het kasteel decoraties uit aan de officieren en manschappen die zich in de gevechten bij Overloon en Venraij hadden onderscheiden.
De ‘Dagboeken van de Fraters van het kasteel’ bieden niet alleen uit de oorlogsjaren maar ook uit de voorafgaande jaren over ‘het botenpark’ van de congregatie nog wel wat meer informatie. Sinds kort zijn Riet Jaegers en ondergetekende, op verzoek en met medewerking van archivaris pater Martin Wilson, bezig om die kostelijke met de hand geschreven dagboeken voor onderzoek beter toegankelijk te maken en digitaal te bewerken. Zodoende namen we uit die dagboeken kennis van het feit dat de broeders en paters ook in 1934 al met naam en toenaam bekende boten op hun kasteelgrachten ‘in de vaart’ hadden. Het jaar 1934 was voor de congregatie een heel gedenkwaardig jaar. Mgr. Hilhorst, de eerste provinciaal van de Nederlandse Provincie van de Congregatie op het missiehuis in Gemert, werd toen namelijk benoemd tot bisschop van Bagamoyo (in het huidige Tanzania, Afrika). Het was het eerste bisdom dat aan de Nederlandse provincie van de congregatie van de Heilige Geest werd toevertrouwd. De bisschopswijding vond plaats in Amsterdam maar een week later, om precies te zijn op 5 mei 1934, hield de nieuwe bisschop een blijde intocht in Gemert. 
Heel Gemert liep uit en op het kasteel was het groot feest. ’s Avonds werden op de kasteelgracht zelfs ‘gondeltochten met illuminatie’ gehouden. Eén van die gondels moet bij die gelegenheid toen naar het (‘Gemertse’) bisdom ‘Bagamoyo’ zijn gedoopt.
Aangaande de Gondeltocht citeren we uit het ‘Feestverslag’: “Deze had plaats in drie met papieren slingers en lampions versierde booten. De groote boot “Afrika” was pas klaar gemaakt door de fraters (in november 1933 was hij opgegraven uit het volleyveld bij de beugelbaan). De twee andere booten “Casteel” en “Bagamoyo” waren helemaal
opgekalefaterd. In de groote boot maakt Mgr. aan het roer een tochtje met de Paters, doch tegenover de eendenkooi voeren ze met de versiering in de boomen. Twee lampions aan een stokje met een brokje slinger bleven ter illuminatie hangen, terwijl de boot met de rest van de versiering verder ging onder gezang van de toeschouwers op de wal.”
Ondergetekende heeft het idee dat het niet lang zal duren of we zullen ook die historische bootnamen wel weer terug zien in het zo prachtig gerestaureerde botenhuis. De Stichting Gemert Vrijstaat heb ik al horen ijveren voor die terugkomst…
Maria van de Vossenberg-Lorteije
NOOT:
1. A.v.d.Kimmenade-Beekmans, Kasteel bezet – kasteel bevrijd 1939-1945, Gemert 2005, blz. 85, 110, 117, 128.
GH-2005-03 De Kleikampen, een steeg uit de 15de eeuw
Jan Timmers
Aan de westkant van de Gemertse dorpskom bevinden zich lager gelegen gronden die grotendeels al in de middeleeuwen werden gebruikt als wei- en hooilanden. De graslanden, globaal begrensd door het riviertje De Rips, de Snelle Loop (nu gemeentegrens) en de Wijnboomlaan, stonden al in de Middeleeuwen bekend onder de naam De Kampen. Dit gebied was in de veertiende eeuw al grotendeels in meerdere percelen verdeeld en in particulier bezit. De oudste hoeven van Gemert hadden allemaal hooilanden in de Kampen. De weilanden in de Kampen waren bereikbaar via twee stegen, waarvan er een pal langs De Rips loopt. Deze weg kreeg dan ook de toepasselijke naam De Kampen. Eigenlijk geldt die naam dus voor het hele gebied ten westen ervan.
De graslanden, vaak aangeduid met de term ‘beemden’, aan de oostkant van De Rips bleven langer in het bezit van de heren van Gemert. Aanvankelijk waren dat leden van de familie Van Gemert, na 1366 waren het de Heren van de Duitse Orde. Het gebiedje tussen De Rips en de steeg met de naam Kleikampen stond dan ook lange tijd bekend onder de naam de Herenbeemd. Een groot gedeelte van de Herenbeemd bleef in bezit van de Duitse Orde tot de opheffing van die orde aan het eind van de 18de eeuw. Vanaf de 17de eeuw komt voor dit gebied de naam Kleikampen in gebruik. De naam geeft aan dat het gebied toch een beetje bij De Kampen hoorde, maar daar wel een afzonderlijk deel van vormde. In het gebied komt geen kleigrond voor, maar de Gemertse zandboeren zullen al gauw de neiging hebben gehad om grond die wat natter en vetter was dan de meeste zandgrond, maar meteen met “klei” aan te duiden. Ook aan de zuidkant van Gemert bij Daalhorst lagen weilanden die in de 18de eeuw de naam Kleikampen droegen.
Net zoals de weg die De Kamen in loopt, kreeg de zandweg die richting de Kleikampen loopt, de naam Kleikampen. Ook hier hoort die naam dus eigenlijk bij het gehele gebied, waar de zandweg doorheen loopt.
De Kleikampen is nu nog grotendeels een zandpad en was lange tijd een doodlopende weg, die alleen diende om een aantal weidepercelen te bereiken. Op oude kaarten is duidelijk zichtbaar dat de pad aanvankelijk verder doorliep dan hij tot voor kort deed. Onlangs is de pad weer langer geworden, althans voor wandelaars. Omdat er in de omheiningen van de daar liggende particuliere weilanden een paar hekjes werden geplaatst, is het voortaan mogelijk om van de Kleikampen te voet naar het Karrespoor te wandelen. Daardoor heeft de Kleikampen ongeveer zijn oorspronkelijke lengte teruggekregen.
Een stukje voorgeschiedenis
Tot in de 18de eeuw droeg het gebied aan weerszijden van de steeg Kleikampen een heel andere naam. Het gebied stond toen bekend onder de naam De Strepen. De oorzaak daarvan was dat de percelen in dat gebied allemaal smalle en langgerekte vormen hadden, lopende vanaf De Haag (of direct vanaf de huisplaatsen aan de Haag) verder het achterland in. Voor 1421 behoorden de Strepen tot het bezit van de Duitse Orde en maakten ze onderdeel uit van de Herenbeemd. 
Een gedeelte van de Herenbeemd werd door de Duitse Orde op 27 februari 1421 in erfpacht uitgegeven1. Het betrof twee aangrenzende stukken achter De Haag. Een perceel van 3 sillen en 10,5 roeden kwam in bezit van Jan, zoon van Jan Hannen van Kyeboom. Een aangrenzend perceel van 3 sillen werd eigendom van Jan zoon van Claus Bloyman. In totaal gaat het om, omgerekend in moderne maten, bijna 2 hectare.
Om de beemden achter De Strepen te kunnen bereiken is, waarschijnlijk pas na 1421, een steeg ontstaan pal langs het perceel van Jan Bloyman. Deze steeg, die nu Kleikampen heet, vormde aan het eind van de Middeleeuwen de grens tussen de particuliere eigendommen aan De Haag en het eigendom van de Duitse Orde (de Herenbeemd).
Vervolgens werden in 1504 weer twee stukken van De Strepen in erfpacht uitgegeven2. Een stuk op de hoek van De Haag – Kleikampen werd eigendom van de kinderen van Jan Vermeulen. Een laatste stuk van De Strepen werd uitgegeven aan Aart Gheben. dat stuk werd overigens door Jan Vermeulen van Aart Gheben overgekocht. Een stukje tekst over de uitgifte:
“..overgedragen aen Jannen ende Jenneke wittige kynderen Johannes van der Moelen, twee stucxkens erffs gelegen neven malcanderen in de prochie van Ghemert op eyn plaets geheyten die Hage, welcke stucken erfs geheyten sijn die Strepen, gelegen myt eyne sijde neven erfenis Willemkens Fijen, Goessen Goessen Wolfssoen ende Lenards van den Berge, mitter andere sijde neven erfenis coperen, die sij vercregen hadden tegen Aert Gheben, dat eyn ende aen ons oirdens bempt tot Ghemert ende dat andere eynde aen de gemeyn straet als sij seden….”
Dit stuk beemd lag pal naast de steeg. De percelen aan de andere kant van de steeg kwamen in de loop van de 15de eeuw voor een groot deel in eigendom van leden van de familie Wolfs. Kennelijk was dat zo opmerkelijk dat enige tijd sprake was van de Wolfsstrepen en zelfs van de Wolfssteeg3. Die naam kunnen we dus eigenlijk beschouwen als de oudste naam van de steeg die we nu Kleikampen noemen.
Met betrekking tot de uitgifte van het stuk Strepen aan Aert Gheben bleek de administratie van de erfpachten van de Duitse Orde overigens niet helemaal op orde te zijn. In een erfpachtregister uit de 16de eeuw, waarin achtereenvolgende eigenaren werden genoteerd, staat de volgende passage4:
“Aert Gheben, daernae Johannes van der Moelen, daernae sijn kynderen, daernae Peter van der Rennen, nu ter tijt Dierck Peters Verrennen swaeger, ende dat huys van Ghemert hevet ierst vuytgegeven Jannen van der Moelen, rentmeester, voor twee mud rogge erffspachs, ende ick meynde dat Heer Jan van Eijnatten vuyt heeft gegeven doen hy die Strepen in die Haghe vuijgaeff, ende dit voergenoemde erfenisse van der twe mudden voerszegd is gelegen achter in die Haghe, ende is ooc eenen Streep ende is gelegen die een sijde neven Wouter Joerdens erve, dander sijde neven Rutten Wouters erve, het een eynde op mijns heren beslooten bempt, het ander eynde op die gemeyn straet.
Dierck Verrennen gilt sjaers ii mud roggen als voirscreven is, wij en connen egheen brieven daer aff gevinden, nisi registrum, mer sij hebben mij geloeft sij sullen mij haeren brief verleenen.”

Het bijgaande kaartje is de kadastrale situatie van 1832. Op het kaartje zijn de twee delen aangegeven van De Strepen die in 1421 en in 1504 werden uitgegeven aan particulieren. De steeg Kleikampen vormt precies de grens ertussen. Mogelijk kunnen we hieruit de conclusie trekken dat de steeg kort na 1421 is ontstaan. Misschien gaat de ouderdom ervan nog verder terug. Aan het eind van de 15de eeuw droeg hij de naam Wolfssteeg.
Een andere conclusie hieruit is dat de bewoning in het achterste gedeelte van De Haag pas na 1504 zal zijn ontstaan. Vóór die tijd waren het beemden in eigendom van de Duitse Orde en onderdeel van de Herenbeemd. Na de uitgifte aan particulieren zullen die er huizen op hebben gebouwd. Direct na de uitgifte in 1504 zal het eerste huis gebouwd. Dat aantal is in de loop der eeuwen langzaam toegenomen. In de 16e eeuw kwamen er al huizen bij. In onderstaande tabel komt de uitbreiding duidelijk naar voren.5
|
Aantal huizen achter in de Haag 1504 1 1716 8 1832 10 2005 17 (aantal huisnummers) |
NOTEN:
1. BHIC, Archief Kommanderij van de Duitse Orde Gemert (AKDOG) inventarisnummer 727
2. BHIC, AKDOG inv nr 730. Het betreft een vidimus anno 1601. Ook in Gemert R102 is een vidimus opgenomen van sept/okt 1526.
3. Bijvoorbeeld Gemert R 97 dd 16-5-1491 en R98 dd 8-2-1500
4. BHIC, Archief Commissie van Breda, inv nr 430, folio 24verso
5. Voor het aantal huizen in 1716 zie: Jan Timmers, Het Landboek, Gemertse Bronnen deel 3; het gaat om de nummers 727 t/m 737. Het aantal in 1832 is gehaald uit de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafel van het kadaster uit 1832, aanwezig in het gemeentearchief Gemert-Bakel.
GH-2005-03 ‘In den Pellicaen’ en ‘In die Olde Kerke’
Ad Otten
Er staat iets te gebeuren bij de Ridderhof tegenover de kerk. Op de nog niet zo lang naar het voorbeeld van de vroegere situatie gebouwde poortdoorgang tussen Ridderhof en het pand Kerkstraat 1, zal een verguld beeld worden geplaatst van een pelikaan. Menigeen zal zich afvragen: waarom een pelikaan? Dat is niet eens een vogel van hier. De pelikaan komt inderdaad alleen voor in tropische en subtropische gebieden en in Europa alleen in het zuidoosten. Maar de vogel werd hier al wel met de invoering van het christendom bekend door het oude volksgeloof dat de pelikaan in noodsituaties zijn jongen voedt met bloed uit zijn borst, die hij daartoe openpikt. In de vroege middeleeuwen werd dat voor christenen het zinnebeeld voor het (bloed)offer van Jezus Christus aan het kruis. In de christelijke iconografie en ook in de heraldiek werd het een telkens terugkerend thema. Zo is de zich opofferende pelikaan ook het zegelbeeld van de oudst bekende commanderij van de Duitse Orde in de Nederlanden (te Mechelen). En op de laatst gehouden monumentendag werden in onze kerk van St.Jans’ Onthoofding nog twee kazuivels tentoongesteld met op de rugzijde de afbeelding van de zich in de borst pikkende pelikaan. In Gemert is al van oudsher een bijzondere kruisdevotie. De tijdens de kruistochten gestichte ridderorde, die in Gemert het kasteel bouwde, is daar niet vreemd aan. Tot in de achttiende eeuw werden in Gemert passiespelen gehouden en tot op de dag van vandaag wordt de spijkerkapel van Esdonk nog druk bezocht.
Dat ook het vroegere bestaan van een herberg De Pelikaan in Gemert iets van doen had met die kruisdevotie mag echter als veel minder bekend worden verondersteld. Ze hoorde tot de drukst beklante Gemertse herbergen en ze was gelegen recht tegenover de kerk op de plaats van thans De Ridderhof.
Wat weten we van ‘die Olde Kercke’?
Eerder werd in Gemerts Heem al aandacht gevraagd voor een mogelijke relatie tussen herberg De Pelikaan en de allereerste kerk van Gemert.1 Alles wees er namelijk op dat de vanaf de zeventiende eeuw bekende herberg stond op het perceel waarop vroeger ook de eerste kerk van Gemert gestaan moet hebben. Deze eerste kerk – officieel in gebruik genomen in 1270 – was onderhorig aan de parochie Bakel en werd in de veertiende eeuw niet aangeduid als kerk maar als kapel. Toch had zij ook toen al een bijzondere status. Zij was omgracht en had binnen die omgrachting ook een kerkhof. Dat valt te lezen in een oorkonde van 1326, waarin o.m. wordt geschreven dat Heer Diederik van Gemert het recht had om “die ghebode van (die rechts)ghedinge” te houden “op dien kirckhove” en dat hij ook zijn “rechtinghen in die capelle” mocht houden.2
In 1436/1437, toen Gemert een zelfstandige parochie werd, is diezelfde kapel ‘gepromoveerd’ tot de eerste parochiekerk van Gemert. Lang heeft dat echter niet geduurd. Want vrijwel onmiddellijk nadat de paus zijn toestemming had gegeven tot de afsplitsing van Gemert uit de oerparochie Bakel, moet de Duitse Orde zijn begonnen met de bouw van een nieuwe kerk naast het kasteel, aan de andere kant van de straat. Uit archiefonderzoek weten we dat in 1445 het priesterkoor van die nieuwe kerk al als nieuwe parochiekerk in gebruik was genomen en dat vanaf dat jaar de oude kapelkerk niet meer nodig was. Ook het kerkhof zal niet lang daarna wel zijn verplaatst naar de overkant van de straat.
Binnen het kader van dit artikel mag niet onvermeld blijven dat die eerste kerk tot dan toe bekend stond als ‘Capelle vant heilig Cruijs van Miracul’. Al heel vroeg moet de kapel begiftigd zijn geweest met de nu in de parochiekerk van Gemert nog altijd aanwezige relikwieën van het heilig Kruis en het heilig Graf. Door pelgrims en bedevaartgangers moet er in die kapel veel geofferd zijn. In 16de eeuwse parochieregisters werd opgetekend dat, de eerste (Duitsordens) pastoor van Gemert (heer Jan van Attendoren), “van sijn patrimonio (= erfdeel van zijn ouders) ende offer die vant heilich Cruijs van miracul hier quam, die neu kerck bouten…”.3
Enige decennia na de ingebruikname van de nieuwe kerk blijkt ‘de oude kerk’ of tenminste de locatie daarvan, de compleet nieuwe bestemming te hebben gekregen van herberg en brouwhuis. Dat zal zeker gepaard zijn gegaan met de nodige verbouwingen maar desalniettemin blijft men in de Gemertse schepenprotokollen tot over een periode van nog meer dan 100 jaar vermeldingen tegenkomen van ‘die herberg en brouwerije In die Olde (of: Alde) kercke’. De laatste vermeldingen die tot dusver zijn aangetroffen dateren uit 1575-1580. Op 30 december 1575 verkoopt Claes Jans die Brouwer met zijn familieleden het “huys, schuer en bachuys metten hof, malcanderen aengelegen inder parochien van Gemert, genoempt die Olde Kercke”.
Het perceel wordt dan omschreven als gelegen aan de straat tussen de erven van Jan Goorts de Smet aan de ene kant en het erf van Adriaen Valcx aan de andere kant, terwijl het erf uitschiet op “eenen voetpat aen het Gelynt”. De kopers (zekere Jan en Mathijs Thijs Gijssen) mogen voor het verlenen van recht van weg “over den misthoff” 12 gulden korten op de koopsom.4a Alles lijkt hierbij te wijzen op de gang die er nu nog altijd is tussen De Ridderhof en het pand Kerkstraat 1. Nauwelijks twee maanden later wordt het perceel van die Olde Kercke al opgesplitst in tweeën. Andries Aerts van Wijnboom wordt dan de eigenaar van die Olde kercke en zekere Henrick Thonis den Snijder van de schuur van die Olde Kercke met het halve land. En ten slotte zien we op 24 februari 1580 Bartholomeus van Ostayen die Olde Kercke kopen van de reeds genoemde Andries van Wijnboom.4b Daarna komen we het toponiem van ‘die Olde Kercke’ niet meer tegen.
Wel is er uit onverwachte hoek nog een curieus gegeven boven water gekomen dat iets zegt over de vroegere locatie van ‘die Olde Kercke’ en het Olde kerkhof daaromheen. In 1960 namelijk, ten tijde van de nieuwbouw van de textielwinkel van Cor Otten aan het Ridderplein, vond een PNEM-beambte pal voor de voordeur van Ridderplein 23 een geraamte. De conclusie is dat het perceel van dit pand in het verleden deel moet hebben uitgemaakt van het omgrachte oude kerkhof. De schedel werd indertijd door de man van de PNEM meegenomen, maar een middeleeuws Gemerts dijbeen moet bij de auteur van dit artikel nog ergens op zolder liggen.
Kijken we vervolgens naar oude kadastertekeningen dan dringt zich alleen al door het patroon van de percelering rond de flauwe bocht Kerkstraat-Ridderplein als vanzelf een idee op van de omgrachting van de eerste parochiekerk van Gemert (zie bijgaande plattegrond).
Binnen de hier zeer aannemelijk geachte omgrachting is het verder (nog) niet mogelijk de exacte locatie van de Olde Kerk te geven. We gaan er van uit dat ook die oude kerk in dezelfde WO-richting gestaan zal hebben als de ‘nieuwe’ kerk, omdat kerken van oudsher georiënteerd dwz met het altaar naar het oosten werden gericht. Gelet op deze richting dan komen de percelen waarop nu de panden Kerkstraat 1-3 staan het meest in aanmerking voor de exacte locatie van ‘die Olde Kerke’. Maar zonder enige archeologische bevestiging blijft het een beetje koffiedik kijken. Met veel meer zekerheid kunnen we wel wijzen op de plattegrond waar met de ingetekende omgrachting welhaast zeker het grondgebied wordt aangewezen dat in zijn geheel behoorde tot het domein van ‘die Olde Kercke van Gemert. En het is op dat domein dat in de tweede helft van de zeventiende eeuw ‘De Pelikaan’ verschijnt, die heel symbolisch lijkt te verwijzen naar de vroegere toestand.
Wat weten we van herberg De Pelikaan?
Na de laatste vermelding van ‘de Olde Kerck’ duurt het ongeveer een eeuw voordat de naam De Pelikaan opduikt. In 1663, dat is een jaar nadat Gemert zijn soevereiniteitsrechten na een 14-jaar durend proces met de Staten-Generaal herkreeg, verkoopt de familie Molensteens aan zekere Nicolaas Joosten van Neerven, die zich in de daarover opgemaakte schepenakte ‘stadhouder van Bakel’ noemt, het perceel met herberg dat we weldra leren kennen als De Pelikaan. Met de aangelegen landerijen (‘aan het Gelind’) beslaat zijn eigendom in het centrum van Gemert een totale oppervlakte van een halve hectare.5 Zijn dochter Catharina van Neerven neemt na 1682 dit bezit over en zij wordt met haar man, eerst Sieur Hendrik van den Biggelaar en na diens dood haar tweede man Nicolaes van der Heust, de uitbaatster van herberg ‘Inden Pellicaen’. Uit diezelfde tijd, om precies te zijn van 26 december 1675, is een prachtige pentekening bewaard gebleven van Valentijn Klotz die weliswaar het kasteel als onderwerp heeft, maar waarop op de achtergrond De Pellicaen is te zien is als het dan meest in het oog vallende pand aan de straat. Als je goed kijkt zie je aan de noordkant van het pand ook nog de poortdoorgang. Over deze ‘invaart’ sluit Catharina in 1682 met buurman Gerardt Hogaerts de Smedt een ‘accoord’. Alles wordt geregeld. De beesten die er gedreven mogen worden, de karren die er niet geparkeerd mogen worden, de waterafvoer, en ook het onderhoud van de poort.6
Catharina van Neerven was van vele markten thuis en zij had ook interessante relaties. Zo was haar tweede man Vander Heust van huis uit een gereformeerde. Gerlacus van den Elsen citeerde over hem uit het het door pastoor Gautius aangelegde parochieregister: “Nicolaus van der Heust is geboortig van Oisterwijck van gereformeerde ouders, self gereformeerd geweest, hier te Gemert gekomen ter schole ende hier bekeert en geleert ende geoefent de chirurgie, getrout geweest met een weduwe Cathrijn ende gewoont in den Pellicaen tegenover de kercke ende heeft 100 pattacons (=rijksdaalders) gemaect aen den arme … en 100 pattacons voor onse kercke”.7 Volgens het Begraafboek werd haar tweede man op 5 augustus 1706 in Gemert begraven. En in de lijsten van Gemertse schepenen zien we dat VanderHeust al vanaf 1697 ook schepen was in Gemert.
Na het overlijden van haar tweede man zet Catharina van Neerven de herberg In den Pellicaen voort, terwijl zij daarbij in 1711 nog een bijzondere taak op zich neemt als bewaarschoolhoudster. Of die taak ook werd uitgeoefend in de Pelikaan is de vraag. Bij het aanleggen van het Landboek in 1717 staat zij in elk geval nog steeds te boek als de eigenaresse van dat pand.9 Intussen heeft ze op het pand ‘Inden Pellicaen’ ook een last gevestigd van een jaarlijkse rente van 50 gulden die het mogelijk moet maken dat meester Nicolaes Michiel Van Gemert zich tot priester kan laten wijden. Later zal de vader van deze priester te weten Sieur Hendrik van Gemert de herberg In den Pellicaen overnemen.10 Gedurende een groot gedeelte van de achttiende eeuw blijft de herberg in handen van de familie Van Gemert tot het uiteindelijk eigendom wordt van Hendrik Johannes Corstens.11 Wanneer in 1793 in Grave een almanak wordt gedrukt met daarin opgenomen een soort gemeentegids van de Vrij-Heerlijkheid Gemert, dan zien we daar onder ‘de voornaamste logementen’ genoemd ‘Den Pelicaan’.12 Als exploitant wordt daar echter geen Van Gemert of een Corstens genoemd maar Arnoldus van Eupen. Hij zal niet de eigenaar maar de uitbater van ‘De Pelicaan’ zijn geweest. In 1812 komt er pas een nieuwe eigenaar van ‘De Pelikaan’. 
Op 5 mei van dat jaar wordt voor notaris Aelders in Gemert een notariële akte van ruiling opgemaakt waarbij Henrij Corstens en diens kinderen het “huis genaamd De Pelikaan met schuur en hof” ruilen tegen een huis met schuur en twee hoven van herbergier Luc Compier in de Molenstraat in Gemert.13 Luc Compier wordt nu de nieuwe herbergier van De Pelikaan. Als eigenaar/herbergier staat hij als zodanig nog steeds ingeschreven in de registers van het kadaster die dateren van 1832. Korte tijd later moet hij de naam De Pelikaan hebben verruild voor die van De Gouden Leeuw, een symbool van (nationale) koninklijke macht. Die laatste naam zo zal hij gedacht hebben, past beter bij de grote klandizie die de Gemertse herbergen toen trokken van de hier gelegerde en voornamelijk uit noord-Nederland afkomstige militairen ten tijde van de Belgische Opstand. In diezelfde tijd maken ook andere de monarchie goedgezinde namen opgang zoals De Kroon en De Keizer.14 De Gouden Leeuw is jaren geleden alweer ingeruild voor De Ridderhof en de naam van De Pelikaan is inmiddels al lang vergeten, waarmee tegelijk ook de herinnering verdween aan de middeleeuwse ‘Olde Kerck’ van Gemert, een bedevaartsoord van het heilig kruis. Maar zoals gezegd in de aanhef van dit artikel: er zit in elk geval weer een pelikaan aan te komen en hem is ook al een plaats toebedacht. Op de poort naast De Ridderhof!

NOTEN:
1. Ad Otten, Relatie tussen herberg De Pelikaan en Oude Kerk, in: Gemerts Heem 1991, blz.60-63.
2. Vgl. transcriptie van de oorkonde van 24-6-1326 in ‘Oorkondenboek van Gemert’ (Heemkamer)
3. Vgl. Ad Otten, De vestiging van de Duitse Orde in Gemert 1200-1500, Gemert 1987, blz. 112-116.
4a. BHIC – Rechterlijk Archief Gemert R110 schepenakte dd 30-12-1575; Simon v Wetten, Transcripties Gemertse schepenprotocollen R110 akte 471.
4b. Simon v Wetten, Transcripties Gemertse Schepenprotocollen R110 akten 746-749 en akte 1071 (dd 24.2.1580)
5. Simon van Wetten, Transcripties Schepenprotocollen van Gemert (Heemkamer R119 akte 153 dd 4-7-1663).
6. idem R121 akte 658.
7. Gerlacus van den Elsen, Geschiedenis van de Latijnse School te Gemert, ‘s-Hertogenbosch 1887, blz. 236-237.
8. idem, blz.50 noot 3.
9. Jan Timmers e.a., Het Landboek 1717-1816, Gemertse Bronnen 3a (Gemert 2003); Het betreft landboeknr. 1401 ter grootte van 1 lopense 44 roeden; Catharina van Neerven staat hier te boek als ‘de weduwe Hendrick van den Biggelaar’. Na een hele reconstructie (uitgevoerd m.m.v. Wim van de Vossenberg en Ben van den Berg) zijn we tot de conclusie gekomen dat het erf van De Pelikaan dan beslaat de latere kadastrale nummers L227, 228, 230, 231 en 234 plus de helft van de (Pelikaan)gang die helemaal doorloopt tot de Bonengang.
10. Simon van Wetten, Transcripties Schepenprotocollen van Gemert (R127 akte 51).
11. Jan Timmers e.a., Het Landboek 1717-1816, Gemertse Bronnen 3a (Gemert 2003); Als eigenaars van landboeknr. 1401 staan na ‘de weduwe van Hendrik van den Biggelaar’ vervolgens te boek ‘Hendrik van Gemert de Jonge’ en ‘Hendrik Joannes Corstens’.
12. Gemeentegids uit 1793, in Gemerts Heem 1993, p.90-95.
13. Regesten op het Notariaat Gemert. Notaris Jan Francis Aelders, dl.1 1812-1819, uit: Geneal. Werkgroep Land van Cuijk en Ravenstein, 2002, blz.5 (invnr. 2128 akte nr. 35).
14. Ad Otten, De Keizer en de trendgevoeligheid van een herbergnaam, GH1989, p.76-82.

GH-2005-03 De Bonengang verklaard
Wim van de Vossenberg, Ben van den Berg en Ad Otten
Hoe oud zou nu toch dat Bonengangske zijn? Heel Gemert is er mee vertrouwd. Een algemeen gekoesterd gangske dat tot enige decennia geleden ook wel bekend stond als ’t Corste Gèngske. De gang begon immers in de Kerkstraat bij de oude winkel en het pakhuis van Corstens. Zo noemde iedereen schuins tegenover ook ’t Frunte Gèngske naar zadelmaker en leerbewerker Frunt die daar ter plaatse zijn ambacht uitoefende en wiens achter de woning gelegen ‘febriekske’ bereikbaar was via de poort en de gang aan de Kerkstraat. In het Frunte Gèngske stond tot circa 1970 ook nog een rijtje van drie ‘wunningskes’ maar het zal niemand verbazen dat dit achterommetje genoemd werd naar de meest frequente gebruiker danwel eigenaar van de gang.
De naamgeving van ’t Corste Gèngske heeft echter die van de oude Bonengang nooit kunnen verdringen terwijl toch meerdere generaties Corstens achtereen, daar niet alleen woonden maar ook een indrukwekkende bedrijvigheid ontplooiden. In het begin van de negentiende eeuw woonde er de vooraanstaande linnenkoopman Antoin oftewel Teut Corstens. Over die laatste is nog ooit geschreven in Gemerts Heem dat hij een grote partij Gemerts linnen verkocht aan Josephine de Beauharnais, de keizerin van Frankrijk en echtgenote van niemand minder dan Napoleon Bonaparte. Dat moet geweest zijn in 1807.1 Al heel lang geleden dus. Maar alle Gemertse bejaarden kennen zelf nog de nu hoogbejaarde Jan Corstens die op die zelfde plaats in zijn arbeidzame leven een grossierderij en winkel exploiteerde en de meesten zullen zich zeker ook nog diens vader Henri Corstens herinneren. Henri was van 1908 tot 1935 raadslid en van 1930-1935 wethouder van Gemert. In de gebouwen die een hoek vormen tussen Kerkstraat en Bonengang exploiteerde hij onder meer een tabakskerverij en een koffiebranderij die hij de naam had meegegeven van ‘Het Wapen van Gemert’. Met grote letters was dat ook geschilderd in een gestucte sierlijst bovenaan de gevel. Maar zoals gezegd bleef de Bonengang toch Bonengang. En niet alleen in de volksmond want in de gemeenteraadsvergadering van 2 maart 1953 werd die naam zelfs officieel als straatnaam vastgelegd. Naar de precieze herkomst en betekenis van die naam bleef het echter gissen.
Er werd wel eens geopperd dat de naam Bonengang misschien wel ontleend was aan de koffiebonen van Corstens’ Koffie. Maar dat bleek alle grond te missen omdat de naam Bonengang al veel en veel ouder was dan Corstens’ Koffie. In een schepenakte van 26 januari 1798 is immers al sprake van twee door weduwen bewoonde ‘woningen met aanhorige moeshoven ‘in het soogenaamt Au Boonen Gangske’.2 Een andere suggestie was dat de naam zou moeten zijn ontleend aan het feit dat in het achterliggende gebied al van oudsher heel veel bonen werden ‘geteuld’. Daarbij werd dan gewezen op een heel oude plaatsaanduiding ‘ergens’ op de Molenakker die de naam droeg van ‘Boontuin’. Een naam die in Gemertse archiefstukken nota bene al voorkomt in de middeleeuwen.3 Uit 1409 dateert namelijk al een oorkonde waarbij een ‘Boentuyn’ wordt verpacht van maar liefst 12 lopense en 20 roeden (dat is ongeveer 2½ hectare) groot. Als één der belendingen wordt daarbij opgegeven een waterlaat waarmee de Rips achter de (huidige) Kapelaanstraat lijkt te zijn bedoeld. De precieze locatie van deze Boontuin blijkt echter niet zo gemakkelijk aan te wijzen. Bovendien is in die heel vroege tijd nog helemaal geen sprake van het bestaan van een Bonengang. Opmerkenswaard hierbij is wel dat ook in later eeuwen het toponiem Boontuin nog volop voorkomt. Naar het schijnt op verschillende plaatsen op de Molenakker, maar ook bijvoorbeeld in De Mortel.
Bonengang genoemd naar Peter Jacob Boonen c.s.
De oplossing van het ontstaan van de naam Bonengang bleef dus een raadsel. En dan komt er opeens een verklaring als het ware uit de lucht gevallen. In de voorloper van het kadaster, het zogenaamde Landboek van Gemert, lezen we, dat de weduwe van Peter Jacob Boonen in 1717 werd geregistreerd als de eigenaresse van perceel nr. 1369.
Dat perceel wordt omschreven als bestaande uit twee huijsen met een hof samen ter grootte van 34 roeden, omgerekend ongeveer 11 are.4 Na heel wat puzzelwerk en vergelijking met de oudste kadastrale gegevens komen we tot de conclusie dat het bedoelde perceel van Boonen in het Gemertse Landboek gelocaliseerd moet worden als zijnde gelegen op de hoek van de Kerkstraat en de Bonengang en wel op de plaats van de latere winkel(s) Wijn naast Hotel de Kroon, waar nu onder meer kapsalon Plony is gevestigd. Alles valt daarmee op zijn plaats. Die familie Boonen moet welhaast zeker de naamgever zijn geweest van de nu nog steeds bestaande Bonengang. Een bewijs daarvoor vinden we vervolgens in de tekst van de op 31 oktober 1702 opgemaakte aankoopakte van het hier besproken ‘erf’ door Peter Jacobs alias Boonen zelf. Als belendingen worden dan opgegeven: ‘de straet’ en ‘de padt’.5 En het is deze ‘padt’ die in de daaropvolgende jaren steeds frequenter de naam Bonengang moet zijn gegeven.
Peter Jacobs Boonen was een Gemertenaar van geboorte. Zijn doopdatum is 7 oktober 1660 en hij overleed hier op 5 mei 1716. Ook zijn kinderen (Jacobus, Petrus en Arnoldus) noemden zich Boonen.6
Als vraag rest nu nog slechts hoe de familie Boonen aan zijn naam is gekomen. Deed de familie in bonen? Of is de achternaam gewoon een zogeheten patroniem en afgeleid van een voorouder met de naam Bonifatius? Of een verkorting van de naam Bonenberg die in Gemert in de 16de en 17de eeuw ook voor komt?7 Ach, zo blijft er, net als over de ‘boontuinen’ van Gemert, altijd nog wel iets uit te vissen.
NOTEN:
1. A. Spoorenberg, Eén Gemerts hemd goed voor tien keizerinnen, in: GH 1983, p. 91-94
2. Brabants Historisch Informatie Centrum [BHIC] – ‘s-Hertogenbosch – Rechterlijke Archief Gemert R160 f.236 dd 26-1-1798.
3. BHIC – Kommanderij Archief Gemert, invnr.694; Martien van der Wijst, Gemertse toponiemen tussen 1326 en 1802, in Gemerts Heem nr. 42 (1971).
4. Jan Timmers en Peter van den Elsen, Het Landboek 1717-1816, Gemertse Bronnen deel 3a, 2003, blz. 95.
5. Simon van Wetten, Schepenprotocollen van Gemert R125 akte 136 dd 31-10-1702 (Heemkamer Gemert)
6. Uit DTB Gemert: Jacobus Adriani Boonen (+ Deel 26-11-1673) en Anna waren de ouders van Adriana, Adrianus (ged. 28-2-1658), Petrus (ged. 7-10-1660; + Dorp 5-5-1716), Cornelis (ged. 31-7-1663), Joannes (ged. 21-11-1666), Agnes (ged. 5-2-1669), Joannes (ged. 26-3-1671); Petrus Jacobs Boonen getrouwd met Maria Peters van de Voort waren de ouders van Jacobus Deckers alias Boonen, Petrus Franciscus Boonen en Arnoldus Boonen.
7. Peter van den Elsen, De Komschool, geschiedenis van het Lager Onderwijs in Gemert, 1978, blz.5 over ‘koster-onderwijzer Johan Bonenbergh’.
GH-2005-03 Dorpskern in historisch perspectief
Ad Otten
Gemert-dorp ontwikkelt zich vanaf de 11de eeuw langs de prehistorische route Bakel-Erp, die op enige honderden meters afstand parallel loopt aan de oostelijk daarvan gelegen Peelrandbreuk. Er wordt een omgracht hooghuis gebouwd op een motte op de plaats van het huidige politiebureau. Het riviertje de Rips maakt deel uit van de omgrachting. Rond 1210 wordt op enige afstand stroomopwaarts aan datzelfde riviertje (aan het begin van de Molenstraat) een watermolen gebouwd met een omvangrijk waterspaarbekken en enige hoeves. Vóór 1270 is in de bocht tegenover de huidige oude kerk een omgrachte kapel van het Heilig Kruis gesticht die zich ontwikkeld tot pelgrimsoord en later zal uitgroeien tot de eerste parochiekerk van Gemert. Medio veertiende eeuw staat er een stenen windmolen op de Molenakker en is er aan de Haageik een gasthuis. Waar Haageik en Molenstraat samenkomen worden aan de brug over de Rips ‘in de Prieeleik’ (in de open lucht) openbare rechtszittingen (‘gedingen’) gehouden. Wanneer vervolgens door de Duitse ridderorde een eindweegs ten zuiden van dit oude centrum, eind veertiende eeuw wordt begonnen aan de bouw van het dubbel omgrachte kasteel ontwikkelt zich daartegenover geleidelijk een tweede dorpscentrum. In 1437 start de Duitse Orde naast het kasteel met de bouw van de nieuwe kerk. In 1445 is het priesterkoor al in gebruik als parochiekerk. De daar tegenover gelegen oude kruiskapel transformeert zich tot herberg en brouwerij. De ‘Plaatse’ aan de entree naar het kasteel groeit als vanzelf uit tot ‘de Merckt van Gemert’. In de loop van de vijftiende eeuw verhuist daarnaartoe ook de dingbank (de Jutjat). Het ‘hooghuis op den berg’ wordt intussen geslecht en de grachten grotendeels gedempt. Delen van de voormalige voorburcht (het Hofgoed) blijven iets uitstralen van de verleden glorie. In een omgracht ‘slotje’ sticht in 1587 de Duitse Orde een Latijnse School (nu gemeentearchief). Terwijl het statige notarishuis door de eeuwen heen vanuit de middeleeuwen bekend is gebleven als ‘Hofgoed’.
De bebouwing aan zowel Nieuwstraat als Kerkstraat kan
worden aangewezen als te zijn ontstaan uit een steeds verdere opsplitsing van het vroegere domein van het hooghuis (lees: het domein van de oud-adellijke familie Van Gemert). De woonbebouwing aan Haag en Haageik gaat terug tot de vroegste nederzetting van ‘de onderzaten’ van de oude Heren van Gemert.
– van kèske tot kèske
Rond 1600 heeft zich aan weerszijden van de langgerekte dorpsstraat een nagenoeg aaneengesloten bebouwingslint gevormd, dat in de volgende honderd jaar nog enige verdichting ondergaat en naar het noorden en zuiden wordt verlengd tot aan de zogeheten kèskes met heiligenbeelden aan respectievelijk Kruiseind en Stereind: ‘de straot van kèske tot kèske’.
Bij ’t kèske aan het Kruiseind splitst de straot zich in een uitvalsweg naar Erp (Pandelaar) en een uitvalsweg naar Boekel (Deel), bij ’t kèske aan het Stereind in de weg naar Beek en Donk (Heuvel) en de weg naar Bakel (Oudestraat). Deel, Pandelaar en Heuvel manifesteren zich dan nog als aparte voornamelijk boerengehuchten. Keizerbosch vooraan de Oudestraat is ook meteen het allerlaatste huis van de dorpskern op weg naar het gehucht Boekent een eindweegs richting De Mortel en Bakel. Opmerkenswaard hierbij is dat Keizerbosch een vroege afsplitsing is van het oud-adellijk ‘Goed Kieboom’ dat vóór de (verdere) opdeling in de zestiende eeuw nog de hele oostzijde van het Binderseind omvatte en waarbinnen de locatie van Klooster Nazareth kan worden aangewezen als het oorspronkelijke hoofdhuis. Tot medio negentiende eeuw woonden op deze locatie de meest vooraanstaande inwoners van Gemert.
Aan de andere kant van de dorpskern heeft het begin van de Molenstraat na het stilleggen van de watermolen omstreeks 1600 al heel snel eenzelfde dichte en aaneengesloten bebouwing gekregen als ‘de straot’. De Molenstraat is tevens de uitvalsweg naar en door de Peel richting Boxmeer en uiteraard naar de bedevaartsplaats Handel. Met de van de Markt komende Kapelaansteeg (overgaand in de Molenakkersteeg) omvat de Molenstraat de achter de tuinen van de percelen aan de straot gelegen onbebouwde Molenakker. In de achttiende eeuw staan daar op ruime afstand van het dorp drie molens op een rij, vrij in de wind. De Beer, De Mosterdpot en het Zoutvat staan exact op de as noordzuid, parallel aan ‘de straot’. Bij de omgrachte stenen molen De Beer komt de Molenakkersteeg uit op de Molenstraat. Hier wordt het kèske van Sint Anna gebouwd. Verderop kom je op de Kèskesdijk (van de Zeven Smarten van Maria) naar het processiedorp Handel.
– De uitstraling van ‘de straot’
Men kan er alle oude beschrijvingen op na slaan. Gemert maakte op de bezoekende vreemdeling een duidelijk aangename en welvarende indruk. Zo is er een beschrijving van Wichmans uit het begin van de zeventiende eeuw die Gemert noemt als zijnde ‘eene vermaerde plaetse’. Omstreeks 1635 meldt Philips baron van Leefdael dat Gemert de rijkste commanderij was van de Balije Alden Biezen. In 1798 gewaagt Dominee Hanewinkel in diens Reyse door de Meierij van Gemert als zijnde ‘een zeer groot en schoon dorp’. In 1832 doet Van der Aa er nog een schepje bovenop met: ‘een zeer groot, schoon en aangenaam dorp’ en in 1845 noteert dr. Hermans in diens Geschied- en Aardrijkskundige beschrijving van Noord-Brabant: ‘Het dorp heeft fraaie straten en goede gebouwen die huis aan huis gerangschikt zijn’.
Toch moet Gemert in de jaren tachtig van de achttiende eeuw van haar rijke en historische uitstraling veel hebben ingeleverd. Na de tweede grote dorpsbrand (1785) zijn verschillende panden met veel minder allure opgebouwd. Bekend is dat de toch rijzige oude pastorie in de Ruijschenberghstraat vóór de brand maar liefst 2½ meter hoger reikte. En dat de diepte van ‘de oude Keizer’ in de Nieuwstraat, het pand van oud-president en wijnhandelaar Sieur Antoin van den Dungen (nu: Drogisterij Het Hert), niet zoals eerst tot 78 voet maar na de dorpsbrand slechts op de helft daarvan werd bepaald.
– Gangen, binnendoors en achteroms
Hoe het ook zij: de straatwand van de lintbebouwing aan de Gemertse hoofdstraat maakte ook in de negentiende eeuw op de vluchtige bezoeker nog steeds een fraaie indruk. Achter dat decor – in gangen en steegjes achterom – woonden her en der heel wat gezinnen van veel minder welstand, gezinnen soms met veel kinderen en inwonende bejaarden. Zij kenden tussen de 13 rikkaarten vaak maar één troef: ‘èèrremoej!’ Behalve gewoond werd er in die achterommetjes ook gewerkt. Achter vrijwel elk pand kwam men uit óf bij een tweede of derde arbeiders- of dienstwoningske óf bij een werkplaats of fabriekske. De particuliere thuiswevers waren in de negentiende eeuw geconcentreerd in de Haag maar thuiswevers vond men daarnaast nog overal elders in het dorp. Verder was er op verschillende plaatsen vanalles aan te treffen. Een smidse, textielververij, looierij, bakkerij, kuiperij, slachterij, wagenmakerij, klompenmakerij, hoedenmakerij, boter-, sigaren-, koffie- of suikerijbranderij, enzovoorts enz. tot een rozenkransfabriekske aan toe.

De elkaar belendende percelen aan de straot hadden doorgaans dezelfde diepte. Via ‘gangen’ loodrecht op de hoofdstraat, die meestal een beginpunt hadden bij de wat grotere ‘fabrikeurs’, was de gezamenlijke achterpad bereikbaar die vrijwel elk perceel een eigen achterom gaf. Niet zelden liepen de ‘gangen’ door over de achter de percelen gelegen akkers of weilanden en vormden op die manier snelle binnendoors. Langs de heggen en pallisades van de achtertuinen kon men zo om heel de bebouwde kom van (oud-)Gemert heenlopen. Alleen achter kasteel en kerk waren geen achterpaden maar van oudsher grote brede lanen.
De oude uit de middeleeuwen daterende structuur van gangen en paden in en om de oude dorpskern, is nog heel goed zichtbaar. Door de omstandigheid dat Gemert-dorp alleen naar het oosten is uitgebreid zijn de paden aan de westkant van Gemert zelfs op een aantal plaatsen in hun authentieke vorm bewaard gebleven.
Heuvelse Pad met in het verlengde het Hopveld – welke pad vroeger uitmondde recht tegenover het poortgebouw van het kasteel – is daarvan een monumentaal voorbeeld. Maar ook de achterpaden van Bloemert naar Kruiseind-Pandelaar en die van Kapelaanstraat naar Gelind (=Pallisade) mogen er zijn. En wat te denken van de ‘gang’ tussen De Keizer en het gemeentehuis en de weggetjes Bonengang, Korbeel, Weversstraat en Watermolen? En wist u dat aan de overzijde van de Willem de Haasstraat het straatje Watermolen ook een vervolg heeft in een verdiept gelegen (opwaartse) Ripsloop? En dat die Ripsloop, zij het met een onderbreking, al begint op de plaats waar de Jezuïetenlaan overgaat in De Haag?
En zou men ter bevestiging van die eeuwenoude gangen- en padenstructuur ook de Amstelgang (naast het postkantoor het geboortehuis van ‘zeeheld’ Jan van Amstel in 1618), de Suikerijgang van Nieuwstraat naar Elisabethplaats, vroeger toegang naar een suikerijfabriekske, de Gasthuisgang vanuit Haageik achterom bij het uit de middeleeuwen daterende oude Gasthuis (naar de Elisabethplaats, binnenplaats van het 19de eeuwse nieuwe Gasthuis) niet allemaal een officiële naam moeten geven? En zijn er zo niet nóg een aantal historische ‘gangen’, weliswaar geamputeerd maar toch nog aanwijsbaar aanwezig, die ter bevestiging van die oude structuur om een te herstellen (eventueel afsluitbare) doorgang vragen? Te denken valt daarbij aan bijvoorbeeld de gang tegenover de kerk die het Ridderplein verbindt met het Gelind en idem dito een (Brouwers)gang in aanleg al aanwezig als Ridderpassage (op de plaats van vroeger Brouwerij Het Anker). En wat te denken van een Nonnengang op de plaats van een vóór 1934 bestaand hebbende Nonnenpad die liep van de voormalige Nazarethschool aan het Binderseind met een bruggetje over De Rips naar zowel de Kapelaanstraat als De Stroom?
Wanneer de gemeente met het in uitvoering komende bouwplan voor Woonpark De Stroom én met de kleinere zogeheten inbreidingsplannen op percelen achter de oude dorpskern, de oude historische plattegrondstructuur als uitgangspunt neemt, dan kan daarmee een middeleeuwse ‘Omgang van Gemert’ niet alleen zichtbaar maar weer echt gerealiseerd worden.
– Landschapspark aan het centrum
Monumentaal – het is al eerder opgemerkt – is het feit dat het centrum van Gemert achter kasteel en kerk onmiddellijk grenst aan een historisch open landschap. Een bijna uniek gegeven voor een dorp van de grootte-orde van Gemert. Door de excentrische ontwikkeling heeft het oude historische dorpscentrum, gezien vanuit het achterland van kasteel en kerk, haar oorspronkelijk silhouet door de eeuwen heen behouden. Een Panorama Mesdag maar dan niet van Scheveningen maar van Gemert. De lanen tussen kasteel en kasteelhoeve manifesteren zich als een landschapspark. Zuidelijk van de kasteellaan liggen de VELT-tuinen van Schoorswinkel en het geïsoleerd in het groen gelegen ‘Kruidenhuis’ van de vroegere Hortus Medicamentorum Gemertanum, nu de woning van burgemeester Jan van Maasakkers c.s.. Verderop aan d’n Broekkant ‘De Wilde Bertram’, een kwekerij van inheemse eetbare planten en kruiden. Wanneer men vanuit de Kasteellaan achterlangs de Kasteelhoeve in noordwestelijke richting door De Kampen op afstand het patroon van het oude lintdorp volgt, komt men een paar kilometer verderop langs weilanden, poelen en akkertjes via een karrenspoor bij het kleinschalige gemengde boerenbedrijf anno 1900 van het Boerenbondsmuseum.
Al eeuwen geleden werd er door de bekende ‘reiziger’ dominee Hanewinkel over Gemert geschreven dat het er niet alleen goed toeven was maar dat je er ook zo prachtig kon wandelen. In en uit het dorp. Dat is nog steeds zo!
En dan hebben we het nog niet eens gehad over het kasteelpark. Een ‘ommetje kasteel’ biedt zes eeuwen bouwhistorie in een monumentaal park. De heraldische wapens aan de muren wijzen op de grenzen overschrijdende hoge adel van de stichters van het kasteel. Het kerkhof in het park is van de huidige bewoners, de Nederlandse provincie van de Congregatie van de Heilige Geest, pioniers van de missionering in vooral Afrika. Bij het betreden van het kerkhof is hun werkterrein ook meteen duidelijk.
– Tot besluit
De oude dorpskern Gemert kan zich in historisch perspectief nog altijd manifesteren als een uit de middeleeuwen daterende ‘open stad’.

GH-2005-03 Gemertse Kaak met leien gedekt
Maria van de Vossenberg-Lorteije en Ad Otten
In het Woordenboek der Nederlandse Taal (dl.7, 1926) lezen we dat met ‘de (gerechts)kaak’ wordt bedoeld een verhevenheid, schavot of stellage waarop voorheen boosdoeners tot straf werden te pronk gesteld, of gegeseld, gebrandmerkt, verminkt enz. Opgemerkt wordt hierbij dat de kaak “zoo goed als alleen in de noordelijke gewesten” voor kwam. In de Grote Oosthoek Encyclopedie (7de uitgave, 1976) echter lezen we dat het ‘aan de kaak stellen’ in de middeleeuwen overal gold als een algemeen verbreide straf. Dat veroordeelden met een ijzeren band om de hals aan de kaak werden bevestigd. Dat in België deze straf sinds 1830 niet meer werd toegepast en in Nederland (pas) in 1854 officieel werd afgeschaft. Hoe het ook zij, ook de Vrijheid Gemert moet in vroeger tijd een kaak hebben gehad. Dat althans kan men concluderen uit enige bewaard gebleven ‘rekeningen’ van de borgemeesters oftewel de gemeenteontvangers van Gemert uit de periode 1696-1699. Uit die rekeningen blijkt dat het hier zelfs een overdekte kaak betrof die met leien was gedekt en op die kaak draaide nota bene een vergulde windvaan.
Ten bewijze van een en ander passeren in het hiernavolgende de uit de borgemeestersrekeningen van die tijd gedestilleerde onkosten aan de Gemertse kaak.
De kosten aan de kaak
In april 1696 wordt bij zekere Lepo in Den Bosch 5 gulden en 9 stuiver uitgegeven “voor loot tot de kaeck”. Op 20
november van dat jaar wordt vervolgens aan Peter Wijnnen en diens broer in totaal 18 stuiver betaald voor “dat sij gewerckt hadden aen de kaeck”, terwijl op 28 november 1696 “voor de vier peerde die den boom tot de kaeck gevaeren hadden” nog eens 1 gulden en 8 stuivers wordt betaald.1 Het feit dat men vier paarden nodig had om ‘den boom’ te leveren wijst er op dat de Kaak in Gemert wel wat groter van afmeting moet zijn geweest dan zomaar een simpel schandpaaltje.
In de rekeningen van 1697 vonden we dat “ter ordinancie van den president voor het vergulden van de vaen op de kaeck aen Hendrick de Jong twee gulden en tien stuivers was betaelt”.2 Opmerkenswaard hierbij is dat we deze Hendrik de Jong in eerdere Gemerts Heems al hebben leren kennen als de meester horologiemaker van Gemert.3
In het jaar 1697 heeft men de kaak vermoedelijk ook van een nieuw leien dak voorzien. Weliswaar worden we daar niet in de rekeningen van 1697 over ingelicht maar wel uit die van 1699 wanneer men het kerkbestuur van Gemert betaald met de som van 3 gulden 13 stuivers en 4 penningen voor de eerder ten behoeve van “de kaeck” van haar geleende 350 leien.4
In 1697 geeft de gemeente ook 1 gulden en 2 stuivers uit voor “twee kannen olie, waer mede gevervt is den kaeck”, terwijl zekere Hendrik Jansen van Bellecom vier en een halve gulden arbeidsloon krijgt uitgekeerd voor het daadwerkelijk “verwen van de kaeck ende de leene lanxst het graft”.5 En dat laatste zou wel eens een vingerwijzing kunnen zijn naar de locatie van de kaak.
Waar stond de kaak?
Met “de leene lanxst het graft” kan niets anders zijn bedoeld dan ‘de leuning langs de (buiten)gracht van het kasteel’. Het feit dat deze ‘leene’ in één adem wordt genoemd met de ‘kaak’ lijkt er op te duiden dat we de kaak ergens moeten zoeken aan de kasteelgracht. En de meest voor de hand liggende plaats is dan het oude marktveld.
Op prenten van Valentijn Klotz uit 1675 wordt deze locatie ter hoogte van de Merckte in beeld gebracht maar daar valt van een kaak niets te bespeuren. Het kan natuurlijk zo zijn dat de kaak op die prenten juist buiten beeld is gebleven maar onmiddellijk vraag je je dan af welke tekenaar laat nu zo’n aansprekend object buiten beschouwing? Waarschijnlijker is het daarom dat Gemert pas in 1696 een kaak heeft gekregen. Tot nog toe is ons bovendien daarvan ook geen oudere vermelding bekend. De kaak stond doorgaans in de buurt van het gemeente- of gerechtshuis. In het Woordenboek der Nederlandse Taal noemt men een aantal voorbeelden. Zo wordt geciteerd uit de 18de eeuwse ‘Beschrijving der stad Leyden’: “de Kaak wanneer menze nodig heeft wordt voor het noordelijkste voorlicht der Justitie-Kamer gesteld” en uit het 17de eeuwse ‘Costumen van Rijnland’: “Ook pleeg voor het Raedhuijs eene kaak te staan” enz.6 Daar de Gemertse schepenbank echter rond 1700 nog niet beschikte over een eigen gemeentehuis of rechtshuis maar doorgaans vergaderde en/of de rechtbank spande in een herberg in het dorpscentrum lijkt alleen al om die reden het Marktveld oftewel ‘die Merckte’ de meest geëigende plek waar de Gemertse kaak gestaan moet hebben.
NOTEN:
1. Gemeentearchief Gemert [GAG] 1407-1794 invnr.502 f.8, f.10v.
2. GAG 1407-1794 invnr.503 f.20.
3. Ad Otten, Torenhorologies in Gemert vanaf 1500, GH 2002 nr.3 p.1-14; idem, in GH 2002 nr.4, p.22-28; Ad Otten, Gemertse torenuurwerkmaker werkte ook in Thorn, GH2003 nr.4, p.32.
4. GAG 1407-1794 invnr.505 f.8.
5. GAG 1407-1794 invnr.503 f.19.
6. Woordenboek der Nederlandsche Taal, 7de deel, 1ste stuk, 1926, p.620-625.
GH-2005-02 Kapittelstokjes
KAPITTELSTOKJES
OORDEEL OVER BURGEMEESTER RIETMAN EN ZIJN ASSESSOREN
In het archief van het Provinciaal Bestuur vond ik een brief die handelt over de opvolging van Hendrik Rietman, burgemeester van Gemert 1820-1847. De brief is van circa 1845 en is geschreven door Wesselman, kasteelheer van Helmond en tevens districtscommissaris van Helmond e.o. Hij stuurt de brief aan de Gouverneur des Konings van Noord Brabant te weten de van Gemert geboortige Anton Borret. Hierna volgt de complete tekst1:
“Gemert: de thans twee en zeventigjarige burgemeester Rietman heeft zich nooit door bijzondere geschiktheid onderscheiden en zijne klimmende jaren dragen het hunne bij om die geschiktheid te verminderen. Zwakheid is de hoofdtrek in zijn karakter, niet genoegzaam doordrongen van het gewigt zijner ambtsbetrekkingen is hij te toegevend en laat zich overbluffen, voor het overige is hij een goed braaf man, die zijne functien met ijver naar zijn beste kennis en wetenschap waarneemt. De assessoren Mathijs van den Biggelaar en Simon van den Einde zijn mij voorgekomen weinig geschiktheid te hebben om als burgemeester op te treden althans hiertoe veel minder dan twee andere raadsleden namelijk Johannes Oppers en Hendrik van der Willigen, de eerste is tevens plaatselijke ontvanger, van welke betrekking hij, tot burgemeester benoemd wordende, zoude moeten afzien.”
Wanneer Hendrik Rietman in het voorjaar van 1847 overlijdt heeft hij volgens zijn overlijdensakte inmiddels de 75-jarige leeftijd bereikt. Hij is tot zijn overlijden als burgemeester in functie gebleven. De laatste raadsnotulen door Rietman ondertekend dateren van 8 oktober 1846.
Assessor (=wethouder) Van den Biggelaar treedt daarna op als ‘fungeerend burgemeester’ tot op 12 mei 1847 als nieuwe burgemeester Johannes Haest wordt geïnstalleerd.2 De door Wesselman genoemde assessoren alsook de door hem in zijn schrijven genoemde raadsleden, die eventueel geschikt zouden zijn geweest als burgemeester, blijken binnen een jaar na het aantreden van de nieuwe burgemeester uit de gemeenteraad van Gemert te zijn verdwenen.
Zjon van de Laar
BRONNEN:
1. Brabants Historisch Informatie Centrum – Provinciaal Bestuur (toegangsnr.17-plaatsingsnummer 4759).
2. Simon van Wetten, De Gemertse burgemeesters, in: Gemerts Heem 1996 nr.4, p.18-38.
WOR ‘T KESTAËL MÁR DEEGER STÍ?
Het was op een middag in juni jongstleden. Op de kasteelbrug. Piet Delisse slingerde de discussie aan, dat die aanhef van het tweede couplet van ons Gemerts volkslied toch eigenlijk niet klopte. ‘Deeger’ betekent immers ‘steeds opnieuw’ en ons kasteel staat er toch ‘eindeloos en ononderbroken’. Na wat heen en weer gepraat waren we het er allemaal over eens. Pastoor Poell moet hebben gezondigd tegen het goed Gemerts taalgebruik. Mij werd (nog steeds op de kasteelbrug) te verstaan gegeven dat ik Wim Vos toch maar eens moest zien te bewegen om een correctie in ‘ons’ volkslied aan te brengen. Wim, daarnaar gevraagd, gaf ons helemaal gelijk. Poell had het inderdaad fout. Maar corrigeren, dat is toch niet zo eenvoudig, vond Wim. Hij verwees daarbij naar een door hem geschreven artikel onder de kop “Aantekeningen bij de tekst van het Gemerts Volkslied” in Gemerts Heem 2003 (nr.4 blz. 24-27). Daar had hij het onjuiste gebruik van ‘deeger’ ook al geconstateerd maar kwam daar na enige overwegingen tot de volgende slotsom waar hij nog steeds achter staat: “‘Deeger’ is in dit lied dermate ingeburgerd en het is zo’n typisch dialectwoord, dat we het niet meer kunnen vervangen door een ander tweelettergrepig woord zoals ‘aaltejd’. Laten we het maar als een dichterlijke vrijheid beschouwen van de pastoor.”
Poell schreef de tekst van “Van wor ik bén” in 1923. Hij was toen pas acht jaar Gemertenaar. De taalfout in het Gemerts is hem vergeven. ‘Van wor ik bén’ is nog steeds een tophit! Tegelijk willen we hierbij Johan van de Laar feliciteren met de uitgave van de luxe en ronduit prachtige ‘verbeelding’ van het Gemerts Volkslied onlangs.
Redactie (AO)
GH-2005-02 Gemertse gidsen in 1702
GEMERTSE GIDSEN IN 1702
Ad Otten en Maria van de Vossenberg-Lorteije
De VVV in Gemert bestaat sedert 1990 of daaromtrent en vanaf die tijd heeft Gemert ook gidsen. Maar wat schetst onze verbazing toen we in de Gemertse borgemeestersrekeningen van 1702 zowaar de vermelding tegenkwamen van ‘gides’ die Fransen door Gemert ‘gidder(d)en’. Daar kan toch niets anders dan ‘gidsen’ mee zijn bedoeld. Of weet ú iets anders? We citeren uit de aangehaalde borgemeesterrekeningen het hiernavolgende:1 “De 6de juli 1702 aan Jan de Palssenaer volgens sHeeren accort gegeven voor het gidderen bij de Franse(n), daghs eene gulden, ende dat 23 dagen lang.” Maar liefst 23 dagen was dus een Gemertse gids op sjouw met Fransen. Dat is duidelijk maar of het hier toeristen betreft is de vraag.
We hebben het een en ander nagekeken en kwamen tot de volgende conclusie. Het jaar 1702 was een bijzonder roerig oorlogsjaar. Op 15 mei verklaarde Frankrijk onder zonnekoning Lodewijk de Veertiende de oorlog aan de Republiek der Verenigde Nederlanden en meteen daarop werd de Republiek vanuit Franse garnizoenen op Keuls, Spaans-Nederlands (lees: Belgisch, en dat inclusief het Land van Horne en Weert) en Luiks gebied, aangevallen.2
Gemert, als apart en neutraal gebied, stond buiten deze oorlogstoestand. Maar…ja, toch ook weer niet helemaal want hoe houdt je een groot leger tegen als dat op veldtocht gaat. Dat is vrijwel ondoenlijk en Gemert lag bovendien in de hoek waar de Fransen een aanval hadden gepland. Landcommandeur Hendrik Baron van Wassenaar haastte zich om de privileges en de neutraliteit van Gemert bij de legeroversten te waarborgen en om zogeheten sauvegardes te bekomen (dat zijn vrijgeleiden), maar dat zou nog heel wat tijd vergen dat kon iedereen op zijn klompen aanvoelen. En intussen trokken de Franse legers door onze contreien en ook door Gemert al ten strijde. De Gemertse regering nam onmiddellijk maatregelen om zoveel mogelijk onheil te voorkomen. Zij stelde daartoe onder meer twee ‘gides’ aan die de Franse legers door onze eigenste Vrije Heerlijkheid moesten leiden van zuid naar noord om er zo snel mogelijk weer van af te zijn. Wat kon je anders doen? Behalve de reeds genoemde Jan den Palssenaar werd ook Tony Peters Huyberts aangesteld als gide. Ook hij kreeg 23 gulden als loon voor de gidsarbeid. Een behoorlijk loon wanneer je weet dat een borgemeester voor een volle dag werken in dienst van de gemeente maar de helft kreeg uitbetaald. Maar met die twee keer 23 gulden waren alle onkosten natuurlijk niet gedekt voor de doortocht van de Franse legers. Ten behoeve van de beide Gemertse ‘gides’ moest ook een ‘peert’ worden gehuurd en beiden kregen ‘een reijsaedel met twee toomen’. En ook de ‘montkosten’ van ‘gides en peerden’ moesten uiteraard vergoed worden. De totale kosten beliepen binnen die 23 dagen al ver boven de honderd gulden en toen was men er nog lang niet.3 Want daags na de afrekening van de borgemeesters met de gides diende er zich alweer een nieuwe partij Fransen aan. En hup Tony Peters Huyberts moest opnieuw in het zadel. Ditmaal moest hij de Franse troep begeleiden tot Hassem in het Land van Kleef. In de borgemeestersrekening werd geschreven dat hij al op de 8 juli 1702 “geluckelijck” weer was weergekeerd. Dat is inderdaad heel snel, zeker wanneer je bedenkt dat je in oorlogstijd dan maar liefst twee keer de Maas over moet en bruggen over de Maas waren er niet. Maar… in onze eigenste borgemeestersrekeningen is er toch een verklaring voor de recordtijd van de Gemertse gide. Want er staat geschreven dat een bode hier al op 3 juli 1702 kwam berichten dat de Fransen bij Cuijck een brug over de Maas hadden geslagen.4 Er dreigde een ramp voor het vrije Gemert want die Maasbrug betekende dat Gemert zo’n beetje op de aanvoerroute van de Franse legers bleef liggen. En op al die Franse toeristen was men in het Vrije Gemertse allesbehalve gesteld. Maar of men er nu op gesteld was of niet die oorlogvoerende troepen kwamen toch. Nog jaren en jaren achtereen. Ook toen ze in Gemert van landcommandeur Hendrik van Wassenaar en bekrachtigd door Maximilaan Emanuel, de landvoogd in Brussel, intussen een stapeltje van gedrukte en in het Frans gestelde vrijbrieven en sauvegardes hadden gekregen, waar men aan de Gemertse grens mee kon wapperen, bood dat nauwelijks soelaas.5 Zij het dan dat Gemert niet geplunderd werd of aangeslagen in oorlogsbelastingen. De economische schade die werd ondervonden was overigens al erg genoeg. Pas in 1713 kwam er met de Vrede van Utrecht een einde aan de oorlog. Voor de Franse toeristen waren ‘gides’ niet meer nodig.
NASCHRIFT:
Het is hier wel passend om te verwijzen naar het Woordenboek der Nederlandse Taal, 5e deel 1900, blz. 1219 naar de betekenissen onder ‘GUIDE (soms met uitspraak op Nederlandsche wijze: giede)’. Als betekenis 1 wordt daar gegeven:
In het meervoud Guides (met Fransche uitspraak). Eene soort van ruiterij bij de legers van verschillende staten; in Noord-Nederland onbekend.
Als betekenis 2: Benaming van de mannen (onderofficieren), die op de vleugels der pelotons of der divisiën geplaatst zijn, en die bij alle richtingen en evolutiën de frontlijn hunner afdeelingen moeten aangeven of bij den flankmarsch het peloton enz. geleiden.
Ten slotte het woord ‘gidderen’. Dat is tot dusver nog nergens in een woordenboek of encyclopedie aangetroffen. Het betreft hier dus vooralsnog ‘de taakuitoefening van de Gemertse gides in 1702’.
NOTEN:
1. Gemeentearchief Gemert 1407-1794, invnr. 508 f.23.
2. Algemene Geschiedenis der Nederlanden, deel 9, Bussum 1980, blz. 19 (De Spaanse Successieoorlog) e.v.
3. Gemeentearchief Gemert 1407-1794, invnr. 508 f.23-26.
4. idem, f.22.
5. Brabants Historisch Informatie Centrum [BHIC] – Oud-Rechterlijk Archief Gemert -Criminele en civiele procedures 30(!) dozen ongeordende archiefstukken waarvan m.i. nogal wat blijkt, noch crimineel noch civiel te zijn. Onder meer werd in één dezer dozen de bedoelde sauvegarde van december 1704 aangetroffen en gefotografeerd.
