GH-2005-02 Oudste Cijnsregister Kommanderij Gemert 1504-1572
OUDSTE CIJNSREGISTER KOMMANDERIJ GEMERT 1504-1572
Jan Timmers
In het archief van de Kommanderij Gemert van de Duitse Orde, zoals dat wordt bewaard in het rijksarchief in Den Bosch, komen een achttal registers voor waarin de inkomsten van de Kommanderij werden geregistreerd. Het gaat dan in het algemeen om verschillende soorten inkomsten. Veel inkomsten zijn afkomstig uit onroerend goed. De Duitse Orde bezat een aantal grote hoeven, die verpacht werden. Daarnaast werden vooral in de 15de eeuw een groot aantal goederen door de Duitse Orde in erfpacht uitgegeven. Formeel bleven de goederen in bezit van de Orde, maar ze werden erfelijk verpacht tegen een vaste jaarlijkse vergoeding. Omdat de pacht erfelijk was kon de pachter zich feitelijk als eigenaar beschouwen, als de vaste jaarlijkse erfpacht maar werd betaald.
De derde soort inkomsten uit onroerend goed waren de cijnsinkomsten. Cijnsen ontstaan als grondeigenaren (delen van) hun bezittingen in cijns uitgaven. De ontvanger van de grond mocht deze als zijn eigendom beschouwen, maar was wel verplicht jaarlijks een vaste vergoeding te betalen aan de oorspronkelijke eigenaar. Deze vergoeding wordt cijns genoemd. De meeste cijnsgoederen zijn ontstaan, omdat grondheren delen van hun grond ter ontginning in cijns uitgaven. Ook kleinere grondheren, zoals de Diederikken van Gemert gaven grond in cijns uit. Zelfs particuliere grondeigenaren, die de beschikking hadden over gemene gronden konden deze in cijns uitgeven. Zo had de eigenaar van de hoeve Kieboom, die aan het Binderseind lag, eigen cijnsinkomsten. Dit soort cijnsen wordt in het algemeen aangeduid als grondgewincijnsen.
In de Gemertse schepenprotocollen komen we vaak nog een ander soort cijns tegen, die eveneens te maken had met het bezit van onroerend goed. Grondeigenaren “verkochten” op basis van hun bezit een jaarlijks cijnsbedrag aan een geldschieter. De grondeigenaar ontving in ruil daarvoor een éénmalig geldbedrag, terwijl hij het recht had om de jaarlijkse cijns weer af te kopen of, zoals men dat in de middeleeuwen noemde, de cijns te “lossen”. Dit soort cijns wordt ook vaak “(grond)rente” genoemd. Feitelijk gaat het in dit soort gevallen om het opnemen van een hypotheek. Wij zouden heden ten dage zeggen dat iemand een hypotheekbedrag opneemt en in ruil daarvoor een rente moet gaan betalen, terwijl hij het hypotheekbedrag onder voorwaarden kan aflossen. In de middeleeuwen was de formulering net andersom: De “hypotheeknemer” verkocht een rente aan de geldverstrekker, maar hij kon de rente of de cijns ook (onder voorwaarden) lossen.
Over dit soort cijnsen of renten zullen we het in dit artikel verder niet hebben.
Cijnsregisters
De cijnsinkomsten uit grondgewincijnsen werden geregistreerd in een zogenaamd cijnsregister. Alle cijnsplichtige percelen waren daarin opgenomen en bij elk perceel werd de naam geschreven van de eigenaar van dat moment. Als de eigenaar veranderde, werd de nieuwe eigenaar boven de oude eigenaar geschreven, waardoor een reeks van opeenvolgende eigenaars ontstond. Tevens werd het cijnsbedrag vermeld, dat betaald moest worden. Tenslotte werd, meestal met een afzonderlijk merkteken per jaar, aangegeven of het cijnsbedrag voor dat jaar voldaan was.
Na verloop van tijd nam de reeks van eigenaren toe en de aantekeningen van de betaalde cijnsbedragen namen in het register ook steeds meer plaats in. Het cijnsregister raakte “vol”. Dan werd een nieuw cijnsregister aangelegd, waarbij de vroegere eigenaars van de cijnsplichtige percelen vaak niet meer werden overgeschreven. Het ‘vernieuwen’ van een cijnsregister gebeurde soms ook op het moment dat een andere persoon belast werd met het innen van de cijnsen. Als de cijnsadministratie goed in elkaar zat en alle registers bewaard zijn gebleven, dan kan in principe achterhaald worden wie achtereenvolgens eigenaren waren van de cijnsplichtige percelen.
De Kommanderij Gemert van de Duitse Orde hield op bovenstaande manier administratie van haar cijnsinkomsten. Het oudste register in het archief van de Kommanderij begint in 1693. Daarnaast bevinden zich in het Kommanderijarchief nog een zevental andere registers die allemaal betrekking hebben op de 18de eeuw. De registers in dit archief zijn overigens niet altijd even helder opgebouwd. In sommige registers staan zowel inkomsten uit cijnsen als inkomsten uit erfpachten aangegeven. De registers lijken ook niet echt op elkaar aan te sluiten en sommige overlappen elkaar in de tijd. Wat verder opvalt is dat er veel oude en originele stukken in het Duits Ordens archief voorkomen, maar dat het oudst aanwezige cijnsregister niet verder teruggaat dan 1693 1. Er zijn ongetwijfeld oudere registers geweest. Misschien zijn ze verloren gegaan, maar het is ook mogelijk dat ze in andere Duits Ordens archieven terecht zijn gekomen.
Zo blijkt er in het archief van de zogenaamde Commissie van Breda een register voor te komen met daarin alle inkomsten en uitgaven van de Kommanderij Gemert van de Duitse Orde.
De bron
Bij de opheffing van de Duitse Orde werd het onroerend goed van de Orde geconfisceerd door de staat. De goederen werden ondergebracht bij de zogenaamde Domeinen en het beheer ervan werd in handen gegeven van de Commissie van Breda. Om dat beheer op een goede manier vorm te geven waren de actuele documenten en registers vanuit de Kommanderij nodig. Omdat de laatste rentmeester van de Kommanderij Gemert, de heer Robijns, ook voor de Commissie van Breda het rentmeesterschap voerde over de eigendommen van de domeinen in Gemert is het tevens verklaarbaar waarom een aantal documenten en registers vanuit het Kommanderij archief terecht zijn gekomen in het archief van de Commissie van Breda. Eén van de registers in dat archief bevat een overzicht van inkomsten en uitgaven van de Kommanderij Gemert van de Duitse Orde. Het register is waarschijnlijk een kopie van een ander register. Immers het hele register is met één hand geschreven. Latere toevoegingen in een afwijkend handschrift, die in cijnsregisters juist heel gebruikelijk zijn, ontbreken in dit register. Gezien het handschrift lijkt de kopie in de 16de eeuw gemaakt. In het archief van de Kommanderij Gemert van de Duitse Orde is het originele register niet meer aanwezig. In de kopie zijn overigens meerdere afzonderlijke registers overgeschreven. Behalve een cijnsregister zijn er ook kopieën van een leenregister en overzichten van bezittingen, inkomsten en uitgaven van de Kommanderij Gemert opgenomen. 2
Het cijnsregister
Vanaf folio 86 is een cijnsregister overgeschreven, maar de oorspronkelijke nummering van de folios is tegelijkertijd overgenomen. De folios kennen dus een dubbele nummering. Het cijnsregister bestaat uit drie delen. Het meest omvangrijke deel betreft de zogenaamde St Lambrechtscijnsen, die betaald moesten worden op de zondag na St Lambertus. Daarna volgen 6 folios met de zogenaamde St Maartenscijnsen, die op St Maarten betaald moesten worden. Op de laatste folio staan nog zes cijnsposten buiten Gemert. Het betreft cijnsen uit Nistelrode en Heesch.
Volgens aantekeningen in het register zelf is het cijnsregister aangelegd in het jaar 1504 op St Lambertus. Het register is afgesloten op 7 juli 1572 door openbaar notaris Laurens van Eynthouts.
Een eerste vergelijking van de namen van de cijnsbetalers met de personen die genoemd worden in de protocollen van de Gemertse schepenbank doet vermoeden dat het cijnsregister niet tot 1572 echt in gebruik bleef. De inschrijvingen lijken zich te beperken tot de eerste helft van de 16de eeuw. Overigens wordt bij meerdere cijnsposten verwezen naar cijnsbetalers uit de periode vóór 1504. Bij het aanleggen van het register zijn kennelijk ook oudere eigenaren overgeschreven vanuit een nóg ouder cijnsregister.
De cijnsen
Opvallend is de driedeling in het cijnsregister. Het lijkt erop dat cijnsposten zijn opgenomen die een verschillende ontstaansgeschiedenis hebben. Die verschillende ontstaansgeschiedenis wordt gesuggereerd door de verschillende namen van de cijnsen. St Lambrechtscijnsen en St Maartenscijnsen. Die namen hangen samen met de datum waarop die cijnsen betaald moesten worden (de patroondagen van St Lambert en St Maarten), maar die betaaldagen komen ook niet uit de lucht vallen. In het algemeen wijst St Lambert op een ontstaansgeschiedenis vanuit het kapittel van St Lambert, verbonden aan het bisdom Luik, terwijl St Maarten in het algemeen wijst op een relatie met de kerk en het kapittel van St Maarten in Utrecht. Wat dat in ons geval zou kunnen beteken blijft vooralsnog onduidelijk.
Het is mogelijk dat De Kommanderij Gemert bestaande cijnsrechten in Gemert van andere eigenaren heeft opgekocht, maar wellicht heeft de Duitse Orde zelf een aantal stukken grond in cijns uitgegeven. De familie Van Gemert was tot 1366 mede-heer van Gemert. Ook de Van Gemerts hebben waarschijnlijk in het verleden grond in cijns uitgegeven. Bij de overdracht van de heerlijkheid in 1366 werd bepaald dat Diederik Van Gemert en zijn moeder de cijnsen die zij in bezit hadden, zouden behouden. In de vele archiefstukken over Gemert blijkt echter nergens meer iets van cijnsbedragen die aan de familie Van Gemert betaald zouden moeten worden. Het lijkt er op dat de Van Gemerts hun cijnsrechten alsnog aan de Kommanderij Gemert hebben overgedragen, zonder dat daarvan een archiefstuk bewaard gebleven is.
Wel is bekend dat de Kommanderij een cijnsboek kocht van heer Walraven van Erp, heer van Erp en Veghel. De verkoop vond plaats op 14 april 1574.3 In de bijbehorende verkoopakte wordt niet aangegeven om welke cijnsposten het gaat, maar het kan bijna niet anders of het gaat over de cijnsen die voorheen behoorden tot de cijnshof van de hoeve Kieboom. Walraven van Erp was op het moment van de verkoop eigenaar van de hoeve Kieboom in Gemert met alle rechten die daarbij hoorden. Dat daar ook een cijnsregister bij hoorde blijkt uit een aantal Gemertse schepenakten, waarin melding wordt gemaakt van cijnsen “in het boek van Walraven van Erp op de Kieboom”.4 Of deze in 1574 nieuw verworven cijnsen al opgenomen waren in het onderhavige cijnsregister lijkt niet erg waarschijnlijk. Het cijnsregister werd namelijk al afgesloten in 1572. Wel is het mogelijk dat een aantal cijnsen zijn opgenomen, die de Kommanderij al in 1389 kocht van Goossen Cnode.5 Deze Goossen Cnode was in zijn tijd eveneens eigenaar van het goed De Kieboom in Gemert en hij is één van de voorouders van Walraven van Erp. Oorspronkelijk hoorde het goed Kieboom tot de goederen van de familie Van Gemert. Aleid van Gemert huwde Willem van Goor en kreeg de Kieboom als huwelijksgift mee. Hun dochter Liesbet huwde met Goossen Cnode.
Uit het bovenstaande blijkt dat het moeilijk zal zijn om te achterhalen waar de cijnsen van de Kommanderij Gemert oorspronkelijk vandaan kwamen. Misschien gaat het om cijnsen die de Kommanderij zelf uitgaf, misschien gaat het om cijnsen die de Kommanderij van anderen heeft gekocht. De cijnsen uit Nistelrode en Heesch hangen waarschijnlijk samen met de koop van de tienden en het recht van de benoeming van de pastoors van Nistelrode en Haaren door de Duitse Orde op 8 januari 1426.6
De transcriptie
Het hele register is destijds in één keer in één handschrift opgeschreven, waardoor de interpunctie op veel plaatsen tamelijk onduidelijk is. De namen van opeenvolgende cijnsbetalers zullen oorspronkelijk boven elkaar geschreven zijn. Bij elke cijnspost is de eerstgenoemde cijnsbetaler dus juist de laatste in de tijd gezien. De indruk bestaat dat bij het overschrijven van het register in de 16de eeuw de oude regelovergangen niet gehandhaafd zijn gebleven en dat de namen van de afzonderlijke cijnsbetalers nu soms achter elkaar geschreven zijn in plaats van boven elkaar. Er is daarom voor gekozen om bij de transcriptie het cijnsregister letterlijk over te nemen. De regelovergangen in het geschreven register zijn bij de transcriptie gehandhaafd. In sommige gevallen zijn de gehanteerde afkortingen voor de duidelijkheid uitgeschreven.
Aan het eind van elke cijnspost staan de geldbedragen genoemd die betaald werden of moesten worden. Of het hier gaat om gelijktijdige betalingen of om verschillende betalingen achter elkaar is onduidelijk. Ook is niet aangegeven bij welk jaar bepaalde betalingen horen. In originele cijnsregisters gebeurde dat altijd wel. Bij de transcriptie is geprobeerd om de gehele tekst inclusief de cijnsbedragen zo veel mogelijk in de oorspronkelijke lay-out weer te geven. Om de tekst te kunnen controleren is van elke pagina een foto gemaakt. Het is de bedoeling om zowel de transcriptie als de foto’s op CDROM vast te leggen en uit te geven in de serie Gemertse Bronnen.
NOTEN:
1. HM Brokken en WM Lindemann, Inventaris van het archief van de Kommanderij van de Duitse Orde te Gemert, Rijksarchief in Noord-Brabant inventarisreeks nr 19.
2 Rijksarchief Noord Brabant, Archief Commissie van Breda invnr 430. Van het leenregister van de Kommanderij Gemert, zoals dat in ditzelfde register werd overgeschreven, is al eerder een transcriptie gemaakt, die verscheen in Gemertse Bronnen deel ….
3. Archief Kommanderij Gemert, invnr 611.
4. Gemert R 102 dd 22-5-1528, R103 dd 15-11-1536, R104 dd 1-2-1537
5. Archief Kommanderij Gemert, invnr 602c
6. Archief Kommanderij Gemert, invnr 871.
GH-2005-02 Uit het dagboek van pater Loffeld
UIT HET DAGBOEK VAN PATER LOFFELD
Anny van de Kimmenade-Beekmans
Voor wat betreft het bronnenmateriaal voor het boek ‘Kasteel bezet – Kasteel bevrijd’ hebben we veel te danken aan de notities van pater Loffeld. De jonge Loffeld was ondernemend en legde een enorme nieuwsgierigheid aan de dag. Wanneer anderen bijvoorbeeld de veiligheid van de schuilkelders opzochten, was voor hem het moment aangebroken om ‘De Straot’ of andere delen van Gemert op te zoeken om er zijn ogen eens goed de kost te geven. Uiteraard sprokkelde hij door zijn stoutmoedigheid interessante gegevens bijeen. Soms lijkt het er dan ook op dat Loffeld – en dat gold voor het merendeel van de Gemertse bevolking – zich nauwelijks bewust was van de uiterst kritieke momenten die zich hebben voorgedaan in de dagen vóór, tijdens en na de bevrijding. Pas later, als Loffeld voor zichzelf zijn aantekeningen bijwerkte, kwam de reflexie. Bijvoorbeeld de zoektocht naar zijn grootmoeder gevolgd door de hachelijke onderneming om haar weinige bezittingen in veiligheid te brengen – gebeurtenissen die niet in het boek zijn opgenomen – zijn in dit geval tekenend.
Tijdens de oorlogshandelingen op 30 september 1944 werd ‘St Anna’ – het verpleeghuis in Venray, waar de grootmoeder van Loffeld op dat moment verbleef – door de Amerikanen gebombardeerd. Ongeveer 250 patiënten en enige lekenverpleegsters vonden hierbij de dood. Eerder was ze naar Venray geëvacueerd en waren haar weinige bezittingen bij de Venrayse meubelmaker Vollenbergh in de Bontekoestraat opgeslagen. Gedurende de gevechtshandelingen die tot na medio oktober voortduurden – de geallieerden bleven ‘St. Anna’ langdurig bestoken omdat ze dachten dat er Duitse soldaten inzaten – werd het gebouw door brand verwoest. Omdat alle bewoners na de eerste aanval in de kelders van het gebouw waren ondergebracht, werd niemand meer gewond of gedood. Bijna drie weken verbleven de overlevenden daar, verstoken van alles. Al die tijd bleef de familie van Loffeld in het ongewisse over het lot van grootmoeder. Toen de strijd in het voordeel van de geallieerden was beslist, kwam er een einde aan deze benarde situatie. De bewoners werden uit de kelders gehaald en met behulp van Amerikaanse legerwagens werden ze verspreid in de regio ondergebracht. De registratie liet echter veel te wensen over.
Tevergeefs zocht Loffeld zijn grootmoeder in Huize Padua en in het ‘Rijks Krankzinnigengesticht’ in Eindhoven. Tenslotte, op 21 oktober vond hij zijn ‘Bonnema’, zoals hij haar noemde, in een gebouw van de Karel I sigarenfabriek: ‘in ’t stroo zittend, genoeglijk lachtend’ .. ‘Dat moest Bompa nu weten’, zei ze. Sedert 30 september had ze geen lichamelijke verzorging gehad, niet gewassen, geen bed, geen verschoning. Ze bezat alleen nog de kleding die ze aanhad. Ze vertelde over de gebeurtenissen in Venray, de bombardementen van 30 september en de morgen dat er twee patiënten naast haar dood op bed lagen. Ook over het gebrek aan voedsel, dat de laatste dagen alleen uit soldatenbiscuits bestond. Ze vroeg haar kleinzoon een mis te lezen ‘opdat ze maar gauw dood mocht gaan’.
Loffeld ervoer het als uiterst pijnlijk dat hij haar in die troosteloosheid moest achterlaten. Terug in Gemert besprak hij dit schrijnende probleem met moeder overste van het Gasthuis en die stemde ermee in dat zijn grootmoeder er werd opgenomen. Twee dagen later konden ze zijn grootmoeder ophalen en werd ze tijdelijk en tot ieders tevredenheid ondergebracht in de kamer van mevrouw Roelofs.
Een kleine week later, op zaterdag 28 oktober 1944 tekende Loffeld het volgende op: “Mooi weer, dus veel jagers in de lucht. Vanmiddag plotseling zorg gekregen voor Bonnema’s rijk bezit in Venray. Men zegt dat a.s. maandag heel Venray verlaten moet zijn”. Ondanks waarschuwingen dat er geen wagen naar Venray doorgelaten zou worden, trok Loffeld erop uit om een vrijgeleide naar die plaats te regelen. Omdat Gemert in die dagen voor alle burgerverkeer vrijwel hermetisch was afgegrendeld, moesten de evacuatiecommandant van de gemeente Gemert; de commandant van de Bewakeningstroepen der Binnenlandse Strijdkrachten en de Engelse majoor van de Civil Affairs die schriftelijke toestemming met een stempel bekrachtigen.
Toen Loffeld over de vereiste stempels beschikte ging hij naar Van den Elzen. “Durf-de-gij”, vroeg hij de chauffeur? Na enig overleg reden ze tegen halfdrie met een bijrijder weg uit Gemert om de spulletjes van zijn grootmoeder op te halen. Via Elsendorp, Rips, Twist, Oploo kwamen ze bij Overloon. Al voor het bereiken van die plaats zagen ze vele kadavers in de weien. Ook waren er veel beschadigde boerderijen en de kom van het dorp was totaal verwoest. Alleen wat ontzette muren stonden nog overeind. Op een verwoest café‚ stond met krijt geschreven: NO BEER TODAY!
Tussen Overloon en Venray reden ze voorbij Engelse geschutsopstellingen. Langs de weg zagen ze de graven van gesneuvelde militairen voorzien van naam en helm. Bij afgebakende terreinen stonden waarschuwingsborden die duidden op de aanwezigheid van landmijnen. Engelse soldaten zaten verscholen in de kapotgeschoten huizen. Behalve de schade aan gebouwen, viel ook de aangerichte schade aan bomen en bossen op. Stukgeschoten tanks en andere beschadigde legervoertuigen werden weggesleept. Niet lang daarna: “Geweldige klappen, schijnbaar tegen de rammelende vrachtwagen. Schieten ze op ons? Rechts langs de weg (een 100 m. eraf) zien we Engelsche vuurmonden, vuur en rookontwikkeling: we zijn gerust en rijden onder deze ontploffingen verder”.
Kort voor Venray zei de chauffeur: “Ik heb hier d’n aord nie”. Niet lang daarna controleerde een marechaussee hun papieren, die in orde werden bevonden. Of de chauffeur het voorvoelde. Vlakbij het St. Jozefsgesticht – niet ver van de meubelmaker in de Bontekoestraat – opeens een enorme ontploffing. Snel reden ze het terrein van voornoemd gesticht op. De chauffeur en de bijrijder sprongen snel de vrachtwagen uit en doken samen in een zogeheten ‘Schutzloch’. Loffeld, die pas na enige moeite het rechterportier kon openmaken, zocht eveneens dekking in een kuil. Niet ver van hen zaten in een kuil twee Tommy’s achter een machinegeweer. Granaten floten over hen heen en ontploften niet ver achter het huis waar zij voorzaten. Tegelijk barstte het Engelse geschut los, in een aanhoudend zwaar geroffel. Toen het even stil was, staken ze even hun hoofd buiten de kuil.
Opnieuw liet de chauffeur van zich horen: “Zouwen we de woagen mar nie umdreien…?” “Nog wat wachten”, vond Loffeld. “We gaon ons leve nie waoge vur un teekasje”. Loffeld deelde de mening, maar hij wilde toch graag zijn ‘missie’ afronden. Hij kroop uit zijn kuil. “You can carry on”, verzekerden de twee Engelse soldaten hem. Vrijwel meteen begon het geschut opnieuw en Loffeld zocht weer dekking in zijn kuil. Na ongeveer een kwartier riep Loffeld naar de chauffeur en diens bijrijder: “Blijven jullie erin, ik ga naar ’t huis van de meubelmaker”. Langs heggen en greppels zocht Loffeld zijn weg naar de bewuste straat, onderwijl een schietgebedje prevelend in de hoop dat hij deze hachelijke onderneming later nog zou kunnen navertellen.
Gelukkig, het huis van meubelmaker Vollenbergh stond er nog. De voordeur van het pand was aan de binnenkant met een plank dichtgespijkerd. Alle andere toegangsdeuren waren eveneens afgesloten. Wel zag Loffeld dat er nog allerhande spullen in het huis stonden. Hij wist de plank aan de binnenkant van de voordeur – waar glazen ruiten in hadden gezeten – te verwijderen en baande zich een weg naar de zolder van het pand. Daar trof hij de koffers en kastjes van zijn grootmoeder aan, tussen een onbeschrijfelijke rommel. Dak kapot, groot koffer in chaos. Hij nam uit dat koffer een divankleed en besloot alleen dit mee te nemen. Op een groot papier schreef hij: “P. Loffeld hier geweest, goed bewaren”.
Juist toen Loffeld het pand verliet, kwam daar waarachtig de vrachtwagen van Van den Elzen aangereden. Opnieuw gingen ze het huis binnen en laadden even later vier koffers, een theekastje en een dressoir op de vrachtwagen. De gasketel werd opgepookt en met gezwinde spoed verlieten ze dit desolate dorp vol puinhopen. Kort voor Overloon, vlakbij de vrachtwagen een ontploffing. Van een Nederlander in Engels tenue moesten ze stoppen. Hij controleerde hun persoonsbewijzen en deze man vertelde hen dat die ontploffing veroorzaakt was door een ‘shoe-mine’. Ze zagen drie Engelse soldaten op een grasveldje die met behulp van een instrument, ‘langzaam de voeten vooruitschuivend’ mijnen opspoorden.
Om tien voor halfzes die middag stopten ze voor het Gasthuis in Gemert: de chauffeur en de bijrijder deponeerden de spulletjes van grootmoeder in het magazijn van Van den Broek en Loffeld ging het Lof doen. Achteraf overpeinsde Loffeld zijn bezigheden van die dag. “Rit van fl. 25,00. Maar noch ik, noch de chauffeurs willen ’t overdoen”. Hij concludeerde: “t Was eigenlijk onbezonnen, maar ik word overmorgen ook pas 40 jaar!”
GH-2005-02 De Paandelaorse Kampe
DE PAANDELAORSE KAMPE
Toon van Zeeland
Ik bén geborren in de Paandelaorse Kampe óp nummer A 171, in ’n haël aaw boerderééjke, ik skat wél hónderdènfaajfteg jaor aawd. Waj han nòg gín káchel, már ‘ne vuurkörf mí ’n haal ‘rboove. In dè boerderééjke zén zés kiendjes geborre, worvan ‘nen twílleng in de beruchte winter van 1929. Óns moeder hé aald gezíd dè ’t klénste van die twaë in ’n siegaorekisje kós, èn dè zónder koeveuze.
Óns skuujr ha nòg ‘ne leeme vloewr. Doraachter wás ’n kaarshòk mí ’n strojen dák wor waj lèkker af kósse skeuve. Èn pal doraachter lag ’n braandkeul. Dor laagen aald dénnebaojm in te wíttere. Vùr óns wás ’t ’n spòrt um óvver die stamme hín no d’n óvverkant te loupe zónder natte voewte te kriejge.
Naw zén we van ’t èrf af èn dan kooste links de bímd in. Dè waor ’n kaoj, nat stuk grónd, wor swinters aald wátter stón èn as ’t gevrorren ha – èn dè díg ’t toen nòg bekant aaltejd – dan kwaame ze van ’t dörp daor skátse. Dor hé wél ’s ’n “koek-en-zopie” geston.
As ge dùrliejpt, kwaamde óvver de Rips. Die wás in dien tejd gruuwelek vol *) èn die ha alle kleure van de raëgenboog. Dè kwamp van de vèrverééj van ’t febriek van Raymakers. Dan kooste nòg ’n kléén ándje wejter èn dan liejpte vaast tígge de Walgraof. Dè waoren ‘r toen nòg twaë, aën án de Gímmerse kant èn aën án d’n Bíkse kant.
Hiejr moette we trug, óns haojs vùrbaj tòt án ’t boerderééjke van Driek va Kèssel. Dè leek as twáe dròppels wátter óp ’t óns. Driek wás nòg ónzen ínnegen buurman in de álleng Kampe. Dor kooste linksaf d’n Hulst óp. Die liejp dùr tòt bekant án de Ao. D’n Hulst ha driej steegde. As ge de uurste steegd in liejpt, kwaamde aachterán baj ’t luusiefírrebòs. Dè wás van ‘ne fabbriekant van luusiefírre, ik méén aojt Ándoove.
Èn doraachter lag nòg de Lieskeul. Dor ginge waj wél ’s in zwémme. In de twaë aander steegde wás nie zoveul te zien èn dùrrem kwaame waj dor nie dik. Óp d’n Hulst kwaame nògal ’s aaw mènsen aojt ’t dörp waandele èn sómmege kwaame dan steejvaast buurte mí ónze grotvádder, Toon Tömmeskes.
Nívven óns haojs stón, behalven ’n skòp, ok nòg ‘ne vlasbèrg. Die héb ik érges anders noojt nie ángetroffe. Dor spùlde waj wél ’s in, már nie dik, want ’t vlas pikte nògal.
Dan wás ‘r nòg ’n sort vèèrkeshòk. In ’t vùrste stuk wás de bakkerééj. Sotteres worde dor aald vùr de álleng waëk gebákke. ’t Ròggebroud worde dùr ónze vádder mí bloute voewte gekneejd in d’n tròg.
Ge ziet, ik héb elaën már skon herinneringe án m’ne gebortegrónd.
————————
*) vol = vuil (met de o-klank als in wonne, gon ston.
Vgl. vól = vol.
GH-2005-02 Inhuldiging of inauguratie
INHULDIGING OF INAUGURATIE
Simon van Wetten
Daar zaten de schout en schepenen, de borgemeesters, ach, eigenlijk het gehele corpus van Gemert toch wel even met de handen in het haar, zo aan het begin van het jaar 1715. Nog een week te gaan en dan zou de nieuwe landcommandeur, Zijne Hoogh Graeffelijcke Excellentie en Gestrenge Heer Damian Hugo, graaf van Schönborn, in Gemert arriveren om aldaar naar oud gebruik en naar de regie van een strikt protocol, te worden ingehuldigd. De vraag was nu: hoe zit dat protocol ook alweer in elkaar? Hoe moeten we die hoge heer naar zijn staat ontvangen? Gaan we niet blunder op blunder stapelen? Ja, de Commanderije Gemert was ronduit zenuwachtig.
Uiteindelijk bracht de pastoor uitkomst. Hij diepte uit het parochiearchief een schrijven op van één van zijn voorgangers, de eerwaarde heer Joannes Santfoort. Deze greep in 1650 op zijn beurt terug op een tekst uit een alden boeck van pastoor Albert Strijbos, die daarin precies uit de doeken deed hoe in mei 1628 de heer Graaf van Geleen als landcommandeur was ingehuldigd.
U moet natuurlijk eerst aan de lijst met genodigden denken. Het is de bedoeling dat de huldinge geschiedt in het bijzijn van verscheidene commandeurs en priesters, en ook wereldlijke heren der naburige dorpen, en naburige priesters, pastoors en landdekenen.¹
De schout dient als de hoogtijdag daar is, vergezeld door enige mensen, op tijd uit te rijden, want er wordt van hem verwacht dat hij ongeveer twee uur buiten Gemert de nieuwe heer verwelkomt. Dan rijdt hij samen met de landcommandeur en diens gevolg naar de palen van de heerlijkheid, en daar, aan die buitengrens van Gemert, staan de schutteren oft gilden met vanen en trommels en op het best gekleed en gewapend klaar om de heer welkom te heten, samen met de magistraat en de borgemeesters. Stop uw vingers in uw oren want er wordt nu een salvo afgevuurd!
Wanneer de stilte weer over het landschap valt, trekt de gehele stoet op naar het dorp en dan gaat het door de straat naar het kasteel. Daar moeten de gildebroeders nogmaals een salvo afschieten.
De volgende dag is er een processie. De pastoor en de studenten en de gehele clerequije zullen met de kostelijkste kerkelijke ornamenten – tussen diaken en subdiaken, maar dat had u al begrepen – voort gaan met enige troskens of kleine dochterkens, met de wijwaterketel, tot op de dreven van het kasteel, waarvandaan de heer met zijn suite, zijn gevolg afkomende “geaspergeert” (met wijwater besprenkeld) wordt door de pastoor, die in het omkeren naar de kerk begint te zingen: “Veni Creator Spiritus”. En er wordt voort gezongen, met de schalmeien of anderszins gespeeld tot den roestel van de kerk.²
Op de Markt sluiten de magistraat en de schutterijen zich achter de stoet aan, en bij het kerkhof gekomen, nodigt de pastoor de heer landcommandeur in het Clockhuijs. De klok van dit gebouwtje wordt van de heere getrocken en dat geluid wordt dan overgenomen door de kerkklokken en als de heer onder het luiden weer naar buiten komt, wordt er ook nog een salvo door de schutterijen afgeschoten.³
Aldus in de kerk gaande wordt het “Te Deum Laudamus” gezongen en op het orgel gespeeld (dat was er dus al in 1628), waarna “solemniter” (naar gewoonte en gebruik) wordt gezongen de mis de Sancto Spiritu. Als die eindigt, wordt de nieuwe heer door de pastoor, diaken en subdiaken uit de kerk tot aan de roestel begeleid, en daar wordt hij ontvangen door de magistraat en de schutterijen en alle naburen (inwoners), en naar de Merckt gebracht onder een paviljoen, speciaal daarvoor gemaakt, alwaar de Hullinge naar gewoonte geschiedt, en waar dikwijls een salvo zal worden geschoten.
Tot slot wordt de heer weer naar het kasteel begeleid en daar met een notabele vereeringe vereerd.
Kijk, de handen konden uit het haar. Er lag zomaar ineens een compleet draaiboek klaar. En daar was de prettige zekerheid dat alles zou geschieden precies zoals het hoorde. Het corpus van Gemert kon beginnen met de voorbereidingen.
Maar wat een feest, zo’n inhuldiging of inauguratie, vindt u ook niet? Dat moet toch wat geweest zijn voor de Gemertenaren anno 1628 en anno 1715. Die hebben hun ogen uitgekeken. En dan de gildebroeders. Die mochten er stevig op losschieten.4 Heerlijk! Hoewel, dat geschiet vraagt natuurlijk om ongelukken:
Adriaen Andriessen, inwoner alhier, geeft zeer demoedelijk te kennen aan Zijne Excellentie Damian Hugo dat hij zijn getrouwe ijver heeft willen betonen in het excerceren en marcheren voor het gilde St. Joris ten dage van de receptie van de landcommandeur, maar dat hij het ongeluk heeft gehad dat de prop van zijn roer is gevlogen op het kind van Adriaentje Francissen, zijnde melaats. Juist door dat gebrek heeft de prop zoveel schade aangericht, dat het kind is gestorven. Het was een ongeluk, ook de moeder heeft dat ingezien en het aan Adriaen vergeven.5
Naast de plechtigheden in en om het paviljoen op de Merckt, waar de ondersaten van Gemert hun nieuwe heer plechtig trouw hebben gezworen, en de gebruikelijke tegenbelofte van de landcommandeur dat hij zijn onderdanen in hun oude rechten zal laten, was er nog een opmerkelijk nieuwtje. Heer Damian Hugo had zich blijkbaar geërgerd aan het feit dat veel leden van de Duitse Orde wel erg makkelijk dachten over het lenen van geld en vooral over de termijn waarin dat geld weer terugbetaald zou moeten worden:
De vele schulden die enige commandeurs, ridders en priesters onder de Duitse Orde bij allerhande personen hebben gemaakt, worden pas lang, soms erg lang daarna afgelost. Sommigen wachten zelfs tot na hun dood met aflossing.Om nu confusiën
te voorkomen, moeten alle schulden binnen een jaar worden terugbetaald, en bij weigering zullen de benadeelden binnen zes wegen bij ons een klacht moeten indienen.
En zo zien we, Damian Hugo trok niet alleen letterlijk, maar ook figuurlijk aan de bel. En dat weten wij, ondersaten van drie eeuwen na dato, heus wel te waarderen.
NOTEN:
1. RAG 127, akte 444.
2. Het roestel is het rooster dat bij de kerk onder de toegangspoort lag en diende om honden en loslopend vee te beletten naar het kerkhof en de kerk te gaan. Een wildrooster dus. (Naar Ad Otten).
3. Het Clockhuijs stond op de plek waar tegenwoordig het grasveldje voor de kerk ligt.
4. De Polenreizigers die in mei 2004 de schutterij in het kasteel van Gniew hebben meegemaakt, weten precies wat zo’n salvo kan betekenen voor trommelvlies en algeheel welbevinden. Is het geen idee om het inhuldigingsritueel in Gemert nieuw leven in te blazen? Een toeristische trekpleister van jewelste!
5. RAG 127, akte 447 (jan. 1715).
GH-2005-02 Van aardsparadijs aan de Aa tot convent in Binderseind
VAN AARDSPARADIJS AAN DE AA TOT CONVENT IN BINDERSEIND
Ad Otten
De tuinkoepel van ‘den doctor’ en ‘den burger’
Op 27 mei en op 3 juni 1842 werd te Gemert in het Logement Den Keizer op verzoek van Mejuffrouw Rosa Ruijs uit Ravenstein door notaris Van Kemenade in het openbaar geveild het tegenover de Latijnse School gelegen statige Hofgoed met alle ‘dependentien’ (nu het notarishuis in de Ruijschenberghstraat). Rosa Ruijs was de kleindochter en enige erfgenaam van wijlen Eligius Ruijs die in Gemert het beroep uitoefende van ‘medisch doctor’. Bij de genoemde veiling in 1842 kwamen een tweetal bijzondere ‘dependentien’ van het Hofgoed onder de hamer. Het waren percelen in het Gemertse buitengebied, respectievelijk op Koks aan de Aa en op de Esdonkse Hei ergens tussen het kapelleke en de Boekelseweg. Dokter Ruijs moet een natuurliefhebber zijn geweest. Op beide percelen had hij, of eerder al een vroegere eigenaar, een tuinkoepel laten bouwen.
Het eerste perceel (geveild als ‘koop nr.5’) mat 1,172 hectare. Het lag op de wel erg aansprekende plek in de zogeheten Koksche Velden waar de, toen nog dubbele Snelle Loop, uitmondde in de rivier de Aa. Daar ter plaatse, in de uitmonding, lag ook het ‘drielandenpunt’ van de voormalige gemeenten Gemert, Erp en Beek en Donk (nu Gemert-Bakel, Veghel en Laarbeek). Het is nog steeds een aansprekende plaats al is er nu (genormaliseerd) kaal en winderig, meer een plek om uit te waaien. In de Snelle Loop ligt daar nu een betonnen stuw met pal daarvoor, vlak voor de uitmonding in de Aa, een brede betonnen (schouw)overgang. Vroeger moet dat heel anders geweest zijn. De kadastrale plattegrond uit 1832 maakt dat overduidelijk. Die situatie is pas veranderd enige jaren na de Tweede Wereldoorlog. Wijlen Toon van den Boom van de Kokse Hoeve heeft er in de krant in een interview nog wel eens van verhaald en Toon had het daarbij over ‘het aardsparadijs aan de Aa’…
Bij de veiling van 1842 werd dat aardsparadijs als volgt omschreven: “Een schaarhoutbosch met daarbij gehoorende dreef en opgaand geboomte, door een hek afgesloten, voorts nog een tweede dreef, leidende langst het erf van de weduwe Van Meelis, tot een koepel aan de Rivier de Aa, welke hier ook bijbehoord, kadastraal bekend Kokse Velden sectie I nr.1, groot 40 roeden en 10 ellen en Hulst sectie I nr.13, groot 77 roeden en 10 ellen.”
Voor 540 gulden werd de Gemertse leerfabrikeur Jan Haest in 1842 de eigenaar van het natuurgebied met de tuinkoepel aan de Aa. Vijf jaar later werd deze persoon benoemd tot burgemeester van Gemert. Dat was aan de vooravond van het Gemertse weversoproer waarbij de nieuwe burgemeester het allesbehalve gemakkelijk heeft gehad. Maar als het hem allemaal teveel werd kon hij zich wel terugtrekken en op adem komen in, wat wijlen Toon van den Boom zich herinnerde als, het aardsparadijs aan de samenvloeiing van de Snelle Loop en de Aa. Toon kon zich bij het ophalen van die herinneringen niet voorstellen dat zoiets moois midden in de natuur in onze moderne tijd nog ooit zou terugkomen. Het lijkt erop dat hij, zij het op de lange termijn, toch ongelijk gaat krijgen. De in dit voorjaar gerealiseerde natuurontwikkelingen aan met name de Snelle Loop een eind stroomopwaarts hebben laten zien dat ook de moderne mens nog steeds gesteld is op aardse paradijzen.
Het Haest-Conventje in het Binderseind
Het Conventje is een naam die in de volksmond bekend is gebleven als naam voor een pand in het Binderseind. We mogen er van uitgaan dat die naam pas in de loop van de 19de eeuw ontstond omdat de betreffende naam in bronnen van vroegere datum niet is aangetroffen. Er is veel navraag gedaan maar op de vraag om welk pand het nu precies handelt heeft niemand meer een antwoord kunnen geven. Maar… in het hiernavolgende doet ondergetekende een aannemelijke suggestie.
In het voorgaande leerden we Jan Haest kennen als de eigenaar van een aardsparadijselijk ‘buiten’ in de Kokse Velden aan de Aa. Jan Haest was aanvankelijk leerlooier en vanaf 1845 ook cichoreifabrikant. In 1847 werd hij benoemd tot burgemeester van Gemert en dit bleef hij tot zijn dood in 1874. Jan Haest, geboortig van Zundert, trouwde in 1825 in Gemert met Joanna Maria van Zeeland en samen kregen ze negen kinderen. Zes jongens en drie meisjes. Vijf zonen werden priester en de zesde werd zouaaf in het Pauselijk leger van de Kerkelijke Staat. Van zijn drie dochters werden er twee ‘zuster’ en de derde pastoorsmeid. De burgemeestersfamilie Haest-van Zeeland vergeestelijkte helemaal. Een naam als ‘Het Conventje’ lijkt er bij uitstek op van toepassing. En wat wil het geval? Inderdaad! De burgemeestersfamilie Haest woonde in het Binderseind waar in de loop van de negentiende eeuw in de volksmond de naam ‘het Conventje’ werd geboren… Wim van de Vossenberg (bedankt Wim) was onmiddellijk bereid om uit te puzzelen waar de burgemeestersfamilie Haest precies huisde. Hij kwam tot de slotsom dat het ‘Haest-Conventje’ was gevestigd tegenover d’n Engelenburcht in het pand met het (huidige) huisnummer 13, waar nu het gezin van Jorlan en Jeanine Peeters-van Schijndel woont. Zoals we op bijgaande foto van omstreeks 1928 kunnen zien zag het pand er vroeger wel iets anders uit, maar de bouwmassa heeft nog dezelfde uitstraling.
GH-2005-01 UITGAVEN HEEMKUNDEKRING “DE KOMMANDERIJ GEMERT”
UITGAVEN HEEMKUNDEKRING “DE KOMMANDERIJ GEMERT”
BIJDRAGEN TOT DE GESCHIEDENIS VAN GEMERT
nr.1 A Otten, 100 jaar bejaardenzorg, 1977. (uitver¬k.)
nr.2 P vd Elsen, De Komschool, geschiedenis van het LO in Gemert, 1978 (uit¬verk.)
nr.3 H Giebels, Georgius Macropedius 1487-1558, 1978 (uitver¬k.)
nr.4/5 M vd Wijst ea, Beknopte Geschiedenis van Ge¬mert, 1980 (uitver¬k.)
nr.6 A Otten, Gemert Mei 1940, 1980 (uitverk.)
nr.7 P Lathouwers, Gemerts Nieuws 1881-1900, 1981
nr.8 P vd Elsen, Esdonk, geschiedenis van een kapel¬ge¬hucht, 1981 (uitver¬k.)
nr.9 P Lathouwers ea, Dor hedde de Skut, geschiedenis van Gemert¬se gilden, 1982 (uitverk.)
nr.10 P vd Elsen, Boerenapostel Pater Gerlacus van den Elsen, 1853-1925, 1983
nr.11 Harmonie Excelsior, Harmonie Excelsior in woord en beeld, 1984 (uitverk.)
nr.12 S Hoeymakers, Houtvesterij de Peel, 1986, 2e druk 1987 (uitverk.)
nr.13 A Otten, De vestiging van de Duitse Orde in Gemert 1200-1500, 1987 (uit¬verk.)
nr.14 T Thelen (red), Commanderij Gemert, Beeldend Verleden, 1990 (uitverk.)
nr.15 J vd Kimmenade-Beekmans, Van Pesthuis tot Wijkgebouw, 1991
nr.16 A Otten, Alles te koop – geschiedenis van de middenstand in Gemert, 1992
nr.17 K vd Heijden ea, Mortel Ons Dorp, 1992
nr.18 J vd Kimmenade-Beekmans, Gemert bezet – Gemert bevrijd, 1994
nr.19 F Slits, Laurentius Torrentinus, 1995
nr.20 M Verbruggen, Welk een lofbaerlijk werk – Gemertse orgelbouwers, 1995
nr.21 S v Wetten, Grensconflict zonder limieten, 1995
nr.22 A Augustus-Kersten, Mannen van onbesproken gedrag, 1996
nr.23 WJ Vos en MA vd Wijst, Gemerts Woordenboek, 1996 (uitverk.)
nr.24 B v Berlo, En ons moeder skrûwde… Gemertse jongens in Indonesië, 1997
nr.25 H Giebels, De Gemertse weversopstand van 1849, 1999
nr.26 A Otten, Elke seconde telt – 400 Jaar Brandweer Gemert (1600-2000), 1999
nr.27 T Thelen (red), Het Hooghuis te Gemert, 2001
nr.28 R de Haas, Enkele reis Indië – Gemert, 2001 (uitverk.)
BUSSELKES
nr.1 A Otten ea, De bouw van de kerk in Mortel, 1979 (uitver¬k.)
nr.2 N Bout ea, Gedaachte en Gedeechte, 1979 (uit¬verk.)
nr.3 P vd Elsen ea, Het dagboek van Meester Derks, 1980 (uitver¬k.)
nr.4 P vd Elsen ea, Lager Onderwijs in Handel, 1980 (uit¬verk.)
nr.5 M Verbruggen, Mis met drie heren, Thomas, Jan en Ser¬vaas Verhof¬stadt, 1980 (uitverk.)
nr.6 P Vos ea, Gemertse handwever, zijn vaktaal en dagelijks le¬ven, 1981 (uit¬verk.)
nr.7 G v Hooff, Johan Prinzen (1784-1864) en de Gemert¬se Textielnijver¬heid, 1981
nr.8 P vd Elsen, 60 Jaar Jongerenorganisatie – RKJB 1922 – KPJ 1982 (uit¬verk.)
nr.9 C de Bruijn ea, 50 Jaar Protestantse Gemeenschap in de Peel, 1986 (uitverk.)
nr.10 A vd Elsen, De Muze gediend; Gemerts Gemengd Koor 1947 – 1987, 1988
nr.11 A Otten, Gemert en de Post, 1988
nr.12 T Thelen ea, Aan de Arbeid, 1989
GEMERT IN BEELD
nr.1 P Lathouwers, Oude prenten Handel, Mor¬tel, Elsen¬dorp, Ge¬mert, 1983 (uitverk.)
nr.2 T vd Ven-Mols en C. Rooyackers-Gerrits, Gîmmerse Negossie, 1987 (uitverk.)
nr.3 T Thelen, Gemert Monumentaal, toeristische gids Gemertse monumenten, 1993
nr.4 A Otten, Kasteel Gemert, 1995
nr.5 W Rovers en B van der Berg, Scouting Willibrordus Gemert 1946-1996, 1996.
nr.6 P vd Elsen, Het land van de boerenapostel, 100 Jaar NCB Gemert, 1996
nr.7 T Thelen, Sint Jans Onthoofding Glas-in-lood, 1999
nr.8 W Vos, Gids Boerenbondsmuseum Gemert, 2000
nr.9 A Otten, Anekdotisch bankboek: Van halve cent tot Gemertse gulden, 2002
nr.10 J Timmers, WvdVossenberg, RvdBroek, Boerderijen kijken Gemert-Bakel, 2003
nr.11 T Thelen, In volle glorie – de kerk van Sint-Jansonthoofding te Gemert, 2003
GEMERTSE BRONNEN
nr.1 W Jaegers ea, Regesten Vredegerecht Kanton Gemert 1811-1838, 1993
nr.2 W Ivits ea, Stammen alle Gemertenaren af van Karel de Grote? 1993
nr.3 J Timmers en P vd Elsen, Het Landboek van Gemert, 2003
nr.4 P vd Elsen en J Timmers, Hoofdgeldregisters van Gemert, 2003
GH-2005-01 De Peperbus herleeft
DE PEPERBUS HERLEEFT
Rob de Haas
Tussen de achtertuinen van de woningen aan de St.-Annastraat en de Alde Biezenstraat in Gemert loopt een pad, dat al een halve eeuw een anoniem bestaan leidt. Binnenkort ondergaat de Molenakker een grondige facelift en wordt het steegje opgewaardeerd tot straat met de straatnaam “Peperbus”. De naam herinnert aan de windgraanmolen die er van 1877 tot 1937 heeft gestaan. Vanwege zijn uiterlijke vorm werd de molen in de volksmond “De Peperbus” genoemd.
Marinus van der Velden en Peter van den Elsen hebben al eerder over de Gemertse molens geschreven. Ook, zij het summier, over graanmolen “De peperbus”. De nieuwe naamgeving is een mooie aanleiding om eens in de archieven te duiken en zegslieden te raadplegen. Jacques van der Velden, Wim van den Vossenberg en Peter van den Wijngaard bedank ik graag bij deze voor hun informatie.
1e molenaars van de Peperbus
Antonius Claassen en Catharina Claassen – Stuckstedde
De eerste eigenaar is molenaar Antonius Franciscus Claassen. Molenaar Claassen is in 1871 vanuit Heesch naar Gemert gekomen. Hij woont vijf jaar met twee zusters, een zwager en een knecht in de Molenstraat B 169 (nu St.-Annastraat nabij De Eendracht) en huurt er het molenhuis “De Beer” van de familie Van Riemsdijk, toenmalig eigenaresse van het kasteel. In juni 1876 trouwt Antonie Claassen met zijn Gemertse bruid Catharina Stuckstedde. De jonggehuwden verhuizen meteen naar Aarle-Rixtel, waar ze een water-, graan- en oliemolen met woonhuis hebben gekocht. Nog geen jaar later keert het echtpaar naar Gemert terug. Met reden, want de gemeente Gemert heeft aan Antonie op 24 april 1877 vergunning verleend tot het oprichten van een nieuwe windgraanmolen aan de Molenstraat, mits die maar minstens vijftig meter van de weg komt te staan. Van bouwman (boer) Peter van de Nieuwenhof koopt Antonie Claassen de benodigde grond voor een woonhuis (nu St-Annastraat 7) en een graanmolen (nu erf St.-Annastraat 5).
Of het hem voor de wind is gegaan, weten we niet. Wel weten we, dat de molen een keer is afgebrand. De regionale krant “De Zuid-Willemsvaart” maakt er namelijk op dinsdag 21 oktober 1890 melding van: “In den nacht van Vrijdag op Zaterdag werd de graanmolen van den heer A. Claassen alhier door brand vernield. Oorzaak onbekend.”
In deze twee korte zinnetjes schuilt ongetwijfeld veel leed. Maar molenaar Claassen is niet bij de meelzakken neer gaan zitten. Hij herbouwt de molen en maalt nog jarenlang met alle winden mee. Tot aan zijn dood op 24 januari 1892. Antonie laat een weduwe achter, 44 jaar oud, en een 11-jarige zoon plus nog twee dochters van respectievelijk 13 en 14 jaar. Catharina Claassen – Stuckstedde zet er de krachtige schouders onder en maalt voort. Er moet immers brood op de plank. De molenaarster houdt het nog bijna tien jaar vol tot ze in 1901 de boel laat veilen.
2e molenaar van de Peperbus
Martinus van der Velden
Notaris M.G. van Kemenade is belast met de openbare verkoop van de “Peperbus”. Hij organiseert twee zittingen in de herberg van weduwe Jan van Doornik. In een advertentie prijst hij de molen aan als ‘een bijna nieuw goed beklanten steenen en goed onderhouden windgraanmolen’, gunstig gelegen nabij de dorpstraat te Gemert’ en het woonhuis is ‘nieuw gebouwd en zeer doelmatig ingericht’.
Er zijn inderdaad enkele belangstellenden. Molenaar Willem van den Boomen van de “Volksvriend” in de Oudestraat zet 3.110 gulden in op de Peperbus en landbouwer Francis van Dijk uit Gemert biedt 1.610 gulden voor het woonhuis. Een derde, Antoon Swinkels, molenaar te Lieshout, heeft voor huis en molen tezamen 5.330 gulden over.
In de tweede zitting verhoogt ene Martinus van der Velden, molenaar te Breugel, het bod van Swinkels met maar liefst 835 gulden. De notaris telt traag tot tien. De spanning is te snijden. Niemand echter doet een hoger bod dan de 6.135 gulden van Van der Velden. Hij wordt dus de trotse bezitter van de molen en Gemert krijgt een nieuwe molenaar.
Van knecht tot molenaar
Martinus van der Velden, Tinuske wordt hij meestal genoemd, is in Nistelrode geboren, maar heeft zijn jeugdjaren doorgebracht in Aarle vlakbij de watermolen in een zijarm van de Aa aan de Gemertse kant van het kanaal. Niet ver van de huidige ophaalbrug. Wellicht is daar zijn belangstelling voor het molenaarsvak ontstaan. Niet van thuis, want zijn vader was een eenvoudige boer.
Tinuske leert het molenaarsbedrijf van dichtbij kennen in zijn tienerjaren, als hij als dienstbode gaat werken op de molen in Bakel en in Gemert bij de Van de Boomens in de Oudestraat, die daar de Volksvriend exploiteren. Als hij in 1893 in Aarle-Rixtel is teruggekeerd, wordt hij bij de gemeente ingeschreven als molenaarsknecht. Hij bekwaamt zich verder in het molenaarsvak en werkt achtereenvolgens als knecht op molens in Tongelre, Wanssum, Boekel en Breugel.
Martinus is inmiddels 37 als zich in Gemert een uitgelezen kans voordoet om voor zichzelf te beginnen. Het moet toch voor elke rechtgeaarde molenaarsknecht de ultieme droom zijn een eigen molen te beheren. In het kleine molenaarswereldje zal men hem wel hebben getipt over de op handen zijnde veiling van een graanmolen in Gemert en Tinuske doet met succes een bod. Een nieuwe toekomst ligt voor hem open.
In juni 1901 komt Martinus van der Velden naar Gemert. Niet voor het eerst, zoals we hebben gezien, maar nu wel als zelfstandig ondernemer. Hij neemt samen met zijn hoogzwangere vrouw Elisabeth van den Boomen (geen familie van de eigenaar van de molen in de Oudestraat) zijn intrek in het huis aan de Molenstraat. In augustus wordt hun eerste zoon geboren, de later bekende meester Van der Velden, oud-voorzitter van onze heemkundekring.
Tinuske de mulder maalt dat het een lieve lust is en hij handelt in meel, granen en aanverwante artikelen. Als de wind maar wil waaien, jagen de wieken elkaar op volle toeren achterna. Helaas, waait het ook vaak niet. Je kunt dan wel je tijd nuttig besteden met het aanbrengen van scherpsel op de molenstenen of het smeren van de raderen, maar geproduceerd wordt er niet en daar gaat het toch uiteindelijk om.
Houtzagerij
Al snel doet Martinus van der Velden een kapitale investering om minder afhankelijk te zijn van het weer. Hij schaft in 1905 een zuiggasmotor van 16 paardenkracht aan, die in windstille tijden de maalderij kan aandrijven. Hij bouwt daarvoor half in de belt een machinekamer. De Peperbus is namelijk een zogenaamde beltmolen. Hij staat op een heuvel, een belt. Voordeel is dat de molen hoger staat. Gunstig voor de windvang, maar ook makkelijk om de zeilen op de wieken te kunnen spannen en om de molen te verkruien, dat wil zeggen de kap zo te draaien dat de wieken optimaal de wind vangen. Op hoogtijdagen kan de molen vanaf de belt gemakkelijk worden opgetuigd met vlaggen, zoals op muldersdag en bij familiefeesten. Bij molenaarsfamilies is het vaak de gewoonte om de molen feestelijk te versieren als kinderen trouwen. Wellicht heeft Tinuske dat ook gedaan toen zijn zoon Marinus in augustus 1932 trouwde met Helena Manders. Traditioneel zijn in elk geval de wiekenstanden bij vreugde en rouw, bij langdurige en korte rust en als oproep om naar de molen te komen.
In 1908 breidt Van der Velden zijn molenbedrijf nog verder uit. Donkere wolken pakken samen boven het molenaarsvak. Nieuwe krachtbronnen als stoom, kolen en elektriciteit doen meer en meer hun intrede. Martinus zelf is er met zijn zuiggasmotor een voorbeeld van. Steeds meer molens worden stil gelegd, maar de mulder heeft er iets op gevonden. Hij begint in 1908 een houtzagerij naast de molen. De aandrijfmotor heeft hij immers al. Desondanks breken moeilijke tijden aan voor de Gemertse molenaar, want in datzelfde jaar komt er een concurrent bij in de Deel waar “De Bijenkorf” wordt gebouwd. Hij snoept klanten van Martinus af, waardoor hij in economisch zwaar weer terechtkomt. Ook zijn handel in allerlei graanproducten en veevoer, waaronder raapkoeken, komt onder druk te staan door de oprichting van de Landbouwbond. De boeren organiseren zich en sommigen zien dit als een zeker zo belangrijke factor voor de teloorgang van het molenbedrijf dan de mechanisatie. Voor de eigenaar van de Peperbus leidt dit alles in 1913 tot een faillissement. Dankzij een vergelijk met zijn schuldeisers weet Martinus een doorstart te maken en oefent het molenaarsvak nog ruim twintig jaar uit tot aan zijn dood in 1936.
Kuiperij “St. Joseph”
Anny van de Kimmenade schrijft in het eerste nummer van Gemerts Heem 2001 over de langdurige stakingen bij kuiperij Groeneweg in 1916. Martinus van der Velden is daar zijdelings nog bij betrokken geweest. Dat zit namelijk zo.
Begin 1916 sluiten 41 van de ongeveer 54 arbeiders van de ‘Stoomhoutzagerij, Machinale Kuiperij en Kistenfabriek’ van J.B. Groeneweg & Zonen zich aan bij de nieuw opgerichte R.K. Houtbewerkersbond “St. Joseph”. Zeer tegen de zin van directeur Groeneweg. Na enige verwikkelingen ontstaat een conflict, waarbij enkele werknemers worden ontslagen. Daarop breekt een langdurige staking uit onder het personeel. Allen houden hun poot stijf. De fabrikant neemt Belgen in dienst, hetgeen niet alleen met lede ogen wordt aangezien. Er vallen ook rake klappen. Ze worden voor onderkruipers uitgemaakt. Pastoor Poell, een uitgesproken voorstander van een werknemersvakbond, doet verwoede pogingen de partijen bij elkaar te brengen. Hij spreekt de firmant aan op diens katholiciteit en schrijft hem dat hij ‘moet opkomen tegen openlijke verkrachting van het Katholiek beginsel, dat de Geestelijkheid is opgedragen het Katholiek vereenigingsleven vooruit te zetten, het te verdedigen natuurlijk ook, en dus er in het openbaar voor te getuigen’.
Hij vraagt Groeneweg om te verklaren ‘dat U de Katholieke Vakvereeniging onder Uw werkvolk erkennen wilt, en terug wilt nemen diegenen, welke ter wille van hun lidmaatschap dier organisatie buiten werk staan.’
Poell lijkt te vechten tegen een windmolen. De directie is onvermurwbaar. De staking duurt voort en de nood stijgt. Uiteindelijk wordt besloten om zelf een nieuwe kuiperij op te richten. “De Zuid-Willemsvaart” meldt dat die wordt ondergebracht in de stoomzagerij van den heer Van der Velden. Het regionaal nieuwsblad doet ook verslag van de plechtige inzegening van de kuiperij op maandag 18 september 1916 door pastoor Poell. “Met vlag en groen was de nieuwe werkplaats in de Molenstraat versierd; door enkele veranderingen was het gebouw tot een beste werkplaats ingericht en de werktuigen wachtten op de handen, die gretig naar werk waren, maar geen werk meer gekregen hadden omdat het handen van R.K. georganiseerden waren. In optocht ging men met het eerst gemaakte vaatje van de werkplaats af naar het patronaat.” De staking heeft bijna 25 weken geduurd. Hoelang kuiperij “St. Joseph” in de “Peperbus” heeft bestaan, is niet bekend. Volgens buurtgenoot Willem Vos sr. niet lang wegens gebrek aan financiën.
Op 21 januari 1936 een week voor zijn 72ste verjaardag overlijdt Martinus van der Velden plotseling in zijn huis aan de Molenstraat. Zijn hart heeft het begeven. Hij is dan 30 jaar weduwnaar, want zijn vrouw Elisabeth is hem al in 1906 voorgegaan. In een In Memoriam in het vakblad “De Molenaar” wordt de overledene omschreven als een ‘Vurig strijder voor zijn vak en stand. Iemand die zijn woorden met korte nijdige vuistslagjes kracht wist bij te zetten, technisch goed ontwikkeld en zijn grondige vakkennis was alom bekend’.
3e molenaar van de “Peperbus”
Huub van de Eertwegh
De Peperbus wordt verkocht aan molenaar Huub van den Eertwegh. Omdat het voormalig molenaarshuis aan anderen is verkocht, woont hij in bij F. van Eupen in de Molenstraat. Van den Eertwegh heeft echter niet lang plezier van de molen.
Roemloos einde van de “Peperbus”
In zijn brandrapport aan de burgemeester meldt opperbrandmeester W.J.M. Kemenade dat in de nacht van 2 april 1937 de graanmolen voorheen van M. van der Velden door brand is verwoest. ‘Toen wij bij den brand kwamen bleek dat den molen geheel in brand stond alleen de er naast liggende maalderij bleek ongeschonden. Daar echter de wieken juist boven deze maalderij hongen durfde ik die niet te laten naderen en evenmin te laten bespuiten. Toen de wieken vielen zijn we nog terstond gaan zien of er gevaar was voor de maalderij. Ofschoon er een zwaren vonkenregen juist boven dit gebouwtje viel bleek ons dat er geen ernstig gevaar dreigde en hebben wij dan ook niet gespoten. Om half 3 konden wij inrukken. Alles is verzekerd. Oorzaak onbekend. De spuit werd gehaald en thuis gebracht door C vd Elzen Haag.’
Huub van den Eertwegh bouwt in Elsendorp een nieuwe molen, waarvoor hij vooral onderdelen van een molen uit Beek en Donk gebruikt en nog wat bruikbaar materiaal van de Peperbus. De houtzagerij in de Molenstraat houdt hij nog wel aan tot die ook in de jaren vijftig worden afgebroken.
Opmerkelijk
Het Peperbuspad is ontstaan in de beginjaren 1951-1952. Op de open vlakte van de Molenakker bouwt de gemeente de eerste naoorlogse wijk bestaande uit 80 kleine arbeiderswoningen. De Alde Biezenstraat wordt doorgetrokken naar de Cortenbachstraat en de nieuwe woningen aan deze straat krijgen een paadje achterom. Het bewuste pad dus.
Opmerkelijk is nu, – gelovigen noemen het ‘de voorzienigheid’ of voorbestemming, ongelovigen houden het liever op ‘gewoon toeval’ -, dat op het erf van de Peperbus Indische families komen wonen. Families uit voormalig Nederlands-Indië waar eeuwenlang de specerij vandaan zijn gehaald. En op de plek waar eens de Peperbus maalde, groeien kinderen op uit het land van de peper. Bij het spelegraven en de aanleg van een moestuin komt er nog puin uit de grond, waarvan wordt gezegd dat dit van de molen is. Sterker nog. Tinuske de mulder zou het nooit hebben kunnen bevroeden. Een van die kinderen is vele jaren later getrouwd met zijn jongste kleindochter. Ik noem dat de ‘Stille Kracht van Peper’.
BRONNEN:
• Gemeentearchief Gemert – Bakel
• Archief Heemkundekring “De Kommanderij Gemert”
• Regionale krant “De Zuid-Willemsvaart”
• “Gemertsche Courant”
• Particulier archief van J.B. van der Velden
• “Molens in Peelland” door W. en W. van Heugten, 1982
• “De Brabantse Molens” door S.H.A.M. Zoetmulder, 1974
• “Windmolens in Gemert” door M. van der Velden, GH 1962
• “Historische benadering van de Gemertse molens” door P. van den Elsen, GH 1976/1977
• “Stakingen bij kuiperij Groeneweg” door A. van de Kimmenade – Beekmans, GH 2001
GH-2005-01 Het historisch landschap aan de benedenloop van de Snelle Loop
HET HISTORISCH LANDSCHAP AAN DE BENEDENLOOP VAN DE SNELLE LOOP
Jan Timmers
Inleiding
De Snelle Loop vormt voor een deel de grens van de gemeente Gemert-Bakel met Laarbeek. Voor de gemeentelijke herindeling vormde de Snelle Loop ook nog een deel van de grens tussen Bakel en Gemert. De Snelle Loop stroomt voor een belangrijk deel door een groot overstromingsgebied dat deels in Gemert en deels in Laarbeek ligt.
Het gebied rond De Snelle Loop ligt deels binnen de Ecologische Hoofd Structuur (EHS) en delen van het gebied zijn aangewezen als reservaatgebied of beheersgebied. Langs de Snelle Loop moet een ecologische verbindingszone worden gerealiseerd.
Het ligt voor de hand om in dit gebied een combinatie te maken van enerzijds natuurontwikkeling en anderzijds herstel van het cultuurhistorische landschap. Het oude cultuurlandschap wordt gekenmerkt door kleine weidepercelen met een perceelsrandbegroeiing in de vorm van vooral elzenheggen: het Brabantse coulisselandschap. Bovendien komen in het gebied enige andere cultuurhistorische fenomenen voor.
De Snelle Loop
De Snelle Loop wordt oorspronkelijk gevormd uit de samenloop van vier natuurlijke waterlopen. De noordelijke tak van de Snelle Loop ontspringt in het wijstgebied ten zuiden van De Mortel, loopt door de Milschotse Heide, en mondt ten zuiden van Milschot uit in de hoofdtak. De middentak is de belangrijkste tak. Deze ontstond in het Witven, een voormalig ven ten zuidoosten van Hogen Aarle. In verband met de ontginningen in het noorden van Bakel en Milheeze en de ontginning van de Peel is de hoofdtak van de Snelle Loop in oostelijke richting verlengd. De zuidelijke tak staat bekend onder de naam Esperloop. De Esperloop ontstond aan de noordkant van het dorp Milheeze en is bij ontginningswerkzaamheden ook in oostelijk richting doorgetrokken. De vierde tak is een waterloop die de grens vormt tussen Bakel en Aarle-Rixtel en die in de middeleeuwen werd aangeduid met de naam Ymelsbeek. De vier takken komen ten oosten van Tereyken bij elkaar. Alleen de hoofdtak staat momenteel bekend onder de naam Snelle Loop en is tijdens en na de 19de eeuw stroomopwaarts fors verlengd tot diep in de Peel en voorbij de huidige oostelijke gemeentegrens van Gemert-Bakel.
Dit artikel beperkt zich tot de benedenloop van de Snelle Loop, vanaf Tereyken tot aan de samenvloeiing met de Aa ten zuiden van Koks.
De Walgraaf en de Snelle Loop, een dubbele loop vanwege conflicten
De benedenloop van de Snelle Loop kent een lange geschiedenis. Deels ontstaan als natuurlijke waterloop, deels al in de middeleeuwen gekanaliseerd en gegraven als grens tussen Gemert en de naburige dorpen Beek en Donk en Aarle-Rixtel. De geschillen over de dorpsgrenzen en met name over het onderhoud van de Snelle Loop zijn talrijk en goed gedocumenteerd in het boek “Grensconflict zonder limieten” en de daarbij behorende verfilming. De strijd heeft geleid tot het graven van een dubbele waterloop, gescheiden door een wal, een cultuurhistorisch unicum. Er zijn getuigenverklaringen uit de 16de eeuw die aangeven dat wal en graaf al in de 15de eeuw werden aangelegd. De dubbele loop bleef lange tijd bestaan en verdween in fasen. Het dubbele tracé van Beeksedijk tot aan de Aa verdween als dubbele loop in het jaar 1947. In dat jaar startte de samenvoeging van de Walgraaf en de Snelle Loop. Restanten van de dubbele loop tussen Beeksedijk en Tereyken bleven nog langer bestaan. Dit late tijdstip van verdwijnen heeft er wel voor gezorgd dat de oude loop van Walgraaf en Snelle Loop goed is gedocumenteerd1.
De ontginning en het coulisselandschap
Het gebied rond de Snelle Loop kent afwisselend een aantal bosjes en (natte) weidepercelen. Om een ecologische verbinding te creëren is het mogelijk om een aantal weilanden langs de Snelle Loop te beplanten met een brede houtsingel. Een beter alternatief is het herstellen van het oude kleinschalige heggenlandschap, zoals dat in dit gebied in de loop van de 18de eeuw is ontstaan en zijn hoogtepunt kende rond 1900. De kleine weide percelen werden gescheiden door afwateringsslootjes die aan weerszijden werden beplant met voornamelijk elzenheggen. De heggen werden regelmatig gekapt voor stookhout, waardoor de begroeiing vrij dicht werd. Ook voor de functie als veekering was dat nodig. Bij de introductie van het prikkeldraad werd gebruik gemaakt van de heggen en werd het prikkeldraad vastgespijkerd op de stammen in de heg. Het gevolg was dat bij het kappen van de heg het onderste deel van de stammen bleef staan en dat er feitelijk een geknotte heg ontstond. Op topografische kaarten van 1897 is de perceelsrandbegroeiing in het gebied rond de Snelle Loop duidelijk herkenbaar aangegeven.
Het noordelijk gedeelte van het gebied aan de Gemertse kant van de Snelle Loop, tussen de Broekkantseweg en de Rips, staat bekend onder de naam De Kampen en is grotendeels al verkaveld in de middeleeuwen. De oude verkaveling is herkenbaar aan de min of meer willekeurig gevormde blokvormige percelen. De latere ontginningen zijn veel strakker van opzet en herkenbaar aan de rechte lijnen en de rechthoekige percelen. De laatste natuurlijke restanten tussen Tereyken en Beeksedijk werden pas rond 1830 ontgonnen. Het betreft het gebied aan weerszijden van de Derde Steeg.
Aan de kant van Beek en Donk en Aarle-Rixtel werd het gebied voornamelijk pas in de 20ste eeuw ontgonnen. Daarop bestaat één belangrijke uitzondering. Een strook grond, pal langs de Snelle Loop vanaf de Biezen tot aan de Aa werd in 1791 in kleine percelen aan particulieren uitgegeven. Bij elk perceel hoorde een stuk van de wal tussen de twee watergangen van de dubbele Walgraaf. De eigenaar had de verplichting om de wal en de graaf ter hoogte van hun perceel te onderhouden. Immers uit de vele ruzies rond de Snelle Loop bleek steeds weer opnieuw dat slecht onderhoud van gracht en wal de reden was voor weer een nieuwe kwestie. Voor de bereikbaarheid van de strook percelen aan de Beekse en Aarlese kant werd een weg langs die percelen aangelegd parallel aan de Snelle Loop. De weg wordt onderbroken door de Beeksedijk. Het noordelijk deel heeft de naam Liesdijk, het zuidelijk deel staat bekend onder de naam Biezen. Het Beek en Donkse en Aarle-Rixtelse broekgebied aan de overkant van deze wegen werd grotendeels pas na 1900 ontgonnen.2
De vonder bij Bribrake
Aan de westzijde van het dorp Gemert liggen aan de rand van het drassige en natte gebied rondom de Snelle Loop een aantal zandopduikingen.3 De Hazeldonk werd hiervoor al genoemd. Ten noorden ervan ligt een langwerpige hoogte, die vanaf het dorp Gemert nagenoeg tot aan de Snelle Loop doorloopt en de naam Ploesterdonk draagt. Al in de middeleeuwen werden op die hoger gelegen delen nieuwe ontginningen aangelegd: de hoeven Wijnboom en Ploesterdonk. Tevens liep over deze verhoging een oude verbindingsweg tussen Gemert en Beek en Donk. De huidige Wijnboomlaan volgt voor een belangrijk deel deze oude weg. Op de topografische kaart van 1840 wordt de weg aangeduid als Wijnboomsteeg. Het laatste restant van de oude weg is nog als zandweg aanwezig. Het is de huidige Broekkantseweg. Deze weg loopt naar de Snelle Loop en steekt deze over. Thans is er nog wel een bruggetje over de Snelle Loop aanwezig, maar de weg loopt daarna dood. Het punt waar de weg en de loop elkaar kruisen staat in de middeleeuwen bekend onder de naam Bribrake, een oude grensmarkering. In 1300 werd de gemeint ten westen van de Snelle Loop door de Hertog van Brabant uitgegeven aan de bewoners van Rixtel, Aarle en Beek. De begrenzing van deze gemeint werd als volgt beschreven: …..zich uitstrekkend tot aan het vastgelegde grenspunt met de gemeinte van Gemert en vanaf dit grenspunt tot aan Bribrake en vanaf Bribrake tot aan de rivier de Aa,…. Het hier beschreven deel van de grens is juist het tracé van de Snelle Loop, vanaf Tereyken tot aan de Aa, via een grensmarkering die de naam Bribrake heeft. In het oud administratief archief van Beek en Donk bevind zich een Maatboek uit 1792. Bij de percelen met nummers 2292 en 2293 staat de aanduiding: ’t Diepgat of Bribraken. Johan van Vlerken toonde aan dat het daarbij precies gaat om het perceel aan de Beek en Donkse kant van de Snelle Loop bij het bruggetje van de Broekkantseweg. De naam Bribrake wordt inmiddels nergens meer gebruikt, maar de vermelding in het Beek en Donkse maatboek wijst op de locatie van de oude grensmarkering, op de plaats waar de grens de oude verbindingsweg tussen Gemert en Beek en Donk kruist.4
De Derde steeg
Ten behoeve van de ontginning rond 1830 van de laatste restanten van het broekgebied bij de Snelle Loop, tussen Daalhorst en Snelle Loop, werden achtereenvolgens een aantal toegangswegen aangelegd die vanuit Gemert “genummerd” werden als eerste, tweede en derde steeg. Bij de ruilverkaveling verdwenen deze wegen grotendeels. De eerste steeg werd grotendeels als houtsingel aangeplant. De tweede steeg is deels verdwenen en deels opgenomen in het tracé van de verharde weg met de naam Daalhorst. Een belangrijk deel van de derde steeg bleef gehandhaafd als zandweg en een gedeelte ervan verdween. De derde steeg had een veel oudere voorganger, die al vanaf de middeleeuwen door dit natte broekgebied liep. Bij de ontginning werd die oude weg rechtgetrokken. Herstel van het verdwenen gedeelte is zeer wenselijk, omdat het voor een belangrijk deel de oude structuur van het gebied herstelt.
Andere cultuurhistorische inrichtingselementen
Niet ver van de Snelle Loop lag naast een oorspronkelijke donk met de naam de Hazeldonk de oude hoeve Hazeldonk. Het is een hoeve die al in de middeleeuwen voorzien was van een dubbel grachtenstelsel. In de eerste helft van de 20e eeuw werd de hoeve verplaatst en de grachten gedempt als eerste Gemertse vuilstort. Op de topografische kaart van 1840 is de omgrachte hoeve te zien juist boven het woord Hazeldonk.
In de middeleeuwen lag aan de rand van het broekgebied tussen Broekstraat en Snelle Loop nog een andere belangrijke hoeve die bekend stond onder de naam Ter Vondervoort: de hoeve bij de vondervoort. Een voort is een doorwaadbare plaats, een vonder is een voetgangersbruggetje. Bij de vondervoort in het Gemerts broek werden deze twee elementen kennelijk gecombineerd. De exacte ligging van de hoeve Ter Vondervoort is tot op dit moment niet achterhaald. De locatie moet echter in de nabijheid van een beekovergang geweest zijn. De vraag of het hierbij gaat over de Doregraaf, de Leijgraaf of de Broekloop is een afzonderlijke publicatie waard.
Dat het gebied langs de Snelle Loop ook vroeger al een aantrekkelijk en rustgevend gebied was blijkt uit het feit dat een stukje grond bij de samenvloeiing van de Snelle Loop en de Aa regelmatig door Gemertse notabelen werd bezocht. Ter plekke werd voor die doeleinden zelfs een “theehuisje” gebouwd aan het eind van de dubbele loop in een meander van de Aa. Elders in dit of een volgend nummer van Gemerts Heem kunt u daar meer over lezen.
Nieuwe functies voor cultuurhistorische fenomenen
In het kader van de uitvoering van het reconstructieplan Gemert-Bakel wordt de ontwikkeling van het gebied rond de Snelle Loop ter hand genomen. De aanleg van een ecologische verbindingszone was al langer gepland. Deze ontwikkelingen kunnen uitstekend aansluiten bij deelprojecten die cultuurhistorische ontwikkeling voor ogen hebben. In het voorjaar van 2005 wordt het gebied tussen de Beeksedijk en Tereyken opnieuw ingericht. Een gedeelte van de dubbele loop zal hersteld worden. Voor de aanleg van de ecologische verbindingszone langs de Snelle Loop moet voorzien worden in het inrichten van vistrappen, waardoor het voor vissen mogelijk wordt de stuwen in de Snelle Loop te passeren. Door de nieuw aan te leggen dubbele loop een geschikte vorm te geven krijgt de tweede watergang de functie van een langgerekte vistrap.
Bij de aanleg van de ecologische verbindingszone wordt verder een klein deel hersteld van de strook percelen langs de Snelle Loop aan de Beek en Donkse kant. Daar worden de oorspronkelijke perceelsgrenzen weer zichtbaar gemaakt door het aanplanten van elzenheggen.
Hopelijk lukt het om in de toekomst nog meer elementen van het oude historische landschap te herstellen en zichtbaar te maken.5
NOTEN:
1. Simon van Wetten, Grensconflict zonder limieten, De strijd rondom de Snelle Loop, Bijdragen tot de geschiedenis van Gemert deel 21, Gemert 1995.
2. Wim Verhoeven, De ontginning in de 19de en 20ste eeuw in: Ton Thelen (red), D’n Broekkant, Laarbeek 1998
3. P. Kleij en J. Timmers, De landschappelijke context en vroegste bewoning in: A. Thelen (red), Het Hooghuis te Gemert, Archeologisch en historisch onderzoek betreffende het middeleeuws kasteel van de heren van Gemert, Bijdragen tot de geschiedenis van Gemert deel 27, Gemert 2001.
4. Johan van Vlerken, De uitgifte van gronden door Hertog Jan II van Brabant aan de mensen van Rixtel, Aarle en Beek op Sinte Barabara dag 4 december 1300. Niet gepubliceerd onderzoek, oktober 1997.
5. In het voorjaar van 2005 wordt de inrichting van de dubbele loop tussen Beeksedijk en Tereyken uitgevoerd als een deelproject binnen de reconstructie zandgronden. In de brochure Reconstructie en Belvedère, Voorbeelden uit de praktijk is het project opgenomen als voorbeeldproject, waarin cultuurhistorie wordt gecombineerd met andere reconstructiedoelen.
GH-2005-01 Geschiedenis van herberg en logement “De Keizer”
GESCHIEDENIS VAN HERBERG EN LOGEMENT “DE KEIZER”
Ad Otten
Het is altijd weer een avontuur om de geschiedenis van een pand uit te zoeken. Hotel de Keizer aan het Ridderplein is vanouds een aansprekend pand in het Gemertse. Maar hoe oud precies? En waar komt de naam vandaan? Jaren geleden werd in Gemerts Heem al eens gewag gemaakt van een herberg De Keizer die van de zestiende tot de achttiende eeuw gevestigd was op de plaats van thans Drogisterij Het Hert in de huidige Nieuwstraat. Deze herberg moet daar zijn gesticht en uitgebaat door een zekere Jan Driessen Keysers de Raymaecker. Deze ‘Keyser’ was getrouwd met een dochter van de rentmeester van de Commanderij. Van hun zoon Laurens de Keiser weten we dat hij rond 1620 de eerste president werd van het aan de Universiteit van Leuven verbonden Duitsordens College aldaar.1 Deze herberg De Keizer is onder die naam in bedrijf gebleven tot ver in de achttiende eeuw. Bij de grote dorpsbrand in Gemert op 28 juni 1785 wordt het pand een prooi van de vlammen. Het is dan eigendom van de internationaal opererende wijnkoopman en oud-president-schepen Sieur Anton van den Dungen. Nog in hetzelfde jaar wordt met de wederopbouw begonnen.2 Het bestek is bewaard gebleven. Het wordt een ‘deftige huizinge’ waarvan de wijnkelder wordt uitgediept, inpandig komt er een ‘winkel’ en een ‘comptoir’ (=kantoor) maar onder de naam ´De Keizer´ wordt het pand nooit meer genoemd. De Franse revolutie is aanstaande en een herbergnaam als ‘de Keizer’ raakt in de tijd van de patriotten helemaal uit de gratie. Bijna een halve eeuw duurt het alvorens zo’n naam weer kan.3
Dan verschijnt er in Gemert een nieuwe ‘Keizer’ op een andere maar zeker niet minder prominente plaats. Het is De Keizer aan de Markt en nergens is van enig verband gebleken met de vorige herberg. Wel zal die naam bij de oudere Gemertenaren nog vertrouwd in de oren hebben geklonken. Hierna volgen de wetenswaardigheden van de ‘nieuwe’ Keizer en we nemen daarvoor een lange aanloop omdat er in de zestiende eeuw op de ons nu vertrouwde locatie van De Keizer toen al volop getapt en gekookt werd voor klandizie van heinde en ver.
1556-1792 Van Peter de Kok tot Jan Georg Geizer
Gemert was tot de Franse Tijd een soeverein vrijstaatje van de tijdens de kruistochten gestichte Duitse Ridderorde. Kort na 1391 begon die ridderorde aan de bouw van het dubbelomgrachte kasteel in het dan nog vrij lege centrum van hun Vrije Heerlijkheid. Tegenover het kasteel groeide de ruime bocht in de straat uit, tot ‘Plaatse’, later het ‘Merktveld’, nu het Ridderplein. Eind 16de eeuw brachten de drukbeklante herbergen daar ter plaatse de stalmeester van het kasteel op het idee om buiten de grachten voor zichzelf te beginnen met een eigen (paarden)stalhouderij. Zeg maar een parkeergarage-van-toen met als extra faciliteit ‘rent-a-horse’.4
Op de Plaatse, tegenover de hameipoort van het kasteel, was altijd wat te doen. De dingbank van Gemert hield er openbare rechtszittingen. Van tijd tot tijd waren er publieke terechtstellingen en ook stond er ‘een kaak’ opgesteld. Toen er vervolgens ook week- en jaarmarkten werden gehouden veranderde de naam van Plaatse in Merkt.
Aan deze ‘Merkt’ stonden op de plaats van de Rabobank en de plaats van het gemeentehuis respectievelijk de herbergen ‘De Wildeman’ en ‘Sint Joris’. Beide uitspanningen brouwden hun eigen bier en hadden ook hun eigen hopveld. Tussen die beide herbergen, op de locatie van de huidige Keizer, was tot 1556 de kremerij (=winkel) van Jan Goerts de Cremer gevestigd. In genoemd jaar werd zekere Peter Zaenen de nieuwe eigenaar van deze kremerij die hij verbouwde tot een brasserie.5 Deze nieuwe onderneming verwierf in heel korte tijd de naam van ‘De Kock’. Een naam die duidelijk maakte dat daar ter plaatse dé keukenmeester van de Vrijheid Gemert verbleef. Annex de brasserie opende Peter de Kock een aantal jaren later ook nog een eigen brouwhuis. Dat was al het derde aan de Merkt in Gemert. Maar het was vooral De Kock die naam maakte tot ver buiten Gemerts grenzen. Een zoon en later een kleinzoon Kocx gingen studeren aan de universiteit van Leuven en zij waren het die in de roerige periode van de Tachtigjarige Oorlog respectievelijk als attaché en advocaat van de Duitse Orde naar ‘s-Gravenhage en Brussel werden gestuurd om de ‘status aparte’ van Gemert te verdedigen. En…. dat deden ze met succes.6
Vanaf de zeventiende eeuw wordt het ouderlijk huis van de Kocksen bewoond door verschillende hoog in aanzien staande burgers. Onder hen tellen we chirurgijns, magisters, procureurs en juristen.7 Sommigen hielden tegelijk herberg maar definitief werd deze locatie als zodanig pas weer uitgebaat na de tijd van de patriotten en de intocht van het Franse leger. Een kleurrijke oud-militair ‘uit den vreemde’ vestigt dan de onuitwisbare naam van De Keizer in Gemert. Hij droeg ook een naam die zich daarvoor bij uitstek leende: Jan Georg Geizer.
1792-1831 Geizer stichtte De Keizer
Op 29 mei 1792 trouwde te Gemert de als ‘miles Austriacus’ geregistreerde ‘Georg Gaijser’ met de Gemertse Helena de Goeij. Hoe deze ‘Oostenrijkse militair’ hier verzeilde is een open vraag gebleven. Vóór de tijd van Napoleon bestaat er nog geen militaire dienstplicht en ‘dienden’ in het leger nog uitsluitend huursoldaten. In onze contreien waren dat opvallend veel Oostenrijkers.8 Het gegeven dat het nabije België als ‘Oostenrijkse Nederlanden’ toen nog viel onder het Oostenrijkse keizerrijk, zal daar niet vreemd aan zijn geweest. Met die Belgisch-Oostenrijkse Nederlanden liep het trouwens ten tijde van de trouwerij van ‘Gaijser’ op een eind. In de eerste maanden van 1793 lopen de Franse legers België al onder de voet. Op 1 maart 1793 stonden de Fransen opeens ook in Gemert. En het moet rond die tijd zijn geweest dat ‘onze’ Jan Georg Geizer, want zo heet hij voortaan in de archiefstukken van Gemert, zijn militaire uniform aan de wilgen hangt. Kort na de Franse inval wordt in Gemert zijn eerste zoon geboren. De jonge vader blijkt zich hier dan inmiddels ‘voor vast’ te hebben gevestigd als bakker. In de daaropvolgende jaren ontpopt hij zich tot een bijzonder veelzijdig horeca-ondernemer. In 1799 staat hij te boek als bakker en herbergier aan het Gemertse Schild (=Stereind).9 In 1807 verhuist hij met zijn gezin naar de Markt. Behalve als bakker-herbergier heeft hij dan ook vergunning als slijter en logementhouder. Het pand ‘de Geizer’ huurt hij van de brouwer-herbergier van de belendende ‘Ridder Sint Joris’ en de tijd is dan al niet ver meer weg of hij is de grootste bierafnemer van zijn buurman.10 Zijn établissement wordt in elk geval hét trefpunt van de regio. Gemert is dan de hoofdplaats van het Kanton Gemert. De lotingen voor de militie, de verpachtingen van de tienden, veel openbare verkopingen, alsook de zittingen van de juge-de-paix oftewel de vrederechter (nu zeggen we kantonrechter), kiezen allen domicilie in zijn herberg.
Bij de voormalige ‘miles Austriacus’ is het altijd druk. In de volksmond heeft men het al over ‘De Keizer’. Maar Jan Georg vindt die naam voor zijn zaak (nog) ongeschikt. Het is allemaal te politiek gevoelig. Veel boeren, burgers en buitenlui hechten nog aan de idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap. En ook enige personificatie met Keizer Napoleon zal Geizer hebben willen voorkomen. In de proces-verbalen van het Vredegerecht blijft de griffier daarom ook steevast notuleren van de ’ten huize van Jan Georg Geizer’ gehouden rechtszittingen.
Echter op 30 december 1831, ruim 16 jaar na Napoleons Waterloo, is er opeens sprake van ‘het Logement Den Keizer te Gemert’. De naamswijziging valt exact samen met de inkwartiering van ruim 600 Groningse schutters die hier worden gemobiliseerd vanwege de Belgische Opstand. Den Haag vreest bovendien dat Noord-Brabant en Limburg de kant van de opstandige Belgen kiezen. Vandaar die schuttersmacht in Gemert. ‘De Geizer’ ziet de schutters als potentiële klanten en hij oordeelt nu meteen de tijd gekomen voor de pro-monarchistische naam van ‘De Keizer’.
Vijf jaar later, in 1836, overlijdt de stichter van De Keizer. In de overlijdensakte zien we dat hij dan 74 jaar oud is en dat hij geboortig is van de Zwabische plaats Pepelingen. Na het overlijden van de weduwe Helena Geizer-de Goeij op 4 april 1839 treden de ‘Erven Geizer’ in de voetsporen van hun ouders. Het zijn Johannes en zijn zus Joanna Catharina Geizer.
Kastelein en kunstschilder Van de Mortel
In 1844 verschijnt er nog een derde gezicht achter de tap van De Keizer. Het is de van Horst geboortige kunstschilder Michiel van de Mortel,11 die op 3 februari van dat jaar te Gemert in het huwelijk is getreden met Joanna Catharina Geizer. Kort daarna is er in een advertentie sprake van ‘Den Keizer van den Mortel’ maar doorgaans blijft het toch gewoon bij ‘De Keizer van de Erven Geizer’.12
Van Michiel van de Mortel als ‘schilder’ weten we dat hij in Gemert patentbelasting betaalde voor de uitoefening van het beroep ‘verver en glazenmaker’ en in het zogenaamde ‘Leggerboek van het gilde van St.Antonius en St.Sebastiaan’ zien we vervolgens dat hij in opdracht van het gilde ook schilderstukken maakte voor de vlaggen en vanen van het gilde.13 In het boek “Dor hedde de skut” zien we uit diezelfde bron de vermelding van een uitgaaf uit 1869 van het ‘gruun’ gilde aan M.v.d. Mortel voor respectievelijk ‘verschot in de rouwvaan’ ad Fl 14,40 en ‘voor het schilderstuk’ ad Fl 15,-.14 En dat is allemaal toch wel intrigerende informatie want als schilder kon onze kunstenaar-kastelein er wat van. Dat althans mogen we aannemen alleen al uit het gegeven dat hij door Pieter A. Scheen in 1970 werd opgenomen in diens bekende Lexicon Nederlandse Beeldende Kunstenaars. In het Lexicon lezen we dat hij was opgeleid op de kunstacademie te Antwerpen en dat hij portretten en afbeeldingen van heiligen schilderde. Toen ondergetekende dit ‘nieuwtje’ berichtte aan Peter Lathouwers, lid van het ‘gruun’ gilde dat bij De Keizer thuis is, kwam Peter nog dezelfde dag op de proppen met drie foto’s van rouwvanen van het gilde waarin oude geschilderde medaillons zijn opgenomen. Eén met een brevierende en één met een biddende Antonius, en de derde betreft een schildering van een met een pijl doorboorde en aan een boom gebonden Sint Sebastiaan. Het lijkt me de moeite waard om eens te onderzoeken of deze schilderingen inderdaad dateren uit de tijd van ‘onze’ kunstenaar-kastelein Van de Mortel.
In 1850 betalen de ‘Erven J.G. Geizer’ nog steeds de (patent)belasting voor de uitoefening van de beroepen van bakker, tapper, slijter in sterke drank, en logementhouder voor 3 kamers. De vrijgezel gebleven Johannes Geizer overlijdt in 1863. En kijken we dan opnieuw in het Register van de Patentbelasting van de jaren 1865/66 dan constateren we dat de Erven JG Geizer nog steeds voor dezelfde beroepen belasting betalen maar dat hun logement nu is uitgebreid van 3 naar 7 kamers. De Keizer heeft dan ook een aantal vaste pensiongasten. Zo is er N. van Hout, ondernemer in karrevrachten, ingeschreven, en verder ene Oscar Ritkert afkomstig uit Osnabrück met als beroep boekhouder/zaakwaarnemer.
Kort na elkaar, in respectievelijk 1874 en 1876, overlijden Joanna Catharina Geizer en Michiel van de Mortel waarmee er een einde komt aan het tijdperk Geizer in De Keizer.
De dames van de Westelaken
In 1877 vestigen zich in Gemert Frans van de Westelaken en zijn vrouw Anna Maria Smits met hun tien kinderen. Ze nemen De Keizer over. Frans werd geboren als molenaarszoon in Sint Michielsgestel en een tijdlang was hij daar ook zelfstandig als mulder werkzaam. Vanaf 1863 echter blijkt hij daar al de kost te verdienen als ‘slijter in sterke drank’, als ‘winkelier in 1e en 2e soort van waren’, als ‘rogge- en wittebroodbakker’ en ook nog als ‘rijtuigverhuurder met paard’.13
Lang is Frans van de Westelaken geen herbergier geweest van De Keizer. Want nauwelijks een jaar in Gemert komt hij hier op 26 september 1878 al te overlijden. Zijn weduwe zet dan met de hulp van haar dochters Hotel ‘De Keizer’ voort.
In 1883, met de in-bedrijfstelling van de stoomtram ‘s-Hertogenbosch-Veghel-Gemert-Helmond, ook wel bekend als ‘De Goede Moordenaar’, werd De Keizer het meest centraal gelegen Tramstation van Gemert. En wat ’n goede naam de ‘Dames van de Westelaken’ van De Keizer hadden na zo’n 25-jarig daar de scepter te hebben gezwaaid moge blijken uit een krantenartikel in “De Zuid-Willemsvaart” van 17 augustus 1901. Aangekondigd wordt dat bij de ‘dames’ op de eerstvolgende zondag een groot feest zal worden ‘aangericht’ omdat ze zich per 1 october in een stiller leven zullen terugtrekken. De verschillende gezelschappen die in De Keizer thuis zijn bieden een groot afscheidsfeest aan dat zal worden opgeluisterd door de fanfare Cecilia en de harmonie Entre-Nous. Verder zullen de Wielerclub, de Societeit, de Doele, en de Severusvereniging ook een bijdrage leveren aan het feest. Iedereen wordt uitgenodigd en De Keizer zal die avond baden in het licht want een schitterend vuurwerk zal de feestdag besluiten. En dat alles vanwege ‘de minzaamheid en de vriendelijkheid, waarmee de geachte dames steeds hun publiek behandelden’.
Van Van de Ven tot Kruijssen 1901-2004
In de loop van de twintigste eeuw krijgt Hotel De Keizer met nog eens vijf exploitanten die de eeuw vol maken. Op een rij waren dat Henricus van de Ven, Harrie Trimbos, Frans Tervooren, Paul Sleegers en tenslotte Ad Kruijssen. De Keizer bleef aldoor De Keizer maar er waren in de loop der jaren toch nogal wat veranderingen. Van de Ven begon al meteen met de aanbouw van een riante veranda en een buitenterras die het Tramstation aan het marktplein van Gemert een pittoresk en toeristiek aanzien gaf. In 1925 werd door Trimbos een concertzaal aangebouwd. De Keizer was meteen ‘in’ voor muziek- en dansavonden. En vanaf 1927 zien we de bij alle oudere Gemertenaren nog welbekende Frans Tervooren achter de tap.
In de directe omgeving van De Keizer vinden er dan nogal wat veranderingen plaats. In 1931 werd de buitengracht van het kasteel verlegd waardoor Gemert een immens nieuw Marktveld kreeg dat toen met Borretplein ook meteen een eigen naam werd gegeven. Tot dan toe maakte ’t Mertvelt deel uit van de Kerkstraat. De naam Borretplein zou het echter amper twintig jaar volhouden. Want in 1953 werd die naam op haar beurt alweer ingeruild tegen Ridderplein. Tussen al die bedrijven door verdween in 1935 de tram uit het straatbeeld en kwamen voortaan de Vitesse en de BBA. In plaats van Tramstation is De Keizer dan Busstation.
In het begin van de jaren vijftig wordt het Ridderplein verhard en ondergaat ook Hotel De Keizer een aantal vrij ingrijpende verbouwingen. In 1950 wordt de ‘garage’ op de hoek van de Kapelaanstraat bij De Keizer getrokken en in de loop van de jaren vijftig neemt Paul Sleegers, schoonzoon van hotelier Tervooren De Keizer over. De keuken en het restaurantgedeelte worden flink uitgebreid en er komt ook een verhoogd terras. Na Paul Sleegers wordt Ad Kruijssen de nieuwe exploitant en die zal hier maar liefst zo’n 40 jaar aanblijven.
De Keizer ‘for ever’
Ten slotte werd in 2003 begonnen aan de meest grootscheepse renovatie uit de geschiedenis van De Keizer. Er kwam een schutting om de bouwplaats maar verhullen kon die niet dat er opeens zeventiende eeuwse dakgebinten uit de puincontainers staken. Kennelijk had niemand erop gewezen dat dat in een historische plaats als Gemert toch wel de moeite waard zou zijn geweest om die in de vernieuwbouw te integreren. Gemert hield even de adem in. Maar… toen rond de jaarwisseling 2003/2004 de schuttingen om de bouwplaats werden verwijderd haalde iedereen weer opgelucht adem. De Keizer was nog steeds De Keizer!
Exploitanten De Keizer 1807-2005
1807-1836 Jan Georg Geizer en Helena de Goeij
1836-1839 Helena Geizer-de Goeij
1839-1876 Erven Geizer; Johannes (+1863) en Michiel en Joanna Catharina v.d. Mortel-Geizer
1877-1878 Frans van de Westelaken
1878-1901 Dames Van de Westelaken
1901-1923 Henricus van de Ven
1923-1927 Henri Trimbos
1927-1954 Frans Tervooren
1955-1962 Paul Sleegers
1962-2003 Ad Kruijssen
2004-heden Bart Bressers
NOTEN:
1. Ad Otten, Laurens de Keizer en het College van de Duitse Orde te Leuven, Gemerts Heem 1986, blz.37-46; Zie ook: Ad Otten, Reconstructie hoek Nieuwstraat-Ruijschenberghstraat rond 1700, Gemerts Heem 1976, nr.63, blz.3-10.
2. Ad Otten, Elke seconde telt… 400 jaar Gemertse brandweer, Gemert 1999, p. 16 e.v.; Gemeentearchief Gemert-Bakel; archief van de gemeente Gemert 1407-1794, invnr.951
3. Ad Otten, De Keizer en de trendgevoeligheid van een herbergnaam, in: GH 1989, p.76-82.
4. Vgl. Ad Otten, Alles te koop. Geschiedenis van de Middenstand te Gemert, 1992; Hfdst.1 “Van Vrijplaats tot Marktplaats”.
5. BHIC Den Bosch – Gemert R106 f.171v dd 14-3-1556; R 106 f.191 dd 15-10-1556.
6. We doelen hierbij op Laurens Peters Cocx een man met veel relaties ook in Haarlem (Gemert R112 f.37v dd 18.6.1601) en mr. Hubert Laurens Cocx (hij overlijdt in Brussel in 1658 waar hij verblijft als advokaat inzake de kwestie Gemert).
7. Als 17de en 18de eeuwse bewoners kunnen o.m. genoemd worden mr. Jan Moxis chirurgijn, mr. Jan vander Lee (procureur en secretaris), en mr. Adam van Alphen (gemeentesecretaris).
8. Onder ‘Oostenrijkers’ vallen in die tijd ook Slowenen, Kroaten en Zwaben. Jan Georg Geizer is geboortig uit die laatste landstreek en wel uit Peipingen.
9. Heemkamer-Gemertse Bronnen: Wim van de Vossenberg, Volkstelling Gemert 1799 (In het jaar 7 (=1799) exploiteren Jan Georg Geiser (40 jr) en Helena de Goeij (35 jr) een herberg aan het Schild. Zij hebben (dan) 2 kinderen beneden 12 jaar.)
10. Blijkens de patentregisters heeft Jan Georg Geizer dan een tap- en bakvergunning en betaalt ook gemeentelijke belasting als logementhouder voor 3 kamers.
11. Michiel Nicolaas Hubertus van de Mortel (Horst 30.10.1815 – Gemert 19.4.1876
12. ‘Provinciaal Dagblad van Noord-Brabant en ‘sHertogenbossche Stadscourant’ meldt april 1845 in een advertentie een openbare verkoping te Gemert “in Den Keizer bij Van den Mortel”. Een jaar later, in een advertentie vh Departement van Financien in dezelfde courant (no.51 1846) ter zake van de verpachting van de tienden van Gemert en Bakel op 1-7-1846 heet het echter alweer ‘Het Logement De Keizer bij Geizer’.
13. Heemkamer Gemert – Varia 10 (zie: aantekeningen en uittreksels uit het Leggerboek)
14. Peter van den Elsen en Peter Lathouwers, Dor hedde de skut. De geschiedenis van de Gemertse gilden, 1982, blz.136.
15. Gens Nostra 60(2005) blz.20: Het portret van … (het echtpaar Van de Westelaken-Smits)
16. Heropening Hotel De Keizer, in: Gemertse Courant 22 februari 1957.
GH-2005-01 Ko Oosterkerk (1928)
KO OOSTERKERK (1928)
Ton Thelen
Aan de vooravond van zijn vertrek als ‘gast-kunstenaar’ in kunstenaarscentrum Ateliers Nazareth in Gemert verschijnt de nieuwe omslag van Gemerts Heem, met daarop dit keer twee werken van Ko Oosterkerk. Verleden jaar was al overeengekomen dat het omslagontwerp van zijn hand zou zijn, maar in verband met het themanummer over de Congregatie van de H. Geest te Gemert is dat een jaar uitgesteld.
Ateliers Nazareth, gehuisvest in de voormalige lagere school van de zusters franciscanessen, is opgezet als werkplaats voor professionele Gemertse kunstenaars. Voor een dorp, in vergelijking met de stad, is daarmee een wel heel bijzondere faciliteit geboden. Eénmaal per jaar stellen de kunstenaars hun atelier open en presenteren zij hun nieuwe werk. Behalve de permanent bezette ateliers is er één ruimte die in beginsel een jaar lang beschikbaar wordt gesteld aan een kunstenaar van buiten. In 2003 viel de keuze op Ko Oosterkerk, een kunstenaar die als graficus een indrukwekkend oeuvre op zijn naam heeft staan. De omstandigheid dat in verband met een verhuizing de drukpers en de overige benodigdheden tijdelijk opgeslagen waren, gaf onvoorzien de aanzet tot een bewonderenswaardige explosie van creativiteit. Ko Oosterkerk greep de gelegenheid aan om een al langer levend idee te beproeven, het maken van eenvoudig zo genoemde ‘kunstkastjes’, objecten die hij van anderen kende en van wie hij indertijd ook een collectie had aangelegd. In de bijna twee jaar dat hij te gast was in Gemert zijn er een honderdtal uit zijn handen gekomen, groot en klein, van min of meer objectgericht in toenemende mate naar meer grafisch uitgewerkte ‘kastjes’.
De natuur en het ogenschijnlijk onachtbare in de natuur en de omgeving zijn terugkerende elementen in de totstandkoming van zowel zijn grafisch werk als zijn ‘kastjes’. Wat onachtbaar lijkt, het ‘gewone’, het ‘kleine’, datgene waaraan wij in ons routinematige kijken achteloos voorbijgaan, krijgt zichtbaarheid, wordt uit zijn onbepaalde omgeving naar voren gehaald vanuit het ‘bepalende’ kader van opgeslagen ervaringen en herinneringen. In dat interactieproces tussen het waargenomene en de waarneming openbaren zich nieuwe mogelijkheden tot verwerkelijking, die met grote toewijding en precisie overwogen en uitgeprobeerd worden, totdat alles zich ‘in orde’ bevindt. Dat wat is en dat wat toevalt, geven beide vorm aan de verbeelding. Impressie en constructie, bewogenheid en ratio geven aan zijn ‘kastjes’ een fascinerende uitstraling. Je blijft ernaar kijken; alles heeft zijn plaats, maar ontsnapt toch weer aan de gevangenschap van het moment. Wellicht laat zijn werk zich wel omschrijven met het gezegde: “Niets blijft wat het is, maar wordt zoals het zijn kan.”
In zijn grafisch werk onderscheidt Ko Oosterkerk zich door een elementaire vormgeving en elementair kleurgebruik: zwarte vlakken, afwisselend wit en grijze tussentonen, ragfijne lijnen; uiterst precies, welhaast mathematisch exact, hooglijk abstract, maar van een voelbare intensiteit. Belangrijke exposities had hij in het Groninger Museum (1971), het Van Abbe Museum in Eindhoven (1975) en het Stedelijk Museum van Amsterdam (1993). Internationale kunstprijzen en studiebeurzen onderstreepten de waardering voor zijn kwaliteit. Galeries in Amsterdam, Parijs en New York tonen zijn werk.
Ko werkt en werkt, voortgedreven door een niet te bevredigen verwondering en verlangen. Het is jammer dat zijn inspirerende aanwezigheid niet langer meer het gastatelier in ‘Nazareth’ zal vullen.