GH-2007-03 Enige aanvullende gegevens betreffende de herberg In Den Pellicaen
Martien Verbruggen
In december 2005 werd er door de Stichting Gemert Vrijstaat een vergulde pelikaan geplaatst op de poort naast de Ridderhof als herinnering aan de herberg In den Pellicaen. Naar aanleiding hiervan verscheen er een artikel in Gemerts Heem, waarin deze historische plek werd beschreven.1 In het eveneens in Gemerts Heem reeds eerder beschreven Brabants Studentenboek, alias Memorieboek van Henricus van Gemert2 is ook enkele malen sprake van de Pelikaan, en die notities willen wij u niet onthouden, omdat ze het plaatje toch weer wat verder inkleuren.
Het betreffende boek kwam na het overlijden van priester Hendrik van Gemert in 1793 in handen van zijn zus Christina, en zij noteerde het volgende:
‘1793 den 20 November heb ick verhurt den pelekaen aen Thedores van der Wilghe en sijn vader is borgh en alle viedeler jaer te betale voor de soom van 70 gulde aen te verde den hof te half Meert en huijs en schuer te zijnsse (= Pinksteren) al in jaer 1794.’
In het bovengenoemde artikel in Gemerts Heem staan op gezag van Het Landboek als eigenaars van de Pelikaan op een gegeven moment genoemd: de weduwe van Hendrik van de Bichelaer, daarna Hendrik van Gemert de Jonge en vervolgens Hendrik Joannes Corstens. Waarschijnlijk is het pand van de familie van de Bichelaer naar de familie van Gemert overgegaan via Josijna van den Bichelaer, die getrouwd was met Henricus van Gemert, grootvader van Christina.
Het is me niet duidelijk of Christina als zij in 1793 de aangehaalde notitie maakt de enige eigenares van de Pelikaan is, of dat zij mogelijk namens de familie van Gemert de familiebezittingen beheert.
De in het Landboek genoemde volgende eigenaar, Hendrik Joannes Corstens, linnenfabrikant, was een schoonzoon van Christina van Gemert, want getrouwd met haar dochter Josina Verhofstadt.
Nu iets over de huurder, Theodorus van der Willigen. Hij was een aangetrouwde kleinzoon van Christina van Gemert, want gehuwd met een dochter van Christina’s zoon Albert Verhofstadt. Ik ken hem overigens als koopman en winkelier, niet als herbergier.
Hoe dat ook zij, Christina noteert in het Memorieboek keurig jaar op jaar dat hij de huur ‘voor de pelekan’ over het voorgaande jaar heeft voldaan. Wat daarbij nog opvalt is, dat zij vanaf 1797 nadrukkelijk schrijft dat het de huisvrouw van Theodorus is die de huur betaalt (terwijl hij pas in 1845 zal overlijden). Tot en met 1802 gaat dit zo door en als Christina op 10 juli van dat jaar overlijdt en het boek overgaat naar haar schoondochter Ida Scheepers, noteert de laatste nog één keer dat de huur is voldaan en wel over 1803.
Overigens waren er over de betreffende jaren ook onkosten aan de Pelikaan te melden. Zo zien we voor het jaar 1793 genoteerd:
‘voor reprasie aen de pelicaen en aghter de woninghe op den Dries voor arebijt, loon en kalck panne en hout, 18-1-0
nogh aen de port, 0-3-10
voor reprasie aen den pelicaen, 68-8-0′
En in 1796 nogmaals:
‘reperase aen de pelicaen, 9-0-0’
Tot zover de notities in het Memorieboek.
Martien Verbruggen
NOTEN:
1. Ad Otten, ‘In den Pellicaen’ en ‘In de Olde Kerke’. Gemerts Heem 2005, no. 3, blz. 16-24.
2.; Ad Otten, ‘Uit het Memorieboek van Henricus van Gemert (1714-1793), Gemerts Heem 1990, no. 1-2, blz. 10-12; Martien Verbruggen, ‘Uit het Memorieboek van Henricus van Gemert, deel 2’, Gemerts Heem 1990, no. 4, blz. 100-107.
Bekijk PDF
GH-2007-03 Afskejd?
Martien van der Wijst
Óns moeder zí aald, as iemes d’r aojttròk òf verheusde
No ’t kloster, no Kannedá òf gewoon már no de Vlojen Eengd:
“D’r wort óvveral wél broud gebákke”
Már ok:
“Dénk nie dè ge érges alles veengt.”
As jeungske hùrden ik ze dè héél dik zégge
Ik bén mí die twaë gedaachte ópgegroejd.
Ik weet naw dè ge óvveral kaant laëve
Èn ok
Dèt ‘r áchter ‘ne mèshoup dik ’n bluumke bloejt.
Ik ging al gaow, al wás dè toew nòg wél bezunder,
Elaën ’t haojs aojt èn dè v’randere beviejl me ’t míst
Wír ífkes trug èn wír ewég èn nòg wa zuujke
Èn dan
Vùrgoewd, behalve dan mí Kòrsmes, Posse òf ’n aander físt.
Ik tròf toew lèùj án die héél anders protte
Òf die niks gelaojfde van alles wa ik ha gelaërd
Èn dinge dín die óns moeder d’raajge nie vùr kós stélle
Már tòch
’t Wás anders, már dè is nie aald verkaërd.
Ik wéénde, wárdeerde èn wás blééj mí alles
Ik vuulde me zouwe hillemol in m’n íllemènt
Ik worde gewaar, dè ik niks èn niemes héb verlorre
Èn wis
Ik bén mí bèèj de wírrelde kóntènt.
Ik praot ok nòg aëve plat as vruuger
In ’t Braabants druk ik me nòg daojdeleker aojt
Ik gou gaër trug, már aald vùr ífkes,
Dè is
Umdè ik ok óvver aander plátse staojt.
Ik kéén de taol dus èn ok de gewontes,
D’n ánpák èn de ‘veezels van ’t gemoed’
Ik weet ok wa geméénd is òf geraoje
Èn zooë
Ok wa ge wél òf nie òf anders doet.
Èn dan de vraog: Wás ’t afskejd neeme
Toew ik “hawdoew” zí mí die gebraojkeleke wèns ?
Naë, want van Braabant ècht afskejd neeme
Gelaojf me
Dè kan gín énkel zinneg mèns!
Bekijk PDFGH-2007-03 Wat betekent Gemert?
Ad Otten
In het verleden is er al vanalles ‘verzonnen’ om de naam Gemert te verklaren. Want Gemert heet natuurlijk niet zomaar Gemert. Maar om die naam te verklaren viel niet mee. De ene verklaring was nog fantastischer dan de ander. Wat te denken bijvoorbeeld van de verklaring als ‘aardsparadijs’? Gem, gim of gam zouden we in het Engels nog kennen als game = spel, en ‘ert’ is gewoon aarde, wist iedereen die een klein beetje thuis was in de Gimmertse taol. De combinatie van ‘game’ en ‘ert’ leverde vervolgens ‘spel’ (op) ‘aarde’, en via speeltuin, lusthof kwam men tenslotte tot ‘aardsparadijs’. Kostelijk!
Zo is er ook het verhaal dat Gemert afgeleid zou zijn van het feit dat het begon als een nederzetting die heel hard groeide en waarvan men vol bewondering telkens zei dat ‘het godallejezus alweer GEMEERT was’. En zo zijn er nog wel een aantal verhalen ‘gezogen’ uit de bekende grote duim.
Maarrr… een dikke 25 jaar geleden kwam ‘nen Boxtelse doctorandus met een zogezegde wetenschappelijke verklaring op de proppen. Drs Huub Thiadens was historisch geograaf. Hij ging uit van de oudste schrijfwijze van ‘Gemert’ als ‘Gamerthe’ – uit 1075 of daaromtrent. Hij opperde dat die naam van keltische oorsprong was, en dat het keltische ‘Gamarithi’ zou moeten staan voor ‘plaats waar veel water bijeen komt’.
Als verklaring voor plaatsnamen als ‘Hemert’ gelegen aan een vroegere meander in de Maas, of ‘Gamert’ gelegen ín een oude opgedroogde Maasarm in de buurt van Wychen, sloeg dat gemakkelijk aan. Maar wat moesten we nu met zo’n verklaring voor ‘ons’ Gemert-aan-de-Rips? In 1980 beargumenteerde Thiadens zijn stelling in het tijdschrift Gemerts Heem nog eens wat uitgebreider. Hij wees op al die kleine riviertjes die ter hoogte van Gemert allemaal in dezelfde richting van de Peelhorst kwamen gestroomd en die allemaal ter hoogte van Koks hun water in de Aa loosden… De meeste lezers van het Gemerts Heem van toen zullen bij dat alles misschien hun schouders hebben opgehaald en wisten niet wat ze daarvan moesten denken.
Maar…. toen in het najaar van 2006 werd begonnen met het graven van een gat voor de bouw van een archiefdepot bij de voormalige Latijnse School aan de Ruijschenberghstraat kwam de theorie van Huub Thiadens opeens weer ter sprake. Uit dat toch betrekkelijk kleine bouwputje kregen ze het water maar niet weggepompt. Het bleef maar stromen en stromen. Er werden dikkere pijpen gelegd naar de kasteelgracht en vanuit de kasteelgracht werd het teveel aan water overgepompt naar De Rips. Piet Delisse van het kasteel constateerde tot zijn niet geringe verbazing dat als er wat takken en bladeren vóór de overheveling naar de Rips bleven steken, dat dan in de kortste keren de kasteelgracht dreigde over te lopen, en Wim Jaegers, studiezaalbegeleider van het gemeentearchief, herinnerde zich opeens de woorden van zijn vader die vroeger een bronbemalingsbedrijf had in Elsendorp: “Altijd oppassen wanneer je een offerte moet maken in Gímmert want daar weet je nooit waar je aan toe bent!” Aannemer Robert Hendriks moest vervolgens stoppen met pompen omdat van de provincie geen vergunning was gegeven voor het wegpompen van de enorme hoeveelheden water die hier uit de grond kwamen. Dáárvoor moest een nieuwe heel andere vergunning worden aangevraagd… Pas na een paar maanden kon weer met pompen worden begonnen.
Iedereen wist zich opeens ook die enorme waterput te herinneren ten tijde van de bouw van de nieuwe Rabobank aan het Ridderplein, én ook… dat ze daar na vele maanden vertraging uiteindelijk hebben afgezien van de verwezenlijking van een kelderverdieping.
In de herinnering kwam ook terug dat zo’n dertig jaar geleden een pompinstallatie met een afvoerpijpleiding moest worden aangelegd om een aantal huizen aan de Valeriusstraat en de Poirtershoek van een permanent optrekkend-vocht-probleem te verlossen.
Honderd jaar geleden wist iedereen in Gemert nog te vertellen dat er ‘vantlaanks dùr’t dèùrp’ een onderaardse rivier stroomde ‘van De Mortel no Ézzeng’, met een onderaardse zijrivier die daarop aansloot ‘van Hándel no Gímmert’. Over een strook van soms 10 en soms wel 100 meter breed bleef de grond boven die onderaardse rivieren altijd nat. Zelfs in de droogste zomer.
Intussen weten we, dat we die zogenaamde onderaardse rivieren te danken hebben aan de wijstverschijnselen van de Peelrandbreuk. Een aardbreuk in de ondergrond van Gemert, waardoor een erg grove aardlaag met veel grind aan de hogere kant van Gemert is komen liggen tegen een veel fijnere aardlaag aan de lage kant. We weten allemaal dat het water stroomt van hoog naar laag. Ook in de ondergrond van Gemert. Maar ter plaatse van de Peelrandbreuk werkt die fijne aardlaag tegen die grove aardlaag als een soort stuw, en komt er aan de hoge kant van de breuklijn soms zelfs water gewoon aan de oppervlakte. Dat is tegelijk ook de verklaring voor de wonderbare bron van Handel en ook waarom er op zo’n klein riviertje als De Rips in het verleden een watermolen draaide.
’t Lijkt er op dat we de uit 1980 daterende stelling van de inmiddels overleden historisch geograaf Huub Thiadens toch maar wat serieuzer moeten nemen. Dat ‘Gemert’ net als ‘Hemert’ betekent ‘plaats waar veel water bijeenkomt’ lijkt echt zo gek nog niet.
Bekijk PDFGH-2007-01 UITGAVEN HEEMKUNDEKRING “DE KOMMANDERIJ GEMERT”
UITGAVEN HEEMKUNDEKRING “DE KOMMANDERIJ GEMERT”
BIJDRAGEN TOT DE GESCHIEDENIS VAN GEMERT
nr.1 A Otten, 100 jaar bejaardenzorg, 1977. (uitver¬k.)
nr.2 P vd Elsen, De Komschool, geschiedenis van het LO in Gemert, 1978 (uit¬verk.)
nr.3 H Giebels, Georgius Macropedius 1487-1558, 1978 (uitver¬k.)
nr.4/5 M vd Wijst ea, Beknopte Geschiedenis van Ge¬mert, 1980 (uitver¬k.)
nr.6 A Otten, Gemert Mei 1940, 1980 (uitverk.)
nr.7 P Lathouwers, Gemerts Nieuws 1881-1900, 1981 (uitverk.)
nr.8 P vd Elsen, Esdonk, geschiedenis van een kapel¬ge¬hucht, 1981 (uitver¬k.)
nr.9 P Lathouwers ea, Dor hedde de Skut, geschiedenis van Gemert¬se gilden, 1982 (uitverk.)
nr.10 P vd Elsen, Boerenapostel Pater Gerlacus van den Elsen, 1853-1925, 1983
nr.11 Harmonie Excelsior, Harmonie Excelsior in woord en beeld, 1984 (uitverk.)
nr.12 S Hoeymakers, Houtvesterij de Peel, 1986, 2e druk 1987 (uitverk.)
nr.13 A Otten, De vestiging van de Duitse Orde in Gemert 1200-1500, 1987 (uit¬verk.)
nr.14 T Thelen (red), Commanderij Gemert, Beeldend Verleden, 1990 (uitverk.)
nr.15 J vd Kimmenade-Beekmans, Van Pesthuis tot Wijkgebouw, 1991
nr.16 A Otten, Alles te koop – geschiedenis van de middenstand in Gemert, 1992
nr.17 K vd Heijden ea, Mortel Ons Dorp, 1992
nr.18 JM vd Kimmenade-Beekmans, Gemert bezet – Gemert bevrijd, 1994
nr.19 F Slits, Laurentius Torrentinus, 1995
nr.20 M Verbruggen, Welk een lofbaerlijk werk – Gemertse orgelbouwers, 1995
nr.21 S v Wetten, Grensconflict zonder limieten, 1995
nr.22 A Augustus-Kersten, Mannen van onbesproken gedrag, 1996
nr.23 WJ Vos en MA vd Wijst, Gemerts Woordenboek, 1996 (uitverk.)
nr.24 B v Berlo, En ons moeder skrûwde… Gemertse jongens in Indonesië, 1997
nr.25 H Giebels, De Gemertse weversopstand van 1849, 1999
nr.26 A Otten, Elke seconde telt – 400 Jaar Brandweer Gemert (1600-2000), 1999
nr.27 T Thelen (red), Het Hooghuis te Gemert, 2001
nr.28 R de Haas, Enkele reis Indië – Gemert, 2001 (uitverk.)
nr.29 JM vd Kimmenade-Beekmans, Kasteel bezet – kasteel bevrijd, 2005
BUSSELKES
nr.1 A Otten ea, De bouw van de kerk in Mortel, 1979 (uitver¬k.)
nr.2 N Bout ea, Gedaachte en Gedeechte, 1979 (uit¬verk.)
nr.3 P vd Elsen ea, Het dagboek van Meester Derks, 1980 (uitver¬k.)
nr.4 P vd Elsen ea, Lager Onderwijs in Handel, 1980 (uit¬verk.)
nr.5 M Verbruggen, Mis met drie heren, Thomas, Jan en Ser¬vaas Verhof¬stadt, 1980 (uitverk.)
nr.6 P Vos ea, Gemertse handwever, zijn vaktaal en dagelijks le¬ven, 1981 (uit¬verk.)
nr.7 G v Hooff, Johan Prinzen (1784-1864) en de Gemert¬se Textielnijver¬heid, 1981
nr.8 P vd Elsen, 60 Jaar Jongerenorganisatie – RKJB 1922 – KPJ 1982 (uit¬verk.)
nr.9 C de Bruijn ea, 50 Jaar Protestantse Gemeenschap in de Peel, 1986 (uitverk.)
nr.10 A vd Elsen, De Muze gediend; Gemerts Gemengd Koor 1947 – 1987, 1988
nr.11 A Otten, Gemert en de Post, 1988 (uitverk.)
nr.12 T Thelen ea, Aan de Arbeid, 1989 (uitverk.)
GEMERT IN BEELD
nr.1 P Lathouwers, Oude prenten Handel, Mor¬tel, Elsen¬dorp, Ge¬mert, 1983 (uitverk.)
nr.2 T vd Ven-Mols en C. Rooyackers-Gerrits, Gîmmerse Negossie, 1987 (uitverk.)
nr.3 T Thelen, Gemert Monumentaal, toeristische gids Gemertse monumenten, 1993
nr.4 A Otten, Kasteel Gemert, 1995 (uitverk.)
nr.5 W Rovers en B van der Berg, Scouting Willibrordus Gemert 1946-1996, 1996.
nr.6 P vd Elsen, Het land van de boerenapostel, 100 Jaar NCB Gemert, 1996
nr.7 T Thelen, Sint Jans Onthoofding Glas-in-lood, 1999
nr.8 W Vos, Gids Boerenbondsmuseum Gemert, 2000
nr.9 A Otten, Anekdotisch bankboek: Van halve cent tot Gemertse gulden, 2002
nr.10 J Timmers, WvdVossenberg, RvdBroek, Boerderijen kijken Gemert-Bakel, 2003
nr.11 T Thelen, In volle glorie – de kerk van Sint-Jansonthoofding te Gemert, 2003
nr.12 A v Zeeland en S v Wetten, De Doonheide tussen keske en kapelleke, 2004
nr.13 P Lathouwers, In eeren ende oirbaer onser vrouwe te Haenle. Kerk en bedevaart in Handel, 2005
nr.14 T Thelen en W v Lierop, Langs velden en wegen – monumenten van devotie in Gemert-Bakel, 2006
GEMERTSE BRONNEN
nr.1 W Jaegers ea, Regesten Vredegerecht Kanton Gemert 1811-1838, 1993 (uitverk.)
nr.2 W Ivits ea, Stammen alle Gemertenaren af van Karel de Grote? 1993 (uitverk.)
nr.3 J Timmers en P vd Elsen, Het Landboek van Gemert, 2003
nr.4 P vd Elsen en J Timmers, Hoofdgeldregisters van Gemert, 2003
Bekijk PDFGH-2007-01 De paden van Pandelaar en Kruiseind
Jan Brouwers
Paden en steegjes hadden vroeger bijna altijd een naam, want daar hadden gewone mensen een stukje grond waar ze aardappelen en bonen teelden en waar ze de inhoud van ” ’t heuske” (de beerput) kwijt konden.
Vroeger liep op tweehonderd meter ten westen van de Pandelaar het Paandelaors Kérkpèdje vanaf de boerderij van Van den Elsen (nu van beeldhouwer Toon Grassens) in de Haag, naar de Pandelaarse Kampen bij wijlen Kees van Zeeland (zie kaart) en Driek van Kessel (zie kaart). Vanuit de Haag liep je over d’n Bluumerd (de Bloemerd) naar d’ Èèrk (de Ark, zie nr. 1). Daar liep aan de linkerkant een brede sloot, bekend als de Gitgraaf, een sloot met zwarte smurrie. O wee, als we daar bij het slootjespringen in belandden als we van school naar huis gingen. We gingen altijd “óvver de wég” (burgers zouden zeggen “dùr de straot”) naar school, maar terug naar huis in de Pandelaar altijd over ’t Paandelaors Kérkpèdje.
In d’ Èèrk woonden toendertijd Frènske van Lieshout en Johan van der Aa (zie nr. 1 op de kaart). Voor d’ Èèrk liep een weg langs Jochem van de Rijdt naar de Kleikampen, genaamd ’t Haogstígje. Na tweehonderd meter rechts van d’ Èèrk begon ’t Bluumerdpad, richting Kruiseind. De eerste afslag was ’t Bubbelkespèdje naar de familie Van Kessel (zie nr. 2) aan het Kruiseind. De tweede afslag liep naast het huis van Frans de Micker (zie nr. 3) en werd ’t Mikkerpèdje genoemd.
In de Pandelaar, naast koperslager Jos Nelissen, alias (‘de Koppere’, zie nr. 4) liep ’t Kopperepèdje naar d’n Bluumerd. Later is er een pad bij gekomen naar ’t Pírke Slitspad (Peerke Slitspad) (Kérkpèdje) en dat wordt nu ook wel ’t Stróntpèdje genoemd.
Links van ’t Pírke Slitspad had je nog d’n Tùwsepad, die naar een kersenboomgaard liep.
Later, na de bouw van de school in de Pandelaar, gingen de kinderen uit de Haag over ’t Paandelaors Kérkpèdje en dan rechtsaf door de steeg naast ons huis naar de Pandelaarschool. In de jaren ’40 is het grootste deel van de Paandelaorse Kérkpad officieel opgeheven, omdat er toen weinig gebruik van gemaakt werd. De rest is vanwege de ruilverkaveling niet meer openbaar gebleven. De steeg naast ons huis (zie nr. 5) heette Braowerssteeg of Skuurensesteeg.
Iets verderop in de Pandelaar had je aan de rechterkant ’t Mùllepèdje, dat naar de molen van Peters liep (‘De Bijenkorf’). Alle kinderen uit de Deel liepen over dat paadje naar de Pandelaarschool.
Het derde paadje aan de linkerkant in de Pandelaar (gezien vanuit het centrum) heette ’t Pawkesstígje, genoemd naar Pauwke Verhees (zie nr. 6), die ernaast woonde.
Het volgende paadje aan dezelfde kant was ’t Fladderstígje, genoemd naar Janus van Schijndel, alias ‘de Fladder’ (zie nr.7).
Verderop aan de rechterkant had je een zandweg die naar d’ Èldeng liep (tegenwoordig foutief Den Elding geheten).
Bij nr 8 op de kaart woonde vroeger een zekere Korst en het paadje dat vanaf dat punt aan de linkerkant van de Pandelaar naar het huis van Katrien Sterken liep (een paar honderd meter vanaf de harde weg) en aansloot op ’t Paandelaors Kérkpad, heette ’t Kòrsjepad of Stèèrkepad.

Het zesde pad aan de linkerkant van de Pandelaar, tussen d’n Aojversnéést (een rij van vier arbeidershuisjes, zie nr. 9) en het in 1936-’37 gebouwde huis van Jan Vos (de kolenboer, zie nr. 9a) heette ’t Aojverstígje. Het kwam uit op de Paandelaorse Kérkpad. De grond waarop ’t Aojverstígje lag, behoorde toe aan Jan Vos en die heeft er, toen de Paandelaorse Kérkpad werd opgeheven en het recht van overpad verviel, zijn tuin mee vergroot, na het illegaal gestorte puin verwijderd te hebben.
Het zevende pad aan de linkerkant van de Pandelaar was ’t Fálliesstígje, naast Café ‘De Falie’ (zie nr.10), later afgebrand en daarna, iets verder van de weg, vervangen door een woonhuis. Het Fálliesstígje liep met twee grote bochten naar de (Pandelaarse) Kampen
Iets verderop, aan de rechterkant, in de bocht, had je het Rèntmísterstígje (Rentmeestersteeg), die naar de Gruujnsteeg (Groenesteeg) liep.
Tegenwoordig hebben de meeste mensen die paden nooit gezien en omdat ze bijna allemaal verdwenen zijn, hoop ik met dit artikel ze in de herinnering terug te roepen.
Bekijk PDFGH-2007-01 Meerdere Gemertenaren stammen (ook) af van Laurens Morees (´Bavaria´) – deel 1
Bertus van Berlo
Niet alleen Swinkelsen, ook andere Gemertenaren hebben mogelijk Laurens Morees (+ 1734) als voorvader in hun stamboom. Morees gold tot voor kort ¹ als stichter van de familiebrouwerij aan de Kerkdijk in Lieshout, de brouwerij die circa twee eeuwen later “Bavaria” is gaan heten. “Sinds 1719” staat er daarom nog op Bavaria-etiketten en vrachtwagens te lezen. En drinken we Moreeke.
Verre nakomeling Carel Lucas Swinkels begon in 1880 samen met zijn Gemertse vrouw, Antonia van Lijssel, brouwerij “Het Anker” aan wat nu
Ridderplein heet (toen Kerkstraat). Dat was naast het huidige Heerehuys, op de plek waar nu “Tel Aviv” is gevestigd en het voormalig chinees-restaurant. Via de kinderen van Carel zijn er diverse Morees-nazaten in Gemert. Wie nu in Gemert de namen Van Eenbergen, Van de Sande of Janssen draagt -of in de familie heeft- , komt in de stamboom mogelijk ook Laurens Morees en Carel Lucas tegen.
Zo ook in mijn schoonfamilie. Bekend was natuurlijk wel dat een “Bavaria-man” in de familie ooit de brouwerij aan het Ridderplein was begonnen. Minder bekend was zijn rol in de Lieshoutse brouwerij. Totdat Bavaria-historici uit Helmond en Rotterdam een paar jaren terug contacten zochten in het Gemertse.² Zij waren voor een boek over Bavaria op zoek naar informatie over Carel Lucas. Hij blijkt (ook) een belangrijke schakel in de keten van generaties die het Lieshoutse bedrijf gemaakt hebben tot wat het nu is; hij heeft het bedrijf in de 19e eeuw een aantal jaren geleid.
Carel Lucas, zijn vrouw en zoon Cor (+ 1959) liggen begraven op het kerkhof St. Jan in Gemert. Hun eenvoudig graf is nog te bezoeken. In de buurt van het graf vind je bijvoorbeeld ook de graven van een Engelina Catharina Festen (1857-1935); van Antonius van den Broek (1832 -1915), familie van de vroegere gemeentesecretaris, en dat van voormalig burgemeester De Bekker (1904 -1991).
Zijn leven was op 8 november 1842 in Lieshout begonnen, als oudste zoon van de van Mierlo afkomstige Petronella Donkers (1809 –1897)³ en brouwer Frans Swinkels (1798- 1867).4 Hij werkte mee in de brouwerij en mouterij van zijn vader aan de Kerkdijk. Als jonge twintiger vertrok hij in 1866 naar Aken om zich verder in het brouwersvak te bekwamen. Het jaar daarop moest hij weer terug naar Lieshout, omdat zijn vader plotseling was overleden.
“Reeds vanuit Aken gaf hij schriftelijk veel nuttige wenken ter verbetering van de brouwerij en tot opleving van het bedrijf”, werd in 1938 nog opgetekend.5 Zodra hij echter in 1868 de leiding in handen kon nemen, werden er zeer
ingrijpende veranderingen aangebracht, waardoor de kwaliteit van het bier zeer verbeterde. Zo werd een nieuwe bierketel en andere kuipen geplaatst, die voorzien waren van kranen. Een met zink beklede koelbak verving de vroegere houten. Er werden ook nieuwe kelders gebouwd. Tot nu toe had men zich met 1 kelder beholpen.
” Met de verbetering van de kwaliteit steeg ook de omzet. Werd vroeger om de twee weken eenmaal gebrouwen, thans kon men tweemaal per week brouwen, terwijl elk brouwsel 26 hectoliter was.”
De twee jongere broers van Carel werkten als tiener mee in het bedrijf van de vaderloze familie6 aan de Kerkdijk. Dat waren Jan (1851 Lieshout – 1950 Lieshout) en Adrianus (1855 Lieshout – 1935 Schijndel). Gedurende ongeveer 12 jaar (1868 –1880) was Carel Lucas de leidende kracht achter de brouwerij in Lieshout. Ongetwijfeld zal hij zijn twee veel jongere broers verder hebben gebracht in het brouwersvak.
Carel Lucas start brouwerij tegenover kasteel
Toen zijn broers oud genoeg waren om zelf het bedrijf te runnen, trouwde Carel Lucas in Gemert en bouwde daar tegenover het kasteel de nieuwe brouwerij.
Negen jaar later (1889) zou de jongste van de drie, Adrianus, een eigen brouwerij in Schijndel starten, terwijl Jan de brouwerij in Lieshout zou voortzetten. In 1924/1925 noemden de drie zonen van deze Jan (Frans, Piet en Jan jr.) hun nieuwe bedrijf voor het eerst Bavaria (Beieren).
De zaak gaat voor het meisje, is het gezegde. Zeker als er geen vader meer is en je broers te jong zijn om de zaak over te nemen. En zo lijkt het ook voor Carel te hebben gegolden. Hij is immers al bijna 38 als hij op 26 oktober 18807 in Gemert trouwt met zijn Antonia (“Tonna”) van Lijssel, 26 jaar jong. De bruid is geboren op 3 november 1853 en is opgegroeid in een boerderij aan de Broekstraat. Die boerderij is ook nu nog bekend onder de naam “Aan de Stinckert” (Broekstraat 21). De ouders van de bruid (Van Lijssel/Van Dooren) hebben ook in een boerderij in de Deel gewoond. Zij behoren dan volgens de redactie van dit blad tot de rijkere families van Gemert. Als getuigen bij het huwelijk van Carel Lucas zetten de broers Jan (dan 29 jaar) en Janus (dan 25 jaar) in Gemert hun handtekening onder de akte. Zouden ze met paard en kar of koets naar Gemert zijn gekomen en in de brouwerij aan het Ridderplein feest hebben gevierd?8
Dat feesten kon dan in ieder geval met een geldige hinderwetvergunning gebeuren, want ook dat fenomeen bestond toen al. Ruim voor het huwelijk, in augustus 1879, is deze vergunning vanuit Lieshout door de moeder van Carel Lucas aangevraagd bij het gemeentebestuur van Gemert. Zij geeft het bestuur eerbiedig te kennen dat ze in de Kerkstraat in Gemert (nu Ridderplein) een bierbrouwerij en mouterij wil oprichten. En dat in de achtergebouwen van het pand. “In deze inrigting zal op gewoone wijze bier gebrouwen en mout vervaardigd worden, met gebruik van de daarvoor noodige vuurovens of eeste (=moutdrogerij). Geen beweegkracht zal in de inrigting worden aangewend,” aldus de aanvraag. De plattegrond laat een brouwerij met brouwketel zien,een steenkolenbergplaats, een stookkamer,twee bierkelders en een moutkamer. Deze mogen dan in de achtergebouwen gevestigd zijn;de nokhoogte daarvan lijkt op oude foto´s hoger dan die van het hoofdgebouw-met-poort. En ook het volume kan zich daarmee meten. Het zijn flinke achtergebouwen met verschillende nokrichtingen.Vanuit de huiskamer van de brouwerij hebben Carel en Tonna uitzicht op het kasteel-met-hoektoren. Aan de overkant van de (Kerk)straat ligt direct de gracht, want er is nog geen (Ridder)plein. Die grond behoort nog gewoon tot de kasteeltuin. Het Heerehuys is er nog niet. Dit gebouw wordt pas aan het einde van de eeuw gebouwd; het naburige pand op die plaats ligt nog direct aan de weg en tegen de zijgevel van de brouwerij.
Gebiedsafspraak tussen Lieshout en Gemert
Met een boedelscheiding in Lieshout krijgt Carel voor zijn
start in Gemert een financieel duwtje in de rug. In mei 1881 laat zijn moeder in Helmond een testament opmaken. Bij vooruitmaking laat ze aan haar oudste zoon, omschreven als bierbrouwer te Gemert, een “huis, bierbrouwerij, bergplaats en tuin onder Gemert”.9 Carel Lucas moest voor dit legaat een bedrag van 7700 gulden in de nalatenschap inbrengen. Moeder verblijdde zoonlief niet alleen met een eigen brouwerij, zij stemde er ook in toe dat
Carel Lucas een deel van de klanten meenam. “Alle vanuit Lieshout bediende afzetpunten ten oosten van de Zuid-Willemsvaart-cafe´s en bierhuizen in Gemert, Handel, Bakel en Erp – werden aan Carel overgedaan”, aldus de historici Zwaal c.s. Voor de
Lieshoutse brouwerij betekende dat ongeveer een verlies van 7 procent van de afzet van 1879.
Zo bezien is de vestiging van de nieuwe brouwerij in Gemert mogelijk ook een strategische zet om nieuwe markten aan te boren. Andere brouwers in Gemert of omgeving zullen er bedenkingen bij hebben gehad. Het is mij onbekend welke brouwerijen Gemert in de periode 1880 – 1900 precies telde.
Namen die iets later in ieder geval wel worden genoemd zijn brouwerij “De Zwaan” van P. Verbakel in het Kruiseind. En een brouwerij Van Dijk in de Molenstraat. Plus “De Twee Duiven” van Bijvoet in de Nieuwstraat.
Maar als we de krant de Zuid-Willemsvaart mogen geloven was er tegen het einde van de 19e eeuw in Gemert in ieder geval voldoende behoefte aan en aanbod van “goed bier”. Dat blijkt uit een bericht over een lezing van pater Van den Elsen in Gemert in 1898 voor 200 boeren.10 In de herberg van Colen-Frunt durfde de pater nog te spreken over geldverkwisting door misbruik van “sterken drank”. Waar “De Zuid” onmiddellijk aan toevoegt: “Hij had zeker niet opgemerkt dat van de tweehonderd aanwezige boeren geen enkele een borrel voor zich had staan. Anders had hij zeker van die gelegenheid gebruik gemaakt om de Gemertsche boeren ook in dit opzicht te prijzen. Zij zijn goede bierdrinkers, maar van de jenever wordt na den middag door onze boeren maar weinig gebruik gemaakt. Een goede reden daarvan is zeker, dat hier nog altijd goed en veel bier gebrouwen wordt.”

En in mei 1899 weet de krant uit Helmond te melden dat de herbergiers in De Mortel het besluit hebben genomen dat zij na de middag geen sterken drank meer zullen schenken. Hiertoe wordt ook een bord in de lokalen opgehangen. Het bierverbruik per hoofd van de gemiddelde bevolking is rond de eeuwwisseling op een hoogtepunt. Het is gestegen van 38 liter in 1890 tot ruim 42 liter in 1900. Aan het begin van de 20e eeuw neemt het verbruik echter weer sterk af.
Carel Lucas en Tonna kregen aan het Ridderplein/Kerkstraat 10 kinderen.
Twee daarvan overleden jong. De kinderen zijn: 1. Frans (1882, later in Gemert getrouwd met Petronella Groeneweg, het kind is waarschijnlijk genoemd naar de vader van de vader); 2. Henri (1883-1883);3. Henri (1884, later getrouwd met Elisabeth Bruning); 4. Catharina (1886 – 1887); 5.Marie (1887, later in Gemert getrouwd met Frans van Eenbergen;6. Pieter (1888, later getrouwd met Elisabeth van de Munckhof); 7. Johan (1889, later getrouwd met Antoinette van de Munckhof; 8. Cato (1890, later in Gemert getrouwd met Henricus van de Sande; 9. Cor (1892) en 10.Anna (1896, later getrouwd met Frans Janssen).
Hoe het de brouwerij en de familie Swinkels verder is verlopen wordt vervolgd in Deel 2 in een volgende uitgave van Gemerts Heem
NOTEN:
1. Uit historisch onderzoek (zie 2) is gebleken dat de brouwerij al van voor 1700 zou zijn. Dit werd gemeld in de brouwerij in Lieshout tijdens een
bijeenkomst van de Persclub Peelland op 17 maart 2005.
2. Mr. drs. A.J.N. Swinkels (Helmond) en drs. Peter Zwaal (Rotterdam) hebben gedurende jaren historisch onderzoek gedaan naar de geschiedenis van Bavaria. Het resultaat daarvan wordt in boekvorm uitgegeven, naar verwachting in 2007.
3. Jac.J.M. Heeren, “De familie Swinkels en de N.V. Bierbrouwerij ´Bavaria´te Lieshout”, Helmond – 1938 (opgedragen aan Jan Swinkels en Cornelia Verstappen ter gelegenheid van hun 50-jarig huwelijksfeest).
4. Brabants Historisch Informatie Centrum (Bhic):Frans Swinkels overleed in Lieshout op 4 februari 1867
5. Zie 3.
6. Jan en Joep Coppens en Theo Swinkels, “Brabantse mensen – een dorp in Brabant”. Met foto´s van Tinus Swinkels en Martien Coppens, Eindhoven – 1990.
7. “Het huis der gemeente” van de burgerlijke stand is op dat moment in Gemert op de plaats van het in 1885 geopende nieuwe gemeentehuis (nu Kerkstraat 8). Overigens blijkt uit de huwelijksbijlagen dat Carel Lucas in 1861 aan de loting ten aanzien van de Nationale Militie heeft voldaan, maar zijn nummer is buiten oproeping gebleven.
8. Van samenwonen voor het huwelijk is natuurlijk geen sprake. Volgens het bevolkingsregister van Gemert woont Carel Lucas al sinds 11 maart 1880
in de brouwerij; zijn bruid pas sinds 27 oktober, de huwelijksdag (GAG).
9. Zie 2.
Petronella Donkers heeft het onroerend goed gekocht van fabrikant Theodorus Prinzen. Op dat moment is het goed omschreven in twee delen: Markt sectie L630, huis, verwerij en erf, groot 420 m2 en het daarachter gelegen perceel Markt L 708, tuin, groot 476 m2. (bron:kadaster gemeentearchief Gemert-Bakel). Onduidelijk is wat Carel Lucas gebouwd/verbouwd heeft en waarom voor deze plek is gekozen. In het naastgelegen pandje ten zuiden van de brouwerij (L249) woonde enige tijd een Helena Maria Swinkels. Onbekend is of er een relatie is met Carel Lucas.
10. Peter Lathouwers: Gemerts nieuws 1881 –1900, Gemert 1981 p.109.
Bekijk PDFGH-2007-01 III: De Handelse hoofdonderwijzer Ad Kalkhoven
Anny van de Kimmenade-Beekmans
De aanloop naar de bevrijding
In de maanden voorafgaand aan de bevrijding nam het gewapende verzet tegen de bezetter toe. De liquidatie van Herman Buuts in Elsendorp eind maart 1944 zorgde in dat Gemertse kerkdorp voor grote paniek onder onderduikers en hulpverleners. De Sicherheitsdienst en Sicherheitspolizei stelden ter plekke een onderzoek in. Ze wilden de Elsendorpse hoofdonderwijzer van de R.K. lagere school W. Iven over deze aanslag aan de tand voelen. Iven die veel voor onderduikers deed, zag bij toeval deze Duitse beambten zijn huis naderen en wist bijtijds te ontkomen.
Minder gelukkig pakte dat uit voor Lambert de Groot, de hoofdonderwijzer van de openbare lagere school in diezelfde plaats. Tevergeefs werd bij hem de zoektocht naar Iven voortgezet. Zoveel was duidelijk, deze Duitse beambten wilden niet met lege handen vertrekken.
Een huiszoeking bij De Groot bracht wat bonkaarten en pamfletten aan het licht en daarop werd De Groot gearresteerd. In de tussentijd was Ad Kalkhoven in Handel gewaarschuwd. Onverwijld volgde hij het voorbeeld van Iven. Met onbekende bestemming verliet hij Handel voor een poosje. Zijn vrouw Siny vond dat ook maar het beste. Wat ze niet wist, kon ze ook niet verraden.
De min of meer mislukte aanslag op de Gemertse landwachters eind juli 1944 zorgde opnieuw voor grote paniek. Bij die actie had het verzet zekere Wilmsen willen liquideren, die inmiddels was toegetreden tot de Landwacht. Omdat hij voortijdig argwaan kreeg, wist hij te ontkomen. De bewoners vreesden voor burgerslachtoffers als genoegdoening. Ook dit keer nam Ad Kalkhoven een poosje de wijk. Toen later tot ieders opluchting bleek dat de bezetter genoegen nam met een fietsenvordering kwam Ad weer naar huis.
De op wraak beluste Wilmsen wist dat het gezin Kalkhoven over fietsen beschikte. Hij kwam naar Kalkhoven om die op te eisen. Ad had de fietsen verstopt. Tegenover Wilmsen hield hij vol dat de kinderen ermee op vakantie waren. Dan moest de fiets van Ad mee, maar die weigerde dat. Ook Wilmsen hield voet bij stuk en dreigde ermee dat Ad opgehaald zou worden als hij zijn fiets niet afstond.

Nadat Wilmsen met lege handen was vertrokken, gingen Siny en Ad naar de Handelse politiepost en vroegen agent Jacob Scharn om raad. Die adviseerde Ad om naar het Gemertse politiebureau te gaan en daar te blijven zolang de fietsenvordering duurde. Naar Scharn verzekerde, kon Siny rustig naar huis gaan. Haar zou niets overkomen. Ook dit keer liep het goed af. Ad mocht zijn fiets behouden en de dreiging van Wilmsen bleef zonder nare gevolgen.
Operatie ‘Market Garden’
Dat de geallieerden in het zuiden van Nederland eindelijk tot actie overgingen was op zondag 17 september 1944 in Handel en omstreken duidelijk merkbaar. Er was veel laag overvliegend geallieerd luchtverkeer. Bij het wegdraaien van de vliegtuigen was vanaf de grond goed te zien dat de vliegtuigluiken nog open stonden, nadat grote aantallen militairen en grote hoeveelheden materieel waren neergelaten. Operatie ‘Market Garden’ was in volle gang. Enkele dagen later was Veghel bevrijd. Net als zovele anderen, trokken de broers Ko en Jo Kalkhoven naar die plaats om er de bevrijders te begroeten en er hun eerste ‘Chesterfield’ te roken.
Min of meer bekomen van de eerste verwarring, hergroepeerde de bezetter zijn troepen. Vanuit het Gemertse kasteel waar de Duitse legerleiding was ondergebracht, volgde een furieuze tegenaanval op de ‘Corridor’. Na enkele dagen was in Veghel de feestvreugde voorbij. De geallieerden moesten alles op alles zetten om de smalle doorgang – die ze op de Duitsers hadden veroverd – te behouden.
Ter ondersteuning van de tegenaanval streken ook in Handel Duitse troepen neer. Opnieuw vorderden ze er gebouwen, waaronder het Rectoraat. Rector Castelijns – bevreesd voor plundering – weigerde het pand te verlaten. Uit voorzorg liet hij een stel jonge mannen, onder wie Ko en Jo Kalkhoven, de inhoud van zijn wijnkelder overbrengen naar de sacristie.
Kort voor de bevrijding werd de kerk van Handel vanuit noordelijke richting getroffen door een granaatinslag. Gelukkig richtte dit projectiel slechts beperkte schade aan. Maar bij de familie Kalkhoven zat de angst er goed in. Samen met onderduikers en buurtgenoten zochten ze de veiligheid van hun kelder op en ze bleven daar tot de bevrijding van Gemert een feit was.
De bevrijding
De bevrijding in Handel verliep minder spectaculair dan bijvoorbeeld in Gemert. De blijdschap was er echter niet minder om. In de namiddag van maandag 25 september werd in Handel bekend dat de bevrijders in Gemert waren. Veel Handelnaren gingen naar Gemert om er de soldaten te verwelkomen. Veel tijd hadden die eerste troepen overigens niet. Ze zaten de Duitse troepen op de hielen, die ’s ochtends hals over kop uit Gemert en Handel waren weggetrokken. Dat gebeurde deels langs de dezelfde weg als waarlangs ze op 11 mei 1940 waren binnengekomen. Pas ’s avonds verschenen er in Handel kleine geallieerde pantserwagentjes en daarna de tanks.
Uit dankbaarheid voor de goede afloop ging de familie Kalkhoven daags na de bevrijding samen met hun voormalige onderduikers naar de kerk. Groot was de opluchting. Pas toen bleek dat de twee vrouwen die bij de buren Bertje en Miet van der Kruyssen ondergedoken hadden gezeten, eveneens joods waren.
Gemert en omgeving was bevrijd, maar daarmee was alles gezegd. Duidelijk was dat de voormalige bezetter zich niet zonder meer gewonnen gaf. Korte tijd later hergroepeerde die zijn troepen en begon met de opbouw van een nieuw front rond Overloon. Dit keer vorderde de geallieerde legerleiding het Gemertse kasteel en zette van hieruit de strijd tegen de bezetter voort.
In Gemert en omgeving werden enorme troepenconcentraties bijeengebracht. De soldaten verbleven in tenten of werden bij particulieren ondergebracht. Ook de familie Kalkhoven verleende onderdak. Bij hen waren een Engelse kapitein en luitenant en verder tien soldaten ingekwartierd. De soldaten sliepen op de overloop. De meeste soldaten waren jong, soms niet ouder dan zestien jaar. Een van hen noemden ze ‘Engeltje’. Die deed het in zijn broek van angst. Ter afleiding knapten ze klusjes op. Een soldaat maakte voor Siny een vergiet, een andere stemde de piano. Aanvankelijk waren er alleen Engelse soldaten, later kwamen er ook Amerikaanse, meest negers die onderdeel uitmaakten van vervoerstroepen die in Handel geconcentreerd lagen.
Met de bevrijding brak ook voor Line Lankhout de zon weer door. Verlangend had ze ernaar uitgezien. Het moment dat ze zich met haar gezin en familie kon herenigen kwam steeds dichterbij. Haar joodse identiteit noopte niet langer tot onderduik en dat maakte tevens dat ze actiever aan het leven van alledag deelnam. Line sprak de Engelse taal en bood zich bij de geallieerden aan als tolk.
De eerste krachtmeting tussen de geallieerden en de bezetter begon begin oktober. De slag om Overloon was ongekend hevig, de afloop onzeker. Line was doodsbenauwd dat de strijd in het nadeel van de geallieerden zou uitpakken en dat ze alsnog in Duitse handen zou vallen. Ze bedong dat de geallieerde legers haar zouden meenemen, ingeval de bezetter mocht zegevieren.
Ru Paré was Tante Zus
Zoals eerder vermeld had Line Lankhout – voordat ze in 1942 onderdook – haar dochter Hanneke toevertrouwd aan de zorgen van een Haagse vrouw. Hanneke noemde haar Tante Zus. Deze vrouw was Ru Paré‚ een schilderes van middelbare leeftijd. Ze was bekend met Drukkerij Lankhout. Voor de bezetting had deze drukkerij binnen kunstkringen een reputatie.1
Het is vrijwel zeker dat Ru Paré door dit contact het op zich nam om voor Hanneke een veilig onderkomen te zoeken. Hanneke was overigens niet het enige joodse kind dat ze onder haar hoede nam. Behalve Hanneke sleepte ze nog 51 andere joodse pleegkinderen de oorlog door. Ru Paré‚ werd hierin financieel bijgestaan door haar Haagse vriendin en beroepszangeres Theodora Versteegh.
Niet alleen voor het joodse volksdeel, ook voor bijvoorbeeld kunstenaars brak met de Duitse inval een onzekere tijd aan. Zij moesten kiezen; zich aansluiten bij de Kultuurkamer en doorgaan met werken overeenkomstig de voorschriften van de bezetter of het werk illegaal voortzetten. De beide vriendinnen wensten geen concessies te doen en kozen met overtuiging voor het laatste.
Met clandestiene huisconcerten zong deze alt het benodigde geld voor de verzorging van hun joodse pleegkinderen bij elkaar. In plaats van te schilderen reisde Ru Paré honderden malen per trein of per fiets op houten banden door bezet Nederland. Aldoor in de weer om joodse kinderen in gezinnen onder te brengen, te bezoeken en zo nodig te verkassen als hun veiligheid in het geding was.
Een veilig onderkomen voor joodse kinderen vinden was niet eenvoudig. Het allereerste onderduikadres voor Hanneke was in het Groningse plaatsje Ter Apel. Haar verblijf daar was van korte duur. Tussen Ter Apel en haar eindbestemming in Eerde zaten in totaal elf verschillende onderduikadressen. Op onverwachte momenten dook Tante Zus op en meestal volgde er een reis naar een andere bestemming. Bij iedere verhuizing drukte Tante Zus Hanneke op het hart haar oude adres te vergeten. Ze verzon een nieuwe achternaam voor Hanneke en per adres moest ze zich weer een ander verhaal over haar herkomst inprenten.
In Eerde verbleef Hanneke een vrij lange periode; van mei 1944 tot het begin van Operatie ‘Market Garden’ op 17 september 1944. Ze voelde zich prettig in het gezin van Joske en Jan Jansen – van Dam en hun dochter Regientje. Tante Zus kwam er een paar keer langs om te kijken hoe het met Hanneke ging. Om het contact tussen moeder en dochter gaande te houden praatten ze over thuis en werden er via Tante Zus briefjes uitgewisseld. Hierdoor wist Hanneke tenminste dat ze nog een moeder had.
De zoektocht naar Hanneke
Ru Paré die bij de Kalkhovens ‘de Haagse Dame’ werd genoemd, was kort voor aanvang van Operatie ‘Market Garden’ nog in Handel geweest. Tijdens haar laatste bezoek bezorgde ze Line – die op op 12 augustus jarig was – een verjaardagsbrief van Hanneke. Ze schreef haar moeder dat ze weer naar buiten kon en dat ze naar school mocht bij de zusters. Zoals Hanneke bij de zusters had geleerd, zette ze bovenaan de brief netjes de plaats en de datum. Om veiligheidsredenen knipte Tante Zus die gegevens later uit de brief. Hanneke besloot haar brief met de Brabantse groet ‘Houdoe’.
Line Lankhout was niet bekend met de verblijfplaats van haar dochter. Informatie hierover inwinnen bij Ru Paré‚ was onmogelijk. Tegelijk met de geallieerde opmars waren alle contacten met het bezette deel van Nederland verbroken. Achteraf vormden die Brabantse groet en het feit dat ze bij zusters onderwijs kreeg belangrijke aanwijzingen. Hieruit viel op te maken dat Hanneke mogelijk niet ver uit de buurt van Handel verbleef. Line Lankhout verlangde ernaar haar dochter weer bij zich te hebben.
Tegen het einde van oktober 1944 was de toestand in grote delen van Noord-Brabant nog lang niet gestabiliseerd. De slag om Overloon woedde voort en Den Bosch was nog steeds in handen van de bezetter. Ondanks dat pakten Line Lankhout en Ad Kalkhoven in de vroege morgen van maandag 23 oktober 1944 ieder een fiets. Samen trokken ze erop uit om Hanneke te zoeken. Omdat Ad vermoedde dat ze in de buurt van Veghel verbleef, deed hij onderweg navraag bij enkele schoolhoofden.
Die aanpak bleek succesvol. Een Veghels schoolhoofd zette hen op het juiste spoor naar Hanneke. Hij wist dat ze in Eerde was ondergebracht. Uiteraard toog het tweetal hierop naar dat dorp, maar daar troffen ze Hanneke niet aan. Wat het Veghelse schoolhoofd kennelijk niet wist was dat een groot deel van de bevolking van Eerde tijdens de hevige gevechten rond ‘de Corridor’ werd geëvacueerd. Na lang zoeken en rondvragen vonden ze Hanneke tenslotte in Zijtaard. Groot was de vreugde bij het weerzien.
Het fatale ongeval in Erp
In de avond fietste Ad Kalkhoven alleen terug naar Handel. Line had besloten in Zijtaard te overnachten. Ze zou de volgende dag met Hanneke naar Handel komen nadat ze voldoende kleding en nog wat andere spulletjes van haar dochter had verzameld. Op de terugweg ging Ad nog even bij de Veghelse hoofdonderwijzer aan om hem over de
afloop van de zoektocht te vertellen.
Niet lang daarna, tegen negen uur, fietste hij door Erp. Daar sloeg het noodlot toe. Ad werd aangereden door een Engelse colonne legervoertuigen. Hij raakte daarbij zwaargewond aan zijn hoofd. Engelse militairen brachten hem naar een dicht bijzijnde ziekenbarak. Na een kort onderzoek werd hij naar het ziekenhuis in Veghel overgebracht. Daar stelden de doktoren een schedelbasisfractuur vast.
’s Avonds laat bracht agent Jacob Scharn dit tragische nieuws bij de Kalkhovens. Ze konden het nauwelijks bevatten. Na alles wat ze doorstaan hadden, hoe kon zoiets gebeuren? Scharn bracht Siny naar het ziekenhuis in Veghel. Ad was niet meer bij kennis.
Nietsvermoedend kwam Line Lankhout daags na het ongeval met Hanneke naar Handel gefietst. Ze trof daar een totaal verslagen gezin aan, ondergedompeld in rouw om het verlies van vader en echtgenoot. De vreugde om het hervinden en de pijn van het verlies waren te schrijnend. Enkele dagen later vond Scharn voor Line Lankhout en haar dochter een nieuwe verblijfplaats in Veghel.
Op woensdagmiddag 25 oktober overleed Ad Kalhoven aan zijn verwondingen. Toen het tragische nieuws in Handel en Gemert bekend werd, was ook daar de verslagenheid groot. Op zaterdag 28 oktober werd Ad Kalkhoven onder grote belangstelling begraven.
Ook na de begrafenis stond Scharn het gezin met raad en daad bij. Op dat moment heerste er een enorme administratieve chaos in Nederland. Omdat in het bezette Den Haag geen zuivere berekening van het weduwen pensioen opgemaakt kon worden, zorgde Scharn ervoor dat Siny maandelijks een voorschot kreeg. Ook diende hij met succes bij de Engelse legerleiding een schadeclaim in.2
Terug in Den Haag
Tegen eind november 1944, na de bevrijding van Grubbenvorst, haalde Line Lankhout haar zoontje Paul op. Kort daarvoor was hij vier jaar geworden. Zij en Hanneke waren dolblij dat hij weer bij hen was. Die blijdschap was aanvankelijk niet wederzijds. Het was moeilijk voor Paul om aan zijn nieuwe moeder en zusje te wennen. Bovendien was hun taalgebruik hem vreemd.
Pas in augustus 1945, toen er woonruimte beschikbaar kwam, kon Line Lankhout vanuit Veghel met haar kinderen terug naar Den Haag. Na verloop van tijd werd haar duidelijk welke familieleden de oorlog hadden overleefd. Haar man behoorde daar niet bij. In het voorjaar van 1942 had hij Line vanuit Parijs – via Ru Paré‚ – een brief gestuurd. Tot daar was de tocht goed verlopen. Daarna had ze niets meer van hem vernomen.
Uit onderzoek achteraf bleek dat het hem niet gelukt om naar Engeland te vluchten. In Bordeaux – juist toen hij op de boot voor Engeland wilde stappen – werd hij gepakt. Na enige tijd gevangenschap in Parijs werd hij op transport gesteld naar Polen. Onderweg sprong hij uit de trein om te ontvluchten. Hij werd gesnapt en doodgeschoten.3
De waanzin van de Tweede Wereldoorlog bracht bij toeval Siny Kalkhoven en Line Lankhout bij elkaar. Ook al waren de omstandigheden totaal anders, beide vrouwen verloren hun echtgenoot aan diezelfde oorlog. Ondanks al het verdriet, ze moesten weer verder. Siny Kalkhoven nam haar oude beroep weer op. Vanaf 1947 gaf ze weer les aan de school in Handel. Line Lankhout hertrouwde jaren later met de heer Sloterdijk, de man die in 1942 Drukkerij Lankhout kocht.4
NOTEN:
1. Opzij, 16e jaargng, mei 1988, blz.14-17, Ons Den Haag, 3e jaargang, 1988, blz. 53-56
2. GAG- 1.755.05
3. GAG- 1.755.332
4. Hanneke Gelderblom-Lankhout. Van huis uit architecte. Politieke loopbaan. In de periode 1986-1999 Eerste-Kamerlid voor D66. Hield zich vooral bezig met volkshuisvesting en buitenlandse zaken. Later tevens woordvoerster sociale zaken. Zette zich in voor verbetering van de verhouding tussen christenen en joden. Was tevens lid van de Haagse gemeenteraad en van het Benelux-parlement en het parlement van de Raad van Europa. Enkele malen waarnemer bij verkiezingen in voormalig Joegoslavië.
Met dank aan: Medewerkers Gemeentearchief Gemert-Bakel, Cécile Graat, Zjon van de Laar, Ko Kalkhoven, Jo Kalkhoven, Hanneke Gelderblom-Lankhout, Paul Lankhout, Toos Vilé-de Groot, Keja Hermans-Roelofs, Piet Rodenburg, Nellie Besouw-van Winkel en het Museon in Den Haag.
Bekijk PDFGH-2009-04 De groentenkas van het kasteel
Ad Otten
Menigeen zal het zich wel eens hebben afgevraagd. Wat voor bestemming mag toch wel dat aparte gebouwtje, helemaal opgenomen in ‘de moestuinmuur’ van het kasteel hebben 
gehad? Niets kan dat duidelijker maken dan foto’s van zo’n zestig tot zeventig jaar geleden. Het blijkt een grote groentekas te zijn geweest en tegen de muur was nog een groentekas en daarvoor lagen ook nog een paar rijen, met glas afgedekte, groentebakken. Tot de vestiging van de Jezuïeten op het kasteel in de jaren 1880-1881 was er nog een directe verbinding van het Hopveld naar het poortgebouw van het kasteel. De Jezuïeten, en later ook de Congregatie van de Heilige Geest, trokken op de seminaries die ze hier vestigden, heel veel priesterstudenten. En al die monden werden gevoed met eigen groenten. De ommuring van de moestuin en de bouw van de groentekas dateert uit die tijd.

GH-2009-04 Gemertse weefnijverheid vergelijkbaar met Tilburg
GEMERTSE WEEFNIJVERHEID VERGELIJKBAAR MET TILBURG
Gerard van Gurp publiceerde vorig jaar in ‘Textielhistorische Bijdragen Jrg.48 (2008)” een uitgebreid artikel van 31 bladzijden over de Gemertse weefnijverheid van weleer onder de titel: ‘Gemerts linnen en de proto-industrie in de Meierij van ‘s-Hertogenbosch tijdens de zeventiende en achttiende eeuw’. Het is in zekere zin een vervolg op het door Gerard in 2004 gepubliceerde boek: “Brabantse stoffen op de wereldmarkt”, met als ondertitel: “Proto-industrialisering in de Meierij van ‘s-Hertogenbosch. 1620-1820”.
In deze nieuwe publicatie komt Van Gurp tot een conclusie waarin hij de productiecapaciteit van Gemert vergelijkbaar acht met die van Tilburg en iets kleiner inschat als die van Helmond. Het bevestigt het belang van Gemert als weversplaats. Hierna volgt de complete conclusie van de auteur:
De vrije Rijksheerlijkheid Gemert, een neutraal gebied buiten de Republiek, blijkt tijdens de zeventiende en achttiende eeuw een belangrijke rol te hebben gespeeld in de proto-industriële handel van de Meierij van ‘s-Hertogenbosch met de Republiek en de wereldmarkt. Hoewel het in politiek opzicht gescheiden was van de Republiek en van Staats-Brabant, met uitzondering van de periode 1648 tot 1662 toen de Staten-Generaal de soevereiniteit uitoefenden, was de linnennijverheid er economisch wel mee verbonden. Deze linnennijverheid die als proto-industrie gekenmerkt kan worden, was sterk georiënteerd op Eindhoven en Helmond. Fabrikeurs uit Gemert transporteerden hun producten naar deze twee steden en maakten op clandestiene wijze gebruik van de vrijheid van in- en uitvoerrechten van deze steden met de Republiek. Zij heeft een substantiële bijdrage geleverd aan de proto-industrie van de Meierij en daarmee aan de economie van de Republiek. Het is moeilijk gebleken de omvang van de linnenproductie en van de handel daarin kwantitatief vast te stellen, hiervoor ontbreken bronnen. Wel kon met behulp van boedelinventarissen schattingen worden gemaakt over het aantal weefgetouwen en dus over de productiecapaciteit in Gemert. Uit die schattingen blijkt dat deze productie vergelijkbaar was met die in Tilburg, maar wat kleiner dan die in Helmond. Ook de organisatie van de proto-industrie vertoonde overeenkomsten met die in de Eindhoven-Helmond regio. In het begin van de zeventiende eeuw vond handel plaats met Spanje, later vooral met Eindhoven en Helmond en via deze steden met andere gebieden en met Haarlem. Ook werd er direct naar Holland linnen uitgevoerd. Tijdens de achttiende eeuw was er commissionnaire nijverheid voor kooplieden in Haarlem. Ook was in de achttiende eeuw sprake van enige export naar Caribisch gebied. Zo blijkt dat buiten de grenzen van de Republiek een textielnijverheid tot bloei kon komen die nauw verbonden was met de Meierij van ‘s-Hertogenbosch.
Aan het eind van de achttiende eeuw en gedurende de Bataafs-Franse Tijd liep de bedrijvigheid in de textielnijverheid sterk terug, net als in de Meierij, maar na 1813 nam deze weer toe. De Gemertse linnen- en katoenproductie bleef voor een deel afhankelijk van de textielnijverheid in Helmond en Eindhoven. Dit was waarschijnlijk een van de oorzaken van het achterblijven van de industrialisatie in Gemert.
(Red. – AO)

GH-2009-04 Eindhoven huurde Gemertse meester 1602-1605
EINDHOVEN HUURDE GEMERTSE MEESTER 1602-1605
MEESTER WILLEM MAES [MASIUS VAN GEMERT]
Johan Melssen
In het jaar 1602 zit de stad Eindhoven vrij plotseling zonder Latijnse ‘meester’. De stad geeft voerman Cornelis Aelberts 2 gulden om de pastoor en mr. Peter Rythovius (secretaris) naar Gemert te brengen om daar ‘den Latijnse schoolmeester te huren.’ Volgens aantekening van de stadssecretaris gebeurde dat op 3 december 1602. Een dag later brengt een bode de pastoor het bericht van de Latijnse schoolmeester dat de pastoor meteen doorzendt naar Aert van Hoeffve.1 Daarop komt de pastoor met schepenen en mr. Willem ‘Masius’, ‘aankomende schoolmeester’, op 9 december bijeen om een akkoord te sluiten.2
Op 29 december 1602 is Masius weer ten huize van Van Hoeffve ‘om de school te bedienen’, dus dit keer om zijn contract te tekenen; overigens is hij voordien al in Eindhoven geweest om de school te bezien.
Het contract met Maes stelt dat het ‘stedeken Eyndhoven’ door het vertrek van heer Aert Christoffels geen schoolmeester meer had, tot groot nadeel van de jeugd en de jonkheid. De magistraat sluit daarop ’tot instructie van die jonkheid’ eind december 1602 een akkoord met mr. Willem Maes, die het schoolmeestersambt binnen de stad aanneemt voor een periode van 6 jaar. Na drie jaar kan afstand worden gedaan van dit ambt als een van beide partijen dat zou willen, met inachtneming van een opzegtermijn van een half jaar.
Mr. Willem krijgt daarvoor jaarlijks 100 gulden, te weten van de stad en van de H. Geest samen 70 gulden en van het kapittel 30 gulden, en verder 1 mud rog van de stad, 1 mud van de H. Geest en 1 mud van de deken der stad. Bovendien zal hij vrij zijn van alle stadslasten en accijnzen en krijgt hij van iedere klerk of student jaarlijks 30 stuivers.
Het contract gaat in te St. Jansmis midzomer, dat is 24 juni 1603, en Masius wordt na verloop van tijd beloond3 en zal daarnaast als blijk van dank van de stad een ton bier (of daarvoor 6 gulden) ontvangen tot ‘de intrek van de dienst’4 en van de heren van het kapittel jaarlijks nog eens vier gulden.5
Dat hij ook werkelijk vrij was van de stadslasten blijkt onder meer uit de schouwlijst van 1604, waar bij ‘meester Willem schoelmeester’ wordt aangetekend ‘niet ontvangen’.6
Met Kerst 1603 is sprake van uitbetalingen door de borgemeesters aan mr. Willem Maes van 35 gulden voor zijn verdiend loon als schoolmeester van de stad Eindhoven, van 6 gulden voor de waarde van een ton bier, hem ex favore vergund, van 9 gulden en 18 stuivers voor de waarde van een mud rog en 1 gulden en 5 stuivers van bodenloon van Gemert op Eindhoven. Bovendien betalen de borgemeesters aan de accijnsmeesters 3 gulden en 16½ stuiver voor bieraccijns van het door mr. Willem gebruikte bier, omdat ‘het kapittel en de suppoosten daarvan vrij zijn’ (1602/3) of omdat de magistraat hem bij zijn aanstelling vrijdom van de bieraccijns had beloofd c.q. omdat hij ‘vrij is met het kapittel’ (1603/4).
Ook per Kerst 1604 krijgt hij 36 gulden en 9 gulden als waarde van 1 mud rog uitgekeerd. Per St. Jansmis 1605 krijgt hij 22-10-0 voor zowel het geld als de rog7, wat inhoudt dat dit een half jaarsalaris is.
Masius van Gemert stapte per St. Jan 1605 dus weer uit de Eindhovense dienst.
NOTEN:
1. Van Hoeffve zal toen de president-schepen van Eindhoven zijn geweest.
2. Nog [8 december 1602] heeft de schoolmeester, van Breda komende, verteerd wat de borgemeesters en schepenen met de pastoor hebben afgesproken 1-4-0. Onduidelijk is of deze post met de schoolmeestersposten in Eindhoven verband houdt, of met de gevangenschap van de pastoor van Eindhoven in Breda eerder in 1602.
3. Dus achteraf.
4. Bij het aangaan van de betrekking.
5. Regionaal Hist. Centrum Eindhoven (RHCe), Rechterlijk archief Eindhoven, invnr. 1551, aktenr. 148, 28 december 1602. Stuk getekend door Joannes Keutsius namens het kapittel, Wilhelm Maess, P. Rythovius (secretaris); L.G.Houben, Geschiedenis van Eindhoven I (Turnhout, 1889), 310 lijkt zijn benoeming op 26 april 1601 te dateren.
6. RHCe, Archief van de stad Eindhoven 1437-1810, inv.nr. 501, Bijlage borgemeestersrekening 1603/4, Rekening schouwgeld.
7. Op een andere plaats is sprake van 6 vaten ter waarde van 6 gulden per 25 juni 1605.
Bekijk PDF