GH-2009-02 Gemert, geen stadje, maar een staatje

GEMERT GEEN STADJE MAAR EEN STAATJE

Ad Otten

Een dikke dertig jaar geleden werd Gemert aangemerkt als “historische stadskern” op grond van een zogenaamde algemene maatregel van bestuur d.d. 26 november 1973, en dat als uitvloeisel van de Financiële Verhoudingswet 1960. Met die wet en die specifieke maatregel werd met extra financiën tegemoet gekomen aan de bijzondere problematiek waarmee historische stadskernen toen ‘worstelden’. Het ministerie van Financiën had normen vastgesteld waaraan voldaan moest worden. Wilde je aanspraak maken op de extra financiën dan gold niet de aantoonbaarheid van stadsrechten uit een ver verleden maar dat je als ‘stad’ was aangeduid op tenminste twee van negen met name genoemde historische kaarten uit een periode liggende tussen 1602 en 1833. Gemert was spijtig genoeg maar op één van die kaarten aangetekend als ‘stadje’.1 Maar… toen na enige jaren bleek dat twee gemeenten (Schagen en Thorn) die ook maar op één kaart voorkwamen, na aanlevering van andere kaarten, toch in aanmerking kwamen voor genoemde uitkering, ging men in Gemert natuurlijk ook op onderzoek. En jawel hoor, oud-gemeentesecretaris Jacques van den Broek vond in een antiquariaat in ‘s-Hertogenbosch zo’n alternatief: een kaartje van Judocus Hondius uit 1630 waarop Gemert was aangeduid als stad. De raad van gemeentefinanciën sputterde nog wel wat tegen met argumenten dat het bedoelde kaartje niet authentiek zou zijn, maar uiteindelijk zwichtte toch ook de staatssecretaris van Financiën. Gemert kreeg een nabetaling van 2,8 miljoen gulden en nog jarenlang een jaarlijkse uitkering van een bedrag tussen de 4 en 5 ton.2

Het toeval wilde dat terwijl het gemeentebestuur van Gemert nog zo ijverde voor de toekenning uit het ‘Fonds 2009-2 gemert1Historische Stadskernen’, de PTT in 1978 juist een poststempel invoerde met de tekst ‘Gemert-dorp’. Burgemeester De Wit schreef meteen een brief-op-poten naar de directie van de PTT en in 1979 werd het nieuwe poststempel al vernietigd.3

Of Gemert hiermee nu definitief ‘stad’ werd? Nee natuurlijk niet! Gemert werd niet voor niks op een aantal kaarten aangeduid als stad. Het was in feite veel meer dan een stad. Het was een staatje. Maar hoe geef je dat aan op zo’n kaartje. Het gemakkelijkste is – zo moeten een stel cartografen uit het verleden geoordeeld hebben – om Gemert aan te duiden als ‘stad’. Na de kaart van Majer uit 1747 en die van Hondius uit 1630 drukken we hierbij een kaart “Brabantiae” af van Henricus Naegele van rond 1580 en ook daarop zien we Gemert aangeduid als ‘stad’. Het is wel even puzzelen want er staat een stadaanduiding zonder naam erbij zo lijkt het, maar… bij nader inzien kan die ‘stad’ boven de naam Taxandria alleen maar slaan op ‘Gemert’ dat op deze kaart onder de naam Taxandria terecht is gekomen, maar er is een streepje dat heel subtiel door Taxandria heen naar Gemert wijst….

2009-2 gemert2

Maar veel en veel interessanter, en correcter ook, zijn de kaarten waarop Gemert de status van een apart landje heeft gekregen. Zo’n kaart drukken we hier als toetje bij af en wie weet komt er misschien in regeringskringen nog eens iemand op het idee om voor een klein voormalig staatje als de Vrije en Soevereine Landsheerlijkheid Gemert met een of andere ‘maatregel van bestuur’ ook nog eens wat extra geld uit te trekken. Het zou ten behoeve van de restauratie van de residentie van onze vroegere ‘vrijheren’ uitstekend van pas kunnen komen….

NOTEN:

1. Een kaart van T. Majer uit 1747

2. Vgl. L. Rouppe van der Voort, De Vrije Neutrale Grondheerlijkheid Gemert. Stad? Stadsrechten? Historische Stadskern? In: Gemerts Heem 1979 blz. 78-86.

3. Ad Otten, Gemert en de post, Gemert 1988, p.64

2009-2 gemert3

Bekijk PDF

GH-2009-02 Landmeer verklaard

LANDMEER VERKLAARD

Jacques van der Velden

De Landmeerse loop is één van de Gemertse toponiemen, waarvoor in mijn ogen nog geen bevredigende verklaring is gevonden. Vooral het element meer veroorzaakt hoofdbrekens. Een artikel over het Belgische Meerbeke zette mij aan het denken.1 Niet alleen vanwege het element meer, maar vooral omdat het 2009-2 land1om een grensbeek ging. Meerbeke, een beek op de grens van het oude Brabant en de Landmeerse loop een beek op de grens met het Land van Ravenstein (zie figuur 1). Meer zou de betekenis hebben van ‘paal’ of ‘grens’.

Het verwarrende is dat in de Gemertse protocollen landmeer en landweer door elkaar worden gebruikt.2 In de Duitse gemeente Bruchköbel is het gehucht Landmehr gelegen ‘An der Landwehr’-straat. Op de grens van Erp en Veghel heeft aan de Veghelse kant vroeger een landweer gelegen. In een Erpse bron wordt melding gemaakt van ‘een parceel gemeente aan den Dijck genaamt den Landmeer’, dat aan de Erpse kant was gelegen.3 Dit doet mij denken aan twee verschillende begrippen, die op een bepaalde manier soms samenvallen.

2009-2 land2

Hoe zijn deze woorden ontstaan? Uit mere, meer ‘paal, grenspaal’ werd het verzamelwoord gemere, gemeer ‘grens’ gevormd. Verder bestaat ook de samenstelling met land- zoals landgemere, landgemeer ‘grens van een grondgebied’.4 Met maar één letter verschil hebben zich ook de woorden were, weer, gewere, geweer, landgewere, landgeweer ‘verdedigingswerk van een grondgebied’ ontwikkeld.5 Het ge- voorvoegsel lijkt in landmeer, landweer, landmehr en landwehr verdwenen te zijn. Dit verlies is ook te zien in oude schrijfwijzen van tijt, getide, iaerghetijden, iaertijden.6 Soms is een tussenstadium van het voorvoegsel in de vorm van ‘a’, ‘e’ of ‘i’ blijven bestaan, zoals in jaeritide, landimar, landemer en landamære.7 In een database met Oudengelse oorkonden vond ik ongeveer 400 vermeldingen van het woord landgemaero ‘landgrenzen’ in de periode 700-1100. Hiervan had 8% het voorvoegsel verloren.8 Alhoewel ik het bewijs niet kan leveren, lijkt het mij toch aannemelijk dat het voorvoegsel in het toponiem de land(ge)meerse loop wel bestaan heeft.

Landweer ‘verdedigingswerk’ en landmeer ‘grensscheiding’ zijn verschillende begrippen. Verwarring ontstaat pas wanneer een verdedigingswerk aan een grensscheiding is gelegen. Het wordt nog lastiger wanneer in het middelnederlands [mnl], dat is in de periode 1200-1500, de betekenis van landmeer volledig wordt overgenomen door landweer ‘verdedigingswerk tevens dienende tot grensscheiding’.9 Deze overname is begrijpelijk, want vooral in die periode werden aan de grenzen landweren gebouwd (zie figuur 2). Een paar eeuwen later was dat niet meer actueel bijgevolg dat landmeer weer werd gebruikt.10 De loop op de grens met Boekel heeft waarschijnlijk onderdeel uitgemaakt van de landweer, want bestaande landschapselementen zoals waterlopen werden zoveel mogelijk gebruikt.11 Het is dan logisch dat zoiets als de Landweerse loop kon ontstaan. De vermeldingen van landweer en landmeer verwijzen niet zozeer naar de loop, maar naar belendingen met termen als ‘(be)neven de’ en ‘aan de’. Volgens mij is de naam landmeerse loop nooit weg geweest.

Toch begrijpt niemand meer dat landmeer ‘landgrens’ betekent. Dit komt volgens mij omdat men andere woorden is gaan gebruiken voor meer ‘grens’. Een van die woorden is limiet ‘grenslijn, grens’ dat in het mnl. uitsluitend gebruikt werd voor natuurlijke grenzen.12 Pas in de periode 1500-1700, het vroegnieuwnederlands [vnnl], is dit woord overgenomen door het Nederduitse leenwoord grens.13 Landmeters tekenden eind 18e eeuw limietscheidingskaarten waarop de palen ‘grenspalen’ en paalsteden ‘plaats waar grenspalen staan’ in kaart werden gebracht.14 Deze palen hadden namen zoals in Gemert de Rytse Paal, Paal Agter Sant, Steebergse Paal enz. (zie figuur 3). In de paelbrieve van 1326 staat hoe de verdeling was van het Gemerts grondgebied tussen de Heren van Gemert en de Duitse Orde.15 In oude stukken wordt gezegd dat er drie Hertogspalen hebben gestaan in de Aa, op het punt waar de grens ligt tussen Boekel en Gemert op Esdonk.16 Het lijkt erop dat meer ‘paal of grens’ verdrongen is door paal ‘kunstmatige grens’ en limiet ‘natuurlijke grens’. Mogelijk heeft eerder al het Oudnederlandse [onl] woord marka ‘grens(teken)’ hierbij een rol gespeeld. Hieruit is namelijk het woord landgemerke ontstaan, in het middelnederlands [mnl] nog landmerke, dat mogelijk landgemere heeft verdrongen.17

Als mijn verhaal waar is, dan moeten er nog meer toponiemen of plaatsnamen te vinden zijn. Misschien voldoen de volgende twee voorbeelden hieraan. Boxmeer heette aanvankelijk Mere en pas later Boxmeer wat waarschijnlijk terug te voeren is op Jan Buc, die in 1271 heer van Mere was. Deze plaatsnaam wordt door sommigen verklaard met ‘paal, grenspaal’.18 Op een 18e-eeuwse kaart van Dinther werd de Leijgraaf aangeduid met ‘De Meer of Leygraaf’. Hier is geen sprake van een meer ‘binnenwater van enige omvang’. Beide voorbeelden liggen net als de Landmeerse loop in het grensgebied van het Land van Ravenstein en het Land van Cuijk. De Meerdijk in2009-2 land3 Waalwijk op de grens met Loon op Zand vormt een restant van de oude omdijking van de Grote of Zuidhollandse Waard en markeerde hier deels ook de grens tussen Brabant en Holland. Ik hoop dat dit verhaal een nieuw licht werpt op de betekenis van het toponiem de Landmeerse loop ‘de grensbeek van een grondgebied’. Naar mijn mening is dit de enige juiste naam voor deze beek. Landweren zijn hier pas gebouwd in de periode 1350 en 1450, terwijl het begrip landmeer vermoedelijk al veel eerder werd gebruikt. Hiermee is landmeer als ‘grens van een grondgebied’ in mijn ogen voldoende verklaard.

AFKORTINGEN:

EWN = Etymologisch woordenboek van het Nederlands, onder hoofdredactie van M. Philippa, F. Debrabandere en A. Quak; EWN hfdstk 2b, Taalperioden en Taalvarianten:

MHV = Middelnederlandsch handwoordenboek, Verdam.

GH = Gemerts Heem.

mnl = middelnederlands [1200-1500]

vnnl = vroegnieuwnederlands [1500-1700]

oe = oud-engels [voor 1100]

on = oud-noors [voor 1500]

ozw = oudzweeds [voor 1500].

NOTEN:

1. -http://nl.wikipedia.org/wiki/Meerbeke.

2009-2 land42. Ad Otten, Landweer van Gemert, thans: landmeerse loop, in: GH1977 (nr.66),p.14-16; Peter vd Elsen, Esdonk, Geschiedenis van een kapelgehucht, p.75; Jan Timmers, De Walgraaf en de Snelle Loop, in GH2008.03, p.17; Gemertse protocollen, R96 akte 423 ‘beneven die landweer’ 20.12.1478, R127 akte 412 ‘aan den Landtmeer’ 8.11.1714; R129 akte 55 ‘neven de Landtmeer’ 7.2.1720; R143 akte 65 ‘aan de landweer’ 26.2.1749.

3. http://www.viamichelin.com, Bruchköbel deelstaat Hessen. (25 km van Frankfurt am Main). -Toponiemen Veghel, W.H. Cornelissen, lemma Landweer, Gelegen omtrent der lantweren [1384; GVIE2]; de landweer [kad. 1832; C 373,374]; BHIC toegangsnr. 7687, Dorpsbestuur Erp, 1342 – 1814, Invnr 72, Akten betr. verkochte nieuwe erven [1802]. Landmeer.

4. Jacob Grimm, Kleinere Schriften 2. ISBN 3487010445, 9783487010441, p.34. ags. sind mêre, gemêre, landgemêre, und noch heute english meer beides sumpf und grenze, das verbum meer abgrenzen; mnl. meer grenze, meeren limitare.

-EWN Ke – R, lemma meren ‘een schip vastleggen’. Ozw. Landamære ‘grens, streek’ (nzw. Landamären mv. ‘streek’). Uit pgm. *mairō- ontstond o.a. mnl. meer ‘grensafscheiding’ [1240; Bern.], in Die pale, ogte meere sette ‘wie palen of grensmarke zou plaatsen’. Hierbij hoort ook de homonieme afleiding mnl. meeren ‘begrenzen’ [1240; Bern.], zoals in gemeert ende gepaelt ‘begrensd en afgepaald’ [1378; MNW].

-EWN Ke – R, lemma muur 1 ‘wand’; ook ontleend zijn: en in het Germaans mnl.

mere, meere ‘paal, grenspaal’, on. mæri in landamæri ‘grensgebied’, oe. (ge)mære ‘grens’ < pgm. *ga-mairja-, met een betekenisverschuiving van versterkte begrenzing’ naar ‘grens’ en ‘gebied’.

5. EWN, lemma geweer ‘handvuurwapen’ mnl. ghewere ‘verdediging, tegenweer, strijd’ in lichte in orloghe ende in gewere ‘vaardig in oorlog en strijd’ [1300-25; MNW-R].

-MHV, lemma were, weer, ware, werre en wer(?) ‘Verdediging, afweer’.

-http://www.sebastiaansgilde.be/nl/default.dhtml ‘ze waren vrijgesteld van belastingen, karwijen en wacht, maar moesten steeds paraat staan bij het landgeweer of de heervaart’. -Deutsches Rechtswörterbuch – DRW: Lemma: Pilger, m, Pilgrim, m, II. wegen der landwehre. daroff ist der stad antwort, daz der rait eine landgewere in ire stad fryheit und burgbanne gemacht habe, paffen und leyen und alle manne pilgerin, kauffluden, frembden und heymschen, die in soliche landgewere mit iren liben und gutte koment, zu befriedunge und offenthaldunge ires lybes und guttes. 1434 Schaab,Städtebund II 432

6. EWN F – Ka, lemma getij(de) ‘eb en vloed; breviergebed’. Mnl. getide ‘breviergebed’ [1236; CG I, 25], seven ghetiden . . sijn seven jaer ‘zeven tijdsperioden, te weten zeven jaar’ [1285; MNW], lemma jaar ‘de periode waarna een kalender zich herhaalt’, jaargetijde ‘seizoen’, ‘jaarlijkse sterfdagherdenking’. Mnl. jaerghetide slechts in de betekenis ‘jaarlijks terugkerende herdenkingsdag’ [iargetide 1240; Bern.], dan ook iaerghetijden, iaertijden ‘jaarlijks terugkerende perioden, seizoen’ [1599; Kil.].

7. Taal in stad en land, Noord-Hollands, J. Berns i.s.m. S.Steusel. Hoofdstuk 3. Woorden en woorddelen, pagina 45, Het tussenstadium i- vindt men b.v. bewaard in mvla. (owvla.) igaen (vgl. ook buiten het participium b.v. inas ‘genas’, jaeritide), op dezelfde wijze als b.v. in ’t oudere Engels yclad ‘gekleed’.

-An etymological dictionary of the Scottish language: Lemma Landimar. A march or boundary of landed property, Aberdeen.

-In Rutherglen Schotland viert men elk jaar Landemer dag. Google naar: Rutherglen +Landemer +”David I”

-EWN Ke – R, lemma meren ‘een schip vastleggen’. Ozw. Landamære ‘grens, streek’ (nzw. Landamären mv. ‘streek’).

8. -LangScape, The language of landscape: Reading the Anglo-Saxon countryside. http://www.langscape.org.uk/jsp/getKWIC.jsp?format=HTML&limit=2000&KWICSizeSelect=5&sortType=all§ionTypeSelect=1&glossaryKey=1885. Of Google met ‘landgemere +landmere’ en selecteer “KWIC Search”.

-LangScape, Lijnnr. 663.0.00 “þis sindon þa landgemæro þæs geburlandes to Abbendune [.. ],” [A° 956]. Dit zijn de grenzen van de landerijen van de vrije (volledige) eigenaars te Abingdon [..]. (Abingdon in Berkshire).

9. MHV, lemma Lantwere, -weer 2) verdedigingswerken; ook de ter verdediging opgeroepen manschap; het dijkleger; een verdedigingswerk tevens dienende tot grensscheiding, barrière.

10. Gemertse protocollen, R127 akte 412 ‘aan den Landtmeer’ 8.11.1714. [p. 401-2]. R129 akte 55 ‘neven de Landtmeer’ 7.2.1720

11. http://nl.wikipedia.org/wiki/Landweer_(vestingwerk) .

12. EWN, lemma limiet

13. EWN, lemma grens.

14. Op de kaart gezet Hendrik Verhees, politicus, kaartenmaker en waterstaatkundige 1744-1813, Kaart figuratief van de limietscheiding, pagina 219 en 252.

15. Ad Otten, Gebied tussen Boekent en Milschot: bakermat van de Duitse Orde in Gemert? In: GH 1975,nr.58( p. 6-14).

16. -Van d’n Aabeemd tot de Zwijnsput, toponiemen in de cijnskring Helmond vóór 1500 in naamkundig en nederzettingshistorisch perspectief. Lemma: Geweer, p. 98.

17. Hugo F. van Heussen, Oudheden en gestichten van Zeeland, behelzende de oudheden, opkomsten; Gepubl. door C. Vermey, 1722, p. 23, Stichtingsbrief 1398.

18. G. van Berkel, K. Samplonius, Nederlandse plaatsnamen herkomst en historie, lemma Boxmeer, 1271 Mere, 1459 Boxmeer; heette tot in de 14e eeuw kortweg Mera (met verlatijnste uitgang –a), dwz. Meer, een woord dat in het mnl. behalve ‘meer, waterplas’ misschien ook ‘paal, grenspaal’ betekende. De toevoeging Box/Boks- gaat waarschijnlijk terug op Jan Buc, die in 1271 heer van Mere was

Bekijk PDF

GH-2009-02 De Broekstraat van weleer (3)

DE BROEKSTRAAT VAN WELEER (3)

Oude tijden keren niet weer

Adriaan van Zeeland en Simon van Wetten

In de Broekstraat heeft rechts voorrang. En toch blijven we, verkramping van de nekspieren ten spijt, ook tijdens deze derde etappe stug naar links kijken. Op die manier hebben we café De Zoete Moeder, de Van de Weijer-boerderij, de boerderij van Jaspers, het huis van de familie Vissers en de Begijnenhoeve van de Van de Laars aan ons voorbij zien komen. U, de lezer, passeert nu de psychologische grens die wordt gevormd door de Groenendaal. Nee, terug naar het dorp kan nu niet meer. We gaan dóór!

2009-2 broek1

De Eik

Op de hoek van de Groenendaal en de Broekstraat staat een boerenhuis met schuur van oudsher bekend als “de Eik”. Hoe oud is niet bekend.1 Bij de invoering van het kadaster in 1832 boerde er Peter de Groot. In 1877 is een verbouwing geregistreerd en sedert 1980 na een volledige herbouw heeft het de huidige woonbestemming. Tussen 1920 en 1930 was Tuinbouwvereniging Sint Medaar eigenaar.2 Geen eiken, maar kersen-, peren- en appelbomen vormden de skyline van dit fruitig stukske Gemert.

In 1930 kocht Harrie Francissen het huis, maar hij ging er nog niet wonen. Hij was getrouwd met Theodora Slits, weduwe van de jong gestorven Martinus Verkampen. Dora was in 1916 met vijf kinderen achtergebleven in de 2009-2 broek2boerderij waar nu onze wethouder Harrie Verkampen woont. Na haar hertrouwen met Francissen kreeg Dora nóg twee kinderen, Martinus, die later Norbertijn werd, en Anna, onze zegsvrouwe. Anna bracht haar jeugd door op de Verkampen-hoeve. Ze was twintig toen één van haar halfbroers trouwde en in het stamhuis een eigen gezin wilde stichten. De nog thuiswonende kinderen verhuisden daarom naar De Eik. Moeder Dora was toen al overleden.

Anna ha d’n aard nie in De Eik. Het was er naar haar gevoel té klein, té beperkt. Het was ook geen echte boerderij, “feitelijk een tuinderij geweest”. Anna was een echte boerin, wilde breder, ruimer, ruiger. Twee koeien, een paard, wat hennen, dat was te weinig. Ze heeft er vier jaar gewoond, samen met haar vader en haar oudste halfbroer Jan. Broer Martien was toen al Norbertijn. Anna was blij toen zij vier jaar later trouwde en als mevrouw Bouw naar de Doonheide kon verhuizen.

Net als bij de geïnterviewden in de vorige afleveringen staan de eerste oorlogsdagen Anna nog helder voor de geest. Vooral de verwarring van de 11e mei 1940 weet ze goed onder woorden te brengen: Wel of niet evacueren? Per se thuis willen blijven! Sommige oude onwillige lieden werden toch met stoel en al op een kar gezet en naar de Hoge Aarle of Tereiken gereden. Ergens in de slootkant bivakkeren, anderen die zich in het (nog niet al te hoge) korenveld verscholen, vliegtuigen die over vlogen, het was warm weer, een papaplu als parasol. Elsendorpse boeren die met hun koeien via de Broekstraat op weg waren naar De Donk, Duitsers die ingekwartierd werden, hun commandant in de beddekoets. De pèèrd van de soldaten stonden op het erf, en Anna moest er water voor pompen…

2009-2 broek3Toen Anna in 1941 in De Eik kwam wonen, ging er een familie Verkampen uit. Antonius, de op één na oudste zoon van de al genoemde Martinus en Dora Verkampen-Slits, was er na zijn huwelijk met Johanna Maria van der Lee gaan wonen. Zij kregen vijf zonen, waarvan de oudste, Martinus, maar enkele weken oud werd. Dáárom is Toon, geboren in 1930, de oudste. Hij vertelt dat na hem wéér een Martinus werd geboren. Een driftig mènneke, volgens Toon. Hij trok bijvoorbeeld op de bewaarschool bij de zusters een non de kap van het hoofd. Toon: “Ik zat aan de andere kant van het lokaal, bij de grotere jongens, en zag het gebeuren. Ik heb trouwens nog nooit zoiets skons gezien, een zuster zonder kap. Maar ik moest evenzogoed m’n broertje kalmeren door er schrijlings bovenop te gaan zitten, zo boos was ie.” Nog in hetzelfde jaar is Martien aan de stuipen gestorven, nog maar vijf jaar. Toon herinnert zich nog dat het kistje thuis stond, op twee stoelen. En – na al die jaren – vol emotie: “Ik ben toen op een andere stoel geklommen en heb geprobeerd weer leven in onze Martien te krijgen. Èn óns moeder skrùwde driej álleng daog.”

Er kwamen nog twee broertjes, Willem en Theo.

Toon ging veel naar Jaspers, omdat moeder met fruit en kroesels (kruisbessen) – de naweeën van Sint Medaar – op de mèrt stond. Bij Jaspers hadden ze een hele grote staande klok. Tijdens een zwaar onweer, waar vooral Mietje Jaspers heel bang voor was, zijn zij en Toon in die grote, staande klok gekropen. Efteling in de Broekstraat!3

2009-2 broek4

De vader van Toon ging – het was in de crisisjaren en er moest wat worden bijverdiend – naar Beek en Donk om schepen te lossen. Vaak deed hij dat alléén, een boot van 150 ton, over een wiebelende loopplank, met zakken slakkenmeel en ander zwaar spul op zijn schouder. ’s Avonds bestond die schouder, aldus Toon, nog slechts uit “rauw vlees”.

En de jongens moesten ook van alles aanpakken. Hout sprokkelen in De Mortel, stro en rogge halen, in de kánniedasse klimmen en er het dood hout uit kappen, en meepesant ook de eksternesten uithalen. Toon had sowieso geen last van hoogtevrees. Toen hij in de mobilisatietijd een parachutist naar beneden had zien komen, was Toontje daardoor zó geïnspireerd, dat hij twee lakens uit moeders linnenkast nam en op de nok van het dak klom. Dat hij zijn korte vlucht zeventig jaar later nog kan navertellen, is te danken aan het feit dat de aangebouwde schuur net was afgebroken, en de grond eronder diep was omgeploegd. Dat verzachtte de landing.

Op bijgaande grote familiefoto staan ook wat geestelijken. Toon herinnert zich nog het raadsel dat één van die Norbertijnenpaters tijdens het opstellen voor de foto aan de kinderen opgaf: “Ge komt door één straat binnen, en ge gaat er door twee weer uit.” Juist ja: de Broekstraat!

In 1953 kocht Hendrikus Tielemans, getrouwd met Dina Verkampen, De Eik. De volgende eigenaar werd Jos van den Bosch, architect van beroep. In 1980 sloopte hij het pand en herbouwde het in dezelfde vorm. De familie Tielemans die er nu woont, geen familie van de eerder genoemde familie, kocht in 1990 ‘de (nieuwe) Eik’ van de familie Van den Bosch.

Broekstraat 44

“De Lindelaar” staat er boven de voordeur van deze langgevelboerderij, tegenwoordig de woonstee van de familie Krol. Een nieuwe naam maar wel toepasselijk voor een boerderij met linden aan de voorgevel in een gebied van oudsher bekend als ‘de Laar’. De rijpere Gemertenaren kennen dit pand als de Van Dooren-boerderij. Een halve eeuw lang heeft immers deze familie de boerderij bewoond, een hele eeuw lang heeft zij de boerderij bezeten. Het echtpaar Johannes van Dooren en Anna Maria Wassenberg, getrouwd in 1881, vormde de voorhoede.

2009-2 broek4a

2009-2 broek6Acht kinderen kregen zij, en ze hadden ook nog een neefje en een nichtje in huis. Zoon Driek en dochter Ant hebben, na het overlijden van hun ouders en het uit het huis wegtrouwen van hun broers en zusters, de boerderij nog lang bestierd. Na de Tweede Wereldoorlog zijn ze in de straot gaan wonen, de Oudestraat in dit geval, in het huis nabij de rotonde dat nu al zo heel lang, achter steeds dichter wordend struikgewas, leeg staat.

De boerderij in de Broekstraat werd eerst een jaar of twaalf gepacht door een Van Kessel, en vervolgens streek Ties Kuijpers er met zijn groeiend gezin neer. In de jaren tachtig werd de boerderij verkocht aan paardenhouder Biemans, maar die heeft er nooit gewoond, want enkele weken na de aankoop brandde de boerderij af!2009-2 broek5

Vervolgens heeft de familie Krol zich over de ruïne ontfermd en er weer een prachtige boerderij van gemaakt, inclusief een heuse tennisbaan. Op de plek waar ooit de Van Doorens d’ èrpel aojt dínne, klinkt nu het fifteen-love. Puberliefde of tennisstand, de tijd staat hoe dan ook niet stil, óók niet in de Broekstraat.

 

2009-2 broek7De volgende aflevering gaan we op weg naar het keerpunt op Boekent!

NOTEN

1. In het gebied tussen Heuvel en Broekstraat is al uit de middeleeuwen de naam “Gebor(n)de Eik” bekend maar of hier een relatie mee bestaat is niet zeker.

2. De naamdag van de Heilige Sint Medardus is 8 juni. Een spannende dag, want: Regent het met Sint Medaar, is dat na veertig daag pas klaar.

3. Voor de boerderij van de familie Jaspers, zie Gemerts Heem 2009 nr.1.

Bekijk PDF

GH-2009-02 Town Major Drake – deel 2

TOWN MAJOR DRAKE – deel 2

Ruud Wildekamp

De 1e januari 1945 betekende niet alleen een nieuw, en hopelijk laatste, oorlogsjaar maar ook een sterk verhoogde luchtactiviteit van Duitse zijde. De Luftwaffe lanceerde die dag een grote luchtaanval op de geallieerde vliegvelden in Noord-Frankrijk, België en ons land. Talloze Duitse jachtvliegtuigen werden neergeschoten waarbij veel ervaren piloten het leven lieten of gevangen werden genomen. Deze datum betekende ook dat de 129 Town Major (dat is ‘onze’ Cecil Edward Drake) onder bevel werd gesteld van het 1st Canadian Army.8 Voor Drake persoonlijk betekende dit zijn promotie tot majoor. Eind januari en begin februari 1945 brachten grote troepenverplaatsingen met zich mee ter voorbereiding van de oversteek van de Rijn. De 21e januari 1945 woonde Drake, samen met zijn collega, de 131 Town Major, Captain McCollum van Uden, een conferentie bij in de Generaal de Bonskazerne te Grave. Doel van de bespreking was het onderbrengen, op korte termijn, van de 51st Highland Division in de regio. De divisie ging op rust en moest opnieuw van verse troepen en materiaal worden voorzien. Wapens, uitrusting en de munitievoorraden dienden te worden aangevuld en de troepen een warm bad en ontspanning geboden. Daarnaast zou het een komen en gaan worden van militairen met verlof. Om dit alles voor Gemert en omgeving in goede banen te leiden werden zo’n 250 militairen van het 205th Corps Reception Camp in de nieuwbouw van het Gemertse kasteel ondergebracht. De militairen van het 4th Rest Camp, die de terugkeer van frontsoldaten begeleidden, namen intrek in het hoofdgebouw. Alle beschikbare ruimten in Gemert werden weer bezet door militairen. Voor Gemert betekende de aanval die, op 8 februari vanuit de omgeving Nijmegen van start ging, het vertrek van veel van de troepen naar het nieuwe front. Het offensief had als doel het Reichswald en het land tussen de Maas en de Rijn te veroveren (operatie Veritable). De rust was echter van korte duur. Nieuwe troepen, nu op rust na hun verblijf aan dit front, namen de vrijgekomen kwartieren weer in. Voor Drake waren dit weer drukke dagen om iedereen een geschikt onderdak te bezorgen. 2009-2 town1Meerdere gebouwen, schuren en kamers die al waren vrijgegeven, werden opnieuw gevorderd. In de nacht van 23 op 24 maart 1945 startte eindelijk de lang verwachte Rijn-oversteek (operatie Plunder). Naarmate de geallieerden dieper in Duitsland doordrongen kwam Gemert almaar verder van het front te liggen en werd het rustiger. Eind maart was het aantal troepen in Gemert zover gedaald dat zelfs aan andere zaken dan inkwartieringen en recreatieprogramma’s kon worden gedacht. De gemeente vroeg de Town Major een stuk terrein, dat lange tijd als parkeerplaats was gebruikt, om dit uit te geven als volkstuinen. Hierdoor zou enige verbetering in de, toch wel karige, voedselvoorziening van de inwoners kunnen worden gebracht. In maart ook kreeg een inwoner van Gemert het aan de stok met Drake. Groentenboer Bekkers had grote stukken uit een veldtelefoonleiding geknipt om er zijn stokbonen mee op te binden. De verbindingsdienst klaagde en de betrokken Gemertenaar kreeg een donderpreek van Drake over zich uitgestort. Hij was overigens niet de enige. Ook Gemertse kinderen hadden ontdekt dat de veldlijnen sterk genoeg waren om er prachtige schommels van te maken. Intussen waren er in de gezagsverhoudingen tussen de burger en militaire besturen veranderingen opgetreden. De Britse legerleiding gaf geen rechtstreekse opdrachten meer aan de Town Majors maar deed dit nu, via het Militair Gezag, als vertegenwoordiger van de Nederlandse overheid. Het Militair Gezag stuurde daarop de burgemeesters aan en deze overlegden, als het militaire zaken betrof, met de Town Major. Dat de Town Major toch nog wel enige macht bezat mag blijken uit het feit dat, op zijn initiatief, in Gemert en Beek en Donk 2009-2 town2door de gemeentepolitie en de Britse militaire politie samen huiszoekingen werden gehouden. Men was op zoek naar wapens, munitie, uniformen, dekens, voedsel, sigaretten en andere zaken van militaire oorsprong. De grote hoeveelheden die werden aangetroffen vormden voor de Militaire Commissaris van Oost-Brabant de aanleiding om een vrijwillige inlevering te organiseren. Daarbij werden padvinders ingeschakeld om ‘jerry cans’, olieblikken, dekens, kleding, munitie en veldlijnen en dergelijke, in te zamelen op een centraal punt bij het gemeentehuis. Drake regelde de afvoer met militaire vrachtwagens.

Na de bevrijding van heel Nederland op 5 mei 1945 verschoof zijn taak meer en meer van het onderbrengen van troepen naar het begeleiden van vertrekkende troepen. Scholen, zalen en gemeenschapsruimten werden weer vrijgegeven voor de oorspronkelijke bestemmingen en families moesten afscheid nemen van hun kwartiernemers. Vriendschappen zijn in die dagen ontstaan die tot ver na de oorlog voortduurden. Toch was het niet altijd Pais en Vrede. Drake zorgde nog voor een conflict tussen de gemeenten Bakel & Milheeze en Gemert. Zijn toezegging aan de gemeente Gemert dat een deel van de straatklinkers van de voormalige ‘Duitse weg’ in De Rips, opgehaald mocht worden voor verbeteringen aan wegen in het Gemertse buitengebied, viel in Bakel & Milheeze niet in goede aarde. Het Militair Gezag moest er aan te pas komen om vrede te stichten tussen beide kemphanen.9

Slechts zelden richtte Drake zich, via de Gemertse Courant, direct tot de bevolking. Doorgaans liet hij dat over aan de burgemeester. Op 16 februari 1945 klaagde hij echter over het verkeersgedrag van de gemiddelde Gemertenaar. Het militaire verkeer ondervond ernstige hinder door willekeurig geparkeerde voertuigen, fietsers die in rijen van drie of vier naast elkaar reden en voetgangers die de gehele straat nodig hadden. De klacht werd vermoedelijk ook in Eindhoven gelezen want in de week daarop publiceerde het Militair Gezag een stuk waarin deze klachten ook naar voren kwamen en instructies aan de bevolking werden gepresenteerd, hoe het dan wel moest.

Nationale bevrijding en vertrek

Op 7 mei 1945, tijdens de viering van de nationale bevrijding in Gemert, woonde Drake de dankdienst in de kerk bij en stond hij naast burgemeester Stevens en de heer Ypenburg, voorzitter van het Oranjecomité, op het bordes van het gemeentehuis. Daar keken de genodigden naar de optocht van de Gemertse schoolkinderen en hun aubade. Twee dagen later stond hij opnieuw op dit bordes. Nu om de bevrijdingsoptocht en -festiviteiten bij te wonen. Veel indruk maakte de strakke en gedisciplineerde houding van de militairen tijdens het spelen van de volksliederen. Op donderdag 31 mei trok de eerste naoorlogse sacramentsprocessie door het dorp. Daarbij trad Drake persoonlijk op als verkeersregelaar.

Town Major Drake bleef tot 12 november 1945 in Gemert. Per die datum werd ook de 129 Town Major opgeheven. Tijdens een buitengewone vergadering van Burgemeester en Wethouders werd op het gemeentehuis afscheid van hem genomen. Daarbij werd hij uitgebreid bedankt door de burgemeester die, namens de Gemertse bevolking, stil stond bij zijn grote verdienste voor de naoorlogse Gemertse gemeenschap. Als dank en herinnering bood de burgemeester hem een fraaie oorkonde aan die was gemaakt door de Zusters van het Heilig Bloed te Aarle-Rixtel. Daarna kreeg Ypenburg het woord. Namens de bevolking bood hij hem een fotoalbum aan met foto’s, gemaakt gedurende de periode van zijn verblijf in Gemert. In zijn afscheidstoespraak dankte Drake de Gemertse inwoners voor het ‘charter’ en het fotoalbum. Hij prees de mensen voor de wijze waarop was gereageerd op de vele verzoeken van het geallieerde hoofdkwartier die hij doorgaf en vooral de samenwerking met de verschillende gemeentelijke instanties. Verder uitte hij zijn tevredenheid over de houding van de Gemertenaren ten opzichte van de geallieerde zaak. Daags daarop vertrok Drake naar Helmond waar hij, nog tot 29 mei 1946, dienst deed bij de 85 Town Major van de British Army of the Rhine.10 Van daaruit behartigde hij, in nauwe samenwerking met de 13 Claims and Hirings Office te Eindhoven, o.m. de Britse militaire belangen in de gemeente Gemert en de financiële afhandeling van de 2009-2 town3inkwartieringen en de, door militairen aangerichte, schadegevallen. Na enkele maanden in Helmond te hebben gewerkt werd hij verplaatst naar Osnabrück in Duitsland. Uiteindelijk werd hij nog bij een staf in Egypte gestationeerd en volgden enkele plaatsingen in het Verenigd Koninkrijk. Op vijftigjarige leeftijd werd hem eervol ontslag uit de militaire dienst verleend. Na zijn pensionering trok hij zich terug in het dorpje Bishopthorpe ten zuiden van York in het graafschap North Yorkshire.

Vijftig jaar later

Zomer 1994 ontving Drake, op dat moment nog steeds woonachtig in Bishopthorpe, een uitnodiging van B&W van Gemert voor het bijwonen van de feestelijkheden ter gelegenheid van vijftig jaar bevrijding op 24 en 25 september 1994. Per brief van 12 september liet hij echter weten niet in staat te zijn om aan de uitnodiging gevolg te geven. Hij was inmiddels 91 jaar, had een zwak hart en problemen met zijn onderbenen waardoor hij slecht liep. Hij stelde voor om zich te laten vertegenwoordigen door mevrouw Johanna Bijvoet, zijn voormalige tolk, die in ‘s-Hertogenbosch woonde. Op de 24e september belde hij burgemeester Van Maasakkers op en wenste daarbij de gehele Gemertse bevolking twee mooie en fijne dagen toe. Per brief deed de burgemeester hem in november verslag van de activiteiten en feestelijkheden die in het dorp hadden plaatsgevonden.

NOTEN:

[8] De indeling bij het Canadese leger was het gevolg van een hergroepering van troepen die eind nov. 1944 al was begonnen. De Britse troepen werden overwegend in het oosten van Noord-Brabant en noord-Limburg geplaatst ter voorbereiding van een offensief naar en over de Rijn. Het Canadese leger werd langs de Maas gelegerd en geconcentreerd in het gebied tussen Eindhoven, Oss en Nijmegen. Dit ter voorbereiding van het vrijmaken van het gebied tussen de Maas en de Rijn en de oversteek van deze laatste rivier.

[9] De ‘Duitse weg’ was in De Rips de plaatselijke aanduiding voor de Hazenhutseweg. Ze vormde de verbinding tussen de weg Milheeze-De Rips en de Jodenpeel. Juist voor de brug over het Defensiekanaal (nu Peelkanaal) hadden de Duitsers een radarstation aangelegd voor de bestrijding van binnendringende geallieerde bommenwerpers. De weg naar dit station was door hen met klinkers van een wegdek voorzien en was de enige verharde weg in de verre omgeving. Gemert diende het verwijderen van de klinkers te stoppen maar mocht de stenen die al waren opgehaald houden.

[10] Na de Duitse capitulatie werd het Britse leger, voordien in ons land British Liberation Army geheten, in Duitsland een bezettingsleger met de aanduiding British Army of the Rhine [BOAR].

 

BRONNEN:

-Archief Gemert-Bakel, AG004, Gemeentesecretarie, mappen 140-141, Notulen B&W 1940-1945; mappen 798-799 Gemeentelijke brandweer; mappen 1443-1449 Geallieerde vorderingen en inkwartieringen; Gemertana 1308;

-UK National Archives, WO 171/3517, War Diary 129 Town Major en WO 171/7657, War Diary 131 Town Major, WO 373/25, Military Cross recommendation.

-Kimmenade-Beekmans, A. van de, Gemert bezet – Gemert bevrijd. Gemert, 1994.

-Kimmenade-Beekmans, A. van de, Kasteel bezet – kasteel bevrijd. Gemert, 2005.

-Kimmenade-Beekmans, A. van de, “Engelsen in “De Kroon” tijdens bezetting.” Dl 1, Gemerts Heem, 2008.02: 16-25; Dl 2. Gemerts Heem, 2008.03: 1-13.

-Möller, C. Die Einsätse der Nachtschlagtgruppen 1, 2 und 20 an der Westfront von September 1944 bis Mai 1945. Aachen, 2008: 212.

-Smith, J.R. & E.J. Creek Beale, N. Kampfflieger Teil 4, Bombers of the Luftwaffe Summer 1943 – May 1945. Hersham, 2005.

-Gemertse Courant 17 nov. ’44, 24 nov. ’44, 16 mrt. ’45 en 24 feb. ’45.

-Dagboeken Fraters 2, 04-09-43 tot 21-01-45.

-www.globalsecurity.org/military/library/report/other/us-army_germany_1944-46_ch02.html.

-www.bbc.co.uk/ww2peopleswar/stories/77/a5844477.shtml.

-www.pegasusarchive.org/arnhem/war_84med.html.

Met dank aan: Annie van de Kimmenade-Beekmans, Bakel; Ad Otten, Gemert; Antoon Verbakel, Uden; Documentatiegroep Volkel

Bekijk PDF

GH-2009-02 Kristus van Esdonk skruwt nie mir

KRISTUS VAN ÉSDÓNK SKRÙWT NIE MÍR

Peter van den Elsen

2009-2 kr1Tijdens de Esdonkse Markt van 1981 vond Theo Sonnemans uit Sint-Oedenrode het een gepaste gelegenheid om in een knotwilg een gezicht te gutsen. Hij nam het hoofd van Onze Lieve Heer uit het kepèlleke als voorbeeld. En zo was Esdonk jarenlang een (natuur)monument rijker.

Niet lang nadat Sonnemans zijn werk had geklaard, begon het beeld aan één oog te tranen. Het was een tranenstroom die niet ophield. Sommigen zagen hierin een teken: ‘Kristus skrùwt’, en ze voegden hier meteen aan toe, ‘wat wil je met al die ellende in de wereld.’

Veel fietsers hielden even stil als ze langs de knotwilg kwamen, gewoon, om even te kijken of hij nog steeds ‘skrùwde’. Met enige regelmaat kwam het echter ook voor dat iemand zijn zakdoek te voorschijn haalde en al knielend op de zakdoek voor de ‘skrùwende Kristus’ enkele Onze Vaders en Weesgegroeten bad. Een nieuwe religieuze 2009-2 kr2plek leek te ontstaan.

In de avondschemer, als een koplamp van een auto op de knotwilg scheen en een duidelijk gezicht te ontwaren viel, riep het ook iets spookachtigs op. Het leek wel alsof de Germanen uit hun graven waren opgestaan.

Nog elk jaar horen we op Esdonk de vraag: ‘Wor is de skrùwende Kristus geblívve?’ Helaas, door al dat ‘skrùwe’ is het gezicht gaan rotten en een flinke vorst heeft er vervolgens voor gezorgd dat het hele beeld aan gruzelementen viel. Theo Sonnemans heeft later, als troost, enkele vluchtige gezichtscontouren gemaakt aan de gezonde kant van de knotwilg.

Tot slot nog een anekdote uit de tijd van de ‘skrùwende Kristus’:

Ónze vádder góngk ‘ne kaër ’t kepèlleke slaojte. “t Wás al dónker èn toew ie trugkwamp van ’t kepèlleke zaot ‘r ‘ne mèns in ’t gras, óp z’n kniejs. Ónze vádder verskoot ‘r van. Haj daocht dè die mèns iejt mekeerde. Már toew ie dichterbaj kwamp, toew zág ie dè die mèns zaot te bidde vùr die skrùwende Kristus. Ónze vádder zín: “Naw zitte ze al vùr ‘nen bom te bidde, wor gí ’t hín?” Látter zaoten steeds dikker mènse te bidde vùr die skrùwende Kristus.

Bekijk PDF

GH-2009-01 De Student

2011-4 kap0

De Student

2009-1 kap1Bij de viering van het 100-jarig bestaan van de Firma Wijn in oktober 2007 verraste de jubilerende firma ‘onze’ Stichting Gemert Vrijstaat met hun cadeautip ‘die bestemd zou worden in het kader van Gemert vrijstaat’. Dat resulteerde in de opdracht aan kunstenares Lia Krol uit Buren (Erichem) voor een bronzen beeld van “De Student” aan de entree naar de Latijnse School. Lia heeft een bijzondere band met Gemert. Haar vader komt van hier en hier wonen ook nog heel wat familieleden. Op 17 oktober 2008 werd het beeld onthuld. Lennert de zoon van de kunstenares ‘zat’ model.

De historische achtergrond die heeft geleid om te kiezen voor een student: Gemert kreeg in 1587, midden in de roerige jaren van de Tachtigjarige Oorlog, een Latijnse School die elk jaar maar liefst 12 studiebeurzen te vergeven had. Dat was in die periode niet niks. Aan het einde van de Tachtigjarige Oorlog was de Latijnse School van Gemert in het Nederland van toen, nog zo ongeveer de enige plaats waar je katholiek middelbaar onderwijs kon volgen. De Duitse Orde zorgde er bovendien voor dat er in het verlengde van de studie in Gemert, ook nog eens 12 studiebeurzen beschikbaar waren voor de universiteit van Leuven of Keulen. Het is daarom niet verwonderlijk in Leuven in vroeger eeuwen een heuse studentenvereniging aan te treffen van louter Gemertse studenten: de Congregatio Municipii Gemertanii. De ‘eeuwige’ student op het stoepje voor de Latijnse School’ zal – met dank aan de firma Wijn – tot in lengte van dagen blijven herinneren aan deze bijzondere omstandigheid uit Gemerts verleden.

Ad Otten

Bekijk PDF

GH-2009-01 Town Major Drake– deel 1

TOWN MAJOR DRAKE – deel 1

Ruud Wildekamp

Ingeklemd tussen de Burgemeester De Bekkerlaan en de Drossard de la Courtstraat ligt in Gemert de Town Major Drakestraat. Met twee straten vernoemd naar een drossard in de directe omgeving zou men bijna denken dat een Town Major ook een laatmiddeleeuwse bestuursambtenaar was. De twee straatnaamborden aan beide uiteinden geven niet meer informatie dan alleen de naam van de straat. Maar gelukkig, halverwege de straat, aan de gevel van het pand met het huisnummer 27, op de hoek van de Dr. Douvenstraat, bevindt zich nog een straatnaambord. Dit brengt, met het onderschrift: ‘Town Major te Gemert 1944 – 1945’, enige duidelijkheid. Gezien de jaartallen en de Engelse omschrijving lijkt de functie ‘Town Major’ iets met de oorlog van doen te hebben. Inderdaad, Captain Cecil Edward Drake een Brits militair, kwam op dinsdag 24 oktober 1944 aan in Gemert om de functie van Town Major op zich te nemen.

De functie van Town Major kwam alleen binnen de geallieerde legers voor en was vergelijkbaar met de Duitse Ortskommandant tijdens de bezetting. Na de verovering, in juli 1943, van delen van het Italiaanse eiland Sicilië bleek het burgerbestuur van veel plaatsen en steden ineengestort. Vroegere fascistische burgemeesters waren of gevlucht of uit hun functie gezet. Het was dus aan de geallieerde veroveraars om deze leemten te vullen. Zowel de Britse als de Amerikaanse strijdkrachten richtten scholen op waar officieren, op vrijwillige basis, een opleiding kregen om op te kunnen treden als stadsbestuurder, of daar waar het bestuur nog functioneerde, dit te assisteren. Maar vooral diende de Town Major de geallieerde militaire belangen ter plaatse zeker te stellen. Meerdere Britse officieren en onderofficieren werden opgeleid aan de British Civil Affairs School te Wimbledon of het Civil Affairs Training Centre te Shrivenham om te kunnen fungeren als militairbestuurder of de assistent daarvan. Men leerde daar hoe om te gaan met plaatselijke burgerbestuurders en hoe hen te gebruiken voor de militaire zaak. Vooral het onderbrengen van grote groepen militairen zou een prioriteit binnen de werkzaamheden worden. Daarnaast werd veel aandacht besteed aan 2009-1 town1het bevorderen van de publieke veiligheid, de gezondheidszorg en het welzijn van burgers. Maar vooral diende het militaire belang voorop te staan door het zeker stellen van de plaatselijke communicatiemiddelen, openbare nutsbedrijven, industrie, handel en voedselvoorziening. Het organiseren en inzetten van civiele werkkrachten en middelen van transport ten behoeve van het militaire apparaat zou eveneens een belangrijke taak van de toekomstige militaire bestuurders worden. Een cursus aan de school duurde doorgaans zes weken en werd gevolgd door een examen. Daarna werd men weer teruggezonden naar het eigen onderdeel in afwachting van een plaatsing in een dorp of stad als Town Major of, ten behoeve van de administratie van en salariëring van de ingezette burgerwerkkrachten, bij een Civil Affairs (burgerzaken) detachement.

Naar Gemert

Voordat Captain Drake als Town Major in Gemert kwam, had Major Hudson, commandant van het 217th Civil Affairs detachement, de geallieerde militaire belangen in Gemert behartigd. Hij was twee dagen na de bevrijding naar Gemert gekomen waar zijn eerste taak was het ondervragen van gevangengenomen Duitsers. Daarnaast diende hij zich ook bezig te houden met het behartigen van de Britse belangen in Gemert en de bevolking te helpen bij problemen met de militairen. Bij zijn vertrek uit Gemert werd Hudson, tijdens de vergadering van Burgemeester en Wethouders van 17 november 1944, bedankt voor zijn diensten. Buiten het gemeentehuis stonden de Gruun en de Rooj Schut aangetreden om hem een vendelgroet te brengen. Helaas kwam die, door het slechte weer, niet al te goed uit de verf. Hij werd als commandant van het detachement Civil Affairs opgevolgd door Major Lamb.

Voor zijn aanstelling in Gemert had Captain Drake, als officier van de Royal Artillery, deelgenomen aan de gevechten in Libië, de slag bij El Alamein en in Tunesië in Noord-Afrika. Daarna werd zijn regiment ingezet in Italië en nam het deel aan de landingen in Normandië en de, daarop volgende, bevrijding van Brussel. Na acties aan het Albertkanaal in België werd zijn onderdeel, de 251 Battery van het 84th (Sussex) Medium Regiment ingezet bij operatie Market Garden, de luchtlandingen die de bevrijding van het zuiden van ons land inluidden. 2009-1 town2Tijdens deze operatie verbleef de batterij enige tijd in Malden. Van daaruit werden Duitse posities bij Nijmegen beschoten. Op 20 september 1944 gaf Drake’s batterij, vanuit het Nijmeegse sportpark, ondersteunend vuur aan de Britse parachutisten in Oosterbeek. Half oktober werkte zijn regiment nauw samen met het 658 Squadron. De lichte Auster verkenningsvliegtuigjes van dit squadron voerden artillerieverkenningen uit boven het Reichswald. Twee weken voordien hadden deze Austers nog geopereerd vanaf de vliegstrip in de Paashoef. Op 16 oktober ging Drake’s regiment op rust en vertrok naar Brussel.

Voor zijn inzet in Tunesië had Drake, toen nog luitenant, op 19 augustus 1943 het Military Cross, een hoge Britse onderscheiding voor getoonde dapperheid voor landmachtmilitairen, ontvangen.1

Cecil Edward Drake was op 21 juli 1903 in Londen geboren. Na de lagere school bezocht hij het gerenommeerde katholieke Xaverian College te Mayfield in het graafschap Sussex. Op 25-jarige leeftijd huwde hij de tien jaar jongere Moss Lear. Samen kregen ze een kind, Cathleen, dat in 1928 werd geboren.

Op vrijdag 20 oktober 1944 ontving Drake in Brussel het bericht zich gereed te houden om op korte termijn te kunnen vertrekken. In de avond van de 21e kwam het bericht dat hij naar Eindhoven diende af te reizen en zich daar bij de Town Major te melden. Met zijn dienstauto, voorzien van de aanduiding ´Town Major´, vertrok hij de volgende morgen en meldde zich in de middag bij het hoofdkwartier van 10th Garrison (het 10e garnizoen) in Eindhoven. Daar kreeg hij een onderdak toegewezen en de opdracht zich de volgende ochtend weer te melden. Colonel Montague, de commandant, instrueerde hem wat er van hem werd verwacht en gaf hem de opdracht zijn kantoor, het hoofdkwartier van de 129 Town Major, in Gemert te vestigen. Het hem toegewezen werkgebied zou bijna dertienhonderd vierkante kilometer bedragen met als noordgrens de Maas en als oostgrens de frontlijn. Tot dit werkgebied van de Gemertse Town Major behoorden 41 toenmalige gemeenten. Daarbinnen zou Gemert de positie van Army Rest Centre, rustcentrum voor het landleger, vervullen.2 Direct na zijn aankomst in Gemert nam hij contact op met burgemeester J.L.A. Stevens. Daarna meldde hij zich bij 271 Civil Affairs-detachement waar hij door Majoor Hudson werd geïnstrueerd over de lopende zaken binnen het kantonnement Gemert. Direct ook ging hij op zoek naar onderdak en kantoorruimte. Het eerste vond hij bij kleermaker Smulders in de Nieuwstraat. De benodigde kantoorruimte werd gevonden in het pand van de smid G. Hendriks, Molenstraat B 105 (nu St. Annastraat 39). Samen met Hudson bezocht hij daarop de Deputy Assistant Adjudant Quartermaster General 3 van het Rear Headquarters 4 van het VIIIth Army Corps (8e Legerkorps) die in Boekel zetelde. Deze bracht hem op de hoogte welke onderdelen binnen zijn werkgebied waren gelegerd en welke zaken er speelden. Enkele dagen na zijn aankomst kreeg Drake assistentie van Captain Taylor van de afdeling Claims & Hirings 5 die de tweede man en zijn plaatsvervanger werd binnen zijn staf. Zijn verdere staf bestond nog uit een korporaalschrijver. De gespannen personeelssituatie binnen het 2nd Army (2e Britse leger) liet het niet toe om nog verdere militaire stafleden toe te wijzen. Hiervoor in de plaats konden burgerkrachten worden ingehuurd. Een kok, Hendrik Goossens uit de Kerkstraat, was snel aangenomen. Goed tweetalig personeel was echter moeilijk te vinden en het duurde tamelijk lang voordat een betrouwbare tolk was gevonden in de persoon van juffrouw Johanna W.M. (Nono) Bijvoet. Nono liet hem, na verloop van tijd, niet geheel onberoerd en hij heeft, tijdens zijn verblijf, getracht haar het hof te maken. Door de grote hoeveelheid werk werd de ruimte in de Molenstraat al snel te klein, ze lag te ver van het centrum en was niet representatief genoeg. Dus moest worden omgezien naar een andere kantoorruimte. Per 20 november werden twee ruimere vertrekken betrokken in het gemeentehuis, waarvoor de gemeente een maandelijkse vergoeding van twintig gulden kreeg.

2009-1 town3Van 26 tot 31 oktober oriënteerde Drake zich in de omgeving waarbij hij verschillende plaatsen bezocht die onder hem ressorteerden. Veel problemen ondervond hij tijdens deze tocht met de taal. Er was nog steeds geen officiële tolk-schrijver aan zijn staf toegewezen. Tijdens deze bezoeken merkte hij dat de Nederlanders graag troepen in hun huis onderdak wilden geven. Het leverde een extra inkomen op, maar vooral profiteerden de kwartiergevers van de voor hen luxe zaken van het leger als sigaretten, chocolade, zeep en rantsoenen. “Siggerèt for papa, sjoklat for mama”, was voor de plaatselijke jeugd het enige Engels geworden dat ze in die dagen kenden.

 

 

Drukke baan

Voor de ontspanning van de militairen in de omgeving richtte Drake een comité op, het Committee for Entertainment of Allied Troops, dat bestond uit hemzelf, kapelaan A.J.J. van Haeren, mevr. C.J. Laming-Haslinghuis, F.C. Bazelmans, J.J.Y. Ypenburg, juffr. R. Vrins en juffr. M. Corstens. Het comité organiseerde dansavonden waarvoor plaatselijke schonen van ‘nette huize’ werden uitgenodigd. Daarnaast werden toneelavonden en door de ENSA (Entertainments National Service Association), de Welzijnszorg van het Britse leger, filmvertoningen en cabaretuitvoeringen georganiseerd. Tevens werden voetbalwedstrijden gehouden tegen teams uit de omgeving en werden militaire kantines in Gemert en Handel ingericht. Vooral Adèle Laming, door haar huwelijk Britse, maakte zich bijzonder verdienstelijk binnen dit comité. Kapelaan Van Haeren hield het geestelijke en morele welzijn in het oog. Doordat het comité kon rekenen op de steun van alle militaire commandanten rond Gemert, was het recreatieprogramma vanaf het begin een succes. Speciaal voor de ontspanning van de militairen werd in november 1944 in de achterzaal van Hotel de Keizer een ruimte met podium in gereedheid gebracht voor het geven van concerten, cabaret of voor toneelvoorstellingen. Sommige uitvoeringen werden ook in de aula van het kasteel gegeven. Op dringend verzoek van de Overste van de Paters van de Heilige Geest en met medewerking van de Town Major, bleef het kasteel echter verboden gebied voor het vrouwelijke geslacht.

Een groot probleem voor de Town Major vormde het enorme aantal evacués in de gemeente. In oktober waren er al ruim 800, afkomstig uit Arnhem, Elst, Nijmegen, Groesbeek, Boxmeer en Overloon. Maar er werden er nog meer verwacht, mogelijk wel zo’n 1500 tot 2000.

2009-1 town4

Begin december 1944 klaagde Drake dat de ruimten die hij voor het onderbrengen van geallieerde militairen wilde gebruiken, steeds door het gemeentelijke Evacuatiebureau was bezet met evacué’s. De klacht werd, via Civil Affairs, bij de hogere Britse legerautoriteiten en via hen bij het Militair Gezag, onder de aandacht gebracht. Vergezeld met het verzoek om 2 à 400 evacués uit Gemert te verplaatsen naar andere gemeenten. In deze kwestie werd weinig medewerking ondervonden van het evacuatiebureau en Drake oordeelde de samenwerking veel minder goed dan die hij in Frankrijk en België had gezien. Op 15 januari stelde hij het evacuatiebureau een ultimatum. Vóór 22 januari moest voor deze mensen alternatieve accommodatie worden gevonden anders zou hij over gaan tot het vorderen van de ruimten voor de Britse troepen. De kwestie werd nog verergerd door een uitbraak van mond- en klauwzeer op een boerderij. Om verspreiding van de veeziekte te voorkomen werden de troepen uit de getroffen boerderijen en die in de ruime omgeving daarvan, verplaatst. Dat sommigen hier een slaatje uit wilden slaan bleek uit de controle van de ingediende rekeningen voor de inkwartieringen. Enkelen claimden al vergoeding vanaf tijdstippen nog voordat Gemert was bevrijd. Op de 26e november werden zeven huizen in Gemert op de zwarte lijst geplaatst. Hier mochten geen militairen meer inkwartiering krijgen omdat de bewoners leden van de NSB waren geweest. Drake verzocht de gemeentepolitie de bewoners onder huisarrest te plaatsen of te arresteren. Twee woningen werden tot ‘verboden gebied’ verklaard omdat daar geslachtsziekten zouden heersen. Het aantal beschikbare adressen voor inkwartiering verminderde daardoor opnieuw. Vorderingen van accommodaties in de kerkdorpen en de omringende gemeenten konden het probleem tijdelijk verhelpen.

In december, na de uitbraak van een difterie-epidemie in Gemert vroeg Drake direct toestemming om militaire artsen in te mogen zetten ter ondersteuning van hun burgercollega’s. Mede hierdoor werd voor veel Gemertse kinderen erger voorkomen maar zo werd ook verhinderd dat Britse militairen door de ziekte werden getroffen. Deze snelle actie maakte hem geliefd bij de plaatselijke bevolking. De verhouding tussen Drake en de plaatselijke clerus verkoelde echter aanmerkelijk toen hij hun verzoek afkeurde om de katholieke schoolgebouwen weer vrij te geven voor het onderwijs. Ondermeer ondervond de juist opgerichte Willibrordus-MULO veel hinder van de ´jacht´ op ruimten door het Britse leger. Telkens als de leerlingen gedwongen waren naar een andere lokaliteit te verhuizen, reed een militair op een fiets achter de, met meubilair sjouwende, leerlingen aan, om te zien waar ze onderdak hadden gevonden. Dit met het doel om ook dit direct te confisqueren.

Op 16 en 21 december 1944 raakten woningen in het dorp in brand. De plaatselijke brandweer was door gebrek aan materieel niet in staat om de brand meester te worden en de hulp van de militaire brandweer werd ingeroepen. Drake verleende direct toestemming en met gezamenlijke kracht werd voorkomen dat het vuur oversloeg naar naburige woningen. Dit waren overigens niet de enige gevallen dat Britse militairen assisteerden bij branden in de gemeente. Hier mag echter niet onvermeld blijven dat Britse militairen, door onvoorzichtigheid met het stoken in hun inkwartieringsvertrekken, dikwijls de oorzaak waren van de branden.

Half december waren de Duitsers in België het zogenaamde ‘Ardennenoffensief’ gestart. Hoewel dit voor ons land geen directe gevechtshandelingen betekende, waren de Britten, ook in Gemert, toch uitermate nerveus en verkeerden in de hoogste staat van paraatheid. Berichten over verhoogde activiteiten van de Luftwaffe, de Duitse luchtmacht, gaven voedsel aan geruchten over bomaanvallen en landingen van parachutisten in de ruime omgeving. En niet ten onrechte! Rond tien uur in de ochtend van de 18e december vloog een Duits vliegtuig6 met hoge snelheid over Gemert en liet een tweetal bommen van waarschijnlijk 250 kg vallen. Deze explodeerden in een boomgaard achter De Haag. Vijf dagen later was de Luftwaffe terug boven Gemert. Ditmaal werden er vijf 250 kg en twintig 10 kg-brisantbommen afgeworpen. Daar geen van de bommen explodeerde was er geen schade. De blindgangers werden, op aanvraag van de Town Major, door een Britse ‘Bomb Disposal unit’ (explosievenruimers) onschadelijk gemaakt. Ditmaal was het een Junkers [Ju 88] bommenwerper geweest die de aanval uitvoerde.7 Veel tijd en mankracht ging in deze periode verloren met het uitzenden van patrouilles om te zoeken naar gelande vijandelijke agenten die in werkelijkheid niet bestonden. Diverse verdachte personen werden door de plaatselijke politie opgebracht en overgedragen aan de Britse militairen. Nader onderzoek toonde veelal aan dat het slechts evacué’s betrof die niet door de autochtone bevolking waren herkend. Achter elk vreemd gezicht kon een mogelijke spion of saboteur schuilen zo dachten velen. De verhoogde staat van paraatheid van de militairen leidde in Gemert nog tot een conflict tussen de Civil Affairs en burgers in dienst van het Britse leger. De extra lange werkdagen die voor de militairen golden, werden ook van hen verlangd. Dit werd niet begrepen en hiervoor werd een financiële compensatie geëist. Daar deze niet werd gegeven ontstond nog meer onbegrip. Evenmin werden de vele extra controles van de papieren bij de talloze wegblokkades gewaardeerd. Drake moest dientengevolge meerdere malen bemiddelen tussen burgerwerknemers en hun militaire commandanten. Naarmate het Duitse offensief verflauwde werden ook de controles minder streng, maar de geruchten over Duitse luchtaanvallen en geïnfiltreerde agenten hielden aan. Voor Gemert betekende het Ardennenoffensief ook, dat op last van Drake, een permanente bewaking van de textielfabriek Raymakers werd ingesteld. Dit omdat de fabriek een deel van Gemert van stroom voorzag. De bewaking werd geleverd door Bewakingstroepen van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten, voorheen de verzetsgroepen Ordedienst (OD) en Knokploeg (KP), en het eigen bedrijfspersoneel. Deze stonden wel onder leiding van Britse militairen. Ondanks de gespannen situatie zag Drake kans om een aantal films uit Brussel te bemachtigen en de bewoners van het kasteel hierop te trakteren. Door de paters werd deze avond zeer op prijs gesteld aldus het dankwoord van de overste.

(wordt vervolgd)

NOTEN:

[1] Drake kreeg de Military Cross voor een actie op 29 april 1943 bij Enfidaville (nu An Nafïdha), in Tunesië, zo’n 80 km ten zuiden van de hoofdstad Tunis. Drake was toen 1e luitenant, met de tijdelijke rang van kapitein. Hij was ingedeeld bij 58th (Sussex) Field Regiment Royal Artillery. Die dag was hij artilleriewaarnemer bij de 169th Infantery Brigade tijdens hun aanval op ‘heuvel 141’ en de daaropvolgende terugtocht. Bij een vijandelijke tegenaanval wist hij zijn waarnemingspost te behouden en onder zwaar mortiervuur, het tegenvuur van zijn regiment te leiden. De infanterie was toen in staat, zonder zware verliezen, zich terug te trekken.

[2] Ook Helmond was in die dagen een Army Rest Centre, waarbij Gemert doorgaans de opvang van de troepen verzorgde waarvoor in Helmond geen plaats was. Eindhoven vervulde een zelfde functie voor de Britse Royal Air Force.

[3] De plaatsvervangende assistent vd materiaalofficier van het VIIIe Britse Legerkorps.

[4] Plaatsvervangend hoofdkwartier. Dit kon lopende zaken overnemen van het echte hoofdkwartier mocht dit worden uitgeschakeld door bombardement of overval. Afdelingen personeel, materieel en burgerzaken waren bij het Rear Headquarters ondergebracht.

[5] De administratieve eenheid voor de financiële afhandeling van schadegevallen, schulden en het inhuren van burgerpersoneel en materieel voor het leger en regelen van de vorderingen van gebouwen ten behoeve van de legering van de militairen.

[6] Waarschijnlijk betrof het hier een Messerschmitt Me 262, het eerste Duitse operationele straalvliegtuig. Deze ochtend had de eenheid, I./KG 51 (1e Groep van het 51e Bomeskader) twintig van deze uiterst moderne toestellen uitgezonden met de opdracht geallieerde concentraties ten noorden van Hasselt en Neerpelt aan te vallen. Daarop vielen vier van deze toestellen het vliegveld in aanleg bij Helmond aan. Een ging er vermoedelijk naar Gemert, maar zonder speciale opdracht het dorp of het kasteel aan te vallen. Voor de Me 262, die slechts een beperkte last kon vervoeren, was een lading van twee SC 250 of SD 250, bommen van 250 kg, niet ongewoon.

[7] Gedurende de nacht naar, en in de vroege ochtend van deze dag, vlogen Junkers Ju 88’s bommenwerpers van LG 1 (1e Schooleskader) en I./KG 66, in opdracht van Gefechtsverband Hallensleben, enkele nachtmissies. Deze betroffen in hoofdzaak aanvallen op het front in de Ardennen. Enkele toestellen vlogen ook stooraanvallen in de ruime omgeving van Venlo. Vermoedelijk heeft een van deze toestellen deze bommen bij Gemert afgeleverd. Het Gefechtsverband Hallensleben was een tijdelijke samenstelling van verschillende eenheden bommenwerpers die, aan het einde van 1944, tegen geallieerde troepen werd ingezet. Ze was genoemd naar haar commandant, Oberleutnant Rudolf Hallensleben.

Bekijk PDF

GH-2009-01 Van ne Watterspawer in De Heeg

VAN ‘NE WÁTTERSPAWER IN DE HÉÉG

 Ad Otten

In Gímmert in De Haog stí ’n héég. Èn in die héég – ge zaalt ’t nie gelaojve – dor zit ‘ne wátterspawwer. Zón bild, wítte wél, dè nermaol gesprooke boove hééngt án grooëte kéérke èn kattedraole um te vùrkòmme dè ’t wátter óvver de muure no beneeje spierst. Want, dè snapte wél, dè’s zeeker vùr kérkmuure nie zo béést. Baj kéérke is d’n afvoewr van wátter veul moejleker dan baj heus, umdè die baj ’n flinke raëgenbèùj in ínne kaër ‘nen hille grooëten hooëp wátter af moete voewre. Dorrem hébbe ze daor dik gekozze vùr wátterspawers, die ‘nen hooëp wátter iníns, ’n ánd van de muuren af, no beneeje klètse in pláts van dè allemol dur raëgenpejpe zuutjesán no beneeje te laote stroome. Zo zit dè!

Dan weelde gállie naw netuurlek ok weete worrem wátterspawers aald van die aorege duuvelskòppen hébbe? In ’n antiek ‘Beknopt Kerkelijk Handwoordenboek van A tot en met Z’ héé’k ’t ópgezaocht. Van ‘waterspuier’ wiejr ik verweeze no ’n vrímd woord: ‘gargouille’. Èn baj ‘gargouille’ laësden ik: “draken-, leeuwen-, monsterkop als waterloozer, spuier of spuwer aan een kerkgevel: symbool der uitgeworpen ketterijen.” Dorrem dus!

De Gímmerse kéérk hé án ’t kléén torrentje óp ’t priesterkoor ok ’n pár wátterspawers èn in de Heemkaomer van2009-1 van1 Gímmert hebbe ze ok nòg ‘nen hawtere bewaord, die ze ’n twánteg, meskien wél dárteg jaor geleeje oojt hébbe vervange. Már hoe kömt zonne wátterspawer naw in die héég in Gímmert? De verklaoreng is simpel. Die héég stí óp d’n hoek van’t perseel van De Haog, haojsnummer 49 èn dor woonen Toon èn Stannie Grassens. Toon is bíldhaawer èn haj hé óvveral bílde ston. Zèlfs in Japan èn in Brazilië èn Toon is z’n kárriejèère laang geleeje begonnen óp de Sint Jan van D’n Bos èn zooë is ’t ok nie verwónderlek dè ze Toone ok vroegen um ‘ne wátterspawer te maoke vùr ’t Laand van Oojt. ’t Moes ‘ne goeje stívvege worren èn Toon mákten ‘m van betón mí glasveezel. Kèèj èn kèèjhárd èn toen Toon vèrreg waor, mákten ie ‘r nòg ínne. Mal èn alles stonne nòg vèrreg èn haj zal nòg wél ‘nen hooëp spíssie hebben óvvergehad, ok nòg ok, ok nòg. Már haj ha vùr d’n ánmaok van diejen dòbbele wátterspawer ok ’n spísjaol reeje. Toon waor pas krèk ingeheusd in ’n boerderééj. Alles ópgeknapt èn ok ’t höfke veur. Már mí dien hòf ha Toon ’n prebleem. Die laog tíggenóvver d’n inrit van ’t waëffebriek van Rajmaokers èn grooëte vráchtwaoges reeje deeger óppernèèjt d’n hoek aojt z’n héég. Toon hé toen diejen twídde wátterspawer in z’n héég geplant èn dor hé gínnen ínne vráchtwaoge nòg oojt iejt kepòt gereeje. Èn zooë zit dè dus mí die wátterspawer in de héég ín Gímmert. Intussen is ’t febriek van Rajmaokers al laang geleejen afgebrooke, már de wátterspawer is bliejve ston. As vólstrékt uuniek verskejnsel.

(met dank aan Wim Vos voor de omspelling in NGS)

Bekijk PDF

GH-2009-01 De Broekstraat van weleer (2)

DE BROEKSTRAAT VAN WELEER (2)

Oude tijden keren niet weer

Adriaan van Zeeland en Simon van Wetten

We wandelen verder. Het startschot hebben we in de vorige aflevering gelost bij café De Zoete Moeder, op de hoek van de Heuvel en de Broekstraat, en we hebben uitgebreid de Van de Weijer-boerderij besproken. Weliswaar met een bijgaand foto-onderschrift waarin we Jan van de Weijer in het stoelkussen hadden gelegd en Alphons van der Velden nonchalant leunend op de leuning van diezelfde stoel hadden gesitueerd, terwijl dit toch echt andersom moest. Maar dat is bij deze rechtgezet en we wandelen naar de boerderij waar ruim een eeuw lang de koeien hun staart en de leden van de familie Jaspers de scepter zwaaiden.

Boerderij Broekstraat 26

Al in 1869 verwierven Antonius Thomas Jaspers en zijn vrouw Petronella Slits deze boerderij. Rond 1880 hebben zij huis en schuur vrijwel compleet herbouwd. De gevelsteen naast de voordeur, met de tekst 4 M 1878, herinnert aan die ingrijpende operatie.2009-1 broek1

De bekendste bewoners zijn ongetwijfeld de vrijgezelle broers Toon en Dries Jaspers, kleinzonen van genoemde Antonius en Petronella. We hebben in aflevering 1 in het café van De Zoete Moeder al kennis met hen gemaakt. Dat dóóroefenen met de organist-kastelein, zelfs na de officiële repetities van het kerkkoor, leverde de gebroeders meer dan een halve eeuw later een pauselijke onderscheiding op voor hun 60-jarig lidmaatschap van het kerkkoor. Ook de Oranje lintjesregen is ooit op hun boerderij neergedaald. Ja, je kunt wel aan de rand van het dorp wonen, en er toch middenin staan. Dries als muzikant, Toon als voorzitter van zowat de helft van alle verenigingen die Gemert rijk was. De Rooms-katholieke boerenjeugd, de harmonie, de Boerenbond, de ruilverkaveling, de fokpaardendag, het gilde Sint Antonius en Sint Sebastiaan, en niet te vergeten de gemeente, alles en iedereen in Gemert heeft op de één of andere manier de leidende hand van wethouder Jaspers ervaren. Foto1 Negenentwintig jaar is Toon de loco-burgemeester van Gemert geweest en hij was in die hoedanigheid zelfs de gastheer van prins Bernhard toen die in 1949 Gemert bezocht, gelukkig nog net voor de Greet Hofmans-affaire. U ziet het, ook al wonen ze naar N.A.P.-maatstaven aan de laagste kant van Gemert, Broekstraatbewoners bewegen zich met gemak op het hoogste niveau!

2009-1 broek2

Van de vijf zusters van Toon en Dries zijn er nog drie in leven. Met de oudste, de 95-jarige Nel (die je hooguit 70 schat, fantastisch) en met Miet (89) hebben we zitten mijmeren over lang vervlogen dagen. Op zo’n moment blijkt dat met name de eerste oorlogsdagen in het geheugen zijn verankerd! Op 11 mei 1940 vluchtte het hele gezin Jaspers naar de boerderij van Van Dommelen, op Tereiken. Deze kleine emigratie geschiedde met de platte kar, en pa Jaspers had het geldkistje en de belangrijkste papieren meegenomen om ergens bij de derde steeg te begraven. Het gat was al gegraven en vader stond, de onzekere tijden nog eens overpeinzend, lang met het kistje in zijn handen. Uiteindelijk draaide hij zich om, keerde mét het kistje terug naar de platte wagen en deelde zijn gezin mee dat “geld in de grond stoppen” niet meer van deze tijd was.

Er zijn ook onderduikers in huis geweest, “twee uit Delft en één uit Volkel.” Wat de gezusters Jaspers óók niet zijn vergeten, is het gebrek aan emancipatie in hun jonge jaren. Daar waar zij, de dochters, met een klein melkkarretje te voet naar Tereiken moesten, de koeien melken, daar waar zij bij andere boeren dienden te gaan helpen om wat bij te verdienen, daar werden hun broers steeds ontzien, want tja “die waren overal bij” en dat was een goed excuus om alle karweitjes maar aan hun zusters over te laten.

Miet, de jongste van de twee, woont in het huis dat ze in 1956 – toen zij met HasVissers trouwde – op de gronden van de ouderlijke boerderij mocht bouwen. Dit huis en de foto waarop Nel zich als dienstmeid ontfermt over het kroost van de volgende buurman, Harrieke de Booij alias Van de Laar, én het Jaspers-verhaal dat als je bij Harrieke bij wijze van spreken een riek ging lenen, je er een uitleg van een kwartier bij kreeg over hoe dit gereedschap te gebruiken, vormen de tussenstations voor onze sprong naar alweer zo’n skon boerderij ter linkerzijde.

Boerderij Broekstraat 36

2009-1 broek5Die boerderij heeft niet altijd ter linkerzijde gestaan. Aanvankelijk aan de overzijde van de weg gelegen, getooid met de schone naam “Begijnhoeve” 1, kraaide er op 18 mei 1895 de rode haan. De herbouw vond plaats op de plek waar de Begijnhof nu staat.

De niet zo berooide eigenaar, hij kon wel tegen een stootje, was Everard Hugo Scheidius. Het echtpaar Roijakkers-De Louw was als pachter misschien wel méér berooid. Maar de familie verhuisde mee naar de andere kant van de weg en boerde verder. Dochter Miet trouwde met Harrie van de Laar, en nadat het jonge echtpaar aanvankelijk in Aarle-Rixtel een bestaan en een gezin had opgebouwd, keerde de familie in 1940 terug naar de Broekstraat om de Begijnhof van de ouders van Miet over te nemen.2 Toen zoon Henk in 1941 geboren werd, ging vader Harrie dat trots bij de buren Jaspers aanzeggen. “We hebben er een schapenboer bij gekregen”, zei hij, 2009-1 broek3doelend op de spierwitte haren waarmee kleine Henk gezegend was. Een beetje nomen est omen (“de naam is een voorteken”- red.) was dat wel, want vijftien jaar later begaf Henk zich met paard en kar naar Ezzing om er z’n eerste schaap te kopen. En als er één schaap over de dam is: Henk heeft er ooit honderd tegelijk gehad. Nog weer later begaf Henk zich in de plaatselijke politiek, en heeft er zo aan bijgedragen dat de Broekstraat bovengemiddeld veel wethouders heeft voortgebracht.3

2009-1 broek4

2009-1 broek6

2009-1 broek7

In de naoorlogse jaren was de Broekstraat levendig en saamhorig. De levendigheid werd veroorzaakt doordat er veel jeugd van dezelfde leeftijd opgroeide, de saamhorigheid was vooral gestoeld op de verwantschap van veel families, maar ook op het gegeven dat de gronden van de diverse boerderijen dwars door elkaar heen lagen. En dan moet je niet dwars gaan liggen… De uitwisseling van de paarden (als je grasland moest scheuren had je er twéé nodig en de meeste boeren hadden er maar één) zorgde eveneens voor een wij-gevoel. Stond er een koe op kalven, dan kwamen de geburen bijeen om de geboorte af te wachten, en na afloop werd er een goeie sigaar opgestoken.4 Wij, als niet-rokers, verlaten wat eerder deze dampkring en treffen elkaar volgende keer aan de overzijde van de Groenendaal.

Wordt (dus) vervolgd.

NOTEN:

1. “Begijnhoeve” herinnert aan dat het ooit bezit was van nonnenklooster Soeterbeek te Deursen bij Ravenstein (zie: A.Otten, Begijnhof in de Broekstraat, Gemerts Heem nr.60, 1975). In 1834 kocht Van Riemsdijk de hoeve. Net als bij het kasteel waren in opeenvolging de families Van Riemsdijk, Lüps en Scheidius, eigenaar.

2. Jan en Bart van de Laar zijn in Aarle-Rixtel geboren, Henk, Marietje, Truus en Sjef in de Broekstraat. De bij de boerderij horende gronden lagen niet zó versnipperd, allemaal in de driehoek Daalhorst-Broekstraat-Galgeveldseweg tot aan de eerste steeg. Het was een gemengd bedrijf: negen of tien koeien, jongvee, wat zeugen met biggen en een paar honderd hennen. Graan, suikerbieten en aardappels (die in de Straot werden uitgevent) completeerden deze boerenbedoening.

3. Vier wethouders maar liefst! Naast Henk van de Laar waren dat de al eerder genoemde Toon Jaspers, diens vader is óók wethouder geweest, en later op onze wandeltocht komen we nog ene Harrie Verkampen tegen.

4. Andere Van de Laars woonden in de boerderij met de schone naam De Stinckert, en er woonde nóg een familie Ro(o)ijakkers in de boerderij waar nu de Van Bommels wonen. En die (o) tussen haakjes is omdat binnen dezelfde familie er verschillende schrijfwijzen van de achternaam worden gehanteerd.

Bekijk PDF

GH-2009-01 Adellijke hoeve Beverdijk

ADELLIJKE HOEVE BEVERDIJK

Ad Otten

Door de bebouwing van Molenbroek en meer nog door de aanleg van de Vondellaan verdween in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, ‘de beverdijk’, tot dan toe één der meest bekende binnendoortjes van Gemert. Het was een grotendeels éénsporig pad van Haageijk naar Deel-Boekelseweg. Toen in 1983 de gemeentelijke commissie straatnaamgeving zich boog over een nieuwe straatnaamgeving voor de resterende en van oudsher bewoonde delen van de aloude Beverdijk en pleitte voor handhaving van de naam aan de kant van Deel en invoering van de nieuwe naam ‘Watermolen’ aan de kant van Haageijk, rezen er allerhande vragen.2009-1 adel1 Voor de doorsnee-Gemertenaar begon de Beverdijk in het centrum en van een Watermolen daar ter plaatse had men nooit gehoord. Desalniettemin werd het advies van de straatnamencommissie door het gemeentebestuur overgenomen. De argumenten, dat een uit de middeleeuwen daterende Hoeve Beverdijk was gelegen aan de Deel en een watermolen in de hoek Haageijk-Molenstraat waren daarbij doorslaggevend. Vijftien jaar later werden onder het tracé van de nieuwe ‘Watermolen’ de fundamenten blootgelegd van de rond 1600 reeds stilgelegde watermolen op het riviertje De Rips. Sedertdien is ‘Watermolen’ in het Gemertse helemaal ‘ingeburgerd’.

Ook de oude uit de middeleeuwen daterende Hoeve Beverdijk aan Deel verdient echter de aandacht. Deze hoeve gold als één der belangrijkste leengoederen van de Duitse Orde in Gemert en haar leenmannen waren tot circa 1600 ook van adel. Het belang van dit leengoed moge ook blijken uit het gegeven dat in het oudst bewaard gebleven leenregister (opgemaakt op 24 juni 1387) de Guede ten Beverdike, wordt genoemd meteen na de leengoederen van (jonker) Diederich van Ghemert (te weten ’t Hooghuys en ’t Guet Esdonk).1 Als leenman van Beverdijk staat daar te boek: (jonkheer) Lucas Meuwszoon van (Aarle)Beek, die we uit andere archiefstukken kennen als schout van Gemert (lees: ‘burgemeester’). Lucas is vermoedelijk in de voetsporen van zijn vader Meus getreden die we in 1366 al aantreffen onder de zegelende getuigen bij de overdracht van de heerlijkheid Gemert aan de Duitse Orde. Meus van Beke sneuvelde in de slag van Baesweiler in 1371 in dienst van de hertog van Brabant. Hoe het ook zij, als leenmannen van de Duitse Orde verkeren zij in goed gezelschap. Na Diederik van Gemert en Lucas van Beke, wordt in 1387 Gerard van Amstel, de stamvader van de Gemertse Van Amstels genoemd als derde leenman van de Kommanderij. Van Lucas is verder bekend dat hij naast zijn wettige vrouw Mechteld ook ‘verkeerde’ met Katelijn, een (bastaard)dochter van Heer Gerard van Havert, lid van de Duitse Orde. Van de eerste won hij 7 kinderen, van de tweede vier.2

Het leenmanschap van de Guede ten Beverdike blijft in de wettige familie Van Beek. Na schout Lucas wordt leenman diens zoon Johan van Beke (een priester), die het goed in 1443 overdraagt aan zijn broer jonker Arnt Vrient van Beke.3 Het leenregister dat loopt tot 1512 omschrijft het leengoed als “huysinge metter hofstat, een mudsaets lants ende derden halven buenre (= 2½ bunder) eusels daeraen gelegen, metter eenre sijden neven erfenisse (jonker) Goyarts van Lanckvelt, mitter ander sijden erfenisse Hanrick Donkers kynderen (erf aan de Hei/Doonhei), d’een eyndt neven der Heeren erve (= Molenbroek), dander eyndt neven die straet (=Deel)”.4 Uit deze omschrijving wordt duidelijk dat de hoeve gelegen was tussen aan de ene kant het adellijk Huis Lankvelt (het latere Slotje in de Deel) en aan de andere kant erven ‘aan de Hei’. De hoeve was geweegd aan de Deel en de landerijen strekten zich uit tot aan het de Duitse Orde toebehorende Molenbroek.

In 1484 blijkt het leenmanschap van Arnt Vrient van Beke te zijn overgegaan op schoonzoon jonker Dirk Dirks van Driell (uit Mill), man van jonkvrouw Beel van Beke.5 Zo’n 45 jaar later wordt deze Dierk van Driel in de Gemertse schepenprotocollen genoemd als de bezitter aan wie de hoeve Ten Beverdijk ‘plech toe te behoren’.6 Kennelijk is het de leden van de Gemertse schepenbank op dat moment niet duidelijk wie er nu precies de eigenaar/leenman is van de hoeve. De gebezigde omschrijving maakt wel duidelijk dat Dirk van Driel zal zijn overleden en dat zijn bezit (in dit geval de hoeve Beverdijk) dan nog onverdeeld in de familie is, en dat de op naam gestelde vererving en nieuwe leenverheffing nog moet plaatsvinden. Een directe bron daarvoor is niet gevonden hetgeen naar alle waarschijnlijkheid moet worden toegeschreven aan het feit dat de nieuwe leenman, met o.a. veel bezittingen in het Land van Cuijk, niet in Gemert verblijft. Dankzij een testamentaire beschikking van zo’n 40 jaar later, komen we toch achter de naam van de nieuwe leenman(nen) van het Goed ter Beverdijk.7 Het is op 20 december 1570 dat jonker Henrick Creil een handtekening zet onder “sijnen uijterste wille” ten overstaan van verschillende getuigen waaronder zijn neef en biechtvader, de heer en meester Adriaan Lucassen, pastoor te Blaerthem. Hij vermaakt daarbij aan zijn echtgenote Joffrouwe (lees: jonkvrouw) Anna van Steenhuijs, “alle sijne goeden hoedanige dieselvige mochte weesen, zoe waele sijne leengoeden als andere haeffelijke ende unruerlijke goeden, thijnsen ende gelt, pachten ende coerenpachten, egheene van alle sijne goeden uijtgescheijden”.8

Leenman Beverdijk (bijna) bankroet

De bedoeling van het kort voor zijn overlijden door Hendrick Creil opgemaakte testament was om zijn vrouw (en indirect hun beider kinderen) in de gelegenheid te stellen, vrij over zijn nalatenschap te kunnen beschikken. En dat had een speciale reden. Jonker Creil had bij verschillende personen grote schulden uitstaan, waardoor zijn erfgenaam na zijn dood gedwongen zou worden om tenminste een deel van de bezittingen te verkopen. En het verkopen van 2009-1 adel2leengoederen dat kon niet zomaar. In de daarover opgemaakte archiefstukken wordt gewag gemaakt van de oorzaak van de door Jonker Creil opgelopen schuldenlast, die zou zijn ontstaan “doer bankeroeten ende ander verlies van sijnen goeden door inundatien van den water”. Wat betreft die inundatie past hier de veronderstelling dat die waarschijnlijk niet zijn goederen in Gemert zal zijn overkomen maar goederen elders. Vermoedelijk moet de door inundatie opgelopen schade geplaatst worden op het conto van het krijgsbedrijf tijdens de zogeheten Gelderse Oorlogen, waarbij met name het Land van Cuijk veel schade opliep. Jonker Creil taxeerde zijn schade op zo’n tienduizend gulden en het was reeds in 1554 dat hij daarom aan keizer Karel V, tevens hertog van Brabant, toestemming vroeg (en kreeg) om zijn leengoederen in Brabant te mogen verkopen en ook alle goederen die hij in leen had van de zogeheten Brabantse Smalheren.9 Hoe het ook zij Henrick Creil heeft het nog ruim 16 jaar kunnen uitzingen zonder over te moeten gaan tot verkoop van zijn leengoederen te Gemert. Maar toen hij zijn dood voelde naderen heeft hij zijn vrouw en gezin niet willen belasten met een schuldenlast die toen nog ruim “sesse duijsent guldens” bedroeg. De verkoop van de leengoederen te Gemert, in casu ’t Goet ten Beverdijk, moest uitkomst bieden. Maar nu deed zich een probleem voor. De in 1554 van keizer Karel V verkregen toestemming om over te gaan tot verkoop van leengoederen gold niet voor leengoederen van de Commanderij Gemert. Daarvoor moest hij te biecht bij de Vrijheer van Gemert, en die liet zich niet beschouwen als een van de Brabantse hertog afhankelijke ‘smalheer’, zoals die van het Land van Cuijk, Land van Ravenstein of het Graafschap Megen.

2009-1 adel3Vóór zijn overlijden slaagde Hendrik Creijl er niet meer in om van de Vrijheer van Gemert toestemming te krijgen om tot verkoop van het leengoed over te gaan. In opdracht van Jonkvrouw Anna van Steenhuijs, inmiddels weduwe van wijlen Henricus Creil, wordt op 16 mei 1571 ten overstaan van de te Gemert gevestigde notaris Laurens Eyndhouts een aan de landcommandeur gericht verzoek daartoe opgesteld.10 Kennelijk is daarop gunstig beschikt (met behoud van het leenheerschap van de Commanderij Gemert) want een jaar later blijkt de leenhoeve Beverdijk ook daadwerkelijk verkocht. In de Gemertse schepenprotocollen wordt in 1572 althans aangetekend dat de kinderen van Jonkvrouw Anna van Steenhuijs, later wanneer ze volwassen zijn, de verkoop van de hoeve Beverdijk nog zullen moeten ‘lauderen’.11

 

 

Nawoord en Conclusie

Daar verder onderzoek naar de opeenvolging van leenmannen van de hoeve Beverdijk niet direct nieuwe namen opleverde moet vooralsnog worden volstaan met de tot dusver gegeven reconstructie.

2009-1 adel5

De bronnen in onder meer schepenprotocollen met vermelding van ‘beverdijk’ 2009-1 adel6zijn na 1572 niet meer eenduidig. Tot laatstgenoemd jaar behoren de leenmannen van de hoeve Beverdijk tot de Brabantse landadel. Het is duidelijk dat in de roerige zestiende eeuw met zijn uitloop in de Tachtigjarige Oorlog, de laatste bekende adellijke leenman van Beverdijk in financiële problemen geraakte en uiteindelijk heeft moeten besluiten tot verkoop van de hoeve Beverdijk. De uitstraling van het leengoed zal dat niet ten goede zijn gekomen. Mogelijk heeft dat ook geleid tot een opsplitsing van het leengoed. Uit de achttiende eeuw zijn tot dusver géén en uit de achttiende twee niet-adellijke leenmannen bekend van de hoeve Beverdijk.12 Op het minuutplan van het kadaster (1832) zien we overigens op de locatie waar de Beverdijk uitmondt op de Deel nog altijd een flinke hoeve (met een hoekwoning) en een kennelijke binnenplaats. Deze hoeve brandt in 1866/1867 tot de grond toe af. Datzelfde lot treft in 1954 ook de op de oude locatie nieuw opgetrokken boerderij. Sedertdien valt hier van een historisch interessante bebouwing in feite nauwelijks nog iets te bespeuren. De van de oude kern van Gemert wat afgescheiden buurtschap van het laatste stuk van de Deel – nu met het St.Tunniskapelleke gelegen tegen Vondellaan-Boekelseweg – heeft wel het aparte karakter van een op zichzelf staaan buurtschap behouden. Het fundament daarvan ligt in de middeleeuwen bij de oud-adellijke leenhoeve Beverdijk. Een bijzonder gegeven, ook al werd deze hoeve, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Huis Lankveld, misschien wel nooit door adellijke personen bewoond. Vanaf 1366 valt er dankzij aanvullende genealogische bronnen13 tot 1572 wel een complete lijst van de adellijke leenmannen te reconstrueren.

DE ADELLIJKE LEENMANNEN OP EEN RIJ

Meus van Beke,

Bartholomeus kortweg Meus van Beke is in 1366 bij de overdracht van de heerlijkheid Gemert aan de Duitse Orde een zegelende getuige. Hij was gehuwd met Beel dochter van Lucas van Erp. Gesneuveld in de slag bij Baesweiler 1371.

Lucas Meus van Beke,

vermeld vanaf 1374, overleden ca. 1413, gehuwd met Mechteld. Genoemd als schout in Gemert, 1391, 1394.

Heer Jan van Beke,

priester en rector van het OLV altaar in de Beekse kerk. Hij overlijdt ca 1451 zonder wettige kinderen.

Arnt Vrient van Beke,

broer van Heer Jan van Beke, gehuwd met Geerborg, dochter van Jan Balijart.

Dirk van Driel man van Jkvr. Beel van Beke,

Jkvr. Beel, dochter van Arnt Vrient van Beke, erft Goed Ter Beverdijk. Zij is gehuwd met Dirk Dirks van Driel uit Mill. Het echtpaar is kinderloos.

Joost van Eynthouts man van Jkvr. Lucia van Beke,

Lucia zuster van Beel van Beke trouwt ca. 1470/1475 Joost van Eyndhouts. Zij (met hem) erft Goed Ter Beverdijk van haar zuster. Weduwnaar Joost van Eynthouts hertrouwt met Heylwich van den Broeck; hij overlijdt vóór 22-8-1528.

Reynier Creyl man van Gherberghe van Eynthouts,

Gherberghe, dochter van Joost Eynthouts en Lucia van Beke, trouwt Reynier Creyl, de volgende leenman.

Hendrik Creyl,

De zoon van Reynier en Gherberghe van Eynthouts trouwt Anna van Steenhuys, dochter van de heer van Oploo.

NOTEN:

1. BHIC ‘s-Hertogenbosch, Archief Kommanderije vd Duitse Orde Gemert [AKDOG] inv.nr. 43.

2. Met dank aan Jan Timmers en Hans Vogels. Hun mij toegezonden genealogieën van de ‘Van Beke’s’ zijn opgeborgen in het dossier ‘Genealogie Van Beke’ in de Heemkamer te Gemert.

3. BHIC ‘s-Hertogenbosch, AKDOG Inventaris Hfdst.X invnr.8.

4. BHIC ‘s-Hertogenbosch, Commissie van Breda invnr. 430; Vgl.: Peter vd Elsen, Goederen van de Duitse Orde dl.3 (de feudale goederen), in: GHeem 1980, p. 120-125.

5. BHIC ‘s-Hertogenbosch, AKDOG invnrs. 45, 46; id. Bossche Protocollen 1483/1484 f.198.

6. Gemeentearchief Gemert-Bakel, Rechterl. Archief Gemert R102 dd 9.8.1529. Vgl. S.v.Wetten, Transcripties Gemertse Schepenprotocollen, R102 akte 524.

7. Tussen de hier genoemde leenman Henrick van Creil en de eerder genoemde Dirk van Driel, zijn uit genealogische bronnen door Hans Vogels en Jan Timmers nog de namen aangereikt van Joost Eynthouts en Reinier Creyl. Zie lijst van elkaar opvolgende leenmannen.

8. BHIC ‘s-Hertogenbosch, AKDOG invnr. 47: Het betreft een codicil op een eerder met echtgenote Anna van Steenhuys gemaakt testament bij mr. Peter van Laer (de Lovanio) te Antwerpen.

9. BHIC ‘s-Hertogenbosch, AKDOG invnr. 48; BHIC ‘s-Hertogenbosch, AKDOG invnr. 47: In akte uit 1554 betreffende de leengoederen van keizer Karel V als hertog van Brabant staat letterlijk: “hetzij leengoeden, zoe van ons, als vanden smaelen heeren desselfs ons lants te leenen gehouden”.

10. BHIC ‘s-Hertogenbosch, AKDOG invnr. 48.

11. Gemeentearchief Gemert-Bakel – Rechterlijk Archief R109 dd. 8.2.1572; 20.6.1572; 20.6.1572; Vgl. S.v.Wetten, Transcripties Gemertse Schepenprotocollen – R109 akten 627, 628, 629.

12. Peter vd Elsen noemt in ‘Goederen van de Duitse Orde dl 3’ (GHeem 1980, p.123) Antoni Haubraken en Laurens Haesboudt uit resp. 1721 en 1723.

13. Met dank aan Hans Vogels (Helmond) en Jan Timmers. Zie ook noot 2.

Bekijk PDF