GH-2024-4 Gemerts volkslied honderd jaar en bij de tijd
Ad Otten
In 1923 introduceerde pastoor Lambert Poell het in de Gemertse taal geschreven ‘Van Wor Ik Bén’. Het slaat meteen aan. Heemkundekring De Kommanderij Gemert vierde het honderdjarig bestaan met leerlingen van basisscholen en zorgde voor een update, waarover zowel in het Gemerts Nieuwsblad als in het Eindhovens Dagblad enthousiast verslag is gedaan.1 In dit artikel een terugblik.
Eerst even terug naar Lambert Poell
Lambert Poell werd geboren in 1872 te ’s-Hertogenbosch. Na vier jaar gymnasium begon hij in 1887 aan de priesteropleiding. Zijn eerste standplaats als priester (1895) was Tilburg, dan Eindhoven, daarna weer Tilburg, waar hij ook fungeerde als kapelaan. Voor iedereen gold hij echter als een door de bisschop ‘vrijgesteld geestelijke’. Actief in de katholieke arbeidsorganisatie en het vakbondswerk.
In Tilburgse werkgeverskring kreeg hij de bijnaam ‘de rode kapelaan’. Ton Thelen schreef in zijn proefschrift over de priester Lambert Poell als “voorman van de katholieke arbeidersbeweging in het Bossche diocees vanaf de fase van ontluiking tot de fase van consolidatie”.2 Dat was in overeenstemming met diens benoeming door de bisschop in 1904 tot organisator en propagandist van een te vormen diocesane textielarbeidersbond, die later uit zou groeien tot een landelijke organisatie. Binnen twee maanden zette Poell dan onder zijn redactie een vakblad in de steigers met de naam ‘Het Hoog-Ambacht’. Een lange reeks van cursussen, spreekbeurten en ontwikkelingsavonden volgde. In 1906 kwam hij op de markt met de uitgave van een ‘Sociale Cursus in vragen en antwoorden’. Dat was met de bedoeling om op termijn nog uit het vakbondswerk te kunnen terugtreden. De uitgave was een schot in de roos en zou tot 1922 maar liefst dertien herdrukken beleven.2 Intussen was Poell in 1915 benoemd tot pastoor te Gemert, waar hij al gauw uitpakte met een wekelijks verschijnend parochieblad, ‘Het Officieel Kerkbericht van de kerken van Gemert’. Dat bracht behalve parochienieuws ook lokaal nieuws met iedereen aansprekende wetenswaardigheden over het Gemerts kasteel, pelgrimsoord Handel, de Handelse Kluis, het Wit-Gele Kruis, het klooster Nazareth, maar ook over onder meer het Doktersfonds en een Centrale Ziekenkas. Op de titelpagina tekende de auteur en uitgever voor een luidend klokje, dat heel Gemert ertoe verleidde het blad de koosnaam ’t Klökske te geven.
Met als bron zijn eigen parochiearchief wijdde Poell al in de eerste jaargang (1917) een artikeltje aan het aparte Vrijstaatje Gemert uit het verre verleden. In 1918 schreef hij ook al over opvallende apartheden in de Gemertse taal: Braaf = tamelijk; ’t nat lupt er braaf goed af. Onder de titel Gemmerts, later Gimmerts, werd dat in zijn Klökske tot een regelmatig terugkerend onderwerp. Eind 1921 werd de mogelijkheid geopend tot adverteren à 8 cent per regel. Aankondigingen van vergaderingen 5 cent per regel.
‘Van wor ik ben’ vanaf 1923
In zijn negende jaar als pastoor van Gemert kwam Poell op de proppen met het Gemerts Volkslied. Zijn voorbeeld was het in 1912 in de bedevaartsplaats Kevelaar gemaakte ‘Heimatslied’ dat zich vrij snel ontwikkelde tot het volkslied van de hele omgeving, later tot het hele noordelijk deel van het (Duitse) gebied aan de Nederrijn. De oorspronkelijke tekst Wor hör ek t’hüss? – kent gej min Land? is van Theodor Bergmann en de muziek van Gerhard Korthaus. Iedereen herkent hierin meteen de eerste regel van Poells Gemerts Volkslied Van wor ik bén – kéénde gaj ons laand? Dat het Heimatslied van Kevelaar populair werd in de hele regio over de grens is niet zo vreemd wanneer je weet dat een kleine honderd jaar eerder daar ter plaatse het gebruik van de Nederduitse taal (zeg maar ‘het Nederlands’) verboden werd ten faveure van het hoogduits (nu ‘het Duits’). In ‘Moederstaal’ raakte men daar een eeuw na de nieuwe grenzen van het Wener Congres (1815) nog altijd een gevoelige snaar. Poell moet in 1923 met zijn ‘vertaling’ van het Lied van Kevelaar heel goed hebben aangevoeld dat hij in Gemert zo’n zelfde snaar zou raken…
Op het graf
Wijlen Fridus Werts (1910-2003), melkboer op het Binderseind, vertelde dat hij met andere klasgenoten door de pastoor indertijd was geselecteerd voor een zangkoortje om te oefenen voor de presentatie van het volkslied. Maandenlang repeteerden ze onder leiding van de pastoor en organist Jan Bots voor ‘Van wor ik bén’. Z’n hele leven is het hem bijgebleven. En zo komt het ook op zijn grafzerk… Maar hij is niet de enige. Op het graf van aannemer en heemkundige Willem Vos (1905-1987) lezen we de laatste zin van het Gemerts volkslied “haj’s hiejr van don”. Willem had zo z’n eigen argument: “nérgend ís ’t zo skon as hiejr”.
Kevelaers Heimatslied
Bijzonder is ook de getuigenis van Jan J. Koekkoek (1916-2009) die in september 1929 door zijn ouders vanuit het Gelderse Baak naar de Paters van de Heilige Geest op het kasteel in Gemert werd gebracht om daar zijn opleiding tot priester te beginnen. Naast heel veel andere dingen leerde hij ook het Gemerts Volkslied. Zo’n zestig jaar later stuurde hij er vanuit Weert een artikel over naar Gemert onder de titel ‘Kevelaers Heimatslied sloeg in Gemert aan…’.3 Hij ging hiervoor zelfs in Kevelaar te rade. Over ‘Van wor ik bén’ kon hij toen uitpakken met allerhande wetenswaardigheden. Van een medewerkster van een uitgeverij in Kevelaar kreeg hij onder meer de tekst van een vrijwel letterlijke vertaling van het Heimatslied door het Noord-Limburgse schoolhoofd A. Rongen te Blitterswijk. Daar wordt het ook als volkslied omarmd. Koekkoek liet niet na om de verschillende versies te vergelijken en kwam tot de conclusie dat pastoor Poell het eerste en laatste couplet iets vrijer en naar zijn mening beter ‘vertaalde’ en schrijft “de verdienste van Poell ligt bovendien ook nog daarin dat hij in het tweede en derde couplet iets eigens van Gemert heeft verwerkt: het kasteel en de wevers. Daarbij vind ik dat zijn tekst heel goed ‘loopt’, voor zover ik dat als niet-Gemertenaar kan beoordelen.”
Iedereen zingt mee
Poell oogstte in de jaren twintig van de vorige eeuw met ‘Van wor ik bén’ misschien wel voor het allereerst een algemene acceptatie van de Gemertse Taal. In elk geval door de eigen inwoners. Bij de gouden bruiloften van m’n opa en oma in 1953 en bij die van mijn ouders in 1990 kregen de gouden paren bij het verlaten van de kerk het volkslied door het kerkkoor vanaf de koorbalustrade indrukwekkend toegezongen. Iedereen ging met ‘Van wor ik bén’ zingend de kerk uit. Te gek gewoon! De jaarvergadering van de zeven- à achthonderd leden tellende heemkundekring wordt er jaarlijks mee besloten. Jaarlijks zijn er zo nog tientallen happenings meer die worden besloten met het gezamenlijk zingen van Gemerts volkslied en met een zekere regelmaat hoort heel Gemert de wijs van ‘Van wor ik bén’ van het naar Lambert Poell genoemde carillon op het gemeentehuis. Zoals in Kevelaar krijgt het eigen volkslied ook in Gemert navolging met nieuwe teksten. Zo verraste pastoor Naessens kort na de viering van het vijftigjarig bestaan van de parochie Elsendorp (1926-1976) zijn parochianen met een Elsendorpse versie.4 In de rouwdienst voor de Elsendorpse schrijver Sjang Hoeijmakers stond heel Elsendorp tegelijk op om uit volle borst te zingen. De kerkramen trilden er van mee… Als in 1971 in Gemert het Gasthuis een jaar leeg staat, schrijft Harry Slits van de Werkgroep Gemeentepolitiek een protestlied dat eindigt met “Wor allen vreej han en han lol, dor is ’t naw mí de vreej gedon, zolang dè gaasthojs lig blie ston.” Vooral jongeren van Gemert voelden zich aangesproken. Bij de eerstvolgende gemeenteraadsverkiezingen kwamen maar liefst vier jonge twintigers in de gemeenteraad.
Project ‘Tophit’ van heemkundekring
Het was Johan van de Laar, auteur en uitgever van het exact 100 bladzijden tellende boek5 ‘Het
Gemerts Volkslied in woord en beeld’, die er de heemkundekring op attendeerde dat ‘Van wor ik bén’ het honderdste jaar ging beleven en dat met dat gegeven toch iets gedaan moest worden. De Werkgroep Educatie6 van de heemkundekring ging ermee aan de slag. Op de allereerste plaats dacht die aan de basisscholen in Gemert. Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst! Niet alleen het onder de aandacht brengen hoe apart het is een eigen volkslied in Gemert te hebben, maar ook het zoeken naar de maximale garantie dat het lied blijft en de waardering krijgt die het verdient. De vraag werd gesteld ‘Schoolliederen in ’t Gímmerts zouden jullie die niet zelf kunnen maken?’ OBS van ’t Einder en Jenaplanschool de Pandelaar namen de handschoen op. De leerlingen kregen speciaal les in ‘Hoe spreek ik het uit in het Gímmerts?’ en ene meester Willem van de Veghelse Muziekschool Beat It kwam heel gedreven muziekles geven over ritme, rijmschema’s enz. Meepesant werd de meester af en toe bijgespijkerd in de Gemertse Taal. Op de vraag wat er in een schoollied zou moeten komen kregen leerlingen de hint “Waar denken jullie aan als je het over Gemert hebt?” Meteen braken de tongen los. “Jaja, we zitten op een skon school” en “min buurt is ok heel skon” en niet te vergeten het kasteel, de voetbalclub VV Gemert en het Ridderplein… Het ijs was gebroken. Elke les werd een feest. “Van wor ik bén kéénde gaj ons skool” stond al meteen in de steigers en… alle scholen zijn ‘de béste’. Er kwamen twee, drie, vier, vijf prachtige en eigentijdse schoolcoupletten uit de bus. Harry Slits sprong bij, om alles in de goede Gemertse spelling te kunnen presenteren. Want dat vereist speciale vakkennis. Intussen was ook het bijzondere initiatief tot een nog eigentijdsere rap genomen. De nieuwe coupletten en de rappen werden gepresenteerd in het Boerenbondsmuseum. Natuurlijk moest daarbij de burgemeester worden uitgenodigd. En de lokale omroep, het Gemerts Nieuwsblad en het Eindhovens Dagblad. Er werden foto’s gemaakt en er werd gefilmd. Iedereen kwam in de krant én op teevee. Het werd een echte happening. De educatiegroep zelf stond van het enthousiasme onder de leerlingen versteld. En… kijk eens naar de foto met de burgemeester die daar zo zichtbaar zit te genieten van de presentatie door basisschoolkinderen van hun volksliedbewerking. De hele groep stond onder zijn eigen optreden zichtbaar te genieten. De burgemeester kon het een week later niet laten om in zijn column in het Gemerts Nieuwsblad ook een eigen couplet te publiceren.7 Ook hij behoefde hulp voor de juiste spelling.
Update na 100 jaar met nieuw couplet
Harry Slits tenslotte was gevraagd wat hij vond van het idee om aan de uit 1923 daterende coupletten van Lambert Poell een extra couplet toe te voegen die de geschiedkundige ontwikkeling van Gemert van de laatste honderd jaar overlapt. Harry zag ook dat wel zitten al vond hij dat het niet het laatste couplet moest worden maar het op-een-na laatste zodat Poell het laatste woord houdt. Het is geen kleinigheid om die ontwikkeling in acht zinnetjes te vatten. Hieronder het resultaat.
Wor viejr jaor laank in orlògstejd
de Daojtsers kómmendeerde
wor Indo’s vónne vaasteghejd
en hiejr goewd ákkerdeerde
wor d’aën no d’aander wejk verskeen
en skrik vùr bás en kéérk verdween
wor noon èn paoter zén gegon
dor bén ik van don (2x)
In het Boerenbondsmuseum zong Harry het zelf voor. Meteen bleek, zoals ook in de kort daarop volgende jaarvergadering van de heemkundekring, dat iedereen het gemakkelijk meezong. Nu moet het nog inburgeren als het vierde couplet. Het vijfde en zoals gebruikelijk het laatste couplet eindigt met Poells “Haj’s hiejr van don.”
Tot slot: hoe moet ons volkslied worden gespeld?
Sedert 1923 is er op dat gebied zoveel veranderd dat we hier volstaan met de verwijzing naar het Gemerts Woordenboek uit 2017 van WJ (Wim) Vos. Als sluitstuk is daarin als bijlage opgenomen het Gemerts volkslied ‘Van wor ik bén’ in de Nieuwe Gemertse Spelling (NGS).8 Over die spelling is uitgebreid geschreven in Gemerts Heem door Piet Vos in 2000 met een vervolg daarop door Wim Vos in 2001.9
Noten:
- Simon van Wetten in Gemerts Nieuwsblad 20-02-2024, Gemerts Volkslied tot ‘tophit’ gemaakt. Leerlingen maken 100-jarig ‘Van wor ik bén’ eigentijdser; Tineke Mols in ED 28-02-2024, Gemerts Volkslied krijgt een update.
- A.A.J. (Ton) Thelen, Lambert Poell (1872-1937) en de Katholieke Sociale Beweging – sociaal-klerikaal spanningsveld in het Bossche Diocees 1896-1915, Tilburg 1990 (proefschrift 460 pag.)
- J.J. Koekkoek, Kevelaers Heimatslied sloeg in Gemert aan, in: Gemerts Heem (GH) 1988 nr.3, p. 78-83. Zie ook: Aantekeningen bij het Gemerts Liedje (red.), in: GH 1988 nr.4, p. 125-127; Koekkoek studeerde in Gemert en Weert in welke laatste plaats hij benoemd werd als docent wis- en natuurkunde op het Klein-Seminarie, later aan de Philips van Horne Scholengemeenschap. Een veelzijdig man, die ook afstudeerde als sterrenkundige aan de Univer-siteit Amsterdam.
- Sjang Hoeijmakers, Die goeie ouwe tijd – het leven in een Peeldorp omstreeks 1900, Elsendorp 1988, p. 102.
- Johan van de Laar, Het Gemerts Volkslied ‘Van wor ik bén’ in woord en beeld – Waarom, waar en hoe, Gemert 2005, uitgave Johan van de Laar.
- Met dank aan de Heemkunde-werkgroep Educatie bestaande uit Susan Fransen, Niels van den Eijnde, Mieke Vos en Carie van de Kruijs
- Column van burgemeester Michiel van Veen onder de kop ‘Gimmerts’, in Gemerts Nieuwsblad 12 maart 2024.
- W.J. (Wim) Vos, Gemerts Woordenboek, Gemert 2017, blz. 811. (De in dit artikel al enige malen genoemde Harry Slits is één van de redacteuren.)
- Piet Vos, Nieuwe Gemertse Spelling, in Gemerts Heem 2000 nr.1, p.24-34; Wim Vos, Nééj Gímmerse Spélleng (NGS) – deel 2, Gemerts Heem 2001, nr.1, p.13-18.
FOTOBIJSCHRIFTEN:
Lambert Poell werd in 1915 pastoor in Gemert. Hij overleed in de vroege ochtend van 7 januari 1937. Dat was op de huwelijksdatum van prinses Juliana en prins Bernhard. Heel Nederland feestte, maar in Gemert hing de vlag halfstok.
Grafzerk Godefridus Werts (en Ardina van Erp) met de eerste regel van Gemerts volkslied: Van wor ik bén. (foto Cas Jamin)Grafzerk Willem Vos (en Marie van de Crommenacker) met de laatste regel van het Gemerts volkslied: Haj’s hiejr vandon. (foto Cas Jamin)
Burgemeester Michiel van Veen geniet van de presentatie door de kinderen van hun volksliedbewerking.
De tophits van Groep 7 van ’t Einder en van de Riddersporen, Zonnebloemen en Papavers van De Pandelaar, afgedrukt op een in duizendvoud gedrukte boekenlegger.
Harry Slits, schrijver van het nieuwe couplet dat in het volkslied een plaatsje krijgt voor het allerlaatste couplet.
Muziek: Gerhard Korthaus, Kevelaar 1912. Met dank aan George Gijsbers voor de weergave hierboven met de juiste invoeging van de tekst van het eerste couplet (in NGS).