GH-2025-1 De oudere Latijnse School

KLIK HIER VOOR PDF-bestand

Ad Otten

Trots van Gemert Vorstendom (deel 2)

In een vorig nummer van Gemerts Heem1 werd ingezoomd op een afbeelding van de toen nog omgrachte Latijnse School van omstreeks 1820. In dit vervolg zoomen we in op een afbeelding uit 1730 en ook daarop prijkt ‘onze’ Latijnse School als een heel bijzonder monument.

De maker van deze prent is Andries Schoemaker (1660-1735), een doopsgezinde textielkoopman uit Amsterdam.2 Op de prent heeft hij het kasteel van Gemert weggelaten om kennelijk beter te kunnen focussen op een heel andere gegevenheid van Gemert. Het lijkt erop dat hij een grote Roomse kerk naast een kleine Gereformeerde kerk heeft willen vastleggen. Dat is in de Nederlanden van 1730 bepaald niet normaal. Roomse kerken worden dan slechts gedoogd als schuurkerken. En hier in het Vrije Gemert treft hij voor zijn gevoel het omgekeerde. Sedert het in 1662 met de Staten-Generaal in Den Haag afgesloten Soevereiniteitsakkoord heeft Gemert iets unieks binnen de grenzen van wat we nu kennen als ‘Nederland’, en dat is: Vrijheid van godsdienst! In het genoemde ‘accoord’ tussen Gemert en Den Haag wordt bovendien nóg iets heel bijzonders geaccordeerd. Dat betreft de benoeming en aanstelling van de dominee door de op het Gemerts kasteel residerende katholieke commandeur van Gemert. Dat is bijna niet te geloven. Maar wel waar. En het is bovendien de belangrijkste man in Den Haag, te weten raadpensionaris Johan de Witt, die onder de daarover opgemaakte oorkonde zijn handtekening zet, naast die van Ambrosius Virmundt, commandeur van Gemert. In een clausule wordt wel opgenomen dat Den Haag telkens zijn goedkeuring zal moeten hechten aan een nieuw benoemde dominee. Maar wij in Gemert weten dan dat Den Haag tot in de Franse Tijd, wat betreft genoemde benoeming, aanstelling etc. altijd alles zal goedkeuren. De koopman/schilder Schoemaker heeft van dit alles vermoedelijk niet eens weet gehad. Hij had al genoeg om in Gemert zich over te verbazen… Terug naar de twee kerken in het Gemert van 1730. Het Gereformeerde kerkje (gelegen op de kop van het Binderseind) is klein maar het mag er zijn. Het blauw op het torentje staat voor een leien dakbedekking en het gouden vaantje in de top geeft het kerkje iets sjieks. Het rode dak van de kapel moeten we houden voor een pannendak, zoals ook de daken van de veel minder aanzienlijk ogende huizen aan de Markt. Een kasteelcomplex tussen de twee kerken geplaatst zou teveel domineren en een opvallende vergelijking van de Roomse kerk en het Gereformeerd kerkje in de weg staan. Toch? De prent blijft ons intussen verbazen. Vergelijken we deze bijvoorbeeld met de veel nauwkeuriger afbeelding van Valentijn Klotz van het Marktveld in Gemert, dan constateren we dat de verhouding tussen de panden aan de Gemertse Markt en het Gereformeerde kerkje in de weergave van Schoemaker helemaal niet kloppen. Is hij zo’n sloddervos? Of gaat ’t hem er echt alleen maar om alle aandacht op te eisen voor de kleine Gereformeerde kerk ten opzichte van de veel en veel grotere Roomse kerk? Het moet wel dat gegeven zijn, zo lijkt het opnieuw. Intussen wil hij voor dat Godshuis(je) toch een positieve uitstraling behouden. Daarvoor kiest hij er nu voor om de naburige huizen aan de Gemertse Markt heel veel kleiner en nietiger weer te geven dan de realiteit. Kijk maar naar de prent van Klotz waar de nok van de twee etages tellende herberg De Wildeman even hoog reikt als die van het kerkje ernaast. Hetzelfde geldt ook voor het pand met het uithangbord helemaal links op de voorgrond, welk pand in elk geval ook minstens twee verdiepingen heeft. Uit historische bronnen weten we dat het hier herberg en brouwerij Sint Joris betreft op de plaats van het huidige gemeentehuis Gemert-Bakel. De Amsterdamse koopman/tekenaar Schoemaker gooit wat betreft de verhoudingen van de beschreven panden er echt met zijn pet naar. Laten we nu eens kijken naar het linkerdeel van de prent van Schoemaker. De eerste indruk is dat de tekenaar hier wat meer zijn best heeft gedaan. Hij verbeeldt het rijkere deel van Gemert met de hoog oprijzende Roomse kerk als meest opvallend gebouw. Ook hier is de nauwkeurigheid overigens maar zozo. Wel herkennen we meteen dat het hier de Gemertse parochiekerk betreft, maar het middenschip had even lang moeten zijn als hoog. Er ontbreken gewoon twee traveeën en had vijf bovenramen moeten hebben in plaats van drie. Ook hier gaat het de tekenaar dus slechts om een bepaalde uitstraling of idee.

En dat brengt ons vervolgens tot de Latijnse School. Het is het tweede opvallende gebouw, dat in het bijschrift van de complete prent trouwens als eerste wordt genoemd. Dat moet hem beslist het meest hebben gefrappeerd. Hij beeldt het af met zes dakkapellen in het dak, drie schoorstenen, en een tot boven de nok uitrijzende naar het oosten gerichte topgevel. Dat klopt allemaal. De steunberen aan de langsgevel wekken verder een indruk van hoge ouderdom. Uit geschiedkundige reconstructies3 concluderen we dat Heer Diederik van Gemert IV – na de verkoop aan de Duitse Orde in 1366 van zijn Hooghuis inclusief de hem nog resterende soevereine rechten over Gemert –, van gedeelde Heer over Gemert ‘degradeert’ tot leenman van de Orde voor het genoemde Hooghuis. Dat moet hem dermate hebben gefrustreerd dat hij er vervolgens voor kiest om het in leen opgedragen Hooghuis niet langer te bewonen maar te laten vervallen. In plaats daarvan bouwt hij (of zijn familie) dan pal er tegenover, maar op leenvrij eigen terrein, een nieuwe adellijke stee. Met leien gedekt, omgracht en een toegang via een op een brug gebouwde stenen poort. Het vroegere hooghuis geraakt heel snel in vergetelheid en het heeft er alle schijn van dat we de nieuwe adellijke stee van de Van Gemerts van toen, na zo’n drie eeuwen, gewoon terugzien in de ingekleurde tekening van de Amsterdamse lakenkoopman maar dan als de Latijnse School van Gemert. Op de tekening ontbreekt weliswaar de gracht met de poortbrug, waarvoor simpelweg de ruimte ontbreekt, maar die zullen we tot eind jaren tachtig van de negentiende eeuw wel blijven kennen van zowel kadastrale minuutplans alsook van een negentiende-eeuws olieverfschilderij dat berust bij het Noordbrabants Museum onder de titel ‘Gezicht op Dorp Gemert’.4 Bijna een eeuw na het uitsterven van de adellijke familie Van Gemert moet op die locatie in 1587 de Gemertse Latijnse School zijn begonnen.

Het Hofgoed en Het Patershuis

Twee gebouwen op de prent van 1730 zijn nog niet ter sprake gekomen. In het gebouw linksonder herkennen we het thans nog min of meer in deze vorm bestaande Hofgoed, dat dan circa tien jaar eerder door de in heel Nederland bekende orgelbouwer Mathias Verhofstadt opnieuw is opgebouwd.5 Van oorsprong is het de al uit de tweede helft van de veertiende eeuw bekende Goede ten Hove, een vrije hoeve van de adellijke familie Van Gemert gelegen tegenover het omgrachte Hooghuis dat dan al enige eeuwen volledig uit beeld is verdwenen. Het Hofgoed (thans notarishuis) is van oudsher de overbuur van de Latijnse School. Het in de prent als ‘buurman’ daarnaast geplaatste pand is bijgevolg in 1730 ook een van de overburen van de Latijnse School. Ook dit is een groot en met leien gedekt pand, dat haaks staat op de weg waardoor vereenzelviging met de in dezelfde straat gelegen ‘oude pastorie’ van Gemert lijkt te kunnen worden uitgesloten.6 Dit pand moet gestaan hebben op het perceel gelegen tussen de panden Hofgoed en het pand dat we nu kennen als Den Hubert (de Oude Pastorie). In het bijschrift van de prent van Schoemaker wordt het pand aangeduid als ’t Patershuys. En… van dit aanzienlijke pand is tot dusver noch een afbeelding noch een functie bekend. In de Gemertse schepenprotocollen vindt de auteur van dit artikel hoe de Latijnse School op 25 juni 1598, dus zo’n elf jaar na de stichting van de school, al eigenaar wordt van juist dat perceel met daarop een groot en een klein huis. Die waren eerder eigendom van de in of kort voor 1582 overleden Antonis Wolfs van Remunde beter bekend onder zijn ambachtsnaam als Thonis de Leyendecker.7 Zijn erfgenamen zijn een broer Willem en een zus Hilleke, weduwe van Jan Leyendeckers. De panden op deze locatie komen in diverse schepenakten van het laatste kwart van de zestiende eeuw ook voor onder de namen van het Grote en het Kleine Leijendeckershuys. Meteen is er ook meer achtergrond voor het gegeven dat Gemert nogal wat met leien gedekte huizen telde en met name in de Schoolstraat, die we nu kennen als Ruijschenberghstraat.

Van Leiendeckershuis tot Patershuis

De Duitse Orde heeft werkelijk grote plannen gehad met de Latijnse School in hun Vorstendom Gemert zoals ook in het vorige artikel al is aangegeven.8 Het Grote en het Kleine Leiendeckershuis worden meteen geïncorporeerd in het schoolplan. In zijn Geschiedenis van de Latijnse School te Gemert maakt Gerlacus van den Elsen dat ook direct duidelijk met de nieuwe namen van het Grote en Kleine Schoolhuis tegenover de school waarmee hij tegelijk voelbaar maakt dat hier het begin ligt van het kosthuizensysteem van de school.9 Een halve eeuw later gewaagt Gerlacus ervan dat de rector van de almaar meer florerende Latijnse School al een bedrag van 700 gulden heeft gespaard voor de aankoop van nog een ander heel groot pand tegenover de Latijnse School, waarmee hij doelt op de erfenis van de kort tevoren overleden Jonker Tobias van Eynatten. Dat is het pand op de plaats die we vandaag-de-dag kennen als het hiervoor reeds gememoreerde monumentale en per abuis geheten pand D’n Hubert. Nog in hetzelfde jaar zal dit pand ook daadwerkelijk ten behoeve van de school worden aangekocht om zoals het heet ‘commensalen’ te huisvesten.10 Terwijl gedurende de Tachtigjarige Oorlog op vele plaatsen Latijnse Scholen komen te verval-len of worden opgeheven krijgt het Vrije Gemert tot in de verre omtrek de naam van toevluchtsoord voor aan de Roomse godsdienst getrouw blijvende priesters. Daaraan komt het jaar daarop echter een heel abrupt einde door de later in feite ook in Den Haag toegegeven onrechtmatige Staatse Bezetting van Gemert in 1648 die ‘ze’ maar liefst zo’n veertien jaren aanhouden tot medio 1662. Ook in Gemert worden dan zoals in heel Staats-Brabant en Staats-Limburg Roomse kerken gesloten en overgedragen aan de Gereformeerde religie en ook de Latijnse School blijft tot in 1662 op slot. In juni 1662 komt het weliswaar tot een Accoord met Den Haag en gaat de Latijnse School weer open, maar dan valt er zoveel te herstellen en weer op te bouwen dat onder meer ook besloten moet worden tot de verkoop van de laatste grote verwerving van onroerend goed ten behoeve van de Latijnse School. Op 5 mei 1663 wordt de statige woning van wijlen Jonker Tobias, die dan wordt omschreven als ’de caducque huizinge hof en hofstadt te Gemert in het Schoolstraetjen’ verkocht aan Sieur Peter van der Putten, de moderne rentmeester van de Commanderij Gemert,11 die naarmate de Latijnse School na enige jaren wel weer tot bloei zal komen, ook wel genegen wordt geacht om mocht het nodig zijn slaap- en studieruimte te bieden voor studenten. Die optie blijft ook wanneer dit majestueuze pand in het eerste kwart van de achttiende eeuw de pastorie wordt van Gemert en dat zal blijven tot maar liefst 1935. Het Groot en het Klein Schoolhuis, dat we in 1598 al zien verworven om te dienen als kost- en leerhuis voor studenten vinden we rond 1700 en verder de eerste helft van de achttiende eeuw in Gemertse Schepenprotocollen veelal terug onder de naam De Capelanie en dat lijkt helemaal te passen bij de benaming van Het Patershuis dat de Amsterdamse koopman/schilder in 1730 bezigt voor het pand op deze locatie. Bij de grote dorpsbrand van 28 juni 1785 worden zowel het Groot als het Klein Schoolhuis volledig vernield en beide panden zullen daarna niet meer worden opgebouwd. In negentiende-eeuwse kadastrale beschrijvingen vinden we de locatie terug als een onbebouwd perceel van de Latijnse School. Het perceel zal zelfs onbebouwd blijven tot na de Tweede Wereldoorlog. In de tweede helft van de jaren veertig bouwt hier dan de gemeente Gemert de ambtswoning voor Ad de Bekker, de eerste naoorlogse burgemeester van Gemert. Het pand wordt vervolgens ook als ambtswoning betrokken door diens opvolger Hein MAC de Wit en zijn gezin. Aan het einde van zijn ambtsperiode koopt burgemeester De Wit het pand van de gemeente waarmee het een particuliere woning wordt.

Noten:

  1. Ad Otten, De oudere Latijnse School – Trots van Gemert Vorstendom, in: Gemerts Heem 2024, nr.1, p.7-10.
  2. Op Wikipedia is bibliografische informatie over Andries Schoemaker (1660-1735) te vinden.
  3. Jan Timmers, Ontwikkelingen in middeleeuws Gemert, p. 81-96, in: A. Thelen (red), Het Hooghuis te Gemert, Ge-mert 2001.
  4. Zie ook noot 1 en dan met name de illustraties in het artikel.
  5. Martien Verbruggen, Welk een “lofbaerlijk werk” – Gemertse orgelbouwers en Mathijs Verhofstadt in het bijzonder, Gemert 1995, p.43-45.
  6. Over de Oude Pastorie schrijft Peter van den Elsen uitvoerig in Gemerts Heem onder de titel D’aaw Pastorie, GH1978 nr.3, p. 75-81. Ook de onjuiste benaming van D’n Hubert voor het pand van de oude pastorie komt hier aan bod.
  7. Gemeentearchief Gemert-Bakel – Schepenprotocol Gemert R111 f. 223v.-224 d.d. 1598.06.25 over verwerving Groot Leiendeckershuys; Gemert R110 f.214 (ca. 1578) Anthonis Wolffs van Remunde en Caterina van Beeck sijnder huysvrouw woont 17 jaer in Gemert als leydecker; R110 f.272 (d.d. 3.8.1582) Thonis Leydeckers overleden, Willem Wolffs van Remunde en Hilleke resp. zijn broder en zus;
  8. Zie noot 1
  9. Gerlacus van den Elsen, Geschiedenis van de Latijnsche School te Gemert, ’s-Hertogenbosch 1887, p. 112, 315, 362. 10. Idem p.148 (met verwijzing naar Bossche Protocollen 4.8.1647 en 30.11.1649. 11. Simon van Wetten, Regesten Schepenprotocollen Gemert R119 akte 135

 

FOTOBIJSCHRIJFTEN:

 Onder deze prent van Andries Schoemaker staat: Lat. School: ’t Patershuijs. De Roomsche Kerk en gereformeerde kerk tot Gemert 1730

Prent van Valentijn Klotz, Gemert, 31 december 1675.

Straatgezicht Ruijschenberghstraat anno 2025.