GH-2025-2 Gemert Vorstendom, bijna was het er nog geweest!
Ad Otten
Het eeuwenoude soevereine Gemert Vorstendom van de Duitse Orde is in 1794 door Franse legers bezet. In 1800 is het door Napoleon c.s. verkocht aan de Bataafse Republiek en werd langs die weg deel van het Koninkrijk der Nederlanden. Maar… wist u dat daarna nog zeker zestien jaar serieuze pogingen zijn gedaan om Gemert Vorstendom nieuw leven in te blazen?
Bachem en De Vos van Steenwijk
Het was ene Konrad Joseph Bachem, die in 1802 namens de Grootmeester van de Duitse Orde te Wenen over ‘de kwestie Gemert’ in contact trad met de patriottische Baron De Vos van Steenwijk, minister van Financiën van de Bataafse Republiek. Bachem kende Gemert uit eigen ondervinding. Als 31-jarige jurist en balijeraad van Alden Biesen werd hij in 1786 aangesteld als gevolmachtigd commissaris in Gemert om hier, na de grote dorpsbrand van een jaar eerder, orde op zaken te stellen. Het was zijn taak om Gemert te herstellen als de rijkste commanderij van de balije Biesen. Gemert kwam onder zijn curatele.1 Die opdracht kreeg hij van landcommandeur Reischach, vorst van Gemert en tevens ambassadeur van de (hele) Duitse Orde in Den Haag. Konrad Bachem (1755-1832) was een veelzijdig en intrigerend persoon. In zijn geboortestad Bonn studeerde hij rechten. Hij kwam als jurist naar Alden Biesen, trouwde met de dochter van de later door Napoleon aangestelde Maire van Maastricht. Aan de Leuvense universiteit studeerde hij Nederlands, Frans en Engels, en louter uit interesse bestudeerde hij ook als een der eersten het zogeheten Anniversarienboek, het oudst bekende Dodenboek van de Duitse Orde, waarvan hij nota bene op het Gemertse kasteel een kopie aantrof. Daar las hij al van de twaalfde-eeuwse edelman en Duitse ridder Rutger van Gemert van wie de Duitse Orde na diens overlijden de eerste rechten over Gemert erfde, enzovoort, enzovoort. Opmerkenswaard is hier zeker ook nog dat zijn zoon het zou schoppen tot Haupt-Bürgermeister van Köln. Voorwaar geen kleine jongens die Bachems… Het was ‘onze’ Bachem die in de jaren 1802/1805 de interesse wekte om de verkoop van Gemert door de Franse bezetter aan de Bataafse Republiek op enigerlei wijze ongedaan te maken. Bij minister De Vos van Steenwijk vond hij gehoor. Niet zo vreemd wanneer je weet dat deze minister tevens commandeur was van de onder de gereformeerde Duitse Ordebalije Utrecht vallende commanderij Middelburg die door de Fransen met opheffi ng werd bedreigd. Bachem bood daartegen als uitkomst een reünie van de onafhankelijke Nederlandse gereformeerde tak van de Orde met de katholieke authentieke Duitse Orde. Kort tevoren was met de Fransen bij het Verdrag van Lunéville (9 december1801) namelijk overeengekomen dat de Orde als lid van het Duitse Keizerrijk ongeschonden zou worden gehandhaafd in haar rechten. Er werd overlegd in Den Haag, een en ander op schrift gesteld, en gecorrespondeerd met de grootmeester in Wenen. De archiefstukken zijn in elk geval bewaard in Wenen en in Utrecht. Op beide plaatsen is er recentelijk ook over gepubliceerd. In een geschiedschrijving van de Balije Utrecht wordt zelfs ronduit geschreven over de op 6 november 1802 in Den Haag gevoerde onderhandelingen tussen De Vos van Steenwijk en Bachem over de teruggave van de Commanderij Gemert waarbij het de bedoeling was die te koppelen aan de door beide partijen voorgestane reünie van de Duitse Orde Utrecht met die van Wenen.2 Ook in de daaropvolgende jaren werd hierover nog verder overlegd, maar er werden almaar geen knopen doorgehakt. Toen de Bataafse Republiek vervolgens in een crisis belandde, werd Bachem het zat en hij schreef op 31 augustus 1805 aan (inmiddels) Staatsraad De Vos van Steenwijk dat hij weliswaar met genoegen bij alle partijen nog altijd positieve opvattingen ervoer ten aanzien van een hereniging van beide Ordetakken, maar wees er toen met nadruk op dat die reünie alleen kon lukken bij de teruggave van Gemert. In Wenen wijdde in 2006 ook Ordearchivaris Bernhard Demel in diens “Unbekannte Aspekte der Geschichte des Deutschen Ordens” een aantal pagina’s aan het overleg omtrent de hereniging met een Vrij Gemert als inzet.3 Maar… het ging allemaal te lang duren. Bachem en De Vos van Steenwijk slaagden er niet meer in Gemert als soeverein vorstendommetje weer tot leven te wekken. Napoleon bleef ze gewoon een stap voor…
Autonome Duitse Orde gaat ter ziele
In september 1805 brak de oorlog uit tussen Oostenrijk en Rusland enerzijds en Frankrijk anderzijds. Op 26 december volgde de Vrede van Presburg (nu Bratislava) die een einde maakte aan 615 jaar autonoom bestaan van de Duitse Orde. Voor wat Oostenrijk betrof, werd het een keizerlijke huisorde en buiten Oostenrijk werd de Orde geseculariseerd en in feite overgeleverd aan de willekeur van wereldlijke overheden. In de alweer spoedig volgende oorlog tussen Oostenrijk en Frankrijk, kwam er vrijwel direct een eind aan het voortbestaan van de Orde in de Duitse landen. Nog tijdens zijn veldtocht vaardigde Napoleon in Regensburg (1809) een decreet uit waarbij de Orde in alle staten van de Rijnbond werd opgeheven. Van de eind achttiende eeuw nog bestaande twaalf balijen waren toen alleen Oostenrijk en Utrecht nog over. Gemert werd in 1806 deel van het Koninkrijk Holland onder Lodewijk Napoleon. En toen in 1810 Lodewijk daar van zijn grote broer moest vertrekken, lijfde Napoleon de Nederlanden in bij zijn Keizerrijk en vaardigde in 1811 al een decreet uit dat ook de Balije Utrecht ging verplichten tot opheffing en liquidatie. Maar De Vos van Steenwijk en consorten waren sterk in traineren en er werd veel gedelibereerd over de wijze van aanpak van de liquidatie. En… er kwamen andere tijden. Met name voor Napoleon.
Bachem probeert Gemert Vorstendom nu bij koning Willem I
Het Franse imperium stortte ineen. Eind 1813 zette de prins van Oranje alweer voet op vaderlandse bodem. Napoleon werd verbannen naar Elba en in 1814 ging men zich in Wenen alvast bezinnen op een grote staatkundige herordening en een institutionele reconstructie van Europa.
Even ontsnapte Napoleon nog uit zijn ballingsoord, maar vond toen al gauw zijn ‘eigenste’ Waterloo tegen een grote geallieerde overmacht en hij werd dit keer verbannen en afgevoerd naar Sint-Helena in de Atlantische Oceaan. De prins van Oranje, inmiddels Koning van de Nederlanden, herstelde bij wet van 8 augustus 1815 de Ridderlijke Duitsche Orde, Balije van Utrecht, waarbij het oppergezag over de Orde overging op de koning. Alle nog aanwezige goederen en eigendommen werden teruggegeven. Soeverein bezit heeft de balije nooit gehad. Over een hereniging met de katholieke authentieke Orde te Wenen werd niet meer gesproken. In Wenen was Konrad Bachem hofraad van de aldaar residerende grootmeester Anton Victor van Oostenrijk. In de voorbije Franse Tijd was hun alle soeverein bezit ontnomen. Maar Bachem en de grootmeester hadden hun idee wat betrof de vrijmaking van Gemert nog altijd niet opgegeven. ‘Gemert’ was indertijd op een oneigenlijke manier door de Fransen zomaar ingepikt en verkocht, en dat bood toch perspectief om met het herstel van het minivorstendom Gemert toch tenminste ‘iets’ van het illustere van de Ridderlijke Duitse Orde te bewaren? Zo moeten de grootmeester en zijn hofraad hebben gedacht, terwijl in hun directe nabijheid op het Wener Congres het Koninkrijk der Nederlanden in de steigers werd gezet met Willem van Oranje-Nassau als toekomstige koning Willem I. En was deze kroonpretendent niet ooit ‘expectant’ (=kandidaat) Duitse Orderidder? Daar moest mee gepraat worden… In het Deutsch Ordens Zentral Archiv (DOZA) worden in elk geval alweer twee brieven van Bachem gedocumenteerd van respectievelijk 13 december 1813 en van 31 januari 1814 om de mogelijkheden te onderzoeken ‘einer Rekuperation der Herrschaft Gemert unter dem Prinzen van Oranien’. Bachem bewoog op 25 oktober 1815 ook Kerpen, de vroegere landcommandeur van Biesen aan de nieuwe koning te schrijven en hem onder meer te herinneren aan de eerdere teruggave van Gemert met alle soevereiniteit en superioriteit aan de Duitse Orde op 14 juni 1662 na een veertien jaren lange bezetting door de Staten-Generaal. Bachem wilde in die brief ook gememoreerd hebben de in dezelfde zin bijna geslaagde onderhandelingen met De Vos van Steenwijk uit 1802.4 Het resultaat van deze brief is tot dusver niet achterhaald kunnen worden. Wel kan op de valreep nog uit een (onverwachte) Duitse bron van 1821 met een biografische schets van Konrad Bachem geciteerd worden: “1815 wieder nach dem Haag geschickt und er erlangte am 30. April 1816 ein sehr günstiges Versprechen vom König.”5 Het heeft er alle aanzien van dat Bachem tot zeker 1816 nog is kunnen blijven ‘dromen’ van de recuperatie van Gemert als het enige resterende vorstendommetje van de eens zo machtige Duitse Ridderorde. Hij zal het beslist ook al voor zich hebben gezien hoe in dat geval de grootmeester uit Wenen – in plaats van vroeger de landcommandeur van Alden Biesen – in Gemert zou worden ingehuldigd en uitgeroepen tot vorst van Gemert. Gemert had een blijvertje moeten worden als soeverein vorstendom van slechts 57 vierkante kilometers groot. Van dezelfde orde van grootte als nu Liechtenstein (62 km2) en San Marino (61 km2). Andorra is met 164 km2 bijna drie keer zo groot.
Tot Slot
Over de kwestie Gemert zullen ook in Haagse archieven naar verwachting nog wel nieuwe documenten komen bovendrijven. Over de hoofdpersonen in dit artikel kunnen we nog kwijt dat Godert Willem Baron de Vos van Steenwijk in 1830 overleed als landcommandeur van Utrecht. De invloedrijke ‘Gemertofiel’ Konrad Joseph Bachem overleed op 77-jarige leeftijd te Neuwied bij Koblenz aan de Rijn in 1832. Hij was daar in de regio eigenaar van een hele grote wijngaard.
Noten:
- M.H.J. Pennings, Gemert onder curatele, in: Gemerts Heem nr. 52, 1973, blz. 19-21. Zie ook: M.H.J. Pennings, Maatregelen na de brand van 1785, in: GH nr.48, blz. 19-24.
- J.H. de Vey Mestdagh, De Utrechtse Balije der Duitse Orde – ruim 750 jaar geschiedenis van de Orde in de Nederlanden, Alden Biesen – Utrecht 1988, blz. 55-60.
- Bernhard Demel, Unbekannte Aspekte der Geschichte des Deutschen Ordens, Wien-Köln-Weimar 2006, blz. 86-89.
- Idem, blz.88 5. Leipziger Literatur Zeitung, September 1821, Seiten 1889-1891.
FOTOBIJSCHRIFTEN:
Landcommandeur Caspar Anton von Belderbusch van wie Konrad Joseph Bachem de opdracht kreeg Gemert te herstellen na de dorpsbrand van 1785. G E
Dit beeld van edelman Rutger van Gemert staat in het gemeentearchief van Gemert-Bakel. Rutger kan gezien worden als de grondlegger van de Commanderij Gemert in het begin van de dertiende eeuw.
Godert Willem de Vos van Steenwijk, landcommandeur van Utrecht 1824-1830.