GH-2025-2 Het thuishonk van de gemeente

KLIK HIER VOOR PDF-bestand

Simon van Wetten

Naar aanleiding van de officiële ingebruikneming van de vernieuwde publieke ruimte in het gemeentehuis op 12 maart jongstleden werd door het personeel van het gemeentearchief in de belendende tentoonstellingsruimte een kleine foto-expositie ingericht, met aandacht voor de gemeentehuizen die in de gemeente Gemert en in de gemeente Bakel en Milheeze dienst hebben gedaan. Reden om de diverse zetels van het gemeentelijk bestuur – en daarvoor van de vrije, soevereine rijksheerlijkheid Gemert – terug in de herinnering te brengen.

De schepenen

In de eeuwen dat de Duitse Orde de heerlijkheid Gemert bestierde, zou je de schepenen de uitvoerende macht kunnen noemen. Goed, Montesquieu moest zijn Trias Politica nog bedenken, en de manier waarop Gemert tot 1794 werd bestuurd zou de goedkeuring van de grote filosoof zeker niet hebben weggedragen, maar daar waar de wetgevende macht in de persoon van de (land)commandeur namens de Duitse Orde werd vertegenwoordigd, regelden de schepenen de dagelijkse gang van zaken in het dorp. Feitelijk hadden zij een drieledige functie: naast het bestuur hielden zij zich ook bezig met de rechtspraak en met notarieel en administratief werk, zoals het opstellen van testamenten en het verlijden van transportakten van onroerend goed.

Verhoudingen met de landcommandeur

Wie was de echte baas? Landcommandeur graaf Van Schönborn schrijft in 1710 een forse brief met al even forse bewoordingen aan zijn commandeur te Gemert. Boos uit hij zijn verwondering over het oordeel dat de schepenen zich in een bepaald proces “hebben durven toe-eigenen”. De landcommandeur oordeelt zelf: “Dit kwaad is in het bijzonder strijdig met de aan mij competerende soevereiniteit en de hoge orde is ondermijnd door mij aan de kennis en beslissing in deze te onttrekken. Ik verklaar dan ook het vonnis van de schepenen als nulla van waarde.”1

Ja, het kasteel beheerste als imponerend gebouw, maar zeker ook als uitvalsbasis van de Duitse ridders, in meerdere opzichten het dorp.

Waar zetelde de schepenbank?

Een echt gemeentehuis bestond nog niet. Met regelmaat vergaderden de schepenen in het kasteel, maar nóg vaker kwamen zij bijeen in een van de grotere herbergen, zoals Sint Joris of De Wildeman, beide gelegen aan het Ridderplein, destijds nog die Plaetse of de Merckt genoemd. De indruk bestaat wel dat de zeven leden van de schepenbank met de schout en de secretaris er een aparte ruimte tot hun beschikking hadden. Besturen is één ding, verlijden weer iets heel anders. Bij de bestuurlijke zaken was het toch wel de bedoeling dat zoveel mogelijk schepenen aanwezig waren, bij het verlijden, dus het notariële aspect van het schepenbestaan, was de aanwezigheid van twee schepenen al voldoende. Zij dienden hun naam – als zij dat al konden – onder de door de secretaris opgestelde akte te zetten. Ook al valt het woordje ‘secretarij’ maar zeer zelden, toch valt uit bepaalde aanwijzingen af te leiden dat je als inwoner van Gemert die een huis of een stuk grond te verkopen had, terecht kon bij de secretaris thuis.2 Zo werd bij secretaris Jan Cluijtmans na diens overlijden in het pestjaar 1636 – hij was een van de vele slachtoffers van de Zwarte Dood – door de schepenen een zoektocht in zijn huis georganiseerd naar alle daar bewaarde documenten en minuutakten.3 Bij secretaris Johan van Lee werden tijdens een inbraak in diens huis – in de nacht van 24 op 25 maart 1663 – uit zijn ‘comptoir’ naast twee schrijflessenaren ook al zijn schrijfspullen ontvreemd, tot en met het zandlepeltje (voor het gedoseerd strooien van zand over de nog natte inkt) aan toe.4 Aan alles komt een eind, ook aan het tijdperk van de Commanderij der Duitse Orde. Op 24 september 1794 trokken Franse revolutionaire soldaten Gemert binnen. Zij kwamen vrijheid, gelijkheid, broederschap en al heel snel ook ‘contributions’, belastingen brengen. Zij hadden ronduit een hekel aan adellijke personen en de vertegenwoordigers van de Duitse Orde hadden om die reden en zekerheidshalve het kasteel en Gemert al voor de komst van het Franse leger verlaten. Het nieuw gevormde gemeentebestuur kon dus de verlaten burcht betrekken. Op 11 december 1798 ontving de gemeente een brief van het departementaal bestuur over de huur van het kasteel, “waarin u nu al zeven maanden uw vergaderingen belegt”.5 Toen Napoleon in 1809 de Duitse Orde ophief, kwam het kasteel in handen van maarschalk Nicolas Charles Oudinot. Deze verkocht het op 15 februari 1813 aan de heer Adriaan van Riemsdijk, muntmeester te Maastricht. Aan het einde van de Franse Tijd was het op economisch gebied in heel Nederland kommer en kwel. Nog voordat Napoleon in 1814 op weg was naar zijn verbanningsoord Elba, werd ook in Gemert de financiële balans opgemaakt. De ooit door de Fransen beloofde volle graanzolders en overvloeiende spijskelders bleken angstaanjagend leeg. Het nieuwe gemeentebestuur – nieuw ook omdat de gemeente voortaan door een burgemeester, wethouders en een gemeenteraad werd bestuurd – kon het kasteel blijkbaar niet (terug)kopen. Terug naar het Boterhuis dan maar?

Boterhuisje als uitvalsbasis van het gemeentebestuur

Een Boterwaag. Het tilt het dorp op in aanzien, het biedt voordelen in de negossie en Gemert heeft er een markante plek bij in de Straet. Want er is nu, in 1747, eindelijk een mogelijkheid én een plaats gekomen voor zo’n skon huiske, namelijk naast het klokhuis voor de kerk. Daar staat een oud, vervallen huisje, maar dat valt op te knappen. Drossaard en schepenen laten de Hoogwaardige heer landcommandeur Ferdinand Damian vrijheer van Sickingen weten dat zij tot soelaas en gerief van de arme ingezetenen van Gemert gaarne zouden erigeren een huiske met een boterwaag daarin, ter plaatse hier in de Straet op een hoek van het kerckhof, daer geen begraeffenis geschiedt, tussen het clockhuis en het erf van de erfgenamen Leenard de Lauwre.

De leden van het dorpsbestuur willen het huiske en de waag uit de gemeentepenningen bekostigen. De gemeente zal profiteren van de verpachting van de boterwaag en van het weeggeld dat op de vastgestelde dag betaald moet worden voor het wegen van alle geleverde en te verkopen boter. Dat loopt aardig op: van iedere weging een duit, van elke 100 pond boter een stuiver plus vier duiten, en de boete van 6 gulden bij de in gebreke blijvende, 1/3 voor de heer, 1/3 voor de officier, 1/3 voor de aanbrenger. Drossaard en schepenen vragen permissie.

Komen we voor de vraag hoe die boterwaag eruit moet komen te zien en hoe de inrichting zal zijn. Zoals gezegd gaat het om de verbouwing van een al bestaand huisje. Er komt bijvoorbeeld een schouwmantel in, en de vloeren worden met Hollandse klinkers bevloerd. Alle deuren krijgen deurklinken, en de buitendeur ook nog een buiten-sleutelgat met een ijzeren sleutelplaatje. Er komt een schuifraam aan de straatkant en een knipslotje in de buitenvensters. De bovenvensters moeten worden aangepast en de deur boven in de gevel moet worden afgeschaafd, sluitbaar worden gemaakt en deels van glas worden voorzien. De nagelgaten in de buitendeur moeten met stopverf toegestopt worden. De binnenglasraamkens, met name in het oude kamerke naast het kerkhof, moeten dieper in de sponningen worden gezet. Ook de zijdeur, aan de kant van het klokhuis, moet flink opgeknapt worden. Dat geldt ook voor het Engelse schuifraam – schuift linksom – op de verdieping, ook aan de zijde van het klokhuis. Het bestek van de trapafgrond is niet voorhanden, dus daar moet nog eens goed naar gekeken worden. De ankerribben zowel boven als onder de zoldering moeten op de balken vastgemaakt worden. In het ovaal boven de voordeur ontbreekt het glas. Het bovenste venstertje in de achtergevel naast de kerk moet gangbaar worden gemaakt. Als het allemaal klaar is heeft Gemert de skonste boterwaag – en bovendien een vaste plek voor de heren schepenen – van de hele wereld.6

Gruweldaden en delicten?

Een gebeurtenis in 1761 bewijst dat het Boterhuis inmiddels als uitvalsbasis van door de gemeente geregelde activiteiten diende. Die gebeurtenis? Er broeide wat in Gemert en dat maakte drossaard De la Court erg boos. Woede, gramschap, razernij. Vraag niet aan De la Court welke vorm van boosheid zich meester heeft gemaakt van zijn gemoed, want dat is moeilijk kiezen voor de man. Hij wil bovendien helemaal niet kiezen. Hij wíl de daders. En wel nu, meteen, direct! Het gezag in het algemeen en met name zíjn gezag is ernstig aangetast. Inderdaad, er gistte iets in Gemert. Ook in de hoofdkwartieren van de Balije Alden Biessen werd men de broeierige sfeer in de Commanderij gewaar. Dat werd geïllustreerd door een brief aan de schepenen van de hand van heer en meester Otto Colen, advocaat en Raad van de illustere Duitse Orde, als gemachtigde van de hooggeboren heer Ulrich Leopold, landcommandeur. ‘De heren schepenen worden vanwege verscheidene gruweldaden en delicten in dit lopend jaar 1761 te Gemert gepleegd, uitdrukkelijk verplicht deze daden te onderzoeken.’

Wat was er in ‘s hemelsnaam aan de hand? Het leek wel of de patriottenbeweging het banhek bij de Snelle Loop was gepasseerd en de bevolking van Gemert uit de lethargie van de altijddurende en onvoorwaardelijke gezagsgetrouwheid wakker schudde. ‘Daar is een gestaag groeiend klagen en murmureren en preutelen van de gemeentenaren alhier!’ Grote woorden als ‘democratische verlangens’ en ‘zich afzetten tegen de regentenkliek’ zijn te hoog gegrepen en te voorbarig, maar het volk van Gemert roerde zich wel en durfde zelfs hardop vraagtekens te zetten bij sommige van de door de schepenen of de commandeur opgelegde verplichtingen. Met name het ’s nachts wacht moeten lopen was een doorn in menig oog. ‘We moeten een advocaat of kundig iemand naar Zijne Hoogwaarde Excellentie sturen om hem te melden hoe gevaarlijk het wachtlopen is. Zeker nu ‘s avonds laat de patrouilles bij het Boterhuis samen moeten komen. Toen bij het wachtlopen de mannen nog in hun eigen buurt konden blijven was het veiliger en werd de gehele gemeente toch goed bewaakt.’7

Het Boterhuis gemeentehuis?

In 1789 diende het Boterhuis in de Kerkstraat expliciet als secretarij.8 In 1803 verpachtten de dorpsbestuurders het gebouw, “maar de heren verpachters reserveren voor zich een kamer in het Boterhuis naast de Straat.”9 De aanduiding ‘gemeentehuis’ verscheen voor het eerst op 12 december 1811, bij de aankondiging van wederom een verpachting: ‘Verpachtingen aan de meestbiedende, waaronder een gedeelte van het gemeentehuis, achter de mairie van deze gemeente, zoals die nu wordt bewoond door Jan van den Dungen, klompenmaker’.10 En een jaar later, op 10 december 1812, werd de aanduiding ‘Boterhuis’ wéér van stal gehaald: ‘Een huis genaamd Boterhuis, onder de last van de gemeente, om te dienen, gesitueerd in de Kerkstraat, nu bezet door de weduwe Snoecx.’11 Hadden de heren bestuurders genoeg aan de 38 vierkante meter van het gebouwtje dat – vanuit de Kerkstraat gezien – links van het Boterhuis en rechts van de toen nog bestaande klokkentoren stond?12 In december 1816 klinkt de gemeentelijke verzuchting door dat het nodig is een gevangenis te hebben, “welke alhier ontbreekt.” Dat er uiteindelijk wel meer nodig is, blijkt in januari 1848 uit het aanvankelijk plan, bestek en begroting voor een nieuw gemeentehuis of – de gemeenteraad was er blijkbaar nog niet uit wat de beste optie was – het bestek en de begroting voor de verandering van het oude gemeentehuis. Het werd uiteindelijk een verbouwing en aannemer A. van Gaal te Geldrop kreeg de opdracht.13 In juli 1855 verklaarde pastoor Verhagen dat het gebruik van de grond om het Raadhuis te vergroten “ten alle tijden aan het gemeentebestuur zal worden toegestaan”.14 Dat daar blijkbaar dankbaar gebruik van werd gemaakt, valt op te maken uit de aankoop van een grote partij cement, in augustus 1856, “te lossen bij de Beekse brug, bestemd voor het gemeentehuis”.15

Ontwerptekening Raadhuis Gemert

Het plan om een nieuw raadhuis te bouwen werd net als in de tijd van de schepenen in een herberg van handen en voeten voorzien, namelijk in De Korenbeurs van Frunt, buurman van het Boterhuisje. Dat handen en voeten geven werd destijds, we schrijven 17 maart 1885, omschreven als “het amoveeren van het oude en terzelfder plaatse bouwen van een nieuw Raadhuis”. De Helmondse architect M. Dreesen tekende voor het ontwerp. Op de bouwtekening van het nieuwe raadhuis aan de Kerkstraat is te zien welke ruimten een raadhuis aan het einde van de 19e eeuw nodig had. Op de verdieping treffen we de Raadzaal en de Secretarie aan en er was op één hoog ook ruimte voor het Kadaster en allerlei andere administraties. Op de begane grond wordt de gastvrijheid vooral in beeld gebracht door de aanwezigheid van het cachot, verdeeld in twee cellen. Ook is er nog een ruimte die wordt omschreven als ‘Diverse’. Dat het archief ook toen al de terechte boventoon voerde, blijkt uit het plekje waar alle oude documenten in kasten werden gelegd: op de zolder. Het oude raadhuis, dat op dezelfde plek stond, werd gesloopt. Twee maanden nadat het besluit om aan nieuwbouw te gaan doen was genomen, legde burgemeester Gerardus Slits op 19 mei de eerste steen van het gebouw dat in de volksmond al snel ‘het Stumpke’ werd genoemd, vanwege de eigenaardige, stompe vorm van het dak.

Naar het Ridderplein

Maar ach, de vaart der volkeren versnelde in een accelererend tempo, het Stumpke voldeed niet meer en in 1926 viel het oog van de gemeenteraad op het statige pand van wijlen mejuffrouw Verschure aan het Ridderplein. Dat geschiedenis de neiging heeft zich te herhalen blijkt uit het verzet dat onder een deel van de bevolking ontstond. “Sommige personen zijn te zeer aan het oude gebouw gehecht.” Dat verschijnsel is dus niet iets typisch van onze moderne tijd. Hoe dan ook, de eerste raadsvergadering in het aangekochte patriciërshuis vond plaats in oktober 1926. De raadsleden hadden zich aan de tafel gezet die heden ten dage in de Heemkamer staat. Sindsdien is het gemeentehuis ruim twintig keer verbouwd of aangepast. Een van de grotere verbouwingen vond in de oorlogsjaren plaats. De pui werd vervangen, wellicht ook vanwege de beschadigingen die waren ontstaan bij de beschietingen op 11 mei 1940, over en weer tussen Duitse soldaten en de Nederlandse genietroepen op het kasteel. De diverse ruimten in het pand werden gemoderniseerd. Sindsdien herinnert qua sfeer en aankleding alleen nog de trouwzaal aan het oorspronkelijke huis van juffrouw Verschure. Het kenmerkende torentje staat sinds 1947 op het dak, nog zonder carillon. De plannen om dat mooie geluid toe te voegen aan de beleving van Gemert-centrum, worden door B&W op 16 april 1964 in een vertrouwelijk schrijven verwoord. “Het carillon zal aan waarde winnen door een figuuromloop. Het representatief karakter van het gemeentehuis wordt erdoor verhoogd, terwijl dat tevens een attractie voor het publiek betekent. De omloop zal bestaan uit drie ridders in historische kledij, gezeten te paard, met vóór elk paard een schildknaap te voet en komt uit, respectievelijk verdwijnt in een door klapbruggen en met burgwallen te versieren deurtjes van de dakkapellen.16 Het klokkenspel van twee octaven, bestaande uit 24 klokken, gegoten door klokkengieterij Petit & Fritsen in Aarle-Rixtel, werd samen met een speciale klokkenstoel en een inrichting voor “elektrisch-automatisch spel met nachtuitschakeling”, in juni 1964 geleverd.

Ondanks het feit dat het vanaf 11 september 1964 te horen en te zien was, is het carillon plus omloop pas op 7 mei 1966 feestelijk in gebruik genomen.17 Dat had te maken met keuringen en herkeuringen van de klokken, sommigen dienden opnieuw gestemd te worden, er moesten nog meer muziekbanden worden aangeschaft en de gemeenteraad had al in november 1963 besloten organisaties, industrieën en particulieren in de gelegenheid te stellen een of meer klokken te adopteren, in ruil voor het recht zo’n adoptieklok een naam te geven.18 Sindsdien tuimelen en buitelen elk hele uur vrolijke klanken door en over het centrum van Gemert. De Duitse ridders die tegelijkertijd parmantig in de nis van de bovengevel voorbij trekken, doen dat dus onvermoeibaar al ruim zestig jaar…

Met dank aan het gemeentearchief Gemert-Bakel, aan parochie St.-Willibrordus en aan Jos Vogels.

Noten:

  1. Gemeentearchief Gemert-Bakel, AG001-919.
  2. Simon van Wetten, Transcripties Gemerts schepenprotocol, R86, blz. 36.
  3. Idem, R61, blz. 3-6 en blz. 17-20.
  4. Idem, R55, blz. 1.
  5. 5. Gemeentearchief Gemert-Bakel, AG002, Bestuur en Kanton van Gemert, doos 43.
  6. Uit: Simon van Wetten, Tussen hoogmis en herberg, Gemert, 2016 / AG001-812.
  7. Privéarchief drossaard Peter Adrianus de la Court, bewerking S. van Wetten, folio 1 t/m 150.
  8. Uit: Simon van Wetten, Tussen herberg en hoogmis, Gemert 2013, blz. 207.
  9. R215, blz. 1.
  10. .-11. AG002/D257.
    12. Website historischegeografiebrabant, L179.
    13.-14.-15. AG083-710.
    16.-17. AG083-0710.
    18. Volgens de Helmondse Courant van 28 november 1963 is er inderdaad een aantal particulieren, dat samen met de Willem II Sigarenfabrieken, de Koninklijke Manufactuur Industrie, hotel De Keizer en klooster Nazareth, een klok hebben geadopteerd.

FOTOBIJSCHRIFTEN:

Montesquieu, de bedenker van de Trias Politica, de driedeling van de macht.

 Herberg De Wildeman, aan die Plaetse.

De onnavolgbare handtekening van secretaris Jan Cluijtmans.

 Schilderij, teruggevonden in de pastorie. Geheel links de kosterswoning, daarnaast de klokkentoren, dan de poort naar het kerkhof, vervolgens “het huiske met een boterwaag daarin” en uiterst rechts de hoek van De Korenbeurs.

 Situatie zoals op de eerste kadasterkaart van 1832 weergegeven.

 Het in 1917 afgebroken kosterhuis, daar waar nu het grasveld voor de kerk ligt. (foto collectie Jos Vogels)

 Nogmaals de kosterwoning. Met op de achtergrond de sacristie en een deel van het priesterkoor. (foto collectie Jos Vogels)

 Bouwtekening Raadhuis uit 1885.

 Foto’s hierboven: Het Raadhuis alias ’t Stumpke toen en nu.

 Het statige pand van mejuffrouw Verschuure.  

 De raadszaal in het nieuwe gemeentehuis. De 24 carillonklokken worden geleverd. De Duitse ridders trekken voorbij.

 De binnenplaats van het gemeentehuis, in 1943. Rechts de ingang naar ‘sociale zaken’.

 Gemeentehuis 1973.

 Gemeentehuis 1984.

Uitbreiding aan de achterzijde, in 1983.