GH-2025-2 Kapittelstokjes
Ad Otten
D’n himmel of een skup èèrd
Het zal zijn geweest in 1954 toen mijn opa, naar wie ik ben vernoemd, werd bediend. Dat wil zeggen: hem werd het sacrament van het Heilig Oliesel toegediend ook al wilde hij dat eigenlijk niet. Opa en oma woonden bij ons in huis en ons mam had al gezorgd voor een kruisbeeld op een tafeltje met links en rechts een brandende kaars. Wij woonden schuin tegenover de pastorie. Pastoor Van den Heuvel hoefde maar over te steken. En die kwam in vol ornaat. Ik moet 9 jaar zijn geweest. Ik en onzen Henk stonden als oudsten van het gezin met vader, moeder en opoe rond het bed van opa Januske Otten. De hele plechtigheid hebben we meegemaakt. Toen ‘mijnheer pastoor’ klaar was met alle kruistekens, zalvingen, zegeningen en het (voor)bidden voor het zieleheil van ‘het slachtoffer’, zei hij tot slot ter geruststelling tegen opa nog iets in de geest van: “Zo Janus, en mocht je nu wat overkomen, dan ga je recht naar de hemel!” Opa zette grote ogen op en zei tegen de pastoor “Nò d’n hímmel?” en “Geleufde gaj dè?” Om vervolgens voor zichzelf maar voor iedereen duidelijk genoeg te besluiten met “Ge kriet ’n skup èèrd ovver ‘w sodemieter. D’èst gelèjk!” Opoe verschoot ervan en zei iets van “Mar Jaonus toch!” En ons mam boog zich naar ons toe en fluisterde heel zachtjes in onze oortjes: “Opa weet niet meer wat ie zegt. Opa wordt een bietje kinds…”.
Januske Otten (links) verlaat hier met zijn vrouw de kerk waar ze hun gouden bruiloft vierden. Een jaar later op zijn sterfbed bleek Januske toch niet zo gelovig.
God had geen licht aan
Op de Komschool in Gemert kwam met een zekere regelmaat pastoor Van den Heuvel of één van zijn kapelaans lesgeven. Rekenen en Taal konden dan wel algemeen beschouwd worden als de belangrijkste leervakken op school, maar de aller-allerbelangrijkste les gold toch eigenlijk de godsdienst- en catechismusles, zo leerden ons de nog allemaal zwartgerokte meesters uit de parochiekerk van toen.
Dat alles is zo’n dikke zeventig jaren geleden en ik realiseer me nu dat van al die ‘ozo’ belangrijke katechismusvragen ik er nog slechts EENTJE met vraag en antwoord kan opdreunen. Het is een korte vraag met dito antwoord die ik er net als toen op de speelplaats, en het liefst met stemverheffing, zo weer kan uitflappen, ook al werd die dan door ‘ons’ in het antwoord expres wat vervormd:
“Kunnen wij God zien?”
“Neen, wij kunnen God niet zien, want Hij heeft GEEN LICHT AAN!”
Mijn hele klas kende deze vraag-met-antwoord. Natuurlijk wist iedereen wel dat het antwoord hoorde te eindigen op LICHAAM, maar… ‘lichaam’ is geen Gemerts woord! Sla er het uitgebreide Woordenboek van de Gemertse Taal maar op na. Dat woord kenden we niet. Geen van allen! Wij wasten ons lèjf en toen we nog wat kleiner waren werden onze ‘lèjfkes’ door onze moeders gewassen in een wasteil. Het woord ‘lichaam’ werd thuis nooit gebezigd. Dat kwam uit het ‘buitenland’ en hoorde niet bij ons. En voor zover ik me kan herinneren evenmin bij de rest van de klas. Bijgevolg was ‘GEEN LICHT AAN’ onze perfect klinkende Gemertse invulling voor ‘GEEN LICHAAM!!’ En als ik eraan terugdenk waren er toen ook al meesters en juffrouwen die, om deze met zijn allen op de speelplaats luid opgedreunde bijzondere catechismusvraag-met-antwoord, een glimlach niet konden onderdrukken. Zij begrepen en voelden wel hoe het zat! Of zou de schrijver van dit artikel dat maar hebben gedroomd?? Nee toch!
Ik had een wapenmakker
Gedicht van Johanna Oor-Prinzen
Bladerend in de Katholieke Illustratie van 4 februari 1931 (65ste Jaargang blz.428) stuitte ik zomaar op een gedicht van Johanna Oor-Prinzen. Dat is een Gemertse wist ik. Van de fabrikantenfamilie Prinzen. Johanna Prinzen werd in Gemert geboren in 1864 en overleed op haar 88ste te Geleen in 1952. Zij trouwde in 1903 te Gemert de Roermondse beeldhouwer Matheus Oor. En was zij het ook niet die model stond voor het beeld van de Heilige Elisabeth in de vroegere kapelgevel van het Gasthuis aan de Nieuwstraat (bouwjaar 1908), dat rond 2010 een nieuwe bestemming vond in de aula van Huize Ruijschenbergh? En stond Johanna Prinzen, de dichteres, zo rond haar trouwjaar of in elk geval in het eerste decennium van de twintigste eeuw ook al niet model voor de Heilige Maagd Maria in de Calvarieberg op Gemerts parochiekerkhof? In de Katholieke Illustratie van 1931 laat zij zien heel sterk betrokken te zijn tot de beeldende kunst en niet alleen tot die van haar echtgenoot de beeldhouwer. Haar gedicht in de Katholieke Illustratie blijkt geïnspireerd door een foto van de beeltenis van een biddende soldaat die een gesneuvelde kameraad uit de Eerste Wereldoorlog herdenkt in een eerdere aflevering. Het is een foto van een oorlogsmonument in een voorstad van Hamburg dat nogal afwijkt van het gebruikelijke en zeker niet opwekt tot nieuwe krijgslust. (Katholieke Illustratie 7 januari 1931, blz. 345). Een biddende soldaat op het graf van een gesneuvelde wapenbroeder dat is getiteld “Ich hatt’ einen Kameraden…”. We volstaan hier met het laatste couplet van het aansprekende gedicht “Ik had een wapenmakker” van de Gemertse Johanna Prinzen, die we als dichteres nog niet kenden:
Ik had een wapenmakker, jong en sterk.
Hij viel op vreemden bodem en geen zerk
Wijst ons de plaats waar zijn gebeente rust,
Geen moeder heeft het bleek gelaat gekust,
Dat stil en vredig op het sneeuwkleed lag.
Alleen, verlaten, tot aan jongsten dag.
Maar in “die Heimat” buigt een kameraad
De knie, terwijl hij de oogen nederslaat,
En van zijn lippen stijgt een stille bêe:
“Gij, trouwe wapenmakker, rust in vrêe.”
In een voorstad van Hamburg staat een oorlogsmonument van een biddende soldaat op het graf van een gesneuvelde wapenbroeder dat is getiteld “Ich hatt’ einen Kameraden…”.
Het gedicht van Johanna Prinzen was afgedrukt in de Katholieke Illustratie in 1931.
Johanna Oor-Prinzen Johanna Prinzen met haar echtgenoot Matheus Oor.