GH 2024-2 Kiek Naw – Volkslied
Naar PDF-bestand klik hier
Paul Verhees (tekst en foto)
Wor ’t kastaël már deeger stí, in ’t aawe graft te droome, òf ‘r van ’t laand van óvverzaë wír Daojtse Ridders kòmme. Een zin uit het Gímmers volkslied, in 1923 geschreven door pastoor Lambert Poell. Lambert was in 1872 geboren in Den Bosch waar hij naar de lagere school ging. Hij was kapelaan in Tilburg en in Woensel voor hij in 1915 pastoor werd in Gemert. Knap dat hij zich acht jaar later het plaatselijke dialect zozeer had eigen gemaakt, dat hij in het Gímmers een volkslied kon schrijven. Helemaal foutloos was het trouwens niet. Volgens het Gemerts Woordenboek betekent deeger: ‘steeds, bij voortduring, maar met geringe tussenpozen, telkens weer’. Feitelijk dichtte Poell dus: Wor ’t kastaël bij voortduring met geringe tussenpozen stí. Beter was volgens het Gemerts Woordenboek geweest: Wor ’t kastaël már aaltejd stí. En natuurlijk wist pastoor Poell dat er van ’t laand van óvverzaë geen Duitse Ridders meer zouden komen. Wat hij niet wist, was dat een wakker kasteel de ridders een eeuw later elk uur dùr de loocht voorbij ziet komen: als het carillon speelt boven de ingang van het gemeentehuis.