GH 2024-3 Tafelgesprek met huidige brandweerlieden
KLIK HIER VOOR PDF-bestand
Simon van Wetten
Wederom in de kazerne aan de Cortenbachstraat vond een week na het eerste tafelgesprek andermaal een gedachtewisseling plaats, nu met brandweermannen die nog steeds in functie zijn. Aanwezig waren Ton van Melis, Rob de Gruijter, Joris van de Vossenberg (die dus beide sessies aan tafel zat) en Ed van den Kerkhof. Hoe kijken zij aan tegen het huidige brandweerwerk en wat weten zij van de voorgeschiedenis?
Korpssamenvoeging
Volgens de vier heren is de korpssamenvoeging inmiddels los van echte concurrentie. “Op de wedstrijden na en met de toevoeging dat de typische brandweermannenvraag ‘waarom zijn wij daar niet naartoe geweest’ nog vaak gesteld wordt.” Hebben jullie daar een voorbeeld van? “Nou, Boekel rukt tegenwoordig uit naar Handel. Vroeger deden wij dat. Vervelend, want je bent nu eenmaal bij de brandweer om branden te blussen en hulp te verlenen. Daar is niets mis mee, dat is een gezonde drive. De scheidingslijn ligt bij de Boskant in Handel.” Waarom is die lijn juist daar getrokken? “De regio is in grote vakken opgedeeld, in Brabant-Noord (waar Boekel bij hoort) wat minder fijnmazig dan bij ons, maar hoe dan ook, als je als korps 70% van zo’n vak qua aanrijtijd als eerste binnen je bereik hebt, dan is dat hele vak voor jouw korps. Wij zijn door die bepaling gebied kwijtgeraakt. Als voorbeeld denken we dan aan de brand in een boerderij op Den Hoek, het achterste puntje van De Mortel. Daarvoor stond De Rips als eerste in de kazernevolgorde-tabel terwijl ze, om ter plaatse te komen, over gebied moeten rijden dat toebedeeld is aan Gemert. Maar nogmaals, we snijden dit onderwerp aan uit gezonde betrokkenheid, niet uit rivaliteit.”
Staat die verdeling voor eeuwig vast? “Nee hoor, elk jaar wordt gekeken wat de opkomsttijden zijn. Een herverdeling is altijd mogelijk.” En dat geldt niet alleen voor brand. Jullie zijn first responders. “Dat wij de brandjes blussen en de ambulancebroeders de mensen verzorgen, die scheiding is niet meteen weg gevlakt toen het first responderschap werd ingevoerd. Die ambulancemensen liepen ons, als ze na ons aankwamen, straal voorbij, vroegen niet eens naar onze bevindingen. Met de komst van een jongere, nieuwe generatie hulpverleners werd het wel beter, maar af en toe wordt er toch nog moeilijk gedaan.” En de politie? Ed van de Kerkhof: “Wij hebben de indruk dat de politiemannen en -vrouwen met betrekking tot reanimaties niet heel intensief zijn opgeleid. Vaak zijn zij als eerste ter plekke. Als wij dan aankomen, nemen we het over. Ook dat gaat soms wat moeizaam. En vervolgens moeten wij pas op de plaats maken als de ambulance arriveert. Dát gaat wel steeds soepeler, ook al omdat wij medisch-assistenten in ons team hebben. Nee, dat is niet bij elke post zo, maar die van ons rijden met een aparte, kleine wagen uit.”
Water- en andere ongevallen
Het gesprek komt op een onderwerp dat tijdens het tafelgesprek met de inmiddels afgezwaaide groep ook al met emotie en frustratie werd geanalyseerd: waterongevallen. “Duikongevallen kwamen vroeger bij de brandweer meer dan gemiddeld voor. Door alle andere taken die de brandweerlieden hadden, werd dat onderdeel te weinig geoefend. En ja, als er dan een bezuinigingsronde komt, dan valt het oog al snel op de brandweer. Kijk, Den Bosch heeft een half uur nodig om hier te komen. Mensen die in onze veiligheidsregio onder water geraken, krijgen voor ons gevoel geen kans meer, omdat we niet snel de juiste hulp kunnen bieden. We dachten dat dit feit een stevig argument was om het niet aldus te gaan regelen, maar helaas, onze duikteams werden opgeheven. Er zijn nu alleen nog drie oppervlakte-reddingteams in de regio.”
De afschaling levert lastige discussies op: “Jullie redden geen mensen, jullie bergen mensen.” En inderdaad, bij dit soort ongevallen overlijden de slachtoffers maar al te vaak. “Die beslissing is destijds ook genomen op grond van het feit dat de burgemeesters van gemeenten waar geen grote wateren zijn, vóór de bezuiniging op duikteams stemden. Voor ons gevoel op basis van verkeerde argumenten. En er is bij ons wel meer wegbezuinigd. De tweede tankwagen en twee-derde van de hulpverleningsvoertuigen, die zijn nu strategisch in de regio geplaatst. Maar wat krijg je dan? Bij het ongeluk waarbij een automobiliste achterwaarts een groentewinkel aan de Rooije Hoefsedijk binnenreed, was de in Helmond gestationeerde HV, het hulpverleningsvoertuig, ingezet in Eindhoven. Dus werd de HV van Mill gealarmeerd. Nou, het ongeluk bleek gelukkig niet al te ernstig, maar het is toch van de gekke dat dan moet worden gewacht op hulp vanuit Mill? En als we een hoogwerker nodig hebben, een in Helmond gestationeerde hoogwerker al is ingezet, moet er eentje uit Geldrop of Eindhoven komen. En als wij in Horst meehelpen een Peelbrand te bestrijden, hoe moet dat dan als er in Gemert iets gebeurt?” Joris vult aan: “Misschien dat ooit, onverhoopt, een fikse ramp zal doen inzien dat de hulpverlening dan moeizaam op gang komt. Te weinig personeel, te weinig autootjes. Gelukkig is de meldkamer, als de brandweer al her en der ingezet is, wel op voorhand al bezig met hoe en door wie een eventueel volgend incident of calamiteit aangepakt moet worden.”
Opspringers
Tegenwoordig wordt het uitrukteam vaak gecompleteerd met ‘opspringers’. “Dat zijn mensen van nabije korpsen die met ons mee uitrukken. Je moet begrijpen, vroeger bestond de vrijwillige brandweer voor een groot deel uit de bakkers en slagers en andere middenstanders van het dorp. Die gooiden hun deeg of karbonaden aan de kant en waren binnen een mum van tijd op de kazerne. Tegenwoordig werkt een groot deel van ons team buitendorps, dus die komen niet als er alarm is, die kunnen gewoonweg niet op tijd hier zijn. Maar wij hebben bijvoorbeeld iemand die elders woont, en hier op het Macropedius werkt, die springt dan bij ons op de wagen. Zo zorgen we ervoor dat de korpsen op sterkte blijven.”
Regionalisering ingedaald?
Hoelang duurde het na de invoering van de regio’s voor dat jullie nieuwe pakken en betere laarzen kregen? “Totdat de aanschaf regionaal was aanbesteed en dat kon wel twee jaar duren. We hebben zelfs een keer gedreigd te stoppen als we niet binnen afzienbare tijd betere spullen kregen. Want wat hierbinnen stond en hing was geen knoop meer waard en allang aan vervanging toe.” Maar wanneer stond de boel weer echt op poten? “Dat duurde best wel lang, maar eerlijk is eerlijk, uiteindelijk zijn we er op materieel gebied wel op vooruit gegaan.” En is er ooit onderzoek gedaan naar hoe de burgers naar het resultaat van al die veranderingen aankeken? “Nee, en wij denken dat 90% van de bevolking niet door had – en nog steeds niet heeft – dát er van alles veranderd is.”
Dit thema leidt tot een conclusie van algemene aard. “De maatschappij is veranderd. Vroeger waren de mensen dankbaar voor onze inzet, brachten bij wijze van spreken een vlaai naar de kazerne, nu komt snel het verwijt dat we er wel eerder hadden kunnen zijn. De medisch-assistenten vormen de uitzondering, hun werk wordt wél gedragen door de burgers.”
Maar jullie hebben toch nog wel plezier in dit werk? Jullie zijn per slot vrijwilligers. “We zijn allemaal geïnfecteerd met het brandweervirus, maar de oudere lichting had met die overgang heel veel moeite. Ze kon zelfs het woord ‘regio’ niet meer horen. Je zag ook bij de jaarlijkse oproep voor de keuring dat sommige 50-plussers zich dan afvroegen of ze zich nog wel zouden láten keuren. Dat was zo’n moment waarop oudere collega’s soms besloten het bijltje erbij neer te gooien.” Aha, dus jullie worden jaarlijks gekeurd. “Als je boven de 50 bent wel, voor degenen tussen de 40 en 50 jaar geldt de keuringsplicht om de twee jaar, en als je jonger dan 40 bent om de vier jaar.
Aantal uitrukken
Het aantal keren dat je als brandweerman op een calamiteit afgaat, is sterk verminderd. “Dat heeft met keuzes te maken. Voorheen reden we bijvoorbeeld regelmatig naar de Wortel van de Mortel, altijd loos alarm. Dat doen we niet meer, en voor olie op de weg, het is al gezegd, hoef je ons ook niet op te roepen. Als we dat wel zouden doen, dan is de volgende stap wellicht gladheidsbestrijding, dus strooien. Nee, vroeger hadden we bepaalde taken en daarnaast deden we aan dienstverlening, maar dat laatste is compleet geschrapt. Een andere factor is het verdwijnen van de tweede uitrukwagen, dat vermindert eveneens het aantal keren dat je als brandweerman in een wagen klimt om ergens op af te gaan.”
En is dat erg? “Och, we zijn er in het algemeen toch op vooruit gegaan. Het werkplezier is er nog wel degelijk en blijven hangen in wat er minder goed gaat heeft geen zin. Het heeft zeker ook te maken met hoe je zelf in elkaar zit. Vroeger waren we als korps zelfvoorzienend, we deden álles zelf. Nu is er voor iedere brandweerman ook iemand op een kantoor. Maar de één vindt dat overzichtelijk takenpakket dat daardoor is ontstaan te karig, de ander vindt het juist prettig.
Je hoeft minder te regelen, hebt minder zorgen over levertijden en een juiste administratie en kunt je dus volledig concentreren op die ene taak die nu eenmaal het belangrijkst is. Daar komt nog bij dat je allemaal op dezelfde manier wordt behandeld. We hebben een post en een posthoofd. Die kennen we, en verder komen we qua namen niet. Nee, dat is geen ramp. Als we, zoals nu, toe zijn aan nieuwe uitrukkleding, dan krijg je in je postvakje de vraag of je plaats wilt nemen in een commissie om te kijken welke voorkeur er voor bepaalde pakken bestaat. Zo’n commissie is niet meer dan een adviesgroepje. Maar als jouw posthoofd echt binding heeft met de post, dan staat hij achter je, verdedigt jouw belangen in de contacten met hogerhand, óók aangaande een juiste keuze voor die nieuwe uitrukkleding.”
Jullie taak als vrijwilliger is beperkter geworden. “Ja, door alles wat we geschetst hebben zal dat wel duidelijk zijn. En we hebben nog niet verteld dat ook de Incidentbestrijding Gevaarlijke stoffen uit ons takenpakket is verdwenen, en dat steeds maar twee man uitrukken om medische assistentie te verlenen. Wat aangaande het onderwerp ‘uitrukken’ ook niet onvermeld mag blijven, is de enorme verandering die de social media teweeg hebben gebracht. Facebook, Instagram, YouTube, het effect daarvan is dat behoorlijk wat mensen opdringerig staan te filmen of te fotograferen. Vroeger had je één persfotograaf van het Eind-hovens Dagblad, en dat was het dan wel. Maar nu… Je hebt lui die het snappen en die aan de kant gaan als je het netjes vraagt, maar er is ook een behoorlijke horde die er álles aan doet om die ene foto te maken die ze kunnen verkopen aan Omroep Brabant of een of ander persbureau. Nee, zelf mogen we geen foto’s plaatsen.”
Corona
Uiteraard was de pandemie voor iedereen een bijzonder en maar al te vaak een verwarrende, beangstigende en verdrietige tijd. Hoe is de brandweer door die periode heen gekomen?
“Tja, wij vormden de uitzondering op heel veel coronaregels. Oefenen mocht niet meer, maar uitrukken bij brand en andere narigheid, dat ging uiteraard gewoon door. Overigens was er in die tijd beduidend minder alarm. Het was rustiger, mensen werkten veel thuis, de avondklok, dat alles had een positieve invloed op het aantal incidenten. Toch, met name de medisch-assistenten hadden veel last van de coronapandemie. Zij mochten ook het eerst gevaccineerd worden. Nee, de brandweerlieden niet, die moesten gewoon op hun beurt wachten, behalve die keer dat de nabije vaccinatiepost op een avond nog heel veel vaccin over had. Toen zijn wij uitgenodigd om snel te komen. In onze herinnering was het vooral een saaie periode. We misten de club, de dinsdagavondbijeenkomsten, het oefenen. En als je dan voor je reguliere werk ook nog de hele dag thuis zat, nou, dan kwamen de muren weleens op je af.” Waren er bij jullie méér mensen ziek dan gemiddeld? Joris: “Nee, dat niet. Wel is ons erelid Tiny van den Burg één van de eersten die door de corona is overleden. En wij kwamen natuurlijk regelmatig met coronapatiënten in aanraking. Dan ging je naderhand niet met een prettig gevoel naar huis. Je wilde je gezinsleden en zeker je ouwelui niet besmetten. Maar als je dan navraag deed en informeerde of de persoon die je had geholpen positief of negatief was getest, dan mocht dat vanwege de AVG, de wet op de privacy, niet worden verteld. Onzin toch?”
Teamspirit
Eerder werd al eens gesteld dat de regionalisering ook die typische gezamenlijke bezigheden en ontspanning een beetje om zeep heeft geholpen. “Vroeger ging al het geld in de personeelspot. Nu betaal je contributie en dat voelt ánders. Toch is de teamspirit nog steeds uitstekend. Elkaar opzoeken, daar is minder behoefte aan, dat is ook weer zo’n breed-maatschappelijke ontwikkeling, maar bij ons is onze beroemde caféruimte op dinsdagavond nog een gezellige ontmoetingsplek, we hebben de jaarlijkse barbecue met partners en kinderen, dat geldt ook voor de Sinterklaas-viering, en we gaan een weekendje weg. En heus, bij feesten blijft de uitrukploeg compleet nuchter. De leuke dingen? In ons systeem zit nog steeds de kerstboomverbranding, en het landskampioenschap in 2010. De carnavalsprinsen onder ons, meedoen in de optocht, Ton van Melis die twee jaar achtereen prins was vanwege de corona-epidemie, de daarmee gepaard gaande mini-optocht die we toen hebben georganiseerd. Echt, het is nog steeds de moeite waard om brandweerman te zijn. De jongensdroom die uitkomt. Als korps doen we het ook zeker niet slecht, nieuwe mensen melden zich nog steeds uit zichzelf aan, we zijn volledig op sterkte. Bij andere korpsen zien we de banners en affiches hangen: ‘Wij zoeken nieuwe collega’s’. Dat hoeft bij ons nog niet, de aantrekkingskracht is blijkbaar groot. Och, we zijn ook het mooiste dorp. De huidige burgemeester is heel betrokken en geïnteresseerd, en draaft bij elk jubileum op om bij de jubilaris die mooie speld op het revers te bevestigen. Ook al moet je er veel voor doen, oefenen, leren, je werkgever overtuigen dat het écht nodig is, en ook al is vrijwilligheid geen vrijblijvendheid, dit werk is iets dat je met hart en ziel doet!”
Epiloog
Vrijwel alle aspecten die verscholen gaan achter dat ene woordje ‘brandweer’ zijn in deze speciale uitgave van Gemerts Heem de revue gepasseerd. Het is een aparte wereld, waar opperste motivatie, uiterste gedrevenheid, doortimmerde opleidingen, geoefendheid en getraindheid ervoor zorgen dat niet hulpeloos toegekeken wordt bij alle ellende die nu eenmaal onverhoopt, maar nooit uit te sluiten, ons pad kan kruisen. Hulpvaardigheid is toch wel een van de mooiste menselijke eigenschappen. En die is bij de brandweer, zeker ook bij het Gemertse korps, altoos aanwezig. Zij komen ons, de burgers, als het nodig is te hulp. Ook hun onderlinge kameraadschap is van opmerkelijk grote proporties. De al eerder geciteerde Lambèr Vugs noteerde ooit in ‘zijn’ Gemerts Nieuwsblad: “Voor iemand door het vuur gaan is een gezegde in de Nederlandse taal hetwelk aangeeft dat je bereid bent alles voor hem of haar te doen. Bij leden van de vrijwillige brandweer kan deze uitdrukking op cruciale momenten fysieke proporties aannemen. Als brandweerfunctionaris moet je, bij de benadering van calamiteiten, van elkaar op aan kunnen. Je bent als het ware van de expertise en de standvastigheid van de man of vrouw afhankelijk waarmee je schouder aan schouder in de frontlinie van de aanpak staat. Deze vorm van onvoorwaardelijke afhankelijkheid is bepalend voor de hechte groepscultuur van onderlinge betrokkenheid die in kringen van brandweermedewerkers doorlopend gangbaar is.”
Mooie woorden om, samen met een diepe buiging voor de brandweerman en -vrouw, mee af te sluiten!
FOTOBIJSCHRIFTEN
Deze foto is een still uit een video-opname van Huub Schatorjé voor Omroep Centraal, bewerkt door fotograaf Jo van Es: de deelnemers aan het tafelgesprek met huidige brandweerlieden, v.l.n.r. Ton van Melis, Rob de Gruijter, Joris van de Vossenberg en Ed van den Kerkhof
Voor het blussen van een boerderijbrand aan Den Hoek in De Mortel werd heel wat materieel van de brandweer Brabant Zuid-Oost opgeroepen.Handel behoorde altijd tot het uitrukgebied van de Gemertse brandweer. Tegenwoordig wordt voor een deel van Handel de Boekelse brandweer gealarmeerd.
Brand bij de slagerij aan de Nieuwstraat in 2020 waarbij de hoogwerker uit Helmond moest komen.
De Gemertse brandweer schoot in 2020 ook te hulp bij de grote natuurbrand in de Deurnese Mariapeel.De brandweer moest in 2020 enkele keren uitrukken voor een gaslek aan de Bisonstraat.
Gemertse brandweer in nieuwe uitrukkleding in 2017.
Automatisch brandalarm bij de PTT-toren in De Mortel in 1993. Nu rukt de brandweer daar niet meer voor uit.
Brand bij het autobedrijf aan de Molenrand in 2022.Een bericht in het Eindhovens Dagblad over extra surveillances na brandstichting.
Een artikel in het Gemerts Nieuwsblad: Brandweer en gemeentewerf naar bedrijventerrein.