Herinneringen aan Martien van der Wijst (Gemert 1934 – Heerlen 2025)
Voor opmaak met illustratie in pdf: klik hier
Ad Otten
Seksueel hervormer, archivaris, vrijmetselaar, jurist-rechtenfilosoof, dichter en historicus, maar zeker ook een bijzondere Gemertenaar
Martien van der Wijst is overleden, op 91-jarige leeftijd. Hij heeft veel betekend voor Heemkundekring De Kommanderij en voor Gemerts Heem. Dagblad “De Limburger” trekt over de hele breedte van een pagina met een opmerkelijke kop de aandacht omtrent het overlijden van Martien: seksueel hervormer, archivaris, vrijmetselaar, enz.. Dan kan Gemerts Heem niet achterblijven.
Martien is geboren op 2 april 1934 in De Haag te Gemert. In 1959 verhuist hij als gediplomeerd rijksarchivaris naar Arnhem waar hij aan de slag gaat als medewerker van het Rijksmuseum voor Volkskunde (Het Nederlands Openluchtmuseum). In 1973 trekt hij van daar met zijn gezin naar Heerlen, waar hij aan de slag gaat als ‘chef de bureau van archief en museum’. Hij groeit daar uit tot een gekend persoon in Zuid-Limburg die in dé krant van de provincie na zijn overlijden op 23 juli 2025 in een uitgebreid en kleurrijk In Memoriam wordt herdacht en geëerd.
In zijn geboorteplaats Gemert is hij al die tijd, zij het op afstand, ook voor Heemkundekring De Kommanderij Gemert van betekenis gebleven. Hij is bovendien de persoon die aan de basis ligt van het tijdschrift Gemerts Heem. Pater Dr. Loffeld, algemeen gekend als de stichter van de Gemertse heemkundekring in 1941, heeft in juli van dat jaar weliswaar een eerste Gemerts Heem geschreven, maar het tweede exemplaar ziet pas 17 jaar later het licht. En na het derde nummer in november 1961 komt het tot een regelmatig verschijnen van het blad. Schrijver en samensteller is Martien van der Wijst die vanuit Arnhem tot 1973 als hoofdredacteur de zorg blijft dragen voor het tijdschrift dat hij maakt tot dé bindende factor voor de leden van de heemkundekring.
In de nog een paar jaar jongere twintiger Wim Vos vindt Martien dan al snel een bondgenoot. Als respectievelijk secretaris en hoofdredacteur leggen zij, onder het voorzitterschap van hoofdmeester Van der Velden, een stevig fundament voor veel meer dan het voortbestaan van de heemkundekring. Bestuurslid en gemeentesecretaris Jacques Van den Broek had indertijd Martien van der Wijst al heel graag bij zijn ambtenarenkorps ingelijfd als archivaris van de gemeente Gemert, maar het gemeentebestuur-van-toen is daar nog niet rijp voor. Martien verhuist dan naar Arnhem.
Start van de geschiedschrijving
Het was een belofte van Loffeld dat hij ‘De Geschiedenis van Gemert’ zou schrijven. We citeren Martien uit een interview bij gelegenheid van het 75-jarig jubileum van de Heemkundekring: “Met kisten vol papier ging Loffeld naar Zwitserland om er aan de slag te gaan. De kisten kwamen terug. Hij had niks gedaan. Waarom? Hij wilde het te goed doen. Dat was het.”
Van die publicatie zal het nooit meer komen. Wel blijft dat nog zeker tien jaar rondzingen. Van der Wijst neemt daarom in 1961 het initiatief tot het schrijven van een “Beknopte Geschiedenis van Gemert”. In 1972 verschijnt daarvan een tweede herziene druk. In 1980 een derde druk, wederom herzien, aangevuld en nu ook fraai geïllustreerd en opgenomen in de serie Bijdragen tot de Geschiedenis van Gemert als nummer 4/5.
Herinneringen aan De Haag
In 2003 verrast Martien iedereen met zijn herinneringen aan de plek waar hij opgroeide. Het wordt een themanummer van Gemerts Heem. Vierenveertig pagina’s dik, met een aparte boekomslag en de titel “Herinneringen aan De Haag een halve eeuw later.” Een bijzonder boekje. Doorspekt met aansprekende Gemertse woorden en gezegdes, maar ook volzinnen. Martien is een goede schrijver. Een liefhebber van taal en een echte verteller. Mocht je het boekje in handen krijgen dan moet je er echt efkes voor gaan zitten, want het is een juweeltje dat verhaalt over de dorpse buurtschap De Haag van de oorlogsjaren tot en met de eerste helft van de jaren vijftig. Uitgebreid beschrijft Martien zijn geboortehuis, een boerderijtje met een grote hof en een enorme boomgaard met alle soorten fruitbomen, tot meer dan 50 stuks. Een veelheid aan appels met allemaal Gemertse namen, en peren en perziken, en heel veel struiken met bessen en frambozen. En aardbeien niet te vergeten. Het huis had in de voorgevel een ‘vurdeur’, aan de achterkant ’n ‘zèjldurke’, en aan de straatkant een ‘inhammige’ schuurdeur die voor de buurtjongens diende als doel bij het voetballen. In Martiens jeugdjaren geraakt het oude boerderijtje – tot 1947 nog met vrij zicht op De Ark en De Kampen – aan de straatzijde al meer en meer ingebouwd, maar d’n hof en d’n bogerd reiken dan nog van De Haag tot aan de Rips.
De hele buurt komt bij moeder Gonde van der Wijst voor groente en fruit. Vader Antoon overlijdt in 1946. Martien is dan twaalf en begint dat jaar als student aan de Latijnse School in Gemert.
De vele levens van Martien van der Wijst
Martien ontwikkelt zich tot een veelzijdig man met allerhande interesses. Na zijn militaire dienst ‘doet’ hij de Rijksarchiefschool. Hij verhuist naar Arnhem en trouwt de remonstrantse Hermine Koning. Ze krijgen drie kinderen Marcella, Ludwina en Antoni. Na de verhuizing naar Heerlen gaat Martien ook weer studeren. In 1983 haalt hij zijn doctoraal rechtsfilosofie in Leiden. Hij wordt ook opa. Kleindochter Celine horen we in Martiens afscheidsdienst spreken vanuit Alaska…
In Zuid-Limburg wordt Martien lid, respectievelijk medeoprichter van vrijmetselaarsloges in Heerlen en Sittard. Hij wordt ook voorzitter van de Limburgse afdeling van de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming. Voor D’66 zat hij al in de Provinciale Staten van Gelderland en in de jaren zeventig wordt hij voor dezelfde partij statenlid van Limburg.
Hij is de stimulerende motor van de Heerlense heemkring ‘Het Land van Herle’ en ook in Gemert blijft hij, zij het op afstand, het heem en de geschiedschrijving stimuleren. Een in Gemerts Heem door Martien gepubliceerde Lijst van Gemertse Woorden is voor Wim Vos het uitgangspunt van het vuistdikke Gemerts Woordenboek (2017) met een kleine negenhonderd bladzijden, enz. enz.
Een opmerkelijke eigenschap van Martien van der Wijst is zeker ook dat hij werkelijk ‘vanalles’ verzamelde. Daarbij liet hij zich ook nog kennen als dichter. In 1979 wordt de Gemertse heemkundekring maar wat graag uitgever van een hele bijzondere door Martien geklaarde klus als ‘vertaler’ van 24 Limburgse gedichten (van Nic. Bout) in de Gemertse taal: ‘Gedaachte èn Gedeechte, vertééld èn vertáld dûr M.A. van der Wijst’.
Als afsluiting volgt hier nog een heel apart gedicht (fragment) van Martien, gepubliceerd in ‘De Limburger’ van 22 februari 2014.
Vrouwelijk schoon
Ik kijk een vrouw niet naar de ogen
Ook ben ik niet echt opgetogen
Door een weids decolleté.
Daar verleidt men mij niet mee.
Nee, ik kijk altijd alleen
Naar ‘t welgevormde bovenbeen.
Ik let niet op borsten groot of klein.
Ik zie niet of armen aantrekkelijk zijn.
Geloof me, dat ik ook niets merk
Van een wulps draaiend achterwerk.
Nee, de vormen van het bovenbeen
Daar dwaalt mijn blik toch steeds weer heen.
Haren, donker, rood of blond,
Een fraaie seksuele mond,
Leuke wangen, fraaie oren,
Niets daarvan kan mij bekoren.
Zelfs geen roodgeverfde tenen.
Nee, alleen de bovenbenen.
Bronnen:
– Martien van der Wijst, Herinneringen aan De Haag, Gemerts Heem 2003, nr.1.
– In de Gemertse Heemkamer komt een persoonsdossier op naam van M.A. van der Wijst met overige bronnen.
FOTOBIJSCHRIFTEN
Martien Van der Wijst bij zijn Koninklijke Onderscheiding in 2015.
Het geboortehuis van Martien.
Foto gemaakt door Peter van den Elsen bij Martien thuis.
Het Gemertse tussenwerpsel ie:k bestond al lang vóór de nieuwe trend ick
Voor opmaak met illustratie in pdf: klik hier
Piet Vos
Iedere Gemertenaar heeft wel eens een zus of meisje op school ‘ie:k’ horen zeggen als ze iets smerigs zag of een vieze kerel. Bij het lezen van onderstaand artikel ontdekte ik dat de moderne jeugd ook zoiets zegt in vergelijkbare situaties, in navolging van het Engels.
In het tijdschrift Onze Taal 2025, nr. 1 vond ik op p. 21, in de rubriek ‘Taalnieuws’ de volgende korte tekst: “35.000 keer zochten mensen in Nederland in 2024 op Google specifiek naar de betekenis van het woord ick, en daarmee is dat het meest gegoogelde generatie-Z-woord, van het afgelopen jaar, volgens talenplatform Preply. Het woord is overgenomen uit het Engels en is eigenlijk een tussenwerpsel (net zoals ieuw): een ick is een plotselinge afkeer die je voelt voor een potentiële romantische partner, vaak naar aanleiding van iets kleins, zoals het laten rondslingeren van sokken.”
Met Google vond ik een verwijzing naar ick in het Woordenboek van Nieuwe Woorden. De definitie luidt daar: “irritante gewoonte die iemand heeft, vaak iets redelijk futiels, die ervoor zorgt dat iemand anders, meestal een date, op diegene afknapt. Het naamwoord ick komt uit het Engels en is in die taal waarschijnlijk verkort uit het bijvoeglijk naamwoord icky, dat volgens de Oxford English Dictionary (OED) ‘a general term of disapproval’ is en ‘nasty, repulsive, sticky’ betekent. Je kunt het woord ook gebruiken als tussenwerpsel: het is dan een uitroep van afgrijzen of afkeuring.” Via Google vond ik ook onder de vraag ‘wat betekent ick in de straattaal’: “De ick is een slangterm die wordt gebruikt om een gevoel van walging te beschrijven dat ontstaat ten opzichte van een geliefde, meestal na een specifiek, vaak triviaal gedrag. De uitdrukking werd in 2017 gepopulariseerd door Love Island en trok in 2020 nog meer aandacht op Tik-Tok, waar veel video’s vrouwen laten zien die hun icks opnoemen.” (Deze tekst kunnen we in het Engels lezen op Wikipedia s.v. ‘The ick’).
Toen ik bovenstaande teksten las, dacht ik onmiddellijk aan het tussenwerpsel ie:k in het Gemerts Woordenboek (GWB): “ba(h), uitroep van afkeer of walging gebruikt door meisjes (…).” Via Google vond ik in de ‘Nederlandse Encyclopedie’ (encyclo.nl) een vergelijkbaar meisjeswoord: ieuw: “meisjes uitroep om aan te geven dat iets vies, stom of eng is. Klemtoon ligt op de langgerekte ‘w’.” Het Gemerts tussenwerpsel ie:k deed me trouwens ook onmiddellijk denken aan de Duitse woorden Ekel (‘walging’) en ekelhaft (‘weerzinwekkend’). Al die hierboven genoemde taalfeiten brachten mij tot de verzuchting: waarom zouden we in Gemert die Engelse trend overnemen? Wij hebben immers al zolang het tussenwerpsel ie:k ! Waarom zeggen we trouwens shit’ terwijl we in het Gemerts ook skejt kunnen zeggen!
Johan van den Acker Textielfabriek bv, wevers sinds 1807
Voor opmaak met illustratie in pdf: klik hier
Ton Thelen
In 2007 kreeg de textielfabriek van Van den Acker het predicaat hofleverancier. Ter onderbouwing van de aanvraag werd destijds door Ton Thelen (1948-2022) onderstaande tekst geschreven. Het zou het begin kunnen zijn van de geschiedenis van die fabriek, maar die is niet verder uitgewerkt. Op het moment van schrijven was de textielfabriek nog volop actief. Dat is in de tekst ook te lezen. Inmiddels is Van den Acker met zijn activiteiten gestopt, maar het leek de redactie gepast om de originele tekst van Ton niet te wijzigen. Gezien de herontwikkeling van het fabriekscomplex is het onderwerp voldoende actueel om nu op te nemen in Gemerts Heem.
Johan van den Acker Textielfabriek te Gemert is een van de weinige bedrijven in de Nederlandse textielindustrie, die als zelfstandig bedrijf zich hebben weten te handhaven en in een lange traditie staan van vakmanschap, flexibiliteit en creativiteit. Met uitzondering van de spinnerij is het een geïntegreerd bedrijf, dat de garens verft, de dessins ontwerpt, de doeken weeft en finisht. Van de productie van hoogwaardige kledingstoffen, van volksdracht tot modern, en huishoudtextiel is sedert een tiental jaren een nieuwe weg ingeslagen van de productie van interieurstoffen, waarvoor de eigentijdse ontwerpen van de eigen afdeling komen. Met die ontwerpen volgt de firma niet alleen de trends, maar zet ook nieuwe trends uit en verbreedt daarmee haar debiet. De aandacht richt zich daarbij op de markt in de VS, waar de firma afzetmogelijkheden ziet en met name op de markt in Azië, waar een groeiende vraag is naar onderscheidende westerse kwaliteitsproducten. De dynamiek van de onderneming behelst voorts het zoeken naar milieuvriendelijke productiewijzen en producten.
Door een zuinige bedrijfshuishouding, waarbij de resultaten ten bate van het bedrijfsbelang werden ingezet, en een in zekere zin conservatief beleid, waarvoor vakmanschap en dessinontwerp zogezegd de schering van een hoogwaardig bedrijfsproduct vormden, en doordat binnen de familiale bedrijfscultuur deskundigheid en inzet bij de opvolging prevaleerden, heeft de onderneming de concurrentie van grootschalige bedrijven en de goedkopere textiele producten, die in de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw de binnenlandse markt overspoelden, goed weten te doorstaan. Thans staat de zesde generatie aan de leiding van een bloeiende onderneming, waarvan de oorsprong in rechte lijn teruggaat tot Henricus Peters van den Acker, gedoopt te Gemert op 4 maart 1781 en overleden aldaar op 21 maart 1837. Het adres bij zijn geboorte was Pandelaar; hij overleed op het adres Hoekje, daar waar later de fabriek van de Gebrs. Van den Acker was gevestigd.
Henricus Peters trouwde op 14 juni 1807 met Johanna Penninx, gedoopt 14 november 1781 en overleden op 17 november 1844. Johanna Penninx, sedert 1837 weduwe, stierf eveneens op het adres Hoekje. De memorie van successie, opgemaakt op 29 januari 1845, is ondertekend door hun vijf zonen: Petrus (Henricus, ook wel Petrus de oude genoemd), Johannes, Antonius (Peeters), Petrus (Peters, later is de naam Albertus aan Petrus toegevoegd, ook wel Petrus de jonge genoemd), en Arnoldus (Peters), allen genoemd fabrikant te Gemert. In een verkoopakte van 31 mei 1847 blijkt slechts één Petrus als fabrikant te zijn vermeld. Dan verkoopt Peter van den Acker, van beroep winkelier, voor fl 160,- aan Johannes van den Acker, Antonius van den Acker en Peter van den Acker, fabrikanten te Gemert: eenvijfde deel in het onroerend goed, bestaande uit een huis sectie I 524; een huis sectie I 525; een ververij en erf, sectie I nr. 856 en een tuin, sectie I nr. 857. Naar alle waarschijnlijkheid is deze verkoop gedaan door Petrus de oude, aangezien van Petrus de jonge twee zonen later in het bedrijf komen en het huwelijk van Petrus de oude kinderloos is gebleven. Daarop wijst ook de memorie van successie van Petrus Albertus, gedagtekend 17 juni 1863, waarin aan zijn weduwe en voogdes over hun minderjarige kinderen toevalt eenvierde deel in het onroerend goed, bestaande uit huizen, erven, tuinen, ververij en bouwland, waaronder genoemd de percelen sectie I nr. 524 en 525.
Blijkens een brief van de Nederlandsche Handelmaatschappij, gericht aan de burgemeester van Gemert, Hendrik Rietman (1829-1847), gedateerd 18 oktober 1845, heeft deze met zijn aanbeveling het verzoek van de fi rma Gebrs. Van den Acker gesteund om een order te verwerven voor de levering van katoenen en linnen stoffen. Arnoldus maakte toen al geen deel meer uit van de fi rma, zoals blijkt uit een verkooptransactie die op 10 september 1845 gesloten werd tussen Peter van Bon, de koper, en een collectief van verkopers, onder meer bestaande uit: vier leden van een familie Otten, allen wevers; de fabrikanten Albertus en Antonius van den Acker; Peter van den Acker, zonder beroep, en Johannes van den Acker, bakker. Johannes handelde mede namens zijn broer Arnoldus, “broeder van de orde der Dominicanen, wonende te Uden”. De verkoop betrof viervijfde deel van onroerend goed voor een bedrag van fl 110,-.
Merkwaardig is de last die op de koper rustte om “uit deze goederen voor vier vijfde gedeelten te blijven vergelden jaarlijks een gulden zestig cents aan het pastoreel register der gemeente Gemert.”
De in de vermelde akten van 1845 en 1847 soms wisselende beroepsaanduidingen voor de gezamenlijk onder de naam van Gebrs. Van den Acker producerende familieleden wijst niet op de beoefening van zelfstandige en gescheiden werkzaamheden. De combinatie van fabrikant, bakker en winkelier, handelende in geweven linnen en katoenen manufacturen, houdt verband met het in die tijd nog kleinschalige karakter van de nijverheid, waarbij de nevenverdiensten, al dan niet in de vorm van de veel voorkomende gedwongen winkelnering, een noodzakelijke aanvulling op het bestaansinkomen vormden. Volgens de kroniekschrijver van de familie, Johannes Gijsbertus Maria van den Acker (geboren 16 januari 1886 – overlijdensdatum niet bekend) is de combinatie van fabrikant met bakker en winkel pas in 1913 beëindigd.
Ook de beroepsaanduiding van fabrikant is in die tijd geen eenduidige omschrijving van de aard en omvang van de verrichte werkzaamheden. Ondanks de in de Franse Tijd ingevoerde, meer gesystematiseerde overheidsadministratie blijft de invoering en interpretatie van de gegevens nog beperkingen, onzuiverheden en onduidelijkheden aankleven. Bovendien zijn de gegevens over dergelijke vroege nijverheidsontwikkelingen, als ze al in afdoende mate geregistreerd zijn, maar schaars nagelaten.
Tegen het midden van de negentiende eeuw heeft de weefnijverheid binnen de uitgebreide familie Van den Acker zich geconcentreerd in de fabrieksmatige samenwerking van de Gebrs. Van den Acker, gevestigd op het Hoekje. Al in 1804 is daar als wever werkzaam Joannes Wilhelmus Peters (gedoopt 22 juni 1773, overleden 5 januari 1819), een broer van Henricus, de stamvader van de tak, waarvan thans de zesde generatie aan de leiding staat van de firma Van den Acker. Ook de drie andere broers van Henricus zijn wever. Daarin volgen zij hun vader op: Petrus Janse van den Acker, gedoopt 2 oktober 1738 en overleden 24 april 1781. Henricus was toen een maand en drie weken oud. Het weversberoep voert nog een generatie terug, tot Joannes Janssen van den Acker, gedoopt 14 augustus 1706 en overleden 18 oktober 1757. Hij was schepen van Gemert en bezat verscheidene percelen grond. Behalve in de rechte lijn kwam het beroep van wever ook voor in andere takken van de familie. Met de onder de naam Gebrs. Van den Acker gezamenlijk beoefende weefnijverheid was een al lange en vertakte beroepstraditie voortgezet.
In de bevolkingslijst van 1799 staat een Hendricus van den Acker als kostganger vermeld, wat overeenkomt met de leeftijd van Henricus Peters. Uit een nauwkeurige vergelijking van gegevens kunnen andere naamdragers met grote waarschijnlijkheid worden uitgesloten. Wat bovendien voor de identificatie spreekt, is dat zijn oudere broer Jan Willem eveneens op de lijst voorkomt en de opgegeven leeftijd klopt. Dit geldt niet voor Henricus, die als jonger staat opgegeven. De bevolkingslijst is echter opgemaakt op basis van mondeling aangereikte gegevens, die in meer gevallen niet geheel blijken overeen te komen met de doopregisters.
Onwetendheid of belangenoverwegingen kunnen aan een onjuiste leeftijdsopgave ten grondslag liggen, zoals het willen ontlopen van de conscriptie, wat bij Henricus denkbaar is vanwege het feit dat hij nog kostganger was. Is bij het huwelijk van Henricus Peters geen beroep vermeld, dit geldt ook voor de aangifte van de geboorte van zijn oudste zoon Petrus (2 februari 1808). Bij de geboorte van Johannes (12 augustus 1811) is als beroep van Henricus Peters ‘tisserand’, wever, opgegeven, evenals in de geboorteakte van de derde zoon, Antonius (24 september 1813). Daarin staat zijn echtgenote, Joanna Penninx, vermeld als ‘fi leuse’, spinster. Het is alleszins aannemelijk dat Henricus Peters en Joanna Penninx bij hun huwelijk in staat zijn geweest om een zelfstandig bestaan op te bouwen. Toen hun jongste zoon werd geboren Arnoldus (25 oktober 1818), luidde het beroep van de vader wever en staat de moeder als particuliere aangegeven, wat mogelijk er op wijst dat haar beroepsarbeid niet meer nodig was om in het gezinsinkomen te kunnen voorzien.
De eerste beschikbare bronnen die een indruk geven van de welstand zijn de ‘belastinglijsten’. De naam Henricus Peters komt met zekerheid voor het eerst voor in het patentregister van 1809. De vermelding in de aanslag van de additionele stuiver voor het jaar 1808 berust mogelijk op een foutief patroniem. Hoewel ook het patentregister van 1806/1807 bewaard is gebleven, waarin een Henricus van den Acker wordt vermeld, betreft het hier naar alle waarschijnlijkheid niet Henricus Peters, aangezien bij de aanslag van 1809 beide namen genoemd worden. Het genoteerde beroep in de belastinglijst(en) van (1808 en) 1809 is dat van wever. De hoogte van de aanslag voor een wever is gering in vergelijking met de enkele als fabrikant (of fabrikeur) opgegeven personen die in de textielnijverheid werkzaam zijn: volgens het register van 1806/1807 acht stuivers tegenover dertig stuivers, met die aantekening dat het een fabrikant of fabrikeur betreft met minder dan vijf knechten/werklieden. De belastingheffing in de personele omslag van 1815 laat voor Henricus Peters een inkomensverbetering zien, die daarna met een enkele terugslag aanhoudt tot de laatst vermelde opgave van 1833.
In dat jaar komen de namen van zijn zonen nog niet in het register van de personele omslag voor. Qua beroep treden zij in de voetsporen van hun vader. Als deze in 1837 overlijdt, zijn al zijn zonen meerderjarig, van wie alleen Petrus Henricus (geboren in 1808) gehuwd is. Als hun moeder Joanna Penninx overlijdt, 17 november 1844, zijn Johannes (1811) en Petrus Albertus (1815) nog ongehuwd. De eerste vermelding van het samenwerkingsverband in de firma Gebrs. Van den Acker dateert, zoals vermeld, uit 1845, toen burgemeester Rietman een verzoek van de firmanten om orders van de Nederlandsche Handelmaatschappij ondersteunde. Is er over het begin van hun samenwerking geen informatie bewaard gebleven, de omstandigheid dat Petrus – hoogstwaarschijnlijk de oudste uit het gezin – aan zijn broers in 1847 zijn aandeel in twee huizen op het Hoekje verkoopt, benevens een in dezelfde kadastrale sectie gelegen ververij, wijst op een gedeeld bezit dat hen uit erfenis is toegekomen en daarmee tot de bedrijfsgoederen van hun vader heeft behoord. De verkoop van zijn aandeel kan erop duiden dat hij zich uit de gezamenlijke onderneming heeft teruggetrokken. Een aanwijzing hiervoor biedt de vermelding van de Gebrs. Van den Acker in het patentregister van 1850/1851, waarin de fabriek geregistreerd is op naam van Johannes en Antonius en Albertus (= Petrus Albertus) als “medeteekenende deelgenooten” vermeld staan. De firma werkte toen met acht kuipen en zes werklieden; er was een bakkerij en winkel aan de fabriek verbonden.
Over de start van die gezamenlijke onderneming tekende de kroniekschrijver uit de mond van zijn grootmoeder, Petronella van Thiel (geboren te Bakel 26 augustus 1820, overleden 5 juli 1896), de echtgenote van Johannes van den Acker, op, dat het voor de gebroeders hard werken was “dag en nacht” om de bontweverij te “vervolmaken” en tot een bloeiende zaak te maken. Johannes “zorgde voor het afzetgebied, door zijn veelvuldige reizen in de naaste omgeving en daarbuiten. wat met veel moeilijkheden gepaard ging, want men reisde per postwagen of per pedes apostolorum.”
Petrus (de oudste) overleed in 1867; hij liet geen kinderen na. Antonius is tussen 1861 en 1867 uit de firma teruggetreden en voor eigen rekening een weverij elders begonnen. Toen hij in 1868 overleed, kwam ook daaraan een einde, omdat hij geen opvolgers had. Zijn enige zoon Hendrikus Johannes was ingetreden in de orde van de norbertijnen en zijn dochters zijn ongehuwd gebleven. Petrus Albertus (de jongste) is al in 1863 overleden. De firma Gebrs. Van den Acker rustte toen geheel op de schouders van Johannes, aangezien zijn twee zonen Thomas Peter (geboren 6 april 1854) en Arnoldus Johannes (geboren 4 november 1855) nog te jong waren. Dat geldt ook voor de zonen van zijn jongere broer Petrus: Antonius (geboren 31 oktober 1852) en Hendrikus (geboren 18 augustus 1854). Arnoldus, Hendrikus en vermoedelijk ook Antonius blijken later wel in het familiebedrijf te zijn gaan werken.
In 1893 kwam de voortzetting van het familiebedrijf geheel op de schouders te rusten van Arnoldus. Met Henri regelde hij de afwikkeling van zaken. Hij kocht met geleend geld van zijn moeder voor f 30.000,- de fabriek en inboedel over van Hendrikus, afgezien van wat deze voor zichzelf daaruit wilde behouden. Met grote voortvarendheid zette Arnoldus Johannes zijn schouders eronder. Hij schreef de zakenrelaties aan en stelde hen van de verandering op de hoogte: “Heel onze firma is uit elkander geslagen; er zijn nu drie Van den Acker fabrikanten Ondergetekende was de persoon die altijd de goederen fabriceerde, bijgevolg durf ik u wel zeggen die zullen er niet minder op worden.” Hij tekende met Johan van den Acker, welke naam sedert hij op 20 juli 1893 een nieuwe start heeft gemaakt, de handelsnaam van het familiebedrijf is geworden. Het afzetgebied dat hij met de nieuwe fabriek bewerkte, was onder de oude firma Gebrs. Van den Acker inmiddels tot geheel het land uitgebreid. Hij kon profiteren van de aantrekkende conjunctuur en voerde in het bedrijf de nodige technische vernieuwingen door. “Midden in zijn werk overviel hem de dood.” Hij overleed op 57-jarige leeftijd (1913). Het onverwachte overlijden legde en zware last op zijn echtgenote Petronella van Boerdonk (geboren te Beek en Donk 23 maart 1863). Met de hulp van haar net meerderjarige oudste zoon Johannes Adrianus Maria (geboren 16 juli 1891) en de jongere Henricus Christianus Maria (geboren 2 september 1897) slaagde zij erin om het bedrijf overeind en draaiende te houden. De traditie van het familiebedrijf is vervolgens voortgezet door twee zonen van ieder van de broers. De vijfde generatie kwam aan het roer: van 1950 tot 1995 Johannes Adrianus Maria (geboren 21 juni 1929) en van 1953 tot 1998 Godefridus Adrianus Maria (geboren 3 september 1931), beiden een zoon van genoemde Johannes; van 1957 tot 1997 Arnoldus Johannes Maria (geboren 31 augustus 1932) en van 1960 tot 2001 Felix Petrus Maria (geboren 14 maart 1936), beiden een zoon van genoemde Henricus. Thans staat de zesde generatie en wel in de rechte lijn aan het hoofd van dit oude familiebedrijf: mr. Pieter Lodewijk Henri (geboren 26 augustus 1967), een zoon van Felix van den Acker.
Samenvatting
De oudste vermelding van Henricus Peters van den Acker als wever komt voor in het patentregister van 1809. Daarin staan ook vermeld met de beroepsaanduiding ‘wever’ Jan Willem en Antonius, beiden broer van Henricus Petrus. Jan Willem blijkt in 1804 te wonen op ’t Hoekje, waar de latere fabriek van de Gebrs. Van den Acker gevestigd is. De namen Henricus, Johannes Janssen en Tony (Antonius) komen als ‘linne wever’ ook voor in het patentregister van 1806/1807, allen vermoedelijk broers en neven van Henricus Peters. Het is voor de hand liggend dat Henricus Peters bij zijn huwelijk, 14 juni 1807, in staat moet zijn geweest om de kost te verdienen en een gezin te onderhouden. Hij was toen immers al 26 jaar en ongetwijfeld als wever werkzaam, evenals zijn broers en neven. Vanwege het gegeven dat zijn kinderen het weversambacht in een gezamenlijke onderneming tot een fabriek van manufacturen uitbouwden, kan in redelijkheid aangenomen worden dat bij hem de bakermat stond, waaruit de latere fabriek onder de naam Gebrs. Van den Acker voortkwam. Hoewel het weefambacht in de familie Van den Acker zowel vóór die tijd als nadien een veel voorkomende beroepsuitoefening was, is alleen uit zijn tak het familiebedrijf Gebrs. Van den Acker gesproten, later voortgezet onder de naam Johan van den Acker. Met recht voert de firma in haar logo de aanduiding ‘wevers sinds 1807’, hoewel het begin dat met de activiteit van Hendrik Peters verbonden is, pas na enkele jaren in de gemeentelijke registratie onder de categorie van fabrikanten is gerubriceerd. Daarbij moet aangetekend worden dat met uitzondering van de fabriek van Johannes Theodor Prinzen het begrip fabrikant een breedsprakige aanduiding is voor de omvang van de bedrijvigheid; zo werkte een als fabrikant geregistreerde ondernemer blijkens een opgave uit 1816 met minder dan vijf wevers in vaste dienst. Dit betekent dat er nog veel zelfstandige weefnijverheid als huisindustrie beoefend werd.
Was het begin met de gezamenlijke activiteit van Henricus van den Acker en zijn echtgenote Johanna Penninx heel bescheiden, in vergelijking met de dan al als fabrikant geregistreerde wevers is het de enige vorm van autochtone weefnijverheid in Gemert – die hier in het verleden veelvuldig en ook op grotere schaal beoefend werd – die tot de dag van vandaag als familiebedrijf zich heeft gehandhaafd, terwijl elders, zoals in Tilburg, Eindhoven, Geldrop en Helmond, zij aan de concurrentie en schaalvergroting ten onder is gegaan.
FOTOBIJSCHRIFTEN:
De woning van de familie Van den Acker in de Schoolstraat in 1935. Een deel van het pand is dan al gesloopt. De muurankers geven het jaar 1785 aan. Toen al was de familie Van den Acker eigenaar.
De bouwtekening uit 1935 van woning met magazijn in de Ruijschenberghstraat.
In 2007 werd de firma van den Acker hofleverancier.
Textielfabriek Van den Acker in de domeinhof van Gemert
Voor opmaak met illustratie in pdf: klik hier
Jan Timmers
De plannen voor de herontwikkeling van het terrein van textielfabriek Van den Acker worden steeds concreter. Dit fabriekscomplex ligt in zijn geheel binnen de oude middeleeuwse domeinhof van de adellijke familie Van Gemert. Deze domeinhof is later uiteengevallen in een aantal onderdelen. Een belangrijk onderdeel was de hoeve met de naam het Hofgoed met de daarbij horende percelen die bekend stonden onder de naam De Vorst. Binnen dat blok percelen werd in de 19de eeuw de textielfabriek van Van den Acker gesticht. Een blik op de historie van deze plek.
De Vorst binnen de domeinhof
Hoe de domeinhof van de adellijke familie Van Gemert zich in de middeleeuwen heeft ontwikkeld is eerder beschreven in Gemerts Heem onder de titel De Bakermat van Gemert1. Op bijgaande afbeelding is de reconstructie van de domeinhof geprojecteerd op de huidige topografische situatie. De rand van de domeinhof is een dubbele groene lijn. Dwars door de domeinhof stroomde het riviertje de Rips en in het centrum waren drie omgrachte eilanden aanwezig. Op een ervan werd al circa 1050 een adellijke woning gebouwd en omstreeks 1250 kwam er een mottekasteel. Op een ander eiland werd omstreeks 1395 een nieuwe adellijke woning gebouwd en daar staat nu de voormalige Latijnse School. Een belangrijke bron voor de reconstructie van de domeinhof is de opgraving van het Hooghuis van Gemert. Het opgegraven terrein is op de afbeelding met groen omlijnd.
Het terrein Van den Acker is rood omlijnd.
Na een flinke onderlinge strijd tussen de familie Van Gemert en de Duitse Orde werd de laatste partij in 1366 alleenheer van Gemert. Het mottekasteel werd gesloopt en de domeinhof viel langzaamaan in delen uiteen. Van de noordelijke strook tussen De Haag en de Rips is de latere geschiedenis nog niet in detail bestudeerd. Van het gebied zuidelijk van de Rips is wel een en ander bekend. Het terrein waar het mottekasteel stond, was in 1366 leengoed geworden van de Duitse Orde en is de geschiedenis ingegaan onder de naam De Hubert. Op een van de drie omgrachte terreinen bouwde de familie Van Gemert omstreeks 1395 een nieuwe adellijke woning en dat terrein werd in 1587 aangekocht om er de Latijnse School van Gemert te stichten2. Een vierde onderdeel van de oude domeinhof was de Duvelskamp, aan de westzijde van de Kerkstraat. De familie Van Gemert had met de Duitse Orde een conflict over de eigendomsrechten. Dat conflict werd beslecht door de verkoop in 1394 door de familie Van Gemert aan de Duitse Orde. Op het zuidelijk deel van de Duvelskamp werd vanaf 1430 de nieuwe parochiekerk van Gemert gebouwd. De rest van de Duvelskamp werd aan het eind van de 15de eeuw door de Duitse Orde ter beschikking gesteld aan particulieren om er woningen te bouwen.3 Het gebied tussen de omgrachte terreinen op de domeinhof en de huidige Nieuwstraat bleef bekend onder de naam Steenwechs Goed en was al voor 1400 afgesplitst als afzonderlijk landgoed. Vanaf ongeveer 1550 raakt het gebied verdeeld onder diverse eigenaars.4
Het Hofgoed, de Hubert en de Vorst
De geschiedenis van het Hofgoed en De Vorst zijn lange tijd met elkaar verbonden. Het gebied De Vorst was deels akkerland en deels weiland en werd geëxploiteerd vanuit het Hofgoed. Bij het Hofgoed hoorden nog veel meer grondpercelen, vooral op de Molenakker, maar hier beperken we ons tot dit samenhangend geheel. In eerdere publicaties is al beschreven dat dit kernbezit, samen met de Hubert na het overlijden in 1475 van de laatste telg uit de hoofdtak van de familie Van Gemert in bezit kwam van andere eigenaars, die aanvankelijk overigens wel erfgenamen waren van die familie Van Gemert. De eerste eigenaar die niet tot de erfgenamen van de Van Gemerts behoorde, was Gerit Verhoeven. Hij en zijn echtgenote Thecla van Hout kregen het vruchtgebruik van het Hofgoed in 1514, terwijl zij waarschijnlijk al langer pachters waren. Na het overlijden van Caterijn Henric Celen, de weduwe van Leunis van de Velde omstreeks 1520, werd het echtpaar Verhoeven-Van Hout definitief eigenaar. 5 Opvallend is dat de kinderen van het echtpaar soms Verhoeven worden genoemd, maar meestal toch de familienaam van moeder Thecla van Hout meekregen.
Na het overlijden van Gerit Verhoeven bleef zijn weduwe Thecla eigenaresse tot haar overlijden omstreeks 1555, althans ze had het vruchtgebruik ervan. Oudste zoon Adam van Hout exploiteerde het Hofgoed en woonde er ook. In 1547 wordt het omschreven als “een huis, hof en erf omtrent die kerck geheten dat Hoeffgoet neven erve der heren van Gemert en die Ruespe, des H. Geesterf en erve Marij Jan Everets tot de straet”. De aangrenzende percelen waren dus het Duits Ordens kasteel met aanliggende percelen (erven der heren van Gemert), De Rips (Ruespe), Steenwechsgoed (H. Geesterve), het perceel van de latere Latijnse School (Marij Jan Everets) en de straat. In 1554 werd het omschreven als een huis en hof, met schuur en bakhuis geheten dat Hoeffgoet, gelegen achter de kerk, zoals Thecla daarvan het vruchtgebruik had.6
De talrijke bezittingen van Gerit en Thecla werden verdeeld onder de zes kinderen en aanvankelijk kreeg elk kind ook een stukje van het Hofgoed. Er zijn onderling nogal wat stukken verkocht in de periode 1555-1564 en voor zover kan worden overzien worden alle onderdelen uiteindelijk overgedragen aan Adam, die daarmee weer eigenaar van het geheel werd.
Na de dood van Adam wordt de erfenis in 1579 verdeeld. Zoon Willem krijgt de Hubert, die daardoor definitief wordt afgesplitst van het Hofgoed. De drie dochters Jenneke, Lenartke en Geritke krijgen het Hofgoed, zonder de Hubert.7
De families Strijbosch en Verhofstad
In 1607 zijn de zussen Jenneke en Geritke, dochters van Adam van Hout, nog steeds samen eigenaar. Lenartke was al kinderloos overleden. Geritke was getrouwd met Lenart Lenarts van Strijbosch en woonde op het Hofgoed. Zus Jenneke was opmerkelijk genoeg getrouwd met Lenart van Strijbosch, haar schoonvader, maar bleef ook kinderloos. Uiteindelijk werden Geritke van Hout en Lenart Lenarts van Strijbosch eigenaars van het Hofgoed en na hen kwam het circa 1610 aan hun zoon, Adam Lenarts van Strijbosch. Op 10-12-1660 vond de erfdeling plaats van de goederen van Adam en kwam het Hofgoed in handen van de kinderen van zijn zoon Thomas Strijbosch: Claas Thomas Strijbosch en Elske Thomas Strijbosch, gehuwd met Peregrinus Verhofstad. De Omschrijving luidde toen: “de huijsinge met hof en land genaamd Hofgoet, 23 lopensaet groot, neven erve der Commanderij en de Rijps en het goed van Leonart Damen”.8 Leonard Damen was toen eigenaar van de Hubert.
Claas Strijbosch en Peregrinus Verhofstad regelden de erfdeling onderling, ruilden daarna nog percelen en verkochten stukken aan elkaar. In 1701 erft de orgelbouwer Mathijs Verhofstad de percelen van zijn vader Peregrinus en bovendien koopt hij in 1714 de rest van het Hofgoed en de Vorst van de erfgenamen van Claas Strijbosch. Mathijs wordt daardoor eigenaar van nagenoeg de gehele Vorst.9 Eerder hadden in 1713 de erfgenamen van Claas Strijbosch al een perceel in de Vorst “met de halve graeff langs de weg en langs de Vorst met een rechte weg vanuit het Schoolstraetje” verkocht aan hun mede-erfgenaam Albert Strijbosch. Juist op dit perceel werd later de fabriek van Van den Acker gesticht. De rechte weg vanuit het Schoolstraatje is nu nog steeds een belangrijke verbindingsas binnen het textielcomplex van Van den Acker. Dat dateert dus al van voor 1713. Op dit perceel stond in 1713 een schuur, behorend bij het Hofgoed, maar die werd meteen al verwijderd. De eerste woning op het perceel werd door Albert gebouwd in de periode 1713-1717.10 Al in 1747 stonden op dit perceel 4 woningen met nog een stal en een schuur, allemaal eigendom van de erfgenamen van Claas, zoon van Albert Strijbosch.11
Met uitzondering van dit perceel bleef het Hofgoed met de Vorst als geheel eigendom van “heer medicine doctor” Ignatius van den Dijck, die gehuwd was met de weduwe van Mathijs Verhofstad. Na hem volgden als eigenaar Peter Spiliaart (vanaf 16 nov. 1758) en Laurens van Dooren (vanaf 29 okt. 1783). De Vorst werd daarna gesplitst in meerdere percelen die in handen kwamen van veel meer eigenaars. In 1832 waren er zo’n vijftien verschillende eigenaren.
De kwezels op de Hoek
In het begin van de 18de eeuw werden op het Hofgoed door Claas Strijbosch, de toenmalige eigenaar, een aantal kleine woningen aangebouwd, waar kwezels zich hebben gevestigd. Peter van den Elsen beschreef de Gemertse kwezels, Derde Orde leden van Franciscus, in een uitgebreid artikel en hij vermeldt dat er in 1709 zes kwezels woonden in het huis van Claas Strijbosch.12 Zijn erfgenamen verkopen het Hofgoed aan Mathijs Verhofstad en de woningen van de kwezels zullen daarbij gehandhaafd zijn gebleven. Als in 1758 Peter Spiliaart het Hofgoed koopt, wordt het omschreven als: “een heerlijke en moderne huijsinge, met twee doorgaande zolderingen en Engelsche ramen, vier roijale boven en drie dito benedenkamers, een kelderkamer, een grote zomer- en kleinere winterkeuken, schuur en stalling met twee hoven, en daar vast aangelegen een boerenwoning met bijhorige groes- en teullanden, en verscheidene kleinere huizen, bestaande uit vijf woningen”. Er zijn naast het grote huis dan vijf kleine woningen. Al eerder verkochten de erfgenamen van Claas Strijbosch het hoekperceel waar nu Van de Acker is gevestigd, aan hun mede-erfgenaam Albert Claas Strijbosch. Albert bouwde er een woning. Kort erna werden bij die woning nog een aantal kleinere huizen gebouwd. Bij de erfdeling tussen de kinderen van Jan Albert Strijbosch op 16 dec. 1747 is er sprake van een groot huis met een afzonderlijke kamer en liefst nog drie woningen, een stal en een schuur. In de woningen woonden ook kwezels.
De plek waar de huizen stonden, werd steeds De Hoek of Het Hoekje genoemd. Een naam die lang blijft bestaan en later nog op het huis Ruijschenberghstraat 14 is aangebracht. In 1832 stond er langs de Schoolstraat inmiddels een rijtje van vier woningen, aan elkaar vast gebouwd. De huizen worden dan niet allemaal meer bewoond door kwezels, maar door wevers. Drie van de vier huizen zijn dan eigendom van de broers Jan-Willem en Hendrik van den Acker. Het grote huis langs de Ruijschenberghstraat is dan van Jan Mastenbroek. 13
Textielfabriek Van den Acker
Van het rijtje van vier kwezelwoningen aan de Schoolstraat verwerft Peter van den Acker er drie met bijbehorende tuin. De weduwe van zoon Jan- Willem bezit in 1832 het noordelijke huis en zoon Hendrik de andere twee, maar kort daarna wordt het bezit herenigd. De familie Van den Acker sticht er een ververij, terwijl er ook geweven en gewoond wordt. Het begin van de textielfabriek is gemaakt. Op de kadastrale hulpkaart van 1939 is te zien dat er kort daarvoor een nieuw woonhuis bij de fabriek werd gebouwd, nu Ruijschenberghstraat 14 (Het Hoekske) waarvoor de bouwvergunning werd afgegeven op 17 juli 1935 aan de firma Joh. Van den Acker, Bontweverij te Gemert. Het oude gebouw aan de Schoolstraat verdween.14 Later werd het fabrieksterrein naar het zuiden, aan de overkant van de steeg, nog verder uitgebreid.
Ten zuiden van het fabrieksterrein was al in 1902 het kerkhof van de parochie Sint- Jansonthoofding aangelegd op het meest zuidelijke gedeelte van de Vorst. Voordien werd er alleen rondom de kerk begraven. In 1992 werd ten westen van dat kerkhof een nieuwe begraafplaats aangelegd.15 Op de plaats waar nu de Komweg langs het kerkhof loopt, werd in 1947 de eerste ambachtsschool van Gemert gebouwd.16 Na de verhuizing van die school werden de gebouwen nog gebruikt door soos De Hel.
Samenvatting
De westkant van de bebouwde kom van Gemert heeft een bijzondere voorgeschiedenis, die bepaald werd door de ligging van de oude domeinhof van de familie Van Gemert en de bouw en uitbreiding van het Duits Ordens kasteel ten zuiden ervan. De aanwezigheid van de domeinhof Van Gemert had als gevolg dat de Vorst in zijn geheel als onderdeel van het Hofgoed eeuwenlang in één hand bleef. Het Hofgoed met de bijbehorende landerijen in de Vorst was feitelijk het laatste restant van de oude domeinhof. Afgezien van een enkele schuur werd de eerste woning op de Vorst pas gebouwd in de periode 1713-1717.
Die bebouwing groeide op initiatief van Claas Strijbosch en zijn familie uit tot een rijtje van vier woningen waar kwezels zich vestigden. Na het verdwijnen van de kwezels, die hun kost hoofdzakelijk verdienden met spinnen, werden de woningen gebruikt door wevers. Leden van de familie Van den Acker waren wevers en Hendrik nam het initiatief voor een textielfabriek op die plaats. Pas in de 20ste eeuw groeide de fabriek uit tot een fors complex. Ook de overige bewoning op de (voormalige) Vorst kwam er pas in de 20ste eeuw. Vanuit de huidige Schoolstraat bestond in 1713 al een steeg naar het achterland. Die steeg is nu op het terrein van Van de Acker nog steeds herkenbaar aanwezig. Hopelijk blijft dat ook het geval bij de nieuwe ontwikkelingsplannen.
Archeologische verwachting
Het terrein van Van den Acker grenst aan het perceel waarop in de middeleeuwen het Hooghuis van de familie Van Gemert was gevestigd. De zuidoostelijke rand van de gracht om het Hooghuis werd bij de opgraving niet aangesneden. Mogelijk loopt de gracht in zuidoostelijke richting verder door op het Van de Ackerterrein. Het kan niet worden uitgesloten dat daar ook nog bijbehorende gebouwen aanwezig waren. Omdat het gehele Van de Acker terrein binnen de oude domeinhof ligt, heeft het hele terrein een hoge archeologische verwachting.
Er is bovendien een heel specifieke onderzoeksvraag voor het onderhavige terrein en die heeft te maken met het vroegere verloop van het riviertje de Rips. De Rips loopt dwars door de domeinhof, maar het oude tracé is nog onbekend. Op de kadasterkaart van 1832 is een tracé van de Rips ingetekend. Bij de opgraving van het Hooghuis is dat tracé ten noorden van het Hooghuis ook aangesneden en uit het profiel bleek dat de Rips op die plaats een gegraven tracé is. In het profiel was geen natuurlijk beekdal te bekennen, maar wel een scherp afgetekend v-vormige watergang. De natuurlijke loop lag dus niet op de plaats waar hij in 1832 is getekend.17 Waarschijnlijk kwam het tracé uit 1832 al in de middeleeuwen tot stand. Mogelijk in samenhang met de aanleg van de grachten of juist in samenhang met het dempen ervan.
Behalve de vaststelling dat het tracé van de Rips deels is gegraven, werd er nog een andere opvallende waarneming gedaan. In de gracht tussen de voorburcht en de hoofdburcht van het Hooghuis werd geconstateerd dat daar een laag kiezelsteentjes aanwezig was, die het gevolg is van flink stromend water. Het is een soort van desert-pavement, maar dan niet door wind maar door water. Het is heel goed mogelijk dat dat stuk van de grachten aanvankelijk een natuurlijke waterloop was. Het verdere verloop van de Rips is op het terrein nergens teruggevonden. Het is heel goed mogelijk dat de natuurlijke loop juist op het terrein van Van den Acker aanwezig was. Op bijgaande afbeelding is het mogelijke natuurlijke tracé van de Rips met een blauwe lijn ingetekend richting het terrein van Van den Acker. Hoe het verloop op dat terrein plaatshad, is onbekend, maar archeologisch onderzoek kan daar duidelijkheid over scheppen.
Noten:
- Jan Timmers, De Bakermat van Gemert, Een biografie van de domeinhof tot 1500, Gemerts Heem, 2021, nr. 1.
- Jan Timmers, Ontwikkelingen in Middeleeuws Gemert, in: A. Thelen (red), Het Hooghuis te Gemert, Archeologisch en historisch onderzoek betreffende het middeleeuws kasteel van de heren van Gemert, Gemert 2001.
- Jan Timmers, Wat aan de bebouwing aan de Kerkstraat voorafging, Gemerts Heem, 2003, nr. 4.
- Jan Timmers, Steenwechs Goed en de ontwikkeling van de Nieuwstraat, Gemerts Heem, 2023, nr. 3
- Zie noot 2, blz 89 e.v.
- Schepenprotocollen Gemert, R 105.
- Schepenprotocollen Gemert R109 dd 25 okt. 1579.
- Schepenprotocollen Gemert R118, dd 10 dec. 1660.
- De verwerving en het bezit van orgelbouwer Mathijs Verhofstad is uitgebreid beschreven in Martien Verbruggen, Welk een “lofbaerlijk werk”, Gemertse orgelbouwers en Mathijs Verhofstad in het bijzonder, Bijdrage tot de geschiedenis van Gemert deel 20, Gemert 1995.
- Schepenprotocollen Gemert R126 dd 20 mei 1713; Landboek nr 1352. https://heemkundekringgemert.nl/documentatie/ bronnen/landboek-1717-1816/ en Schepenprotocollen Gemert R142, dd 16 dec. 1747.
- Schepenprotocollen Gemert R147 dd 16 nov. 1758 en R154 dd 29 jan. 1783.
- Peter ven den Elsen, Gemertse kwezels uit de Hoek!, Gemerts Heem, 1987, nr 4.
- www.historischegeografiebrabant.nl
- De kaartjes zijn afkomstig uit het archief van het Kadaster.
- Ton Thelen, Het Vrijthof. Begraven in en rond de kerk, Gemerts Heem 2010, nr 3.
- Simon van Wetten, Gemert groeit groter, De gemeentelijke groeihormonen van de 20e eeuw, Gemerts Heem 2007, nr. 2.
- Van de opgraving van het Hooghuis is geen opgravingsverslag gemaakt, zoals dat tegenwoordig zou gebeuren. De opgraving is uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de Rijksdienst. Het boek dat door de heemkundekring werd uitgegeven met daarin de belangrijkste resultaten, werd beschouwd als een voldoende verslag. Dat is de reden dat de twee waarnemingen die hierboven zijn aangehaald, niet zijn gepubliceerd. Bovendien was de Rijksdienst van mening dat onderzoek naar het verloop van de Rips geen onderdeel van het zoeken naar het Hooghuis was. Daarnaar is geen onderzoek gedaan en zijn geen waarnemingen genoteerd. Door de beperkte verslaglegging zijn niet alle vondsten beschreven en opgenomen in het boek. Veel gegevens die door vrijwilligers van de heemkundekring zijn verzameld en bewerkt, zijn gepubliceerd, maar lang niet alles. Een foto van het profiel van de Rips aan de noordkant van het opgegraven Hooghuis is daarom ook helaas niet beschikbaar.
FOTOBIJSCHRIFTEN
Reconstructie van de domeinhof van de Heren van Gemert, geprojecteerd op de moderne topografie. De dubbele groene lijn geeft de grens van de domeinhof aan. De groene contour is het opgravingsterrein van het Hooghuis en bij de rode contour gaat het om het terrein van Van den Acker.
De delen van de domeinhof van de Van Gemerts, die elk hun eigen vervolggeschiedenis hebben. In de tekst is een korte toelichting ervan opgenomen. LS geeft de plaats van de latere en huidige Latijnse School aan. Het Hofgoed met De Vorst blijft lange tijd een ongedeeld bezit. Het huidige terrein van textielfabriek Van den Acker is met een rode contour aangegeven en omvat een groot deel van De Vorst.
Eigenaars van het onverdeelde Hofgoed inclusief de Hubert periode Henric Celen van Helmond 1475-1478 Conflict over het eigendom 1478-1485 Leunis van de Velde en daarna zijn weduwe Caterijn Henric Celen 1485-1520 Gerit Verhoeven en zijn weduwe Thecla van Hout 1520-1554 Adam van Hout, zoon van Gerit en Thecla 1554-1577
De topografie van omstreeks 1900 met het Van den Ackerterrein binnen de rode contour. De bebouwing was nog erg beperkt. De kadastrale situatie in 1832 van Het Hoekje, de buurt van Schoolstraat en Ruijschenberghstraat. De oranje gebouwen waren vermoedelijk allemaal voormalige kwezelwoningen.
De kadasterkaart van 1832, geprojecteerd op een luchtfoto. De rode contour geeft het terrein aan van de textielfabriek van Van den Acker. Daarbinnen groen gekleurd de percelen van de broers Jan-Willem en Hendrik van den Acker, waar de textielfabriek werd gestart.
De kadastrale wijzigingen in 1906. Aan de rechterkant langs de Schoolstraat het rijtje van vier woningen, waarvan inmiddels ook de meest noordelijke in bezit is van Van den Acker. De vier woningen worden verbouwd tot één geheel, met daarachter de fabriek met ververij op de percelen 1345 en 1346. Perceel 1343 wordt in 1910 verworven. Perceel 1347 wordt aangekocht in 1919 en in 1939 komt er ook perceel 920 bij. De steeg vanuit de Schoolstraat bestond in 1713 al en is nu op het terrein van Van de Acker nog steeds herkenbaar aanwezig.
De gebouwen van Van den Acker langs de Schoolstraat op een schilderij van 1935 van Kees Meyer (collectie familie Van den Acker). Oorspronkelijk was het rijtje huizen nog één woning langer. Links op de achtergrond fabrieksgebouwen en de schoorsteen.
De kadastrale hulpkaarten geven de groei van het fabrieksterrein in de eerste helft van de 20ste eeuw weer. Na de tweede wereldoorlog worden nog percelen aan de zuidkant aangekocht voor uitbreiding van de fabriek.
Ten westen van de kerk werd in 1902 een nieuw kerkhof ingericht. Let op: het noorden is onderaan.
Over de kerk heen zien we de Schoolstraat met de woning van Van den Acker en de fabriek daarachter, zoals ze ook op het schilderij staan afgebeeld. Rechts bovenaan de fabriek van Raymakers aan de overkant van de Ruijschenberghstraat op de Hubert. (foto van 1935).
Op het tracé van de Komweg stond langs het kerkhof een lijkenhuisje, dat in 1988 werd gesloopt.
De Schoolstraat omstreeks 2010. Vooraan woningen gebouwd in 1933, dan een woning van 1907 en achteraan panden van Vanden Acker.
Links een tekening van de eerste ambachtsschool van Gemert (Spildoorn 1950), rechts hetzelfde gebouw in gebruik als soos De Hel en nog later wandelsportvereniging Zuth. De gebouwen rechts achteraan werden later vervangen door gebouwen van Van den Acker.
De bebouwing op de Vorst bestaat hoofdzakelijk uit de woning en de fabrieksgebouwen van Van den Acker. Op dit kaartje met de rode contour. De noordelijke grens van de Vorst was vroeger de Rips en nu loopt er het Vorsterpad door de voormalige bedding. Het zuidelijk deel van de Vorst met de groene contour bestaat nu uit het kerkhof van de Sint Janskerk met een westelijke uitbreiding als gemeentelijke begraafplaats. Aan de zuidoostkant ervan langs de Schoolstraat werden in 1907 en 1933 woningen gebouwd binnen de blauwe contour. De woningen langs de Jezuïetenlaan binnen de bruine contour aan de westkant van de Vorst werden in 1952 gebouwd. Na de aanleg van de Komweg werd op de hoek met de Jezuïetenlaan nog een woning toegevoegd.
Tussen de gebouwen van de textielfabriek loopt nog de oude steeg van vóór 1713 vanaf de Schoolstraat.
Mogelijk tracé van de Rips over de domeinhof van de Van Gemerts in de middeleeuwen in donkerblauw. Het rode kruis geeft de plaats aan waar het tracé van de Rips gegraven bleek te zijn en dus oorspronkelijk niet bestond.
GH 2023-3 KIEK NAW Het wonder van Handel
Voor opmaak met illustratie in pdf: klik hier
Paul Verhees (tekst en foto)
De Mariaverering in Handel ontstond rond een legende uit omstreeks 1220 die wil dat een schaapsherder een Mariabeeldje vond in een meidoornboom. Toen daarna een kapel gebouwd moest worden ter verering van Maria, weigerden de ossen die de kar met bouwmaterialen trokken, door te lopen tot de beoogde plek waar de kapel moest komen. Ze stopten op een plek waar bouwvakkers Maria zagen, die het kleedje van het Kindje Jezus aan het wassen was. Dat gebeurde op een plaats waar een waterbron opwelde uit de droge bodem. Zowaar een wonder!
Met de kennis van nu weten we dat het hier ging om wijstwater, dat werd opgestuwd door de Peelrandbreuk. Geen wonder dus, maar gewoon een wetenschappelijke verklaring. Het ijzerhoudende water zou geneeskrachtig zijn en velen zouden er genezen zijn. Wat ik raar vind, is dat er geen verhalen zijn over mensen die er ziek zijn geworden. Toen ik jong was, lag er bij het Heilig Putje een roestig schepje, waarmee iedereen water kon drinken uit de bron. Niet erg hygiënisch. Werden daardoor dan geen besmettelijke ziekten overgedragen? Toch een wonder!
GH 2023-3 Inhuldigen
Voor opmaak met illustratie in pdf: klik hier
Simon van Wetten
Mooi maar zenuwslopend
Draaiboek. Er is toch wel een draaiboek? Goed, dat bundeltje paperassen zal wel als ‘protocol’ omschreven zijn, maar hoe zit dat protocol ook alweer in elkaar? Het zal toch wel ergens in de dorpscomme liggen? Want hoe moeten we die hoge heer naar zijn staat ontvangen? Gaan we niet blunder op blunder stapelen? U begrijpt, de drie weken in 1715 vóór de nieuwe landcommandeur Zijne Excellentie Damian Hugo voor zijn inhuldiging naar Gemert kwam, vormden voor de Commanderij Gemert een ronduit prikkelbare, rusteloze en zenuwachtige periode.
Waaraan moeten we denken? In de nerveuze zoektocht bracht de pastoor uitkomst. Hij diepte uit het parochiearchief een alden boeck van pastoor Albert Strijbos op, die daarin precies uit de doeken deed hoe in mei 1628 de heer Graaf van Geleen als landcommandeur was ingehuldigd.1
Zo komen we te weten dat er een lijst met genodigden moet worden opgesteld. Het dorp wordt versierd met erebogen en linten. De schout dient, als de hoogtijdag daar is, op tijd uit te rijden, hij moet op ongeveer twee uur buiten Gemert de nieuwe heer verwelkomen. Aan de buitengrens van Gemert staan de gilden met vaandels en trommels de hoge heer op te wachten. Er wordt een salvo afgevuurd! Vervolgens trekt de gehele stoet op naar het dorp en door de straat naar het kasteel. Daar moeten de gildebroeders nogmaals een salvo afschieten. De volgende dag is er een processie. De pastoor en de studenten en de gehele clerequije zullen met de kostelijkste kerkelijke ornamenten en de wijwaterketel, vergezeld door enige kleine dochterkens, de heer en zijn gevolg op het kasteel afhalen en tijdens de gang naar de kerk ‘Veni Creator Spiritus’ zingen. Op de Markt sluiten de magistraat en de schutterijen aan, en in het Clockhuijs voor de kerk wordt de klok van de heere getrocken en dat geluid wordt dan overgenomen door de kerkklokken. Als de heer weer naar buiten komt, wordt er ook nog een salvo door de schutterijen afgeschoten. In de kerk wordt het ‘Te Deum Laudamus’ gezongen en op het orgel gespeeld. Na de mis wordt de landcommandeur naar de Merckt gebracht, onder een speciaal gemaakt paviljoen, alwaar de Hullinge naar gewoonte geschiedt, en waar dikwijls een salvo zal worden afgeschoten. Tot slot wordt de heer weer naar het kasteel begeleid en daar met een notabele vereeringe vereerd. Kijk, er lag zomaar ineens een compleet draaiboek klaar. Alles zou geschieden precies zoals het hoorde. Het corpus van Gemert kon beginnen met de voorbereidingen en de dorpelingen konden uitkijken naar een uitzonderlijke, plechtige én feestelijke gebeurtenis!2
Berouwvolle zondaars in de file
Een belangrijk onderdeel van elke inhuldiging was de aflegging van de eed én het erbarmen van de nieuwe landcommandeur. Dat laatste liet hij blijken door gratie te verlenen. Eerst de eed dan maar? “Wij, de onderzaten, gaan vandaag, in de nazomer van 1698, de eed van trouw afleggen, met “opgestreckte vingeren en de rechterhand op de borst.”3 Het uitspreken van die ongewone en indrukwekkende woorden dient, dat snapt iedereen, plechtig te gebeuren.
“Wij, schout en schepenen, borgemeesters en Heiligegeestmeesters, en de gehele onderzaten tot Gemert, geloven van deze dag aan houw en getrouw te zijn aan heer Hendrik baron Van Wassenaer tot Warmondt, met hem het ergste te weren, hem het beste te raden, met hem profijt te zoeken en voort te helpen en gehoorzaamheid te betonen. Dat beloven en zweren wij, zo ons God helpe en al Zijn Heiligen.”
Uiteraard doet de landcommandeur een tegenbelofte:
“Ik beloof van deze dag aan de onderzaten van Gemert met hun aanhang in hun oude, goede recht te laten, en alles te doen wat een goede heer aan zijn onderzaten schuldig is te doen.”
Vervolgens zal de edele heer in de donjon van het kasteel gratie verlenen voor allerlei gepleegde kleine vergrijpen. Nou ja, klein? Vooral daders van steekpartijen staan in de rij wachtenden. Zij hebben door den dronk onnozelijk een ruzie met het mes beslecht. Zij zullen met ootmoedige confidentie om de passie Christi om gratie vragen, net als de plegers van diefstal, de stropers en de insluipers, dat zijn degenen die zonder toestemming in Gemert zijn komen wonen. In september 1698 was het aandeel van de messentrekkers in de file gratieverzoekers dermate hoog, dat baron Hendrik van Wassenaer er hoofdpijn van kreeg. Hij liet zich na het zoveelste gratieverzoek het plakkaat van 27 november 1691 brengen. Inderdaad, daar stond het: “Het trekken en gebruiken van een ‘bloot’ mes is absoluut verboden.” Intussen staat de volgende figuur met een kort lontje en een flink mes uit te leggen dat hij met een stuk hout overvallen werd en zich daarom genoodzaakt zag zijn mes te trekken. Naar zijn inzicht heeft hij toen niemand ernstig … De landcommandeur maakt een ongeduldig gebaar. Hij snapt het. Hij verleent gratie. Maar die rij buiten, dat schiet niet op. Hij krijgt een idee.
“Om publieke tekenen van onze goedertierendheid te geven, verklaren wij welgenegen te wezen, om bovens degenen die albereids door ons genadelijk zijn gepardonneerd, nog enige te pardonneren, mits zij zulks binnen vier weken in geschrift aan ons verzoeken. Insgelijks verklaren wij het onze ernstige mening te wezen dat ons placcaet van 27 november 1691 tegens het trekken van messen punctueel zal worden geobserveerd!”
Gerangeerd
Toegegeven, het is een behoorlijk verschil. Wanneer een nieuwe landcommandeur naar de Commanderij Gemert komt, staat het dorp al weken van tevoren compleet op zijn kop. In alle wijken en gehuchten wordt aan erebogen getimmerd, er is een wanhopige vraag naar erudiete personen die niet alleen kunnen schrijven, maar ook kunnen dichten, met als specialiteit het welkomstgedicht. Leden van het dorpsbestuur hangen naar oud gebruik wederom gevaarlijk ver over de rand van de dorpscomme om in de diepe kist te zoeken naar een protocol, een draaiboek van hoe de inhuldiging de vorige keer ook alweer was aangepakt. De pastoor, de kerkmeesters, de Heiligegeestmeesters, de drossaard, de vorster, ja zelfs de Peelmeester, zij maken zich allemaal druk en zijn ongewoon kortaangebonden. En laten we de leden van onze twee schutterijen niet vergeten. Met hun optreden staat of valt het succes van de ontvangst en de mate van tevredenheid bij Zijne Genade. Want laten we wel wezen: als de Excellentie geïrriteerd weer naar Alden Biesen afreist, dan ondervinden we daar – als de man lang blijft leven – nog dertig jaar de vervelende naweeën van. De nervositeit regeert derhalve. Maar nu is dat minder. Het betreft dan ook een treetje lager in de hiërarchie van de Illustere Duitse Orde. Geen landcommandeur, maar een ‘gewone’ commandeur komt op 6 juni 1771 kennis maken. Het verslag van zijn aankomst is kort en bondig.
“Dat Zijne Genade Nicolas Bernard graaf van Borchgraven als commandeur dezer Commanderie op de 6e dezer zijn publieke intrede alhier heeft gedaan. Hij is eerst door de drossaard en de regenten op de Beekse dijk verwelkomd, en vervolgens op de Heuvel door de schutterijen, die daar stonden gerengeerd. Onder het losbranden van grof geschut is de commandeur tot op het kasteel alhier geleid, zijnde tot deze intrede verscheidene erebogen opgericht.”
Gerengeerd, dat is gerangeerd, mooi en overzichtelijk opgesteld. Een prachtig arrangement! De schutterijen kunnen trots zijn, met hun schone kledij, hun wapperende vaandels en de slaande trommels. Nicolas Bernard graaf van Borchgraven is vast en zeker meteen in de juiste stemming. Het komt helemaal goed, ook al was het geschut dan wat grof.4
Zes juni is een prachtige dag. Samen met de erebogen en het goudgekleurd papier wijzen de voortekenen op een onovertroffen ontvangst van de nieuwe commandeur. Het dorp is gepoetst en geboend, het kerkkoor heeft zich suf geoefend – de pastoor is uiterst kritisch komen luisteren – de paarden worden extra geroskamd en de honden zijn vastgelegd. De welkomstgift zit in de vorm van rinkelende en klinkende munt in een buidel. Wat zal die nieuwe commandeur enthousiast en trots zijn!
Bij de secretarie hebben de heer drossaard en alle schepenen zich verzameld. Zij vormen het welkomstcomité. Het gezelschap is enigszins gespannen, maar ach, kijk naar die versieringen, kijk naar de stralende dag, wat kan er misgaan?
“Het is toen komen te gebeuren dat Johan Voncken, de hospes van onze secretarie, bij het naderen van de Hoogwaarde heer, aan de heren regenten voorstelde om de karren te laten inspannen, om daarmee Zijne Hoogwaarde tegemoet te rijden.” Maar schepenpresident Martinus van Gemert en ook de andere regenten willen dat niet. En Johan zegt, boos omdat zijn gastvrij idee zo nonchalant wordt weggewuifd, tegen de president:
“Kerel, gij bent maar een bederver van de gemeente.”
Weg is het goede gevoel. De drossaard en de president happen even naar adem en willen dan die lomperik van een Voncken eens goed op zijn nummer zetten. Een publiek persoon beledigen, wat denkt die kinkel wel? Daar staat een boete op van wel … Maar hoor, verderop in de straat klinkt applaus. De nieuwe commandeur komt er aan! Vlug de gezichten weer in de plooi trekken. Bijna een jaar later kreeg Johan Voncken alsnog een amende, een boete van zestig gouden realen opgelegd. De overheid vergeet niets!5
Rake verordening
Een nieuwe Zijne Genade – we hopen dat hij die aanspreektitel eer aandoet – kondigt in 1786 aan dat hij binnenkort persoonlijk naar Gemert komt. Het betreft Franciscus Joannes Nepomucenus Fidelis, vrijheer van Reischach, landcommandeur der Balije Biesen, enzovoort, enzovoort. Wat de goede man niet kan weten, is dat hij de allerlaatste landcommandeur zal zijn die in Gemert wordt ingehuldigd. Wel is hij ronduit ongerust. Dat geschiet in de Commanderij Gemert. Allemaal goed bedoeld, die mensen willen zijn inhuldiging aldaar luister bijzetten, maar de kogels vliegen je om de edele oren. Qua mikken kijken ze in Gemert zo nauw niet. Goed. De landcommandeur heeft nog eens goed nagedacht en zo komt het dat aan ons hier in Gemert, na de hoogmis op het kerkhof, de volgende verordening wordt voorgelezen. Een verordening van de landcommandeur als heer van Gemert betreffende het dragen en afschieten van geweren tijdens zijn inhuldiging als heer van Gemert.6
“Considererende het gevaar waarin onze goede gemeente door onvoorzichtig schieten na zovele uitgestane ongelukken verders gezet zou worden, ordonneren wij dat alleen de schutterijen van St. Georgius en Antonius met behoorlijk schietgeweer compareren zullen, echter de rotgezellen zonder geweer.
Dat er niet geschoten zal worden als op de plaats achter de kerk genoemd de buitendreef, en als benedictie voor de H. Misse gegeven wordt. Dat niet op de Markt en niet tijdens de inhuldiging zelf, maar daarna, als wij op het kasteel gearriveerd zijn, drie salvo’s op die buitendreef gegeven zullen worden. Dat allen die zich niet aan deze ordonnantie houden – ofschoon wij dat niet hopen – in een amende van 6 gulden vervallen.”
En de nieuwe landcommandeur heeft meer noten op zijn zang. Hij herinnert de Gemertse schepenen aan de eerdere ordonnanties die hij naar de Commanderij heeft gezonden, met de bedoeling de geconstateerde misstanden in de administratie der gemeentepenningen weg te nemen. Ook heeft Von Reischach een speciale commissie gedeputeerd, om de aangelegenheden van onze gemeente te vereffenen. Hij schrijft ook nog, uiteraard in de pluralis majestatis-vorm: “Verder hebben wij besloten tegen de maand juli de inhuldiging te Gemert als souverein voor te nemen. Wij zullen dan alles met betrekking tot de gemeenterekeningen en alles wat in het algemeen met het gemenebest enigszins opzicht heeft, nauwkeurig onderzoeken, en tevens degenen die dan bevonden worden de gerustheid der gemeente te hebben verstoord, ten spiegelbeeld van anderen aanstonds straffen.
Wij verzekeren nochtans dat onze gewoonlijke billijkheid het geenszins zal toelaten dat iemand onrecht wordt aangedaan. Wel gebieden wij nadrukkelijk dat al onze onderdanen onze ordonnantiën hebben te gehoorzamen. Wij gelasten aan onze drossaard De la Court deze ordonnantie aanstaande zondag te verkondigen en openlijk aan te plakken.”
Dat heeft de drossaard op 18 juni heel haastig en gezagsgetrouw gedaan, omtrent vier uur na de middag. Maar niet iedereen is zo onderdanig. Van Reischach moet alweer in de pen klimmen:
“Bericht gehad hebbende van de vergadering van de 26ste der verleden maand tot Gemert op het kasteel, ordonneren wij aan de representanten van de gemeente Gemert om onze jongste ordonnanties zonder uitstel na te leven en 236 gulden ter hand van rentmeester Borret te stellen, tegen kwitantie. De gewoonlijke uitgaven moeten met het geld uit de gemeentekomme worden betaald, ingekomen geld moet aan Raad Bachem worden gemeld, er dienen drie nieuwe sleutels voor de komme gemaakt te worden; één voor de drossaard, de tweede voor de oudste schepen en de derde voor de arm- en kerkmeesters. Gemeentegeld mag alleen onder toezicht van de eerder benoemde personen worden uitbetaald, en rentmeester Borret mag alleen die benoemde personen in de kamer laten waar de komme en de gerechtspapieren worden bewaard als zij allemaal aanwezig zijn. Tegen de borgemeesters Andries van den Crommenacker en Joseph Tabe wordt de strengste inquisitie gereserveerd wegens hun ongehoorzaamheid aan onze ordonnanties en hun onbetamelijke redevoering in de vergadering van de 26ste der verleden maand.”
Wat zouden die Andries en Joseph toen hebben gezegd? Dat moet toch tamelijk heftig zijn geweest. De drossaard, schepenen, kerk- en armmeesters van Gemert hebben hoe dan ook op 14 juli 1786, ten overstaan van de heer Raad Bachem, de gemeentekomme, staande in het kasteel, geopend en daarin bevonden de volgende munten en aantallen… Er volgt een opsomming die leidt tot een bedrag van ruim 3073 gulden. Daar moeten de ‘huldingspenningen’ van 1475 gulden vanaf en met wat andere kleine bedragen plus of min blijft er in de komme nog 1622 gulden over. Het feestje van de Blijde Incomste van Van Reischach kost dus zowat de helft van het bedrag dat we in onze dorpsschatkist hebben. Dat is veel geld. En voor ons – nee, geen pluralis majestatis, gewoon u en ik en de andere dorpsbewoners – is het nog niet eens zeker, gezien al die boze brieven van de landcommandeur, dat het een léúk feestje wordt.7
Eerdere artikelen in Gemerts Heem over de inhuldigingen: – Martien van der Wijst: Toen de landcommandeur werd ingehaald, GH 1968, no. 30; – M.H.J. Pennings: Een nieuwe poort voor de Latijnse school, GH 1980-2.
Noten:
- Zie ook Gemerts Heem-2005-2.
- Rechterlijk Archief Gemert 127, akte 444 en 447 (januari 1715).
- Zie ook Gemerts Heem-2005-4.
- Rechterlijk Archief Gemert 151, akte 49.
- Rechterlijk Archief Gemert 78, blz. 3.
6. Archief Gemert, 001-787 (17 juli 1786). - Rechterlijk Archief Gemert 184, blz.41.
FOTOBIJSCHRIFTEN
Op 14 september 2013 werd de intocht, de inhuldiging van de nieuwe landcommandeur Franz von Reischach nagespeeld in en om het Boerenbondsmuseum. Von Reischach was landcommandeur van 1784 tot 1794.
Voorbereidingen; de kleding moet wel een beetje eind 18e-eeuws lijken.
Dat polshorloge moet nog af…
Eigenlijk is de landcommandeur er al, maar pas straks komt ie officieel aan.
Foto linksboven: Een zetel voor de edele heer staat al klaar.
Foto linksonder: De ‘gewone’ commandeur en de rector van de Latijnse school.
De pastoor wordt geschminkt.
Als jij nou dat gaat zeggen, dan zal ik dit zeggen…
Het volk staat te wachten. Spannend!
De pastoor prevelt een schietgebedje… Dat alles maar goed mag gaan!
Kijk, in de verte komt het hoog bezoek eraan.
De pastoor prevelt een schietgebedje… Dat alles maar goed mag gaan!
Kijk, in de verte komt het hoog bezoek eraan.
Klaar voor de ontvangst.
De scharensliep hoopt op extra klandizie.
Foto boven: De landcommandeur en zijn assisten.
Foto rechts: Wijlen Peter Lathouwers toont trots het Handels vaandel.
Een ereboog.
De welkomsttoespraak.
Vervolg van de route naar het dorpsplein. G
De landcommandeur luistert geduldig naar de uitleg… van zijn commandeur.
Speciaal voor de hoge gast: een demonstratie boogschieten.
Een welkomstlied. G E M
Begroeting door het gilde.
GH 2023-3 Boerderijtje in Gemert, een geliefd tafereel
Voor opmaak met illustratie in pdf: klik hier
Jan Timmers en ChatGPT
Een schilderij met als titel ’Boerderijtje in Gemert’. Het roept vragen op: waar stond dit pand? En wat weten we over de schilder? Welke bronnen kunnen we hierover raadplegen? De zoektocht naar antwoorden begint, zoals zo vaak tegenwoordig, bij ChatGPT…
Huibert Schallenberg (1883–1981) was een Nederlandse schilder die vooral bekendstaat om zijn botanische werken, stillevens en landschappen. Hij schilderde in een naturalistische stijl en legde de flora op treffende wijze vast. Daarnaast creëerde hij schilderijen van pittoreske landschappen, dorpsgezichten en havengezichten.
Een bijzonder werk in zijn oeuvre is het schilderij met de titel ‘Boerijtje in Gemert’. Dit schilderij toont een typisch Nederlands boerderijtje in het Brabantse Gemert, een dorp dat bekendstaat om zijn landelijke charme. Het schilderij is uitgevoerd in olieverf op paneel en heeft een afmeting van 33 x 26,5 cm. Het werk is gesigneerd met ‘H. Schallenberg’, wat kenmerkend is voor zijn signatuur. Schallenberg schilderde vaak meerdere versies van hetzelfde onderwerp om in zijn levensonderhoud te voorzien. Dit schilderij van het boerderijtje in Gemert is dan ook niet uniek; er zijn meerdere exemplaren bekend. Het schilderij werd zelfs gebruikt voor brief- en wenskaarten, wat aangeeft dat het werk in zijn tijd gewaardeerd werd.
Vandaag de dag zijn schilderijen van Huibert Schallenberg, waaronder ‘Boerijtje in Gemert’, gewilde verzamelobjecten. Ze worden aangeboden op kunstveilingen en in galeries, en zijn te vinden op platforms zoals Kunstveiling.nl. De schilderijen zijn geliefd vanwege hun sfeervolle weergave van het Nederlandse landschap en het vakmanschap van de kunstenaar. Als je geïnteresseerd bent in het werk van Huibert Schallenberg of op zoek bent naar een schilderij van ‘Boerijtje in Gemert’, is het raadzaam om te letten op de signatuur en de staat van het schilderij. Er zijn ook kopieën en vervalsingen in omloop, dus het is belangrijk om de authenticiteit te verifiëren voordat je tot aankoop overgaat. Kortom, ‘Boerijtje in Gemert’ is een representatief werk van Huibert Schallenberg dat zijn liefde voor het Nederlandse landschap en zijn vakmanschap als schilder weerspiegelt. Het schilderij blijft een waardevol object voor kunstliefhebbers en verzamelaars.
Bovenstaande tekst is samengesteld door ChatGPT. Ik stelde de vraag aan ChatGPT: “Kan je een artikeltje schrijven over de schilder Huibert Schallenberg en speciaal over zijn schilderijen met als titel Boerijtje in Gemert”. Mijn spellingsfout Boerijtje in plaats van Boerderijtje heeft ChatGPT keurig overgenomen. De aangeleverde tekst is geschikte informatie over het tafereel van Schallenberg, dat kennelijk in Gemert is ontstaan en dat door hem, maar ook door andere schilders regelmatig werd gekopieerd. Op de website schallenberg.nl staat dat de voorstelling van het boerderijtje in Gemert een dorpsgezicht is, dat in grote oplage en uit verschillende perspectieven werd geschilderd.
Op de website schallenberg.nl lezen we verder dat dit een zeer geliefd tafereel was en nog steeds is en dat dit schilderij de meeste kopieën en vervalsingen scoort. Mooie voorbeelden daarvan zijn schilderijen van W. de Kok en A.G. Otminghuis.
Wat ons natuurlijk het meest interesseert is, waar dit tafereeltje precies vandaan komt. Is hier een bestaand huis in Gemert nageschilderd? Maar welke variant is dan het meest natuurgetrouw? Tot nu toe is mij in Gemert geen enkel gebouwtje bekend, dat model gestaan zou kunnen hebben. Het meest voor de hand liggend is, dat Schallenberg (misschien) in Gemert een tafereel heeft gezien dat hem heeft geinspireerd en waarvan hij in de loop van de tijd diverse varianten heeft gemaakt. Kennelijk verkocht het prima en was het tafereel zo gewild dat anderen hem hebben nageschilderd. Om het schilderij te doen voorkomen als een authentieke afbeelding van een boerderijtje heeft Schallenberg meteen “in Gemert” toegevoegd aan de titel. Door die toevoeging krijgt het tafereel direct meer authenticiteit en wordt het een stuk echter. We kunnen ons nog afvragen welk straatgezicht de inspiratie is geweest van Schallenberg, maar daar zullen we waarschijnlijk niet achter komen. Wat de inspiratie ook was, je hoeft mensen uit Gemert niet te vertellen dat een “Boerderijtje in Gemert” een geliefd tafereel is. Dat weten ze in Gemert als de beste.
Bronnen: ChatGPT en de website schallenberg.nl. Met dank aan Frans Schallenberg voor het beschikbaar stellen van de afbeeldingen.
FOTOBIJSCHRIFTEN
Foto boven: Boerderijtje in Gemert, gesigneerd H. Schallenberg.
Foto Links: Variaties op het tafereel Boerderijtje in Gemert door H. Schallenberg.
Foto rechts: Nogmaals Boerderijtje in Gemert van H. Schallenberg. Duidelijk een variatie op het tafereel.
Foto boven: Een variatie geschilderd in 1959 door Willem de Kok (1993-1959). Olieverf op paneel, 37×29 cm.
Foto onder: Nogmaals een kopie. Deze keer van A.G. Otminghuis.
GH 2025-3 Inhoudsopgave
Voor opmaak met illustratie in pdf: klik hier
Jaargang 67, 2025, nr 3
Inhoudsopgave
Inhuldigen Simon van Wetten …………………………………………………………………………………………………………………………1
Boerderijtje in Gemert, een geliefd tafereel Jan Timmers en ChatGPT ……………………………………………………………….12
Kiek Naw – Het wonder van Handel Paul Verhees ……………………………………………………………………………………………15
Textielfabriek Van den Acker in de domeinhof van Gemert Jan Timmers ………………………………………………………….16
Johan van den Acker bv, wevers sinds 1807 Ton Thelen ………………………………………………………………………………….28
Het Gemerts tussenwerpsel ie:k bestond al lang
vóór de nieuwe trend ick Piet Vos… ……………………………………………………………………………………………………………….35
Herinneringen aan Martien van der Wijst Ad Otten ………………………………………………………………………………………..36
Grafische verzorging Neel van Eupen
Drukwerk Weemen Web | Print | Promo
Omslag Maria Donkers
Special Gemerts Heem over Ad Otten aangeboden
In de Heemkamer is op dinsdag 29 september het eerste exemplaar van het speciaal aan Ad Otten gewijde themanummer van Gemerts Heem aangeboden aan zijn weduwe Alma Otten. Dat gebeurde door redacteur Jan Timmers in het bijzijn van Ads kinderen en kleinkinderen en een dertigtal genodigden.
Ad Otten overleed op donderdag 29 januari op 81-jarige leeftijd. Hij was meer dan een halve eeuw de drijvende kracht achter heemkundekring De Kommanderij Gemert. Als verhalenverteller wist hij veel kennis van de Gemertse geschiedenis onder een breed publiek te verspreiden. Zo maakte hij 51 filmpjes die hij mysteries noemde en die op deze site te bekijken zijn. Ook was hij zijn halve leven hoofdredacteur van Gemerts Heem. Als onderzoeker bracht hij veel nieuwe wetenswaardigheden uit de Gemertse geschiedenis aan het licht. In de special die officieel aan de familie Otten werd aangeboden wordt uitvoerig ingegaan op de verdiensten van Ad voor Gemert en de heemkundekring. En bij de presentatie haalde Jan Timmers nog verschillende gebeurtenissen aan met Ad in de hoofdrol, die niet in de special staan.
BIJ DE FOTO: Jan Timmers reikt het eerste exemplaar van de Gemerts Heem-special over Ad Otten in een volle heemkamer uit aan diens weduwe Alma Otten.
Publicatiedatum woensdag 30 september 2026
Inschrijven voor cursus Academie Gemert Vorstendom kan weer

Dit jaar is het 350 jaar geleden dat de beroemdste van alle landcommandeurs van Alden Biesen,graaf Damian Hugo von Schönborn, in Mainz geboren werd. Hij stamde uit één van de invloedrijkste Duitse adellijke families.
Een veelzijdig personage is het minste wat je van hem zeggen kan. Hij cumuleerde vele ambten: hij werd landcommandeur van de balijen Biesen en Hessen, was prinsbisschop van Speyer, bisschop van Constanz en kardinaal, die tussendoor ook nog met delicate diplomatieke missies werd belast. Een man en carrière om U tegen te zeggen.
Niet alleen in de balije Alden Biesen, waar Gemert als Commanderij toe behoort, maar overal waar hij ’thuis’ was, liet hij sporen na in organisatie en architectuur, met als architect niemand minder dan Balthasar Neumann. (Zo beroemd dat hij prijkte op het laatste Duitse 50-Mark biljet.)
Von Schönborn was degene die opdracht gaf om kasteel Alden Biesen en ook het kasteel van Gemert opnieuw op te trekken en meer aan te passen aan de toentertijd geldende architectuur en verfraaiing. Ook hier met als architect Balthasar Neumann.
Dit en meer feiten en wetenswaardigheden kun je vernemen in de cursus Gemert Vorstendom I die door de Academie Gemert Vorstendom – een werkgroep van de Heemkundekring De Kommanderij Gemert – wordt verzorgd. Een cursus die de geschiedenis van Gemert als Vorstendom belicht. De gehele ‘basis’cursus bestaat uit twee blokken van zes lessen, waarin acht lectoren de geschiedenis van Gemert behandelen, van de eerste bewoners in de oudheid tot het huidige Gemert met zijn kerkdorpen Handel, De Mortel en Elsendorp (het werkgebied van heemkundekring De Kommanderij Gemert). Beide blokken zijn afzonderlijk te volgen.
De cursus Gemert Vorstendom I zet uiteen hoe Gemert tussen 1050 en 1794 aan zijn de soevereine status kwam en wat dat inhield. Gemert was in die tijd ‘eene Vrije Soevereine Rijksheerlijkheid’, een heus minivorstendom.
In het eerste blok wordt de periode van de Heren van Gemert belicht, het adellijke geslacht dat voor de komst van de Duitse Orde zijn macht uitoefende over Gemert. Daarna wordt aandacht besteed aan de rol van de Duitse Orde in Europa en specifieker in de Lage Landen. Aansluitend komt aan bod de geschiedenis van de Latijnse School en het bestuur van Gemert door de eeuwen heen.
Hoe de ondergrond van Gemert met zijn waterhuishouding aan de Peelrandbreuk bepalend was voor de ontwikkeling van Gemert en hoe Gemert door de Franse Revolutie in 1794 zijn onafhankelijke status verloor, komen in het tweede lesblok aan de orde. Daarin wordt ook stil gestaan bij de nieuwe tijd die na de Franse revolutie aanbrak, de geschiedenis van de wevers en de textielnijverheid en de komst van de Indische Nederlanders in de jaren vijftig van de vorige eeuw.
Elk blok van zes lesavonden sluit af met een toets en een getuigschrift. Het doorlopen van beide blokken van de cursus Gemert Vorstendom I levert het certificaat ‘Gemertoloog’ op. De kosten voor zes lesavonden bedragen € 90. De deelnemers ontvangen een map met hand-outs. De eerstvolgende cursus begint op woensdag 28 oktober 2026 van 19.30 tot 21.30 uur en vindt plaats op de eerste verdieping van de Heemkamer aan de Ruijschenberghstraat 3b in Gemert.
Er zijn nog enkele plaatsen. Mensen die graag wat meer willen weten over Gemert van vroeger en hoe het was te leven in een dorp onder de hoede van de Duitse oftewel Teutonische Orde kunnen inschrijven door een mail te sturen naar secretaris@hkkgemert.nl
Publicatiedatum dinsdag 22 september 2026