GH-1999-04 Middeleeuwse hoeven en hun locatie

Jan Timmers

VIn oude oorkonden en andere archiefstukken komen met regelmaat namen voor van boerenhoeven. Nagenoeg alle hoeven en boerderijen kregen een naam toebedeeld. Het was een duidelijke manier om aan te geven over welke hoeve men het eigenlijk had. Een plaatsaanduiding met straatnaam en huisnummer bestond immers niet. De namen van de hoeven werden vaak ontleend aan de naam van het gebied (het toponiem) waarin de hoeve lag. In deze bijdrage aan Gemerts Heem is het niet de bedoeling om nader in te gaan op de naamgeving, maar om een overzicht te geven van de plaatsen waar de middeleeuwse hoeven in Gemert precies gezocht moeten worden. We beperken ons dus tot de hoeven en boerderijen die vóór het jaar 1500 in een archiefstuk zijn vermeld. Andere oude hoeven en boerderijen blijven buiten beschouwing. Omdat hoeven vaak genoemd zijn naar het toponiem waar ze liggen geeft dat wel een globale aanduiding aan van de plaats waar gezocht moet worden, maar de exacte locatie is daarmee nog niet bekend. In geen enkel archiefstuk vinden we die locatie precies aangegeven. Soms komen wel zogenaamde belendenden voor. Dat zijn percelen grond, wegen of waterlopen, die de begrenzing vormen van een hoeve. Ook dat soort informatie is nog onvoldoende om een hoeve precies te localiseren. Een overtuigend bewijs voor de locatie van een middeleeuwse hoeve is moeilijk te leveren. In feite moet de geschiedenis van elke hoeve afzonderlijk worden bestudeerd. Voor sommige hoeven is die geschiedenis in voldoende mate bekend, zodat we de locatie kennen. Met name geldt dit voor de hoeven die eigendom waren van de Duitse Orde. Omdat de Duitse Orde eigenaar bleef tot in de Franse Tijd vinden we in het Kommanderijarchief veel directe gegevens over deze hoeven. Het gaat hier om de hoeven Handel, Milschot, Nieuwenhuizen en Vogelsanck. Iets soortgelijks is het geval bij het goed Ten Broek (de latere Armenhoeve), die eigendom was van de kerk van Gemert, en de hoeve Hazeldonk, die eigendom was van de Latijnse School.

Soms is de naam van de hoeve bewaard gebleven tot in onze tijd. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de hoeve Ter Ynde (was in de volksmond Teringen Hoef) en de hoeve Ten Hogen Aarle. We denken dan de exacte plaats te kennen, maar moeten er toch rekening mee houden dat de plaats waar het hoofdgebouw stond in de loop van de eeuwen verplaatst kan zijn.
In de meeste gevallen lukt het localiseren alleen als diverse gegevens uit verschillende archiefstukken met elkaar gecombineerd worden. En lang niet altijd levert dat een exacte plaats op, maar alleen een sterk vermoeden. In de loop van de jaren is door verschillende personen binnen de heemkundekring onderzoek gedaan naar de plaatsen van de middeleeuwse hoeven. De resultaten kom je op verschillende plaatsen in Gemerts Heem en in boeken, uitgegeven door de heemkundekring tegen. Maar niet alles wat op dit moment bekend is, is gepubliceerd. Het leek daarom zinvol om de stand van zaken op te maken en een overzicht te geven van wat nu bekend is over de locatie van middeleeuwse hoeven in Gemert. De resultaten zijn samengevat in drie tabellen. De eerste tabel bevat de middeleeuwse hoeven, waarvan we op dit moment denken de exacte locatie aan te kunnen geven. Over de hoeven in de tweede tabel zijn we al wat minder zeker. Daarvan kunnen we alleen maar een waarschijnlijke plaats aangeven. Over de hoeven in de derde tabel weten we het minst. Daarvan durven we niet meer dan een globale plaatsaanduiding te geven.
In de tabellen is tegelijk aangegeven in welk jaar de betreffende hoeve voor het eerst vermeld wordt. In dat jaar bestond de hoeve in ieder geval al. Dat betekent niet dat de hoeve vóór dat jaar nog niet bestond. Er zijn in sommige gevallen aanwijzingen dat de hoeve ouder is. Dat hebben we te danken aan het feit dat het in de middeleeuwen gebruikelijk was om eigenaars van hoeven te vernoemen naar hun bezit. Johan van der Vondervoort is overduidelijk genoemd naar de hoeve Ter Vondervoort.
Waarschijnlijk was hij eigenaar van de hoeve. Misschien was het een voorouder van hem die op Ter Vondervoort woonde. Het voorkomen van een dergelijke naam is dus ook een bewijs van het bestaan van die hoeve. In de tabel is daarom ook het eerste jaar vermeld waarin personen voorkomen, die vernoemd zijn naar een hoeve. In de tabellen is dat de Eerste Verwijzing genoemd. We weten zeker dat de betreffende hoeve in dat jaar al bestond, ook al wordt de hoeve zelf niet genoemd. Alleen als de vermelding van een dergelijke verwijzing naar een hoeve ouder is dan de oudste vermelding van de hoeve is de verwijzing opgenomen.
Voor wat betreft de plaatsaanduiding van de hoeven wordt steeds sectie en nummer gegeven van het kadaster van 1832 van het perceel of de groep percelen, waarop de hoeve stond. Voor de duidelijkheid is ook de huidige situatie aangegeven middels de nu geldende straatnaam.
Niet alle vermeldingen van hoeven en boerderijen zijn in onderstaande tabellen opgenomen. Van een tiental vermeldingen van hoeven en erven kunnen we momenteel ook nog geen globale aanduiding geven. De opbrengst is echter behoorlijk groot. Van maar liefst 18 middeleeuwse hoeven te Gemert kennen we de exacte locatie en van een tiental hebben we een waarschijnlijke locatie te pakken. Er zijn weinig dorpen in Noord-Brabant waar al zoveel middeleeuwse goederen een plaats hebben gekregen.1

Noot:

Het is erg moeilijk om alle bijdragen in Gemerts Heem en daarbuiten te vermelden waarin de locatie van middeleeuwse hoeven aan de orde kwam. Dat wordt dan ook achterwege gelaten. Wel willen we wijzen op de belangrijke artikelenserie van Peter van de Elsen over de goederen van de Duitse Orde en zijn studie van het gehucht Esdonk. Daarnaast de (vele) artikelen van de hand van Ad Otten over o.a. Hazeldonk, Kieboom, Hofgoed, Steenweg en Ter Watermolen. De inventarisatie van omgrachte hoeven, de bewerking van het landboek (Gemeentearchief Gemert inv. nr 414) en het historisch geografisch onderzoek van het zuiden van Gemert door de auteur van dit artikel leverde verder gegevens op. Tenslotte verdient vermeld te worden het onderzoek van Adriaan van Zeeland naar de hoeve De Wouw en het puzzelwerk van Wim van de Vossenberg naar
de locatie van De Vossenberg.

Zie PDF

GH-1999-04 De Hoeve Handel

Peter Lathouwers

Omstreeks 1965 verloor Handel een in alle opzichten markant bouwwerk: de restanten van de aloude Hoeve Handel. De boerderij moest wijken voor nieuwbouw van de huidige panden Onze Lieve Vrouwestraat 38 t/m 42a. Bijgebouwen waren ingevallen, poorten gesloopt en de boerderij verkeerde in een deplorabele toestand. Toch behield de boerderij tot op het laatst de uitstraling van een pand met een bijzondere historische achtergrond.

Beknopt historisch overzicht

Met de toetreding in het begin van de dertiende eeuw van de edelman Rutger van Gemert tot de Duitse Ridderorde, krijgt die Orde voor het eerst vaste voet binnen de Vrije Heerlijkheid Gemert. Door die toetreding valt namelijk ridder Rutger’s erfdeel in de ‘heerlijke’ rechten en bezittingen van het oud-adellijk geslacht der Van Gemerts aan de Orde. Uit de geschiedenis van Gemert1 is bekend dat niet het huidige kasteel in het centrum van Gemert de eerste vestiging van de Duitse Orde in de gemeente kan zijn geweest omdat dat grondgebied pas in de tweede helft van de veertiende eeuw werd verworven waarna op die locatie toen pas het kasteel werd gebouwd.
Het idee dat de Duitse Orde eerder gevestigd was in ‘Handel’ wordt ingegeven door het feit dat ‘het Goed Handel’ oudtijds altijd als eerste wordt genoemd in de reeks bezittingen van de Gemertse Commanderij van de Duitse Orde. Het Goed Handel was verder allodiaal bezit van de Orde, dat wil zeggen dat ze dat in volledige eigendom bezat.2 En dat bleef zo tot aan de Franse Tijd toen de Orde uit Gemert werd verdreven. Alles wijst er op dat het oorspronkelijke ‘Goed Handel’ in de middeleeuwen zowel kapel als hoeve zal hebben omvat. Vóór 1421 moet er al een duidelijke scheiding zijn gekomen tussen beider grondgebied. Maar op een achttiende eeuwse plattegrond van de percelen van de Hoeve Handel zien we het grondgebied van de kapel nog altijd liggen als een uitsparing in het grondgebied van de hoeve. Ook de Maria-kapel zelf pleit voor het idee dat het ‘Goed Handel’ de eerste residentie van de Duitse Orde te Gemert moet zijn geweest. Maria was de patrones van de Duitse Orde en de kapel was hun privébezit. Zelfs de bisschop had daar geen visitatierecht. Alles wijst er op dat de oorsprong van de Hoeve Handel terug moet gaan tot het begin van de dertiende eeuw, de periode waarin de Duitse Orde zich in Gemert vestigde. De situering van de indrukwekkende poorten van de Hoeve Handel ten opzichte van de kapel verleiden zelfs tot de gedachte dat deze poorten in de middeleeuwen vanuit Gemert de (enige?) toegang vormden tot het oorspronkelijke Goed Handel 3
Tot in de Franse Tijd bleef de Duitse Orde eigenaar van de imposante Handelse hoeve met de daartoe behorende circa 28 hectaren grond. In 1800 werd het beheer van alle voormalige Duitse Orde-goederen overgenomen door de zogenaamde Commissie van Breda, terwijl die bezittingen na de Franse Tijd in handen komen van de (staats)Domeinen. In 1833 verkoopt de Domeinen de hoeve Handel aan Adriaan van Riemsdijk uit Maastricht, die zich sedert 1813 ook al kasteelheer van Gemert mocht noemen. Vanaf 1830 vermeerderde deze Van Riemsdijk zijn bezit ook met andere voormalige Ordehoeven in Gemert. Tot in 1926 blijft de hoeve Handel in het bezit van de Gemertse ‘kasteelfamilie’ met als laatste kasteelheer Everardus Hugo Scheidius. Scheidius verkoopt dan de hoeve aan Johannes Godefriduszoon van Zeeland uit Gemert die nog hetzelfde jaar de hoeve weer door verkoopt aan Wilhelmus van der Linden uit Veghel. Deze laatste verkoopt in 1930 de hoeve aan Piet de Wild, die mogelijk eerder al pachter was van de boerderij. De familie De Wild, die in het pand gedurende ettelijke jaren ook een café en logement exploiteerde, bleef tot circa 1962 eigenaar van de boerderij.

Bouwhistorische karakteristiek

Over de bouwhistorie zijn weinig gegevens bekend. De middeleeuwse hoeve van 1421 (of daarvoor) zal er ongetwijfeld heel anders hebben uitgezien als de boerderij anno 1900. Maar sinds het vertrek van de Duitse Orde rond 1800 zal er toch maar weinig meer aan de hoeve veranderd zijn. Het is niet bekend en ook niet aannemelijk dat door beheerders als de Commissie van Breda of de Domeinen ingrijpende verbouwingen of uitbreidingen zijn gepleegd. De hoeve werd verpacht en het onderhoud was aan de pachter. Hetzelfde mag worden verondersteld ten aanzien van de “kasteelheren” Van Riemsdijk, Lüps en Scheidius. Ook zij verpachten de hoeve. Van de latere eigenaren is het bekend dat die behalve kleine aanpassingen binnenshuis om het leefcomfort wat te verbeteren geen ingrijpende veranderingen pleegden.
Derhalve kan gesteld worden dat de laatste verschijningsvorm van de hoeve in elk geval dateerde van vóór het einde van de achttiende eeuw. En dat die verschijningsvorm
een monumentale uitstraling bezat bewijzen de hier bijeen gesprokkelde foto’s en andere afbeeldingen.

De hoeve was een boerderij met status. De gebouwen vormden een gesloten complex met twee, vroeger vermoedelijk drie poortdoorgangen. Van twee poorten zijn verschillende illustraties bewaard gebleven. Het zijn afbeeldingen van indrukwekkende poortconstructies met doorgangen van circa vier meter hoog.
Één poort is gericht op het noorden en één is gericht op het oosten. Van de veronderstelde zuidelijke poort is geen afbeelding bekend en er is ook niemand gevonden die zich daar nog iets van kan herinneren. Maar het minuutplan van het kadaster uit 1832 lijkt toch te wijzen op het vroegere bestaan van ook een zuidelijke poort(doorgang).

De hoeve heeft naast een bedrijfsgedeelte een buitenproportioneel woongedeelte. De invloed van Handel als bedevaartsoord is hier wellicht debet aan. Tot diep in de dertiger jaren van de twintigste eeuw bood de Hoeve Handel in elk geval aan pelgrims de gelegenheid tot overnachting en logies.
De boerderij is verder moeilijk onder te brengen in een bepaalde categorie. Het heeft enkele eigenschappen van een vroege langgevelboerderij met een L-vormige uitbouw van het woondeel. In de lange gevel komen echter geen stalof schuurdeuren voor, het kenmerk van de langgevelboerderij. Bij de hoeve Handel bevindt zich de stal-schuurdeur in de korte gevel en dat staat geboekstaafd als kenmerk van een hallehuis…4

Noten:
1. A.Thelen (red), Commanderij Gemert, Beeldend Verleden, 1990 (Zie m.n. bijdrage daarin van P. Lathouwers ‘Handel, een Mariaoord’).
2. P.v.d.Elsen, Goederen van de Duitse Orde – Allodiale goederen, Gemerts Heem 1980, blz.55-60.
3. Ter verantwoording van deze gedachte zie het onderschrift bij de plattegrond naar het kadastrale minuutplan uit 1832.
4. Met dank aan Jan Timmers en Ad Otten van de Heemkundekring en aan Peter de Wild (Ravenstein) en mevr. G.v.d.Ven-De Wild (Asten).

Zie PDF

GH-1999-04 Eén en al Bocht

Wegen en paden tussen Boekent, Milschot en Teryken

Jan Timmers

Wegen en paden vormen voor een belangrijk deel de structuur van een nederzetting en het landschap daaromheen. Uiteraard zijn daarbij niet alle wegen of paden even belangrijk. Als het ene uiterste kennen we de verbindingswegen tussen de dorpen en gehuchten. Met een modern begrip zouden we dat nu de hoofdwegenstructuur noemen. Het andere uiterste wordt gevormd door de smalle voetpaden, die over de akkers lopen en zich daarbij niet houden aan de bestaande perceelsgrenzen, maar daar dwars overheen lopen.
Toch kunnen wegen en paden niet zo eenvoudig worden onderverdeeld in de twee genoemde uitersten. We moeten ons realiseren dat vroeger het meeste verkeer gewone voetgangers betrof. Een verbindingsweg hoeft dan ook niet altijd erg breed te zijn. Dwars door het gebied van Boekent, Milschot en Tereyken loopt de zogenaamde Helmondse Pad. Het was de oude verbinding tussen Gemert en Helmond. Op de kadasterkaart van 1830 wordt deze verbindings-weg echter aangegeven als een voetpad, dat dwars over een stuk akker van de Armenhoef liep. Daarnaast bestond er een fijnmazig net van karrewegen en stegen, dat nodig was om alle afzonderlijke percelen met een kar te kunnen bereiken. Deze stegen waren binnen de wegenstructuur het minst belangrijk, maar waren nog altijd breder dan de smalle voetpaden. In de oude naamgeving blijkt de grote diversiteit. We komen tegen paden, weghen, straeten, dijcken en steghen. Een pad staat doorgaans voor een voetpad. Een steeg is in het algemeen een smalle weg, die breed genoeg was voor een kar. Een dijk is in het algemeen een verbindingsweg, die opgehoogd is, waardoor de kans op wateroverlast kleiner is en waardoor de kwaliteit wordt verhoogd. De begrippen straat en weg lijken veel op elkaar, hoewel een straat in het algemeen beter van kwaliteit is dan zomaar een gewone weg. De namen worden soms door elkaar heen gebruikt. In plaats van Den Mortelschen Weghe komt ook de bena-ming Den Mortelschen Straet voor. De Bakelse Dijk komt ook voor onder de naam De Bakelsche Weghe en zelfs De Helmondse Pad wordt soms genoemd: Den Helmondse Weghe.

De breedte van wegen en paden

Heel zelden vinden we in archiefstukken iets vermeld over de breedte van wegen en paden. In 1462 werden de bewoners van de Bodem van Elde geconfronteerd met een aantal bepalingen over de breedte van wegen en paden. Een voetpad moest minimaal 4 voet (ca 1,20 m) breed zijn. Een weg waarover met een kar ‘gevaren’ moest kunnen worden moest minimaal 12 voet (ca 3,50 m) breed zijn. Een weg waarvoor een hek gehangen werd moest 16 voet (ca 4,50 m) zijn en de breedste weg was een zogenaamde heerweg van 40 voet (ca 11,50 m).1 In de publicaties van de provincie over het poot- en plantrecht van 1820 en 1848 lezen we ook iets over de breedte van de wegen. Men werd, gezien het tekort aan hout, aangespoord om bomen en struiken langs de wegen te planten, maar een minimale breedte moest natuurlijk open blijven. Voor een voetpad was dat in 1820 7 à 8 voet (ca 2,00 – 2,20 m) en in 1848 was dat 2,20 – 2,50 m. het onbeplante deel van een weg moest in 1820 minimaal 30 voet zijn (ca 8,50 m) en in 1848 bedroeg dat 9,40 m.
We constateren dat de voorgeschreven breedte van zowel wegen als paden in de loop van de tijd is toegenomen. De huidige voorgeschreven breedte van wegen is nog weer aanzienlijk groter.

Straatnaamgeving

De huidige straatnaamgeving is veelal kunstmatig. Er wordt gezocht naar geschikte namen voor alle wegen binnen een plaats of gemeente. Het doel is om eenduidig vast te kunnen leggen waar iemand woont. Dit soort straatnaamgeving bestaat nog niet zolang. In elk dorp kende iedereen elkaar en wist men waar elke dorpsgenoot woonde. Een nadere aanduiding was daarvoor niet nodig. De straatnaamgeving had geen functie om aan te geven waar iemand woonde, maar was puur gericht op de straat of weg zelf, om aan te duiden welke straat of weg men bedoelde. Alleen de belangrijkste wegen hadden op deze manier een naam gekregen. Voor het fijne net van paden en stegen had men doorgaans geen namen. Een aantal moderne straatnamen zijn ontleend aan namen, waarmee oorspronkelijk een bepaald gebied werd aangeduid. Al in de middeleeuwen komen voor: Boekent, Milschot, Tereyken, Groenendaal, Kranebraken, Kerkstap en Dribbelei als gebiedsnamen, waarvan pas later straatnamen zijn gemaakt.
De oudste echte straatnamen in het gebied worden al vermeld in 1326. Andere straatnamen komen al in de oudste schepenregisters voor. In onderstaand lijstje zijn de oudste vermeldingen van straatnamen opgenomen.

1326 Oudestraat
1326 Oude Bakelseweg
1482 Mortelse straet
1483 Boekentse straet
1498 Rulsestraat
1499 Schenckstraet (de voormalige Dribbelheidseweg bij Boekent) vóór 1500 D’aalhorststeeg
1500 Hogeweg (is dezelfde als Oude Bakelsedijk)
1501 Helmondse weg
1529 Dijckstraet (de oude weg naar Beek en Donk)
1536 Mortelse Stap of Kerkstap
1538 Cromstraet
1553 Zandstraat
1555 Mortelse Payen
1575 Broekstraet

Het tracé van wegen en paden

De plaats waar een weg of pad loopt verandert in de loop van de eeuwen slechts in uitzonderlijke gevallen. Verandering in het verloop had meestal als gevolg dat ook sloten en perceelsgrenzen moesten worden gewijzigd. Voor dergelijke grote ingrepen in het landschap moest een heel goede reden aanwezig zijn. Meestal treffen we zoiets alleen aan bij doorgaande wegen. In de loop van de 18de eeuw is bijvoorbeeld de Beeksedijk aangelegd. De nieuwe weg ging dwars door een aantal percelen lopen. Op de oude kadasterkaarten is dat nog duidelijk herkenbaar.
Bovendien komen we in de schepenprotocollen de vermelding tegen van ‘de weg, waarlangs men naar Beek placht te gaan’, waarmee de op dat moment verouderde route werd bedoeld. Hoe deze oude route precies verliep is nog niet achterhaald.
Van meer recente datum is de wijziging van het tracé van de weg naar Bakel. Het gedeelte ten zuiden van De Mortel kwam pas in 1881 tot stand op het moment dat de weg werd verhard.2
Ook het verloop van de huidige straten Milschot, Tereyken en Daalhorst kwam pas tot stand bij de verharding van die wegen. Het tracé werd overigens bij die verharding alleen plaatselijk aangepast. Hier en daar werden wat bochten afgesneden. De meest ingrijpende wijzigingen in het patroon van wegen en paden werd doorgevoerd tijdens de ruilverkaveling. Veel lokale paden en stegen verdwenen daarbij. Alleen de doorgaande wegen bleven intact en de lokale wegen die niet verdwenen werden veelal doodlopend.

Het samenstellen van de kaart

Om het verloop van de oude wegen en paden zo volledig mogelijk in beeld te brengen is gebruik gemaakt van een aantal oude kaarten. Op de eerste plaats zijn dat de oudste kadastrale kaarten. De meeste wegen en paden komen hier op voor. Sommige paden en stegen lopen echter over particuliere eigendommen. Het verloop van een dergelijke steeg komt op de kadasterkaarten veelal niet voor. Immers de kadasterkaarten geven alleen de eigendomsgrenzen weer. Paden over particuliere gronden en ook wegen en stegen over heidevelden en dergelijke komen op de oudste topografische kaarten wel voor. Door deze gegevens te combineren op één kaart ontstaat een volledig beeld van alle aanwezige paden, stegen, wegen en straten. Het grondbezit was in het algemeen erg versnipperd en verdeeld in kleine percelen. Om al deze percelen te kunnen bereiken was een zeer fijnmazig net van stegen en paden nodig. Opvallend is dat de meeste stegen niet doodliepen op een bepaald perceel, maar meestal weer aansloten op een andere steeg. Zo kon men op diverse manieren een gebied doorkruisen en hoefde men nooit lange omwegen te maken. Alleen in de directe nabijheid van de grotere waterlopen is het wegenpatroon vaak wat ruimer. Het aantal plaatsen waar een waterloop overgestoken kon worden was beperkt en het aanleggen van bruggen en duikers vaak te kostbaar. De Snelle Loop wordt op slechts drie plaatsen overgestoken en ook het aantal plaatsen waar de Leygraaf wordt overgestoken is beperkt. Het is mogelijk dat in het verleden nog meer wegen en paden voorkwamen dan nu op de kaart staan aangegeven. In feite is de toestand van omstreeks 1830 weergegeven, zoals die op de kadasterkaarten en de topografische kaarten voorkwam. Het is mogelijk dat niet alle paden op die kaarten werden ingetekend. In de Gemertse schepenprotocollen worden eeuwenlang nagenoeg alle grondtransacties in Gemert opgenomen. Het is gebruikelijk om de percelen aan te duiden o.a. door het vermelden van de zogenaamde belendingen. Dat zijn de percelen, wegen en waterlopen die aan het betreffende perceel grenzen. In die protocollen worden als belending soms paden genoemd die op de kaart niet zijn ingetekend.

Reconstructie van oude wegen en paden

Het patroon van wegen en paden bepaalt voor het belangrijkste deel de structuur en daarmee de identiteit van een gebied. Tijdens de ruilverkaveling in de jaren 80 zijn de meeste kleine stegen en paden verdwenen. In veel gevallen is gelukkig de hoofdwegenstructuur ongewijzigd gebleven. In het gebied rond Boekent is dat ook grotendeels zo. Een paar wegen, die historisch gezien zeker tot de hoofdwegenstructuur behoorde heeft helaas de ruilverkaveling niet overleefd. Het gaat hierbij om het verlengde van de Kromstraat, die de begrenzing vormde van het akkercomplex De Kranebraken en ter hoogte van de kruising met de Leygraaf aansloot op de Oude Bakelsedijk. Ook het verlengde van de Kranebrakenseweg, die eveneens op het zelfde punt aansloot op de Oude Bakelsedijk is verdwenen. Ook na de ruilverkaveling zijn de ontwikkelingen doorgegaan. De Oude Bakelsedijk tussen de Ren en Hogen Aarle is inmiddels afgesloten en gemarkeerd met een bord “doodlopende weg”. Bij de aanleg van de Zuid-Om zijn de voormalige Schenkstraat (de verbindingsweg tussen Boekent en Berglaren) en De Mortelse Pey onderbroken. Van beide wegen bestaan nog doodlopende stukken die het grote gevaar lopen te verdwijnen, maar die oorspronkelijk tot de hoofdwegenstructuur van het gebied behoorden. Het zijn allen momumentale wegtracés, die het verdienen behouden te blijven, cq te worden gereconstrueerd.
In de ontwikkelingen van de laatste tijd van het buitengebied lijkt een kentering te komen en komen er steeds meer stemmen op om dat gebied meer toegankelijk te maken middels fiets- en wandelpaden. Op zichzelf is dat een positieve ontwikkeling. Gezien de cultuurhistorische waarden van het buitengebied verdient het hierbij aanbeveling om bij de aanleg van nieuwe fiets- en wandelpaden aan te sluiten bij de situatie van voor de ruilverkaveling. Niet zomaar nieuwe paden, maar paden aanleggen op tracés van de oude wegen en paden verdient verreweg de voorkeur. Herstel van in ieder geval de oude hoofdwegenstructuur wordt hierdoor mogelijk. Waar een wil is, is een weg.

Noten:
1 Henk Beijers en Geert-Jan van Bussel, Van d’n Aabeemd tot de Zwijnsput, toponiemen in de cijnskring Helmond vóór 1500 in naamkundig en nederzettingshistorisch perspektief; Helmond 1996, blz 217.
2 Anny van de Kimmenade-Beekmans, Weg Gemert-Bakel: Verhard in 1881, Gemerts Heem 1997, nr 1, blz 33.

Zie PDF

GH-1999-04 Op baevert nô Ézzeng:

’t Moet wél zwaere want anders hèlpt ’t nie

Ad Otten

Ons moedder ha in ’t Gîmmers Niewsblat ’t pregramma gelaeze van de Ézzengse Jübbelfîste in 1995 èn ze ha gezien dèè ‘k saome mî Peter van de Elsen verhaole zò vertélle. Ze hag ’t mee aojtcheknipt èn ’t alvast in d’r dágboek chestooke. Saoves wiejr ‘d daor mî sèllôteep in-geplèkt èn d’rnaeve skrîf se ’n verhaol van hööre zégge ovver “Corke Otten ob baevert nô Ézzeng”.

’t Moet chewîst zén in 1918 òv in 1919. Corke waor e jaor òf seuve èn èlk jaor hát ie maer laast fan z’m bîngke gekrîgge. Onz oopoe (Leentje) wáz ‘r mî nô dòkter De Kuijper gegôn èn die ha gezît: “Vrouw Otten, ge moet ’t beentje elke dag pappen! ” Èn van toen af krîch Corke èlken dách chloejent haete pap – tusse twae keukendoekke – op s’m bîng-ke gelît èn haj kwîkte dan zô hárd dè ’t álleng Kraojzánt in Gîmmert höörde dè ’t nòch steets nie gowt wás mî Corre z’m bîngke.

Nô ’n jaor pappe kon Corke bekant nie mîr lôôpe, már dòkter De Kuijper von dè Moedder Otten gewoon dûr moes chôn mî pappe, want anderz zò ‘d bîngke d’r meskiens wél af moette. Onz oopoe ha toen geskrûwt: “Ja már, ja már, menaer d’n dòkter” èn “Wa, wa iz ‘d dan tòch mî ons Corke, menaer d’n dòkter?” De Kuijper ha toen gezît dè ’t ’n “verzwering” wás. Veul vertrawe ha se al laang nie mîr in d’n dòkter, már jè, wa moes se doen? Gelukkech wás toen tante Mieke gekòmme èn die ha gezît: “Az ’t ’n verzwaereng iz, dan zò ik mî ‘ne spejker nô Ézzeng doen. Dè lejkt me bîtter az die haete pap. Ògèèrm, Corke tòch!” Tante Mieke zò wél mee ob baevert chôn. Dè wáz ôk chezélleg ôk nòg ôk, ôk fûr de kénder, want tante Mieke ha ‘nen hîlle grôôte waandelwaoge. Dôr kon Corke wél in, saome mî Miekes daochter Tonia, wand die wás nòch kléén.

Sanderendaogz al gonge ze op stap. Corke èn Tonia in de waoge. Leentje èn Mieke stillekez biddent ‘r aachterán. Ob d’n Ézzengsen Dejk han de twae kléén in dieje waandelwaoge inîns sônne lòl, dè de waoge dûrvan d’n dejk afspolkerde. Rèègd de sloot in.
“Gòtsammeliefhébbe”, zîn Leentje èn “Jezus márante bármhártechajt”, zîn Mieke. Már ’t waor gelukkech hôchsômmer. De sloot ston draojch. De joong mekeerde niks èn ôk ’t hèffelke spejkers wáz behaawe. De baevert kon dus chewoon vol-braocht wôrre èn toen wáz ’t chewoon afwaachte òv ’t sò hèlpe.

Èn …. ’t holp nie! Már al gaowèèchteg bleek dè dè ôk chînne wonder wás. In Gîmmert waore Daojtse zusterkes chekòmme van ’t Wit-Chael Kraojs èn die han tîgge Corkez aawlööj èn tîgge de álleng bürt chezît dè dè vòlges hullie mî dè bîngke van Corkes hîllemôl gîn verzwaereng wáz èn dè se mî dè mènneke már ’s nô ’t chaasthaojs moesse gôn in Veghel èn dè se nie tîgge dòkter De Kaojper moesse zégge dè hullie dè gezît han.

Leentje wás toen mî Corkes stiekkem mî d’n tram nô Veghel gedôn èn …. de zusterkes han wél gelejk, hè! ’t Waor gîn verzwaereng. Corke wiejr ge-oppereert èn e jaor látter liejp ie wîr az ’n hèrt.

(Spelling Vos; met dank aan Wim)

Zie PDF

GH-1999-04 We gaan toch maar naar Rome

Simon van Wetten

Dat juist ik dit nu moet schrijven

Paus Johannes Paulus II heeft nieuwe regels gesteld voor het verkrijgen van aflaten. In niet minder dan 115 pagina’s doet de kerkvorst uit Polen uit de doeken hoe de straf voor zonden kan worden verminderd of zelfs kwijtgescholden. Indien er bij u enige twijfels bestaan over een directe toelating tot het paradijs en u een verblijf in het vagevuur niet uitsluit, dan moet u dit artikeltje met nog meer aandacht lezen dan ik toch al van u gewend ben. Zodoende krijgt u straks de hemelse ballotagecommissie wellicht wat eerder méé.
Wat moet u doen om de eeuwige zaligheid te verdienen? Allereerst zult u uw zonden moeten opbiechten. Nee, niet aan mij, maar aan een tot het aanhoren van uw biecht bevoegde persoon. U dient ter communie te gaan en u dient te bidden. Heeft u dit alles naar behoren gedaan, dan zijn uw zonden u vergeven. Nu begint het echte werk. U zult de straf die aan die zonden is gekoppeld moeten zien te verminderen. Hoge punten scoort u op dit vlak met het bidden van de rozenkrans, het deelnemen aan de eucharistie, het doen van bijbelstudie, of het bezoeken van armen, gevangenen, ouderen en andere verworpenen der aarde. Ook met het laten staan van de fles en het laten liggen van het pakje sigaretten verdient u aflaten. Wat badinerend zou je kunnen zeggen dat elke dag die u nu nietrokend doorbrengt, ook een dag minder in het hiernamaals oplevert die u niet rokend doorbrengt. Andere mogelijkheden tot strafvermindering verwerft u door het geven aan goede doelen en – ik vertel dit met hart voor de heemkundekring – door vrijwilligerswerk te doen.
Vroeger waren de mogelijkheden tot het verkrijgen van aflaten wat beperkter, zeker als je geen geld had. De beste manier was dan het maken van een pelgrimstocht. Ook in Gemert werd het bezoeken van heilige plaatsen reeds in de middeleeuwen aangegrepen om het credo van die tijd, memento mori, middels een ferme reis inhoud te geven. Zo stond op 9 april 1507 Jut voor de Gemertse schepenen. Jut was de weduwe van Loyen Smollers, en zij bevestigde dat wijlen haar man en zij aan hun zoon Loyen 17 gulden hadden uitgereikt. Loyen zou namelijk naar Rome gaan in het gulden jaer, het jubeljaar. Vader en moeder hoopten door deze gulle geste mede deelachtig te worden in de aflaat die hun zoon aldus ging verdienen:

Ic, Jut voerscreven, ende gheeff Loyen mijns soen voerschreven kijnder in gerechter ghijfften ut aller mijnder reder have die ick nu besijttende ben 18 Rinsgulden, (hup, nog een gulden erbij) elck 20 stuyver, als te weten voer Loyen, syne vader en my gedaen heeft opten wech van Romen.1

Loyen zal toch wel al teruggekeerd zijn? Een jubeljaar, dat was in oorsprong een eeuwfeest, dus Loyen is waarschijnlijk in 1500 naar Rome gegaan.2 Pittig reisje, te voet, over slechte wegen, rivieren zonder bruggen, hoge bergpassen, doornstruiken en struikrovers en zeer beperkte accommodatie qua hotelwezen.
En dit alles louter om een aflaat te verdienen. Wat was zo’n aflaat eigenlijk waard? De waarde laat zich het best omschrijven als strafvermindering. Strafvermindering van een dag of een week, van een maand of een jaar of nog langer. Elke dag korter in het vagevuur is er één, maar buitengewoon interessant waren natuurlijk de aanbiedingen van 1000 jaar en meer! Een aflatencatalogus uit 1375 vermeldt zelfs aflaten van 18.000 jaar.3 Kijk, dat zet aan.
Helaas voor onze Loyen waren de prijskaartjes die aan dergelijke ruimhartige kwijtscheldingen werden geknoopt, onbetaalbaar. Hij moest op pelgrimage. Wellicht heeft hij onderweg, in Duitsland, nog wel het spotvers gehoord: “So bald das Geld im Kasten klingt, die Seele aus dem Fegfeuer springt,” maar de kans dat Loyen Duits verstond acht ik gering en hij zal dóór zijn gereisd.
Ware Loyen drie eeuwen later geboren, dan zou hij voor zijn bedevaart voldoende hebben gehad aan een voettocht over de Lodderdijk. Paus Pius VII heeft in 1804 aan de kapel van Handel diverse aflaten verleend: een volle aflaat op eerste Pinksterdag èn op tweede Pinksterdag (dat was de dag van de inwijding der kapel), een volle aflaat op de feestdag van de apostelen Petrus en Paulus, op OLV-Hemelvaart, OLV-Boodschap, Lichtmis, Visitatie, Onbevlekte Ontvangenis en ga zo maar door.4
Er leiden vele wegen naar Rome en de Verrehei en de Lodderdijk leiden naar Handel. Zou Loyen, als hij de keuze had gehad, voor Handel hebben gekozen? Ik denk het niet. Als je in de Eeuwige Stad bent geweest en al het prachtige op de Zeven Heuvelen aldaar hebt bewonderd, dan kun je, al mijmerend in het vagevuur, de tijd aardig bekorten met mooie, zeg maar gerust warme herinneringen. Niets ten nadele van Handel, maar… We gaan toch maar naar Rome!

Noten:
1. RA Gemert, r99, akte 607.
2. De zgn. jubilé-aflaat werd door Bonifacius VIII in 1300 voor het eerst gegeven, aanvankelijk bepaald als eeuwfeest, spoedig vermenigvuldigd (50, 25 of 33 jaren). Bron: Prof. W. Nolet: Middeleeuwse Kerkelijke Instellingen, ‘s-Gravenhage, 1939).
3. Codices Vat. Latini 4265, fol. 215.
4. Frater G. van den Elsen: Handboekje der bedevaart van Onze Lieve Vrouw van Handel.

Zie PDF