GH-2025-2 Graf van Philip Sutorius

KLIK HIER VOOR PDF-bestand

Cas Jamin

In Gemert-Bakel zijn oude grafmonumenten te vinden die de hedendaagse voorbijganger niet veel meer zeggen. Dit vormt de aanleiding om in de archieven op zoek te gaan naar die vroegere levens en tegelijkertijd de graven te beschrijven. Op het oude kerkhof van de kerk van Sint-Jans Onthoofding in Gemert is het graf te vinden van Philip Sutorius (1841-1873).

Het graf bestaat uit een blauwgrijze deksteen op een schuin aflopende roef. Op de deksteen staat de volgende tekst: “Bidt voor de ziel van zaliger den heer P.J.L.C. Sutorius geboren te Helmond 14 november 1841 overleden te Marseille 29 juli 1873 den 4 augustus daarop volgende alhier begraven R.I.P.” Op de bovenste helft van de deksteen rust in het midden ervan een half rechtopstaand Latijns kruis met Keltische symboliek (cirkel in het hart van het kruis, uiteinden van de armen voorzien van ronde vormen, bottony cross). De schuin aflopende steun waar het kruis op ligt, is versierd met een spiraal, ook een Keltisch motief.

Jeugd

Philip (Philippus Jacobus Leonardus Cornelis) Sutorius wordt op 14 november 1841 in Helmond geboren als zoon van Petrus Antonius Sutorius (1804-1886) en zijn tweede vrouw Maria Elisabeth Leonora Schouten (1813-1887)1. Zie de vorige aflevering in Gemerts Heem 2025 nummer 1 voor meer informatie over dit echtpaar. De vader van Philip is bij zijn geboorte koopman en fabrikant (katoendrukker/blauwverver)2. Het oudste kind in het gezin is Philips halfbroer Eduard (Johannes Wilhelmus Eduardus), die in 1833 is geboren uit het eerste huwelijk van hun vader. Eduard is 8 jaar oud als Philip ter wereld komt. Broer ‘Henry’ (Henricus Willebrordus Cornelis, *1840) is dan 1,5 jaar oud. Twee jaar na de geboorte van Philip komt zus Helena (Philippina Paulina Cornelia, *1843) ter wereld. Hierna wordt nog een broertje geboren, Petrus Wilhelmus Jacobus Cornelis (*1844). Hij wordt maar 6 maanden oud. In 1846, als Philip 5 jaar oud is, doet vader Petrus Antonius Sutorius zijn katoendrukkerij en blauwververij in Helmond van de hand aan de familie Van Vlissingen en verhuist met het gezin naar Weesp3. Daar gaan ze wonen aan een gracht, genaamd het Vosje, in wijk B op de Hoogstraat. Vader, moeder, hun vier kinderen, hun grootmoeder van vaders kant en hun dienstmeisje Cornelia den Dobbelsteen. Philip is 11 jaar oud als op 6 januari 1853 zijn grootmoeder Maria Christina Prinzen op 73-jarige leeftijd overlijdt in Weesp4, “na een lang en smartelijk doch zeer geduldig lijden, en tijdig voorzien van de H. Sacramenten der stervenden.” Vader Petrus Antonius is na de verhuizing in 1846 in Weesp opnieuw gestart met een textielververij en -drukkerij samen met een compagnon. De firma ‘Sutorius & Hasselenberg’. Als in mei 1847 Hasselenberg zich in goed overleg terugtrekt uit zijn vennootschap met Sutorius, gaat de firma ‘Sutorius en Co.’ heten5. In de textielindustrie wordt in toenemende mate gemechaniseerd, waarbij ook kleinere firma’s niet kunnen achterblijven6. Om investeringskapitaal aan te trekken vraagt Petrus Antonius Sutorius in 1854 een naamloze vennootschap aan. Op 25 september 1854 wordt zijn textielververij en -drukkerij opgenomen in een nieuwe N.V. in Weesp, de ‘Maatschappij tot het vervaardigen van Oost-Indische Batik’7. Hij brengt zijn woning en bedrijfsruimten onder in de vennootschap. Helaas wordt de N.V. geen succes, waardoor de aandeelhouders en directeur Petrus Antonius Sutorius rond de jaarwisseling van 1858/1859 veel geld verliezen. Petrus en zijn gezin verhuizen naar Aalst, vlakbij Eindhoven. Zoon Philip is dan 17 jaar oud. Vanuit Aalst verdedigt zijn vader zich via een ingezonden stuk in de krant tegen aantijgingen dat hij en zijn compagnon Timon Blom van Geel er met het geld van aandeelhouders vandoor zouden zijn gegaan. Eigen Leven

In 1857 trouwt Philips’ oudste broer Eduard Sutorius (23) in het Vlaamse Ronse (Frans: Renaix) met Aimee Marie Colette Brackelaire. Zij is op 14 maart 1842 geboren in het Vlaamse Zomergem en bij hun huwelijk nog maar 15 jaar. Eduard is in Ronse commissionair, oftewel een handelsagent of tussenhandelaar. Mogelijk in textiel, aangezien Ronse dan een belangrijke textielstad is. Eduard zal er voorgoed blijven wonen. Na het debacle met de Weespse N.V. vertrekt het gezin Sutorius in 1858 eerst naar Aalst. Op 10 juli 1862 wordt Petrus Antonius (57) met zijn vrouw Maria Elisabeth (48) ingeschreven in Rotterdam8. Als vorige woonplaats wordt ’s-Hertogenbosch genoteerd. De kinderen zijn intussen uitgevlogen en verblijven soms voor even op het ouderlijk nest. Zo verblijft zoon Henry (26) vanaf 3 maart 1867 een tijd bij hen. Hij is inmiddels wijnhandelaar en zijn vader is commissionair in wijnen. Philip Sutorius (24) trouwt op 28 juli 1866 in Batavia met Louise (Christine Louise) Wrück (19)9. Zij is op 25 december 1846 geboren in Meester Cornelis, vlakbij Batavia in Nederlands-Indië. Haar voorouders zijn waarschijnlijk, net als die van Philip, afkomstig uit Noordrijn-Westfalen in Duitsland. Zij woont in Batavia, maar verblijft weleens een tijd – eerst met Philip, later met de kinderen of alleen – in Delft. Waarschijnlijk hebben ze daar samen een pied-à-terre. Ze krijgen drie dochtertjes, waarvan het jongste al binnen enkele maanden na de geboorte overlijdt. Henry (26) trouwt op 2 mei 1867 in Amsterdam met Eugenie (Joséphine Ernestine Eugenie) Basquin. Zij is een dochter van een uit Frankrijk afkomstige koopman en zijn Amsterdamse vrouw van Franse afkomst. Ze krijgen acht kinderen. Op 3 februari 1870 trouwt de 26-jarige dochter Helena in Lisse met Gerardus Egidius Franciscus van der Schrieck (28) uit Amsterdam. Ze krijgen 7 kinderen.

Goede zaken en een verlies

Op 1 april 1869 gaan de broers Henry en Philip Sutorius samen een vennootschap aan, handelend te Rotterdam onder de firma ‘Gebr. Sutorius en Co’10. Tegelijkertijd gaan zij een samenwerking aan met Adolph Frederic Schrewelius, een koopman te Batavia. Dit in het kader van export en commissiehandel op en in Oost-Indië. De firma adverteert met regelmaat in kranten die in Oost-Indië verschijnen om reclame te maken voor producten die zij importeert, waaronder tafelzuren, jams, whisky, huishoudgroenten en vleeswaren11. Henry woont als koopman met zijn gezin in Rotterdam. Koopman Philip woont met zijn gezin in Batavia. De zaken gaan goed. Hun ouders Petrus Antonius en Maria Elisabeth verlaten op 12 mei 1869 Rotterdam. Het Zuid-Hollandse Lisse is hun nieuwe bestemming.

Op 25 mei 1872 wordt Petrus (67) ‘zonder beroep’ met zijn vrouw Maria (58) ingeschreven in Gemert. Daar woont dan al familie van Petrus’ moeder Maria Christina Prinzen. Tussen 1858 en 1872 heeft het echtpaar in vijf gemeenten gewoond (Aalst, ’s-Hertogenbosch, Rotterdam, Lisse, Gemert). Petrus Antonius, een geboren zakenman, is na het mislukken van de N.V. in Weesp niet meer als bedrijfsleider actief geweest. Hij werkt hierna nog wel een tijdlang als commissionair. In Gemert gaat het echtpaar wonen in de buurt van apotheek Van der Willigen (nabij Nieuwstraat 9, drogisterij ‘t Hert), waar zij de laatste jaren van hun leven doorbrengen12.

Op 5 juni 1873 verschijnt een telegram van Philip Sutorius als advertentie in de Java-bode, een dagblad in Batavia. Vanaf een Frans stoomschip meldt hij: “Door langdurige ziekte en overhaast vertrek naar Europa, niet bij magte persoonlijk afscheid te nemen van vrienden en bekenden, roept de ondergeteekende hun langs dezen weg een hartelijk vaarwel toe. Aan boord van de Neva, 5 junij 1873. Ph. Sutorius”. Voor velen is dit het eerste signaal dat Philip ernstig ziek is. Hij sterft op 29 juli 1873 op 31-jarige leeftijd op weg naar zijn vaderland in de havenstad Marseille in Frankrijk13. Ver weg van zijn vrouw Louise en dochtertjes Betsy (6) en Evangelina (4), die in Batavia zijn achtergebleven. Verwijderd ook van zijn ouders die in Gemert zijn komst afwachten. Zijn vader laat zijn stoffelijk overschot naar Gemert overbrengen. Daar wordt hij op 4 augustus 1873 op het kerkhof bij de Sint-Jan begraven.

Grote verandering en overlijdens

Tot aan zijn dood woont Philip, als koopman te Batavia met zijn gezin in de ‘Gang Scott’. Eén van de oudste en meest chique lanen van Batavia, waar de huizen omringd zijn door parkachtige tuinen en waar vele inlandse bedienden de bewoners, die veelal van Europese afkomst zijn, werk uit handen nemen. Drie maanden na de dood van Philip vindt er op 28 oktober 1873 in het huis van ‘mevrouw de weduwe Ph. Sutorius in de Gang Scott’ een openbare verkoop plaats door Van den Abeelen & Co van ‘een keurig netten inboedel’, waar de volgende spullen deel van uitmaken: “een weener rotting-ameublement, tafels, knapen, waschtafels en buffet met marmeren bladen, spiegels en gravures, mahoniehouten boekenkast, dames schrijftafel, werktafeltje, een fraaije Mahoniehouten waschtafel met marmeren blad en groote spiegel, nachttafeltjes, soliede kleer-, glazen- en dispenskasten, eettafel, banken, divans, tafels en knapen, carpetten en alcatieven, ijzeren tweeperoons-, éénpersoons en kinder-ledekanten, medicijnkastje, een piano van Pleyel zoo goed als nieuw, muziekkastje en tabouret, gaslampen, regulateurklok, porceleienen eet- en theeservies, kristal-, glas- en pleetwerk, waarbij Cristofle tafelzilver in étui. Een voet- en een handnaaimachine, zingende kanarievogels, bloementafels met bloemen, groote Japansche martevanen. Alsmede eene groote collectie fraaije bloemen en planten in potten. Zeilen en krees, keuken- en dispensgereedschappen. Een span deugdzame overwalsche wagenpaarden, een vis-à-vis, een mylord, een dos-à-dos”.

In een advertentie in de krant laat Dr. Bentley vervolgens in november 1873 weten dat hij is ‘verhuisd naar het huis, laatst bewoond door Mevr. de Wed. Sutorius, Gang Scott.

Uit passagierslijsten blijkt dat Louise Sutorius-Wrück met twee kinderen en met H. Sutorius (waarschijnlijk schoonbroer Henry) in mei 1874 met de boot is aangekomen in Marseille vanuit Singapore14. Vermoedelijk voor een eerste bezoek aan Europa na de dood van haar man Philip. In maart 1894 verblijft Louise Sutorius-Wrück tijdelijk in Delft. Haar dochters zijn dan al getrouwd en het huis uit. In maart 1894 verschijnt in verschillende kranten15 het volgende bericht: “Mevr. de wed. Ph. Sutorius, geb. Wrück, wonende te Batavia, thans tijdelijk verblijvende te Delft, heeft t.b.v. ’s Rijks Museum te Amsterdam, ten geschenke aangeboden eene proeve van kunstnaaldwerk (haakwerk), vóór ongeveer 60 jaren op Java vervaardigd door eene Javaansche slavin. Aan mevr. de weduwe Sutorius, geb. Wrück is daarvoor de dank der Regeering betuigd.”

Op 81-jarige leeftijd overlijdt Petrus Antonius Sutorius op 17 maart 1886 te Gemert. Van zijn overlijden wordt aangifte gedaan door twee buren, waaronder apotheker T.G.H. van der Willigen16. Een jaar later, op 4 oktober 1887, sterft ook zijn weduwe Maria Elisabeth Sutorius-Schouten in Gemert op 73-jarige leeftijd.

Laatste jaren van Louise

In december 1911 woont Louise Sutorius-Wrück in de Museumlaan in Batavia. Op 16 december 1911 verschijnt er een advertentie in ‘Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië’ met de volgende aanbieding: “Pension aangeboden met 1 Februari voor een gehuwd paar en beschaafde dame, adres Wed. Ph. Sutorius-Wrück, Museumlaan, Spreekuur ’s avonds van 6-7.”

Daarna drijft Louise jarenlang een bloemenzaak aan de Willemslaan 8 in Batavia17. Van 1916 tot 1922 adverteert zij regelmatig in de plaatselijke kranten voor deze zaak. Zij woont zelf bij de zaak en verhuurt op die plek in dezelfde tijd ook (een) gemeubileerde kamer(s) met volledig pension. Op die manier kan zij in haar levensonderhoud voorzien. Haar oudste dochter Betsy (Maria Elizabeth Eva Helena Sutorius) is in 1886 in Batavia getrouwd op 19-jarige leeftijd met de Nederlands-Indische zakenman Frits (Godefridus Josephus Maria) Raupp18. Ze worden ouders van een groot gezin. Haar jongste dochter Evangelina is in 1889 getrouwd op 20-jarige leeftijd in Meester Cornelis met Anthonius Albertus Servaas de Klerck, een landheer19. Ze krijgen meerdere kinderen. Het huwelijk eindigt op 13 april 1911 te Buitenzorg in een echtscheiding. Christine ‘Louise’ Sutorius-Wrück overlijdt op 23 februari 1924 te Batavia op 77-jarige leeftijd.

Noten:

  1. BHIC, BS Geb. Helmond 1841, arch. 50, inv. 3530, akte 130.
  2. W. A. J. M. Harkx, ‘De Helmondse textielnijverheid in de loop der eeuwen’, Stichting Zuidelijk Historisch Contact, Tilburg (1967), pdf via boeken.stichtingzhc.nl, pp. 67, 105, 106, 113 (tabel) en 114; G. van Hooff, ‘De familie Sutorius in Helmond’, Helmonds Heem, 1981(4), pdf via www.heemkundekringhelmont.nl.
  3. Leo Bombeeck, Vlamingen bij de Vlisco te Helmond, 25-7-2014, http://www.bombeeck-genealogy.com/index_htm_ files/Vlamingen%20bij%20de%20vlisco4.pdf; KB via Delpher, Nederlandsche Staatscourant d.d. 1-4-1844 en 17-8-1846 en 21-2-1855; Circulaire honderdjarig jubileum oprichting ‘P. F. van Vlissingen & Cie.’ d.d. 15-8-1946, Heemkamer Gemert, map 12 uit doos 9; Harkx, a.w. pp. 148-149; G. van Hooff, a.w. p. 141; Wikipedia-lemmata ‘Vlisco’ (v. 3-1-2025) en ‘Paulus Sutorius & Co’ (v. 16-6-2023); inbrabantstaateenhuis.nl/verhalen/vlisco (v. 9-4- 2020); www.monumenten.nl/monument/513003 (v. 21-4-2020).
  4. KB via Delpher, familiebericht in De Tijd d.d. 11-1-1853.
  5. KB via Delpher, Nederlandsche Staatscourant en Algemeen Handelsblad, beiden d.d. 22-6-1847.
  6. G. van Hooff, a.w. pp. 141, 147 (noot 15); Harkx, a.w. p. 149.
  7. KB via Delpher, Nederlandsche Staatscourant d.d. 21-2-1855, De Tijd d.d. 30-6-1855 p. 2 sec. Per Telegraaf, Algemeen Handelsblad d.d. 18-1-1859 p. 4 en 2-2-1859 p. 3; G. van Hooff, a.w.
  8. Stadsarchief Rotterdam, Bev.reg. Rotterdam 1862, arch. 494-03, inv. 225, blad 3157, scan p. 153.
  9. Maarten en Willy Etmans, Genealogisch onderzoeksbureau Roosje Roos, via www.roosjeroos.nl.
  10. KB via Delpher, Nieuwe Rotterdamsche Courant d.d. 3-8-1869 en Nederlandsche Staatscourant d.d. 4-8-1869 en Javasche Courant d.d. 9-11-1869.
  11. KB via Delpher, Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië d.d. 30-8-1913 & 14-2-1914 & 7-3-1914 & 28- 3-1914.
  12. GA Gemert-Bakel, Bev.reg. Gemert 1861-1879 folio 1055 en 1880-1900 folio 911 [In 1880 heeft apotheek ’t Hert huisnummer B316 en woont wed. P.A. Sutorius op B310]; BHIC, BS Overl. Gemert 17-3-1886 (P.A. Sutorius), arch. 50, inv. 2927, akte 32 [Aangifte door de naburen T.G.H van der Willigen (apotheker ‘t Hert) en dhr. Albers (boterfabrikant)].
  13. KB via Delpher, Java-bode d.d. 5-6-1873, Familiebericht in Bataviaasch handelsblad d.d. 8-9-1873 en in De Maasbode d.d. 14-8-1873, ‘Vendutie’, Java-bode d.d. 21-10-1873, ‘Dr. Bentley’, Bataviaasch Handelsblad d.d. 4-11-1873; GA Gemert-Bakel, BS Overl. Gemert 1873, arch. 11.079, inv. 39, akte 71.
  14. KB via Delpher, Bataviaasch Handelsblad d.d. 12-6-1874.
  15. KB via Delpher, Het vaderland en de Nederlandsche Staatscourant d.d. 8-3-1894 en De Haagsche courant d.d. 14- 3-1894.
  16. BHIC, BS Overl. 1887, arch. 50, inv. 2927, akte 105; GA Gemert-Bakel, BS Overl. Gemert 1886, arch. 11.079, inv. 40, akte 32; KB via Delpher, familieberichten in De Maasbode d.d. 1-5-1886 & 21-3-1886 & 20-12-1887 & 1-3- 1886 & 9-10-1887 en De Tijd d.d. 20-3-1886.
  17. KB via Delpher, Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië d.d. 13-7-1918 & 5-9-1921.
  18. KB via Delpher, Bataviaasch Nieuwsblad d.d. 30-9-1886 & 2-10-1886.
  19. Zie noot 9.

 

FOTOBIJSCHRIFTEN:

Het graf van P.J.L.C. Sutorius. (Foto Cas Jamin). G

 Stamboom familie Sutorius.

Advertentie Gebr. Sutorius & co. in Batavia van vleeswaren, whisky en Betuwe jam.

Gang Scott, tussen Tanahabang en het Koningsplein te Batavia. (Bron Universiteit Leiden, KITLV 105849, Publiek Domein).

 Advertentie Bloemhandel Mevr. de Wed. Sutorius-Wrück.

 

 

 

GH-2025-2 Gemert Vorstendom, bijna was het er nog geweest!

KLIK HIER VOOR PDF-bestand

Ad Otten

Het eeuwenoude soevereine Gemert Vorstendom van de Duitse Orde is in 1794 door Franse legers bezet. In 1800 is het door Napoleon c.s. verkocht aan de Bataafse Republiek en werd langs die weg deel van het Koninkrijk der Nederlanden. Maar… wist u dat daarna nog zeker zestien jaar serieuze pogingen zijn gedaan om Gemert Vorstendom nieuw leven in te blazen?

Bachem en De Vos van Steenwijk

Het was ene Konrad Joseph Bachem, die in 1802 namens de Grootmeester van de Duitse Orde te Wenen over ‘de kwestie Gemert’ in contact trad met de patriottische Baron De Vos van Steenwijk, minister van Financiën van de Bataafse Republiek. Bachem kende Gemert uit eigen ondervinding. Als 31-jarige jurist en balijeraad van Alden Biesen werd hij in 1786 aangesteld als gevolmachtigd commissaris in Gemert om hier, na de grote dorpsbrand van een jaar eerder, orde op zaken te stellen. Het was zijn taak om Gemert te herstellen als de rijkste commanderij van de balije Biesen. Gemert kwam onder zijn curatele.1 Die opdracht kreeg hij van landcommandeur Reischach, vorst van Gemert en tevens ambassadeur van de (hele) Duitse Orde in Den Haag. Konrad Bachem (1755-1832) was een veelzijdig en intrigerend persoon. In zijn geboortestad Bonn studeerde hij rechten. Hij kwam als jurist naar Alden Biesen, trouwde met de dochter van de later door Napoleon aangestelde Maire van Maastricht. Aan de Leuvense universiteit studeerde hij Nederlands, Frans en Engels, en louter uit interesse bestudeerde hij ook als een der eersten het zogeheten Anniversarienboek, het oudst bekende Dodenboek van de Duitse Orde, waarvan hij nota bene op het Gemertse kasteel een kopie aantrof. Daar las hij al van de twaalfde-eeuwse edelman en Duitse ridder Rutger van Gemert van wie de Duitse Orde na diens overlijden de eerste rechten over Gemert erfde, enzovoort, enzovoort. Opmerkenswaard is hier zeker ook nog dat zijn zoon het zou schoppen tot Haupt-Bürgermeister van Köln. Voorwaar geen kleine jongens die Bachems… Het was ‘onze’ Bachem die in de jaren 1802/1805 de interesse wekte om de verkoop van Gemert door de Franse bezetter aan de Bataafse Republiek op enigerlei wijze ongedaan te maken. Bij minister De Vos van Steenwijk vond hij gehoor. Niet zo vreemd wanneer je weet dat deze minister tevens commandeur was van de onder de gereformeerde Duitse Ordebalije Utrecht vallende commanderij Middelburg die door de Fransen met opheffi ng werd bedreigd. Bachem bood daartegen als uitkomst een reünie van de onafhankelijke Nederlandse gereformeerde tak van de Orde met de katholieke authentieke Duitse Orde. Kort tevoren was met de Fransen bij het Verdrag van Lunéville (9 december1801) namelijk overeengekomen dat de Orde als lid van het Duitse Keizerrijk ongeschonden zou worden gehandhaafd in haar rechten. Er werd overlegd in Den Haag, een en ander op schrift gesteld, en gecorrespondeerd met de grootmeester in Wenen. De archiefstukken zijn in elk geval bewaard in Wenen en in Utrecht. Op beide plaatsen is er recentelijk ook over gepubliceerd. In een geschiedschrijving van de Balije Utrecht wordt zelfs ronduit geschreven over de op 6 november 1802 in Den Haag gevoerde onderhandelingen tussen De Vos van Steenwijk en Bachem over de teruggave van de Commanderij Gemert waarbij het de bedoeling was die te koppelen aan de door beide partijen voorgestane reünie van de Duitse Orde Utrecht met die van Wenen.2 Ook in de daaropvolgende jaren werd hierover nog verder overlegd, maar er werden almaar geen knopen doorgehakt. Toen de Bataafse Republiek vervolgens in een crisis belandde, werd Bachem het zat en hij schreef op 31 augustus 1805 aan (inmiddels) Staatsraad De Vos van Steenwijk dat hij weliswaar met genoegen bij alle partijen nog altijd positieve opvattingen ervoer ten aanzien van een hereniging van beide Ordetakken, maar wees er toen met nadruk op dat die reünie alleen kon lukken bij de teruggave van Gemert. In Wenen wijdde in 2006 ook Ordearchivaris Bernhard Demel in diens “Unbekannte Aspekte der Geschichte des Deutschen Ordens” een aantal pagina’s aan het overleg omtrent de hereniging met een Vrij Gemert als inzet.3 Maar… het ging allemaal te lang duren. Bachem en De Vos van Steenwijk slaagden er niet meer in Gemert als soeverein vorstendommetje weer tot leven te wekken. Napoleon bleef ze gewoon een stap voor…

Autonome Duitse Orde gaat ter ziele

In september 1805 brak de oorlog uit tussen Oostenrijk en Rusland enerzijds en Frankrijk anderzijds. Op 26 december volgde de Vrede van Presburg (nu Bratislava) die een einde maakte aan 615 jaar autonoom bestaan van de Duitse Orde. Voor wat Oostenrijk betrof, werd het een keizerlijke huisorde en buiten Oostenrijk werd de Orde geseculariseerd en in feite overgeleverd aan de willekeur van wereldlijke overheden. In de alweer spoedig volgende oorlog tussen Oostenrijk en Frankrijk, kwam er vrijwel direct een eind aan het voortbestaan van de Orde in de Duitse landen. Nog tijdens zijn veldtocht vaardigde Napoleon in Regensburg (1809) een decreet uit waarbij de Orde in alle staten van de Rijnbond werd opgeheven. Van de eind achttiende eeuw nog bestaande twaalf balijen waren toen alleen Oostenrijk en Utrecht nog over. Gemert werd in 1806 deel van het Koninkrijk Holland onder Lodewijk Napoleon. En toen in 1810 Lodewijk daar van zijn grote broer moest vertrekken, lijfde Napoleon de Nederlanden in bij zijn Keizerrijk en vaardigde in 1811 al een decreet uit dat ook de Balije Utrecht ging verplichten tot opheffing en liquidatie. Maar De Vos van Steenwijk en consorten waren sterk in traineren en er werd veel gedelibereerd over de wijze van aanpak van de liquidatie. En… er kwamen andere tijden. Met name voor Napoleon.

Bachem probeert Gemert Vorstendom nu bij koning Willem I

Het Franse imperium stortte ineen. Eind 1813 zette de prins van Oranje alweer voet op vaderlandse bodem. Napoleon werd verbannen naar Elba en in 1814 ging men zich in Wenen alvast bezinnen op een grote staatkundige herordening en een institutionele reconstructie van Europa.

Even ontsnapte Napoleon nog uit zijn ballingsoord, maar vond toen al gauw zijn ‘eigenste’ Waterloo tegen een grote geallieerde overmacht en hij werd dit keer verbannen en afgevoerd naar Sint-Helena in de Atlantische Oceaan. De prins van Oranje, inmiddels Koning van de Nederlanden, herstelde bij wet van 8 augustus 1815 de Ridderlijke Duitsche Orde, Balije van Utrecht, waarbij het oppergezag over de Orde overging op de koning. Alle nog aanwezige goederen en eigendommen werden teruggegeven. Soeverein bezit heeft de balije nooit gehad. Over een hereniging met de katholieke authentieke Orde te Wenen werd niet meer gesproken. In Wenen was Konrad Bachem hofraad van de aldaar residerende grootmeester Anton Victor van Oostenrijk. In de voorbije Franse Tijd was hun alle soeverein bezit ontnomen. Maar Bachem en de grootmeester hadden hun idee wat betrof de vrijmaking van Gemert nog altijd niet opgegeven. ‘Gemert’ was indertijd op een oneigenlijke manier door de Fransen zomaar ingepikt en verkocht, en dat bood toch perspectief om met het herstel van het minivorstendom Gemert toch tenminste ‘iets’ van het illustere van de Ridderlijke Duitse Orde te bewaren? Zo moeten de grootmeester en zijn hofraad hebben gedacht, terwijl in hun directe nabijheid op het Wener Congres het Koninkrijk der Nederlanden in de steigers werd gezet met Willem van Oranje-Nassau als toekomstige koning Willem I. En was deze kroonpretendent niet ooit ‘expectant’ (=kandidaat) Duitse Orderidder? Daar moest mee gepraat worden… In het Deutsch Ordens Zentral Archiv (DOZA) worden in elk geval alweer twee brieven van Bachem gedocumenteerd van respectievelijk 13 december 1813 en van 31 januari 1814 om de mogelijkheden te onderzoeken ‘einer Rekuperation der Herrschaft Gemert unter dem Prinzen van Oranien’. Bachem bewoog op 25 oktober 1815 ook Kerpen, de vroegere landcommandeur van Biesen aan de nieuwe koning te schrijven en hem onder meer te herinneren aan de eerdere teruggave van Gemert met alle soevereiniteit en superioriteit aan de Duitse Orde op 14 juni 1662 na een veertien jaren lange bezetting door de Staten-Generaal. Bachem wilde in die brief ook gememoreerd hebben de in dezelfde zin bijna geslaagde onderhandelingen met De Vos van Steenwijk uit 1802.4 Het resultaat van deze brief is tot dusver niet achterhaald kunnen worden. Wel kan op de valreep nog uit een (onverwachte) Duitse bron van 1821 met een biografische schets van Konrad Bachem geciteerd worden: “1815 wieder nach dem Haag geschickt und er erlangte am 30. April 1816 ein sehr günstiges Versprechen vom König.”5 Het heeft er alle aanzien van dat Bachem tot zeker 1816 nog is kunnen blijven ‘dromen’ van de recuperatie van Gemert als het enige resterende vorstendommetje van de eens zo machtige Duitse Ridderorde. Hij zal het beslist ook al voor zich hebben gezien hoe in dat geval de grootmeester uit Wenen – in plaats van vroeger de landcommandeur van Alden Biesen – in Gemert zou worden ingehuldigd en uitgeroepen tot vorst van Gemert. Gemert had een blijvertje moeten worden als soeverein vorstendom van slechts 57 vierkante kilometers groot. Van dezelfde orde van grootte als nu Liechtenstein (62 km2) en San Marino (61 km2). Andorra is met 164 km2 bijna drie keer zo groot.

Tot Slot

Over de kwestie Gemert zullen ook in Haagse archieven naar verwachting nog wel nieuwe documenten komen bovendrijven. Over de hoofdpersonen in dit artikel kunnen we nog kwijt dat Godert Willem Baron de Vos van Steenwijk in 1830 overleed als landcommandeur van Utrecht. De invloedrijke ‘Gemertofiel’ Konrad Joseph Bachem overleed op 77-jarige leeftijd te Neuwied bij Koblenz aan de Rijn in 1832. Hij was daar in de regio eigenaar van een hele grote wijngaard.

Noten:

  1. M.H.J. Pennings, Gemert onder curatele, in: Gemerts Heem nr. 52, 1973, blz. 19-21. Zie ook: M.H.J. Pennings, Maatregelen na de brand van 1785, in: GH nr.48, blz. 19-24.
  2. J.H. de Vey Mestdagh, De Utrechtse Balije der Duitse Orde – ruim 750 jaar geschiedenis van de Orde in de Nederlanden, Alden Biesen – Utrecht 1988, blz. 55-60.
  3. Bernhard Demel, Unbekannte Aspekte der Geschichte des Deutschen Ordens, Wien-Köln-Weimar 2006, blz. 86-89.
  4. Idem, blz.88 5. Leipziger Literatur Zeitung, September 1821, Seiten 1889-1891.

 

FOTOBIJSCHRIFTEN:

Landcommandeur Caspar Anton von Belderbusch van wie Konrad Joseph Bachem de opdracht kreeg Gemert te herstellen na de dorpsbrand van 1785. G E

Dit beeld van edelman Rutger van Gemert staat in het gemeentearchief van Gemert-Bakel. Rutger kan gezien worden als de grondlegger van de Commanderij Gemert in het begin van de dertiende eeuw.

 Godert Willem de Vos van Steenwijk, landcommandeur van Utrecht 1824-1830.

 

 

GH-2025-2 Historische informatie steeds beter te vinden

KLIK HIER VOOR PDF-bestand

Casper Kalb

Het beeld van de historisch onderzoeker die dagen van zijn leven met handschoentjes aan oude boeken doorbladert bij het Nationaal Archief doet allang geen recht meer aan de praktijk van alledag. Steeds meer bronnen zijn te raadplegen in het comfort van de eigen studeerkamer. Er is een flink aantal genealogische websites voorhanden en oude kaarten uit allerlei invalshoeken zijn digitaal op te zoeken. Enkele maanden geleden is een enorm onderzoeksproject ten einde gebracht: de website goetgevonden.nl is toen gelanceerd. Op deze site zijn alle resoluties op te zoeken van de Staten-Generaal tussen 1576 en 1796.

In de genoemde periode waren de Staten-Generaal het zelfstandig opererend bestuursorgaan van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Al in de vijftiende eeuw bestond de term ‘Staten-Generaal’, in eerste instantie als standenvergadering die bijeen kon worden geroepen door de achtereenvolgende Bourgondische heren van de Nederlanden. Bijna tien jaar na het begin van de Tachtigjarige Oorlog, toen lokale edelen zich onder leiding van Willem van Oranje tegen heer Filips II keerden, vond een eerste bijeenkomst van de Staten-Generaal plaats die niet bijeen was geroepen door de heer van de Nederlanden. Nadat de zuidelijke provincies terugkeerden naar het Spaans gezag, namen de Staten-Generaal in 1588 zelf de soevereiniteit op zich. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden ontstond. De Staten-Generaal besloten over oorlog, vrede en handel en alles wat verder ter tafel kwam. Ze waren onder meer verantwoordelijk voor het muntstelsel en het onderhoud aan rivieren en dijken. Ook oefenden ze het opperbestuur uit over de ‘Generaliteitslanden’, territoria binnen de grenzen van de Republiek die niet tot een van de gewesten behoorden zoals Brabant. De besluiten van de Staten-Generaal werden ‘resoluties’ genoemd en werden genoteerd in resolutieboeken. De besluiten konden gaan over individuele kwesties, maar ook over staatsaangelegenheden.

Digitalisering

Het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis en Cultuur nam de uitdaging op zich om – samen met enkele partners – alle resoluties van de Staten-Generaal digitaal toegankelijk te maken voor het grote publiek. Daarvoor werd het project REPUBLIC: Resoluties ontsloten in een computationele omgeving opgetuigd. Historici, software-ontwikkelaars en experts op het gebied van dataverwerking hebben zich van 2019 tot en met 2024 op dit karwei toegelegd. Daarbij is gebruik gemaakt van innovatieve methoden en technieken, die te maken hebben met bijvoorbeeld tekstherkenning en machine learning. Ook vrijwilligers zijn bij dit project betrokken. Zij hebben 50.000 pagina’s scans met handschriftherkenning handmatig gecorrigeerd, waardoor het model verder getraind kon worden. Daardoor konden de overige 500.000 scans beter doorzocht en gelezen worden. Op 9 december 2024 werd de website goetgevonden.nl gelanceerd tijdens een feestelijke bijeenkomst in Nieuwspoort in Den Haag. De titel van de site verwijst naar de woorden ‘… hebben goetgevonden ende verstaan…’ waarmee de besluiten van de Staten-Generaal werden beklonken. Op de overzichtelijke homepagina is alle informatie over de achtergronden van het project te vinden, en ook de applicatie waar het feitelijk om draait: het platform waarop de resoluties doorzocht kunnen worden. Je kunt de resoluties daar via verschillende filters (op woord, tijdvak of bestuurlijke entiteit bijvoorbeeld) vinden. Ze verschijnen vervolgens als scan van het origineel met daarnaast de transcriptie in leesbare tekst.

Resoluties over Gemert

We weten dat Gemert regelmatig onder het vergrootglas lag van de Staten-Generaal en dat een conflict met de Duitse Orde over de soevereiniteit van de vrije heerlijkheid in juni 1662 is beslecht met een Soevereiniteitsakkoord. Dat kan alleen maar betekenen dat Gemert van tijd tot tijd over de Haagse tong is gegaan. Dat is nu dus thuis van achter de computer te ontdekken. We vinken ‘Gemert’ aan in het zoekscherm ‘locatie’. De plaats Gemert komt in 910 resoluties voor, waarvan 815 in de categorie ordinaris (gewone besluiten), 72 speciale besluiten en 23 (destijds) geheime besluiten. De eerste vermelding dateert van woensdag 30 juni 1599. Als we die resolutie aanklikken, verschijnt op het scherm links de scan van het originele besluit en daarnaast de transcriptie van de tekst: “Opde Requeste van heer henrick holtrop Duytz ordens Jegenwoirdich Commandeur van Ghemert verzoeckende Renouatie vande Sauuegarde den xxi Juny zessentnegentich den dorpe van Ghemert verleent, met Insertie van zynen Naem, ende van alle zyne onderhebbende duyts ordens persoonen zoe geestelycke als Weerlyck Is In dese Sauuegarde geaccordeert mits dat die zal werden gedepescheert gelyck de voergaende gedepescheert is geweest te weten zonder vermaen te maecken dat het voers dorp Rycx zoude westen, oft nye.” Hier ging het blijkbaar om een verzoek van toenmalige commandeur Holtrop over de bescherming van het dorp Gemert en de leden van de Duitse Orde door de Staten-Generaal. Vanzelfsprekend zijn de meeste resoluties die betrekking hebben op Gemert genomen in de periode van de Staatse bezetting, tussen 1648 en 1662. En interessant is dan natuurlijk welke besluiten er zijn te vinden over het soevereiniteitsconflict en het uiteindelijke akkoord. Dat vergt toch nog behoorlijk wat studietijd, dus we pikken er eentje uit. En niet de minste resolutie: die van 7 juni 1662. De Staten-Generaal geven met deze uitvoerige resolutie aan dat zij “(…) voorts goetgevonden ende verstaen, het voorschreve concept Accort, met eenige ampliatie, te approberen, ende t’arresteren…” en ook “…Ende middelerwijlen oock wederzijts was goetgevonden bij amicable conferentie te tenteren den wech van accommodement ende van Accord, Soo sijn ophuijden deses Jaers 1662.” Dit besluit toont aan dat het pleit was beslecht, het Soevereiniteitsakkoord kon definitief worden opgemaakt en ondertekend. Dat gebeurde een week later. Daar zijn dus ongetwijfeld nog vele resoluties aan vooraf gegaan. Kwesties bleven namelijk terugkomen in de vergaderingen tot er een definitief besluit was genomen. Dit was het sluitstuk van een lang proces.

ChatGPT

Het is niet iedereen gegeven om de historische teksten meteen te doorgronden. Het transcriberen van de originele akte is één ding, eruit opmaken wat er bedoeld is, een tweede. Maar ook daarvoor heeft de moderne tijd een oplossing: ChatGPT. Terwijl de wereld nog altijd moet wennen en zich verwondert over alles wat dit gereedschap van kunstmatige intelligentie produceert (van grappige filmpjes tot gevaarlijk nepnieuws), kan het voor historisch onderzoek een hulpmiddel zijn. Bijvoorbeeld om de teksten van weleer sneller te begrijpen. We hebben de tekst van de resolutie van 7 juni 1662 aan ChatGPT aangeboden met het volgende verzoek (de ‘prompt’ heet dat): zet deze tekst om in hedendaags Nederlands. Twee seconden later staat de volledige tekst op het scherm, duidelijk leesbaar en voor iedereen te begrijpen. De bovenstaande tekstfragmenten zijn bijvoorbeeld nu als volgt uitgeschreven: “Verder is goedgekeurd en besloten om het voorgelegde conceptakkoord, met enkele aanvullingen, goed te keuren en definitief vast te stellen’ en ‘Intussen is van beide kanten ook besloten om via vriendschappelijk overleg te proberen tot een vergelijk of akkoord te komen. En zo is dit jaar 1662 tot dit resultaat gekomen.” Maar ook als het voorwerk niet is gedaan door (in dit geval) de instituties achter goetgevonden. nl, kan ChatGPT het onderzoek een stuk gemakkelijker maken. We hebben een fragment uit de originele akte in het programma ingeladen en verzocht: transcribeer deze tekst. Deze keer duurt het iets langer: tien seconden. Vergelijk je de uitkomst met de tekst op de website, dan verschilt het niet eens zo heel veel. Het is in ieder geval een goed startpunt voor het begrijpen van het historisch document. Met opzet gebruiken we hier de term ‘startpunt’, want het is een behoorlijk grote valkuil om de teksten van ChatGPT als waarheid te beschouwen. Eén woordje in een akte of besluit kan het verschil maken tussen oorlog en vrede, toestemming en geen toestemming. Handwerk blijft dus voorlopig altijd nodig, om te verifiëren of de transcriptie wel helemaal correct is. Er waren niet voor niets vele vrijwilligers nodig om het Staten-Generaal-project ook op die manier te controleren. Maar je hoeft als amateuronderzoeker in ieder geval niet meteen ontmoedigd te raken door krullerige letters en ondoorgrondelijke middeleeuwse zinsbouw. De technologie kan je helpen.

Toekomst

Er zal nog heel wat water door De Rips stromen voordat alle facetten van het gebruik van AI in historisch onderzoek op een voor iedereen bevredigende manier in beeld zijn gebracht. Hoe kun je verantwoord en efficiënt gebruik maken van kunstmatige intelligentie bij het opstellen van je rapporten of artikelen? Hoe stel je de juiste vragen en hoe controleer je de uitkomsten? Het zijn vragen die in de komende tijd beantwoord moeten en zullen gaan worden. Want hoezeer je je ook kunt verzetten tegen deze moderniteiten, ze zijn er en ze gaan niet weg. We moeten ons er allemaal toe gaan verhouden. Dit artikel laat zien dat de technologie ook deuren opent die voorheen slechts met veel moeite (en een lange reis naar Den Haag) te openen waren. Het biedt ons in ieder geval de mogelijkheid om op eenvoudige wijze meer te weten te komen over de geschiedenis van Gemert in die voor het dorp zo roerige zeventiende eeuw. Dat is toch goed gevonden van die onderzoekers! Scan de QR-code voor toegang tot de website goetgevonden.nl.

FOTOBIJSCHRIFTEN:

De Staten-Generaal in vergadering bijeen (goetgevonden.nl).

 Screenshot van de website goetgevonden.nl. met de eerste resolutie over Gemert.

 Uitsnede van de originele resolutie van 1662.

 

 

 

 

GH-2025-2 Het thuishonk van de gemeente

KLIK HIER VOOR PDF-bestand

Simon van Wetten

Naar aanleiding van de officiële ingebruikneming van de vernieuwde publieke ruimte in het gemeentehuis op 12 maart jongstleden werd door het personeel van het gemeentearchief in de belendende tentoonstellingsruimte een kleine foto-expositie ingericht, met aandacht voor de gemeentehuizen die in de gemeente Gemert en in de gemeente Bakel en Milheeze dienst hebben gedaan. Reden om de diverse zetels van het gemeentelijk bestuur – en daarvoor van de vrije, soevereine rijksheerlijkheid Gemert – terug in de herinnering te brengen.

De schepenen

In de eeuwen dat de Duitse Orde de heerlijkheid Gemert bestierde, zou je de schepenen de uitvoerende macht kunnen noemen. Goed, Montesquieu moest zijn Trias Politica nog bedenken, en de manier waarop Gemert tot 1794 werd bestuurd zou de goedkeuring van de grote filosoof zeker niet hebben weggedragen, maar daar waar de wetgevende macht in de persoon van de (land)commandeur namens de Duitse Orde werd vertegenwoordigd, regelden de schepenen de dagelijkse gang van zaken in het dorp. Feitelijk hadden zij een drieledige functie: naast het bestuur hielden zij zich ook bezig met de rechtspraak en met notarieel en administratief werk, zoals het opstellen van testamenten en het verlijden van transportakten van onroerend goed.

Verhoudingen met de landcommandeur

Wie was de echte baas? Landcommandeur graaf Van Schönborn schrijft in 1710 een forse brief met al even forse bewoordingen aan zijn commandeur te Gemert. Boos uit hij zijn verwondering over het oordeel dat de schepenen zich in een bepaald proces “hebben durven toe-eigenen”. De landcommandeur oordeelt zelf: “Dit kwaad is in het bijzonder strijdig met de aan mij competerende soevereiniteit en de hoge orde is ondermijnd door mij aan de kennis en beslissing in deze te onttrekken. Ik verklaar dan ook het vonnis van de schepenen als nulla van waarde.”1

Ja, het kasteel beheerste als imponerend gebouw, maar zeker ook als uitvalsbasis van de Duitse ridders, in meerdere opzichten het dorp.

Waar zetelde de schepenbank?

Een echt gemeentehuis bestond nog niet. Met regelmaat vergaderden de schepenen in het kasteel, maar nóg vaker kwamen zij bijeen in een van de grotere herbergen, zoals Sint Joris of De Wildeman, beide gelegen aan het Ridderplein, destijds nog die Plaetse of de Merckt genoemd. De indruk bestaat wel dat de zeven leden van de schepenbank met de schout en de secretaris er een aparte ruimte tot hun beschikking hadden. Besturen is één ding, verlijden weer iets heel anders. Bij de bestuurlijke zaken was het toch wel de bedoeling dat zoveel mogelijk schepenen aanwezig waren, bij het verlijden, dus het notariële aspect van het schepenbestaan, was de aanwezigheid van twee schepenen al voldoende. Zij dienden hun naam – als zij dat al konden – onder de door de secretaris opgestelde akte te zetten. Ook al valt het woordje ‘secretarij’ maar zeer zelden, toch valt uit bepaalde aanwijzingen af te leiden dat je als inwoner van Gemert die een huis of een stuk grond te verkopen had, terecht kon bij de secretaris thuis.2 Zo werd bij secretaris Jan Cluijtmans na diens overlijden in het pestjaar 1636 – hij was een van de vele slachtoffers van de Zwarte Dood – door de schepenen een zoektocht in zijn huis georganiseerd naar alle daar bewaarde documenten en minuutakten.3 Bij secretaris Johan van Lee werden tijdens een inbraak in diens huis – in de nacht van 24 op 25 maart 1663 – uit zijn ‘comptoir’ naast twee schrijflessenaren ook al zijn schrijfspullen ontvreemd, tot en met het zandlepeltje (voor het gedoseerd strooien van zand over de nog natte inkt) aan toe.4 Aan alles komt een eind, ook aan het tijdperk van de Commanderij der Duitse Orde. Op 24 september 1794 trokken Franse revolutionaire soldaten Gemert binnen. Zij kwamen vrijheid, gelijkheid, broederschap en al heel snel ook ‘contributions’, belastingen brengen. Zij hadden ronduit een hekel aan adellijke personen en de vertegenwoordigers van de Duitse Orde hadden om die reden en zekerheidshalve het kasteel en Gemert al voor de komst van het Franse leger verlaten. Het nieuw gevormde gemeentebestuur kon dus de verlaten burcht betrekken. Op 11 december 1798 ontving de gemeente een brief van het departementaal bestuur over de huur van het kasteel, “waarin u nu al zeven maanden uw vergaderingen belegt”.5 Toen Napoleon in 1809 de Duitse Orde ophief, kwam het kasteel in handen van maarschalk Nicolas Charles Oudinot. Deze verkocht het op 15 februari 1813 aan de heer Adriaan van Riemsdijk, muntmeester te Maastricht. Aan het einde van de Franse Tijd was het op economisch gebied in heel Nederland kommer en kwel. Nog voordat Napoleon in 1814 op weg was naar zijn verbanningsoord Elba, werd ook in Gemert de financiële balans opgemaakt. De ooit door de Fransen beloofde volle graanzolders en overvloeiende spijskelders bleken angstaanjagend leeg. Het nieuwe gemeentebestuur – nieuw ook omdat de gemeente voortaan door een burgemeester, wethouders en een gemeenteraad werd bestuurd – kon het kasteel blijkbaar niet (terug)kopen. Terug naar het Boterhuis dan maar?

Boterhuisje als uitvalsbasis van het gemeentebestuur

Een Boterwaag. Het tilt het dorp op in aanzien, het biedt voordelen in de negossie en Gemert heeft er een markante plek bij in de Straet. Want er is nu, in 1747, eindelijk een mogelijkheid én een plaats gekomen voor zo’n skon huiske, namelijk naast het klokhuis voor de kerk. Daar staat een oud, vervallen huisje, maar dat valt op te knappen. Drossaard en schepenen laten de Hoogwaardige heer landcommandeur Ferdinand Damian vrijheer van Sickingen weten dat zij tot soelaas en gerief van de arme ingezetenen van Gemert gaarne zouden erigeren een huiske met een boterwaag daarin, ter plaatse hier in de Straet op een hoek van het kerckhof, daer geen begraeffenis geschiedt, tussen het clockhuis en het erf van de erfgenamen Leenard de Lauwre.

De leden van het dorpsbestuur willen het huiske en de waag uit de gemeentepenningen bekostigen. De gemeente zal profiteren van de verpachting van de boterwaag en van het weeggeld dat op de vastgestelde dag betaald moet worden voor het wegen van alle geleverde en te verkopen boter. Dat loopt aardig op: van iedere weging een duit, van elke 100 pond boter een stuiver plus vier duiten, en de boete van 6 gulden bij de in gebreke blijvende, 1/3 voor de heer, 1/3 voor de officier, 1/3 voor de aanbrenger. Drossaard en schepenen vragen permissie.

Komen we voor de vraag hoe die boterwaag eruit moet komen te zien en hoe de inrichting zal zijn. Zoals gezegd gaat het om de verbouwing van een al bestaand huisje. Er komt bijvoorbeeld een schouwmantel in, en de vloeren worden met Hollandse klinkers bevloerd. Alle deuren krijgen deurklinken, en de buitendeur ook nog een buiten-sleutelgat met een ijzeren sleutelplaatje. Er komt een schuifraam aan de straatkant en een knipslotje in de buitenvensters. De bovenvensters moeten worden aangepast en de deur boven in de gevel moet worden afgeschaafd, sluitbaar worden gemaakt en deels van glas worden voorzien. De nagelgaten in de buitendeur moeten met stopverf toegestopt worden. De binnenglasraamkens, met name in het oude kamerke naast het kerkhof, moeten dieper in de sponningen worden gezet. Ook de zijdeur, aan de kant van het klokhuis, moet flink opgeknapt worden. Dat geldt ook voor het Engelse schuifraam – schuift linksom – op de verdieping, ook aan de zijde van het klokhuis. Het bestek van de trapafgrond is niet voorhanden, dus daar moet nog eens goed naar gekeken worden. De ankerribben zowel boven als onder de zoldering moeten op de balken vastgemaakt worden. In het ovaal boven de voordeur ontbreekt het glas. Het bovenste venstertje in de achtergevel naast de kerk moet gangbaar worden gemaakt. Als het allemaal klaar is heeft Gemert de skonste boterwaag – en bovendien een vaste plek voor de heren schepenen – van de hele wereld.6

Gruweldaden en delicten?

Een gebeurtenis in 1761 bewijst dat het Boterhuis inmiddels als uitvalsbasis van door de gemeente geregelde activiteiten diende. Die gebeurtenis? Er broeide wat in Gemert en dat maakte drossaard De la Court erg boos. Woede, gramschap, razernij. Vraag niet aan De la Court welke vorm van boosheid zich meester heeft gemaakt van zijn gemoed, want dat is moeilijk kiezen voor de man. Hij wil bovendien helemaal niet kiezen. Hij wíl de daders. En wel nu, meteen, direct! Het gezag in het algemeen en met name zíjn gezag is ernstig aangetast. Inderdaad, er gistte iets in Gemert. Ook in de hoofdkwartieren van de Balije Alden Biessen werd men de broeierige sfeer in de Commanderij gewaar. Dat werd geïllustreerd door een brief aan de schepenen van de hand van heer en meester Otto Colen, advocaat en Raad van de illustere Duitse Orde, als gemachtigde van de hooggeboren heer Ulrich Leopold, landcommandeur. ‘De heren schepenen worden vanwege verscheidene gruweldaden en delicten in dit lopend jaar 1761 te Gemert gepleegd, uitdrukkelijk verplicht deze daden te onderzoeken.’

Wat was er in ‘s hemelsnaam aan de hand? Het leek wel of de patriottenbeweging het banhek bij de Snelle Loop was gepasseerd en de bevolking van Gemert uit de lethargie van de altijddurende en onvoorwaardelijke gezagsgetrouwheid wakker schudde. ‘Daar is een gestaag groeiend klagen en murmureren en preutelen van de gemeentenaren alhier!’ Grote woorden als ‘democratische verlangens’ en ‘zich afzetten tegen de regentenkliek’ zijn te hoog gegrepen en te voorbarig, maar het volk van Gemert roerde zich wel en durfde zelfs hardop vraagtekens te zetten bij sommige van de door de schepenen of de commandeur opgelegde verplichtingen. Met name het ’s nachts wacht moeten lopen was een doorn in menig oog. ‘We moeten een advocaat of kundig iemand naar Zijne Hoogwaarde Excellentie sturen om hem te melden hoe gevaarlijk het wachtlopen is. Zeker nu ‘s avonds laat de patrouilles bij het Boterhuis samen moeten komen. Toen bij het wachtlopen de mannen nog in hun eigen buurt konden blijven was het veiliger en werd de gehele gemeente toch goed bewaakt.’7

Het Boterhuis gemeentehuis?

In 1789 diende het Boterhuis in de Kerkstraat expliciet als secretarij.8 In 1803 verpachtten de dorpsbestuurders het gebouw, “maar de heren verpachters reserveren voor zich een kamer in het Boterhuis naast de Straat.”9 De aanduiding ‘gemeentehuis’ verscheen voor het eerst op 12 december 1811, bij de aankondiging van wederom een verpachting: ‘Verpachtingen aan de meestbiedende, waaronder een gedeelte van het gemeentehuis, achter de mairie van deze gemeente, zoals die nu wordt bewoond door Jan van den Dungen, klompenmaker’.10 En een jaar later, op 10 december 1812, werd de aanduiding ‘Boterhuis’ wéér van stal gehaald: ‘Een huis genaamd Boterhuis, onder de last van de gemeente, om te dienen, gesitueerd in de Kerkstraat, nu bezet door de weduwe Snoecx.’11 Hadden de heren bestuurders genoeg aan de 38 vierkante meter van het gebouwtje dat – vanuit de Kerkstraat gezien – links van het Boterhuis en rechts van de toen nog bestaande klokkentoren stond?12 In december 1816 klinkt de gemeentelijke verzuchting door dat het nodig is een gevangenis te hebben, “welke alhier ontbreekt.” Dat er uiteindelijk wel meer nodig is, blijkt in januari 1848 uit het aanvankelijk plan, bestek en begroting voor een nieuw gemeentehuis of – de gemeenteraad was er blijkbaar nog niet uit wat de beste optie was – het bestek en de begroting voor de verandering van het oude gemeentehuis. Het werd uiteindelijk een verbouwing en aannemer A. van Gaal te Geldrop kreeg de opdracht.13 In juli 1855 verklaarde pastoor Verhagen dat het gebruik van de grond om het Raadhuis te vergroten “ten alle tijden aan het gemeentebestuur zal worden toegestaan”.14 Dat daar blijkbaar dankbaar gebruik van werd gemaakt, valt op te maken uit de aankoop van een grote partij cement, in augustus 1856, “te lossen bij de Beekse brug, bestemd voor het gemeentehuis”.15

Ontwerptekening Raadhuis Gemert

Het plan om een nieuw raadhuis te bouwen werd net als in de tijd van de schepenen in een herberg van handen en voeten voorzien, namelijk in De Korenbeurs van Frunt, buurman van het Boterhuisje. Dat handen en voeten geven werd destijds, we schrijven 17 maart 1885, omschreven als “het amoveeren van het oude en terzelfder plaatse bouwen van een nieuw Raadhuis”. De Helmondse architect M. Dreesen tekende voor het ontwerp. Op de bouwtekening van het nieuwe raadhuis aan de Kerkstraat is te zien welke ruimten een raadhuis aan het einde van de 19e eeuw nodig had. Op de verdieping treffen we de Raadzaal en de Secretarie aan en er was op één hoog ook ruimte voor het Kadaster en allerlei andere administraties. Op de begane grond wordt de gastvrijheid vooral in beeld gebracht door de aanwezigheid van het cachot, verdeeld in twee cellen. Ook is er nog een ruimte die wordt omschreven als ‘Diverse’. Dat het archief ook toen al de terechte boventoon voerde, blijkt uit het plekje waar alle oude documenten in kasten werden gelegd: op de zolder. Het oude raadhuis, dat op dezelfde plek stond, werd gesloopt. Twee maanden nadat het besluit om aan nieuwbouw te gaan doen was genomen, legde burgemeester Gerardus Slits op 19 mei de eerste steen van het gebouw dat in de volksmond al snel ‘het Stumpke’ werd genoemd, vanwege de eigenaardige, stompe vorm van het dak.

Naar het Ridderplein

Maar ach, de vaart der volkeren versnelde in een accelererend tempo, het Stumpke voldeed niet meer en in 1926 viel het oog van de gemeenteraad op het statige pand van wijlen mejuffrouw Verschure aan het Ridderplein. Dat geschiedenis de neiging heeft zich te herhalen blijkt uit het verzet dat onder een deel van de bevolking ontstond. “Sommige personen zijn te zeer aan het oude gebouw gehecht.” Dat verschijnsel is dus niet iets typisch van onze moderne tijd. Hoe dan ook, de eerste raadsvergadering in het aangekochte patriciërshuis vond plaats in oktober 1926. De raadsleden hadden zich aan de tafel gezet die heden ten dage in de Heemkamer staat. Sindsdien is het gemeentehuis ruim twintig keer verbouwd of aangepast. Een van de grotere verbouwingen vond in de oorlogsjaren plaats. De pui werd vervangen, wellicht ook vanwege de beschadigingen die waren ontstaan bij de beschietingen op 11 mei 1940, over en weer tussen Duitse soldaten en de Nederlandse genietroepen op het kasteel. De diverse ruimten in het pand werden gemoderniseerd. Sindsdien herinnert qua sfeer en aankleding alleen nog de trouwzaal aan het oorspronkelijke huis van juffrouw Verschure. Het kenmerkende torentje staat sinds 1947 op het dak, nog zonder carillon. De plannen om dat mooie geluid toe te voegen aan de beleving van Gemert-centrum, worden door B&W op 16 april 1964 in een vertrouwelijk schrijven verwoord. “Het carillon zal aan waarde winnen door een figuuromloop. Het representatief karakter van het gemeentehuis wordt erdoor verhoogd, terwijl dat tevens een attractie voor het publiek betekent. De omloop zal bestaan uit drie ridders in historische kledij, gezeten te paard, met vóór elk paard een schildknaap te voet en komt uit, respectievelijk verdwijnt in een door klapbruggen en met burgwallen te versieren deurtjes van de dakkapellen.16 Het klokkenspel van twee octaven, bestaande uit 24 klokken, gegoten door klokkengieterij Petit & Fritsen in Aarle-Rixtel, werd samen met een speciale klokkenstoel en een inrichting voor “elektrisch-automatisch spel met nachtuitschakeling”, in juni 1964 geleverd.

Ondanks het feit dat het vanaf 11 september 1964 te horen en te zien was, is het carillon plus omloop pas op 7 mei 1966 feestelijk in gebruik genomen.17 Dat had te maken met keuringen en herkeuringen van de klokken, sommigen dienden opnieuw gestemd te worden, er moesten nog meer muziekbanden worden aangeschaft en de gemeenteraad had al in november 1963 besloten organisaties, industrieën en particulieren in de gelegenheid te stellen een of meer klokken te adopteren, in ruil voor het recht zo’n adoptieklok een naam te geven.18 Sindsdien tuimelen en buitelen elk hele uur vrolijke klanken door en over het centrum van Gemert. De Duitse ridders die tegelijkertijd parmantig in de nis van de bovengevel voorbij trekken, doen dat dus onvermoeibaar al ruim zestig jaar…

Met dank aan het gemeentearchief Gemert-Bakel, aan parochie St.-Willibrordus en aan Jos Vogels.

Noten:

  1. Gemeentearchief Gemert-Bakel, AG001-919.
  2. Simon van Wetten, Transcripties Gemerts schepenprotocol, R86, blz. 36.
  3. Idem, R61, blz. 3-6 en blz. 17-20.
  4. Idem, R55, blz. 1.
  5. 5. Gemeentearchief Gemert-Bakel, AG002, Bestuur en Kanton van Gemert, doos 43.
  6. Uit: Simon van Wetten, Tussen hoogmis en herberg, Gemert, 2016 / AG001-812.
  7. Privéarchief drossaard Peter Adrianus de la Court, bewerking S. van Wetten, folio 1 t/m 150.
  8. Uit: Simon van Wetten, Tussen herberg en hoogmis, Gemert 2013, blz. 207.
  9. R215, blz. 1.
  10. .-11. AG002/D257.
    12. Website historischegeografiebrabant, L179.
    13.-14.-15. AG083-710.
    16.-17. AG083-0710.
    18. Volgens de Helmondse Courant van 28 november 1963 is er inderdaad een aantal particulieren, dat samen met de Willem II Sigarenfabrieken, de Koninklijke Manufactuur Industrie, hotel De Keizer en klooster Nazareth, een klok hebben geadopteerd.

FOTOBIJSCHRIFTEN:

Montesquieu, de bedenker van de Trias Politica, de driedeling van de macht.

 Herberg De Wildeman, aan die Plaetse.

De onnavolgbare handtekening van secretaris Jan Cluijtmans.

 Schilderij, teruggevonden in de pastorie. Geheel links de kosterswoning, daarnaast de klokkentoren, dan de poort naar het kerkhof, vervolgens “het huiske met een boterwaag daarin” en uiterst rechts de hoek van De Korenbeurs.

 Situatie zoals op de eerste kadasterkaart van 1832 weergegeven.

 Het in 1917 afgebroken kosterhuis, daar waar nu het grasveld voor de kerk ligt. (foto collectie Jos Vogels)

 Nogmaals de kosterwoning. Met op de achtergrond de sacristie en een deel van het priesterkoor. (foto collectie Jos Vogels)

 Bouwtekening Raadhuis uit 1885.

 Foto’s hierboven: Het Raadhuis alias ’t Stumpke toen en nu.

 Het statige pand van mejuffrouw Verschuure.  

 De raadszaal in het nieuwe gemeentehuis. De 24 carillonklokken worden geleverd. De Duitse ridders trekken voorbij.

 De binnenplaats van het gemeentehuis, in 1943. Rechts de ingang naar ‘sociale zaken’.

 Gemeentehuis 1973.

 Gemeentehuis 1984.

Uitbreiding aan de achterzijde, in 1983.

 

 

 

GH-2025-2 Inhoudsopgave

KLIK HIER VOOR PDF-bestand

 

Jaargang 67, 2025, nr 2

Inhoudsopgave

Het thuishonk van de gemeente Simon van Wetten ……………………………………………………………………1

Historische informatie steeds beter te vinden Casper Kalb ……………………………………………..13

Gemert Vorstendom, bijna was het er nog geweest! Ad Otten ……………………………………..17

Graf van Philip Sutorius. Cas Jamin ………………………………………………………………………………………………………22

Kiek Naw – Grensoverschrijdend gedrag Paul Verhees ………………………………………………………….29

Fellenoord: een scherpe verklaring Ad Otten ………………………………………………………………………………..30

Oorlogsvondst op de skelft Casper Kalb… ………………………………………………………………………………………..34

Kapittelstokjes

D’n himmel of een skup éérd Ad Otten… …………………………………………………………………………….36

God had geen licht aan Ad Otten… ………………………………………………………………………………………….37

Ik had een wapenmakker Ad Otten… ……………………………………………………………………………………..37

Aanvulling Gemerts Woordenboek Harry Slits en Wim Vos… …………………………………………..39

 

Grafische verzorging Neel van Eupen

Drukwerk Weemen Web | Print | Promo

Omslag Maria Donkers

GH-2025-1 Kapittelstokje Geduldige en Ongeduldige kanariefokkers

KLIK HIER VOOR PDF-bestand

(door Jan Timmers)

Onder de titel “De Gemertse weverskanarie” schreef Ad Otten in Gemerts Heem 2009 nr. 3 over het kweken van kanaries in Gemert. De conclusie was dat het met name de wevers van Gemert waren, die naast het weven, als extra bijverdienste kanaries kweekten. Onder het pseudoniem Floris van Einatten schreef Ad al eerder in Gemerts Heem 1986 nr. 2 over kanarievereniging Het Geduld: “Op 22 juli 1909 verscheen er in de Meierijsche Courant een bericht uit Gemert dat gewag maakt van een op 18 juli in hotel De Kroon gevierd feest. Het lid C. de Groot werd in een open landauer door de Gímmerse Straot gevaren omwille van het feit dat hij 40 jaar lid was van Kanarievereeniging Het Geduld.” Over deze vereniging Het Geduld werd ook een gedicht gemaakt met als eerste strofe: “Wat zijn we blij en vrolijk, Wij jongens van ’t Geduld, Bij ’t nad’ren van de lente, Zijn wij met vreugd vervuld.” In het gedicht vinden we twee regels met een aanwijzing voor de naam van de vereniging: “Maar denk dan aan ’t Geduld, Die schoone deugd voor fokkers”. Er was kennelijk geduld nodig voor het fokken van kanaries. Maar dat gold zeker als je de kanaries wilde leren zingen. Ad schrijft daarover: “Indien men de melodieën niet te lang maakt en er twee maanden geduld voor over heeft kun je door ‘voorspelen’ een kanarieman een volstrekt eigen melodietje aanleren en door het toedienen van een paar hennepzaadjes kun je een kanarie zelfs laten zingen op commando.” Het lijkt een vrolijke en gezellige club, waarin de kanariefokkers van Gemert verenigd waren. Maar was dat wel zo? In het tijdschrift Nederlandsche Avicultura van 31 januari 1896 staat op bladzijde 47 een wonderlijk rijtje advertenties van Gemertse kanariefokkers. Daarbij zijn advertenties van de kanarievereniging Het Geduld in Gemert, maar direct daaronder vinden we advertenties van een alternatieve club: kanarievereniging ’Het Ongeduld’, eveneens uit Gemert. Het lijken elkaars concurrenten, zeker gezien de aankondiging van ’De ongedulde kanarievereniging Het Geduld’. Daarnaast treffen we nog advertenties aan van individuele Gemertse kanariefokkers. Concurrentie alom? Naast de serie advertenties uit Gemert lezen we maar twee andere over kanaries, namelijk van fokkers uit Velp en Helmond.

 

GH-2025-1 De oudere Latijnse School

KLIK HIER VOOR PDF-bestand

Ad Otten

Trots van Gemert Vorstendom (deel 2)

In een vorig nummer van Gemerts Heem1 werd ingezoomd op een afbeelding van de toen nog omgrachte Latijnse School van omstreeks 1820. In dit vervolg zoomen we in op een afbeelding uit 1730 en ook daarop prijkt ‘onze’ Latijnse School als een heel bijzonder monument.

De maker van deze prent is Andries Schoemaker (1660-1735), een doopsgezinde textielkoopman uit Amsterdam.2 Op de prent heeft hij het kasteel van Gemert weggelaten om kennelijk beter te kunnen focussen op een heel andere gegevenheid van Gemert. Het lijkt erop dat hij een grote Roomse kerk naast een kleine Gereformeerde kerk heeft willen vastleggen. Dat is in de Nederlanden van 1730 bepaald niet normaal. Roomse kerken worden dan slechts gedoogd als schuurkerken. En hier in het Vrije Gemert treft hij voor zijn gevoel het omgekeerde. Sedert het in 1662 met de Staten-Generaal in Den Haag afgesloten Soevereiniteitsakkoord heeft Gemert iets unieks binnen de grenzen van wat we nu kennen als ‘Nederland’, en dat is: Vrijheid van godsdienst! In het genoemde ‘accoord’ tussen Gemert en Den Haag wordt bovendien nóg iets heel bijzonders geaccordeerd. Dat betreft de benoeming en aanstelling van de dominee door de op het Gemerts kasteel residerende katholieke commandeur van Gemert. Dat is bijna niet te geloven. Maar wel waar. En het is bovendien de belangrijkste man in Den Haag, te weten raadpensionaris Johan de Witt, die onder de daarover opgemaakte oorkonde zijn handtekening zet, naast die van Ambrosius Virmundt, commandeur van Gemert. In een clausule wordt wel opgenomen dat Den Haag telkens zijn goedkeuring zal moeten hechten aan een nieuw benoemde dominee. Maar wij in Gemert weten dan dat Den Haag tot in de Franse Tijd, wat betreft genoemde benoeming, aanstelling etc. altijd alles zal goedkeuren. De koopman/schilder Schoemaker heeft van dit alles vermoedelijk niet eens weet gehad. Hij had al genoeg om in Gemert zich over te verbazen… Terug naar de twee kerken in het Gemert van 1730. Het Gereformeerde kerkje (gelegen op de kop van het Binderseind) is klein maar het mag er zijn. Het blauw op het torentje staat voor een leien dakbedekking en het gouden vaantje in de top geeft het kerkje iets sjieks. Het rode dak van de kapel moeten we houden voor een pannendak, zoals ook de daken van de veel minder aanzienlijk ogende huizen aan de Markt. Een kasteelcomplex tussen de twee kerken geplaatst zou teveel domineren en een opvallende vergelijking van de Roomse kerk en het Gereformeerd kerkje in de weg staan. Toch? De prent blijft ons intussen verbazen. Vergelijken we deze bijvoorbeeld met de veel nauwkeuriger afbeelding van Valentijn Klotz van het Marktveld in Gemert, dan constateren we dat de verhouding tussen de panden aan de Gemertse Markt en het Gereformeerde kerkje in de weergave van Schoemaker helemaal niet kloppen. Is hij zo’n sloddervos? Of gaat ’t hem er echt alleen maar om alle aandacht op te eisen voor de kleine Gereformeerde kerk ten opzichte van de veel en veel grotere Roomse kerk? Het moet wel dat gegeven zijn, zo lijkt het opnieuw. Intussen wil hij voor dat Godshuis(je) toch een positieve uitstraling behouden. Daarvoor kiest hij er nu voor om de naburige huizen aan de Gemertse Markt heel veel kleiner en nietiger weer te geven dan de realiteit. Kijk maar naar de prent van Klotz waar de nok van de twee etages tellende herberg De Wildeman even hoog reikt als die van het kerkje ernaast. Hetzelfde geldt ook voor het pand met het uithangbord helemaal links op de voorgrond, welk pand in elk geval ook minstens twee verdiepingen heeft. Uit historische bronnen weten we dat het hier herberg en brouwerij Sint Joris betreft op de plaats van het huidige gemeentehuis Gemert-Bakel. De Amsterdamse koopman/tekenaar Schoemaker gooit wat betreft de verhoudingen van de beschreven panden er echt met zijn pet naar. Laten we nu eens kijken naar het linkerdeel van de prent van Schoemaker. De eerste indruk is dat de tekenaar hier wat meer zijn best heeft gedaan. Hij verbeeldt het rijkere deel van Gemert met de hoog oprijzende Roomse kerk als meest opvallend gebouw. Ook hier is de nauwkeurigheid overigens maar zozo. Wel herkennen we meteen dat het hier de Gemertse parochiekerk betreft, maar het middenschip had even lang moeten zijn als hoog. Er ontbreken gewoon twee traveeën en had vijf bovenramen moeten hebben in plaats van drie. Ook hier gaat het de tekenaar dus slechts om een bepaalde uitstraling of idee.

En dat brengt ons vervolgens tot de Latijnse School. Het is het tweede opvallende gebouw, dat in het bijschrift van de complete prent trouwens als eerste wordt genoemd. Dat moet hem beslist het meest hebben gefrappeerd. Hij beeldt het af met zes dakkapellen in het dak, drie schoorstenen, en een tot boven de nok uitrijzende naar het oosten gerichte topgevel. Dat klopt allemaal. De steunberen aan de langsgevel wekken verder een indruk van hoge ouderdom. Uit geschiedkundige reconstructies3 concluderen we dat Heer Diederik van Gemert IV – na de verkoop aan de Duitse Orde in 1366 van zijn Hooghuis inclusief de hem nog resterende soevereine rechten over Gemert –, van gedeelde Heer over Gemert ‘degradeert’ tot leenman van de Orde voor het genoemde Hooghuis. Dat moet hem dermate hebben gefrustreerd dat hij er vervolgens voor kiest om het in leen opgedragen Hooghuis niet langer te bewonen maar te laten vervallen. In plaats daarvan bouwt hij (of zijn familie) dan pal er tegenover, maar op leenvrij eigen terrein, een nieuwe adellijke stee. Met leien gedekt, omgracht en een toegang via een op een brug gebouwde stenen poort. Het vroegere hooghuis geraakt heel snel in vergetelheid en het heeft er alle schijn van dat we de nieuwe adellijke stee van de Van Gemerts van toen, na zo’n drie eeuwen, gewoon terugzien in de ingekleurde tekening van de Amsterdamse lakenkoopman maar dan als de Latijnse School van Gemert. Op de tekening ontbreekt weliswaar de gracht met de poortbrug, waarvoor simpelweg de ruimte ontbreekt, maar die zullen we tot eind jaren tachtig van de negentiende eeuw wel blijven kennen van zowel kadastrale minuutplans alsook van een negentiende-eeuws olieverfschilderij dat berust bij het Noordbrabants Museum onder de titel ‘Gezicht op Dorp Gemert’.4 Bijna een eeuw na het uitsterven van de adellijke familie Van Gemert moet op die locatie in 1587 de Gemertse Latijnse School zijn begonnen.

Het Hofgoed en Het Patershuis

Twee gebouwen op de prent van 1730 zijn nog niet ter sprake gekomen. In het gebouw linksonder herkennen we het thans nog min of meer in deze vorm bestaande Hofgoed, dat dan circa tien jaar eerder door de in heel Nederland bekende orgelbouwer Mathias Verhofstadt opnieuw is opgebouwd.5 Van oorsprong is het de al uit de tweede helft van de veertiende eeuw bekende Goede ten Hove, een vrije hoeve van de adellijke familie Van Gemert gelegen tegenover het omgrachte Hooghuis dat dan al enige eeuwen volledig uit beeld is verdwenen. Het Hofgoed (thans notarishuis) is van oudsher de overbuur van de Latijnse School. Het in de prent als ‘buurman’ daarnaast geplaatste pand is bijgevolg in 1730 ook een van de overburen van de Latijnse School. Ook dit is een groot en met leien gedekt pand, dat haaks staat op de weg waardoor vereenzelviging met de in dezelfde straat gelegen ‘oude pastorie’ van Gemert lijkt te kunnen worden uitgesloten.6 Dit pand moet gestaan hebben op het perceel gelegen tussen de panden Hofgoed en het pand dat we nu kennen als Den Hubert (de Oude Pastorie). In het bijschrift van de prent van Schoemaker wordt het pand aangeduid als ’t Patershuys. En… van dit aanzienlijke pand is tot dusver noch een afbeelding noch een functie bekend. In de Gemertse schepenprotocollen vindt de auteur van dit artikel hoe de Latijnse School op 25 juni 1598, dus zo’n elf jaar na de stichting van de school, al eigenaar wordt van juist dat perceel met daarop een groot en een klein huis. Die waren eerder eigendom van de in of kort voor 1582 overleden Antonis Wolfs van Remunde beter bekend onder zijn ambachtsnaam als Thonis de Leyendecker.7 Zijn erfgenamen zijn een broer Willem en een zus Hilleke, weduwe van Jan Leyendeckers. De panden op deze locatie komen in diverse schepenakten van het laatste kwart van de zestiende eeuw ook voor onder de namen van het Grote en het Kleine Leijendeckershuys. Meteen is er ook meer achtergrond voor het gegeven dat Gemert nogal wat met leien gedekte huizen telde en met name in de Schoolstraat, die we nu kennen als Ruijschenberghstraat.

Van Leiendeckershuis tot Patershuis

De Duitse Orde heeft werkelijk grote plannen gehad met de Latijnse School in hun Vorstendom Gemert zoals ook in het vorige artikel al is aangegeven.8 Het Grote en het Kleine Leiendeckershuis worden meteen geïncorporeerd in het schoolplan. In zijn Geschiedenis van de Latijnse School te Gemert maakt Gerlacus van den Elsen dat ook direct duidelijk met de nieuwe namen van het Grote en Kleine Schoolhuis tegenover de school waarmee hij tegelijk voelbaar maakt dat hier het begin ligt van het kosthuizensysteem van de school.9 Een halve eeuw later gewaagt Gerlacus ervan dat de rector van de almaar meer florerende Latijnse School al een bedrag van 700 gulden heeft gespaard voor de aankoop van nog een ander heel groot pand tegenover de Latijnse School, waarmee hij doelt op de erfenis van de kort tevoren overleden Jonker Tobias van Eynatten. Dat is het pand op de plaats die we vandaag-de-dag kennen als het hiervoor reeds gememoreerde monumentale en per abuis geheten pand D’n Hubert. Nog in hetzelfde jaar zal dit pand ook daadwerkelijk ten behoeve van de school worden aangekocht om zoals het heet ‘commensalen’ te huisvesten.10 Terwijl gedurende de Tachtigjarige Oorlog op vele plaatsen Latijnse Scholen komen te verval-len of worden opgeheven krijgt het Vrije Gemert tot in de verre omtrek de naam van toevluchtsoord voor aan de Roomse godsdienst getrouw blijvende priesters. Daaraan komt het jaar daarop echter een heel abrupt einde door de later in feite ook in Den Haag toegegeven onrechtmatige Staatse Bezetting van Gemert in 1648 die ‘ze’ maar liefst zo’n veertien jaren aanhouden tot medio 1662. Ook in Gemert worden dan zoals in heel Staats-Brabant en Staats-Limburg Roomse kerken gesloten en overgedragen aan de Gereformeerde religie en ook de Latijnse School blijft tot in 1662 op slot. In juni 1662 komt het weliswaar tot een Accoord met Den Haag en gaat de Latijnse School weer open, maar dan valt er zoveel te herstellen en weer op te bouwen dat onder meer ook besloten moet worden tot de verkoop van de laatste grote verwerving van onroerend goed ten behoeve van de Latijnse School. Op 5 mei 1663 wordt de statige woning van wijlen Jonker Tobias, die dan wordt omschreven als ’de caducque huizinge hof en hofstadt te Gemert in het Schoolstraetjen’ verkocht aan Sieur Peter van der Putten, de moderne rentmeester van de Commanderij Gemert,11 die naarmate de Latijnse School na enige jaren wel weer tot bloei zal komen, ook wel genegen wordt geacht om mocht het nodig zijn slaap- en studieruimte te bieden voor studenten. Die optie blijft ook wanneer dit majestueuze pand in het eerste kwart van de achttiende eeuw de pastorie wordt van Gemert en dat zal blijven tot maar liefst 1935. Het Groot en het Klein Schoolhuis, dat we in 1598 al zien verworven om te dienen als kost- en leerhuis voor studenten vinden we rond 1700 en verder de eerste helft van de achttiende eeuw in Gemertse Schepenprotocollen veelal terug onder de naam De Capelanie en dat lijkt helemaal te passen bij de benaming van Het Patershuis dat de Amsterdamse koopman/schilder in 1730 bezigt voor het pand op deze locatie. Bij de grote dorpsbrand van 28 juni 1785 worden zowel het Groot als het Klein Schoolhuis volledig vernield en beide panden zullen daarna niet meer worden opgebouwd. In negentiende-eeuwse kadastrale beschrijvingen vinden we de locatie terug als een onbebouwd perceel van de Latijnse School. Het perceel zal zelfs onbebouwd blijven tot na de Tweede Wereldoorlog. In de tweede helft van de jaren veertig bouwt hier dan de gemeente Gemert de ambtswoning voor Ad de Bekker, de eerste naoorlogse burgemeester van Gemert. Het pand wordt vervolgens ook als ambtswoning betrokken door diens opvolger Hein MAC de Wit en zijn gezin. Aan het einde van zijn ambtsperiode koopt burgemeester De Wit het pand van de gemeente waarmee het een particuliere woning wordt.

Noten:

  1. Ad Otten, De oudere Latijnse School – Trots van Gemert Vorstendom, in: Gemerts Heem 2024, nr.1, p.7-10.
  2. Op Wikipedia is bibliografische informatie over Andries Schoemaker (1660-1735) te vinden.
  3. Jan Timmers, Ontwikkelingen in middeleeuws Gemert, p. 81-96, in: A. Thelen (red), Het Hooghuis te Gemert, Ge-mert 2001.
  4. Zie ook noot 1 en dan met name de illustraties in het artikel.
  5. Martien Verbruggen, Welk een “lofbaerlijk werk” – Gemertse orgelbouwers en Mathijs Verhofstadt in het bijzonder, Gemert 1995, p.43-45.
  6. Over de Oude Pastorie schrijft Peter van den Elsen uitvoerig in Gemerts Heem onder de titel D’aaw Pastorie, GH1978 nr.3, p. 75-81. Ook de onjuiste benaming van D’n Hubert voor het pand van de oude pastorie komt hier aan bod.
  7. Gemeentearchief Gemert-Bakel – Schepenprotocol Gemert R111 f. 223v.-224 d.d. 1598.06.25 over verwerving Groot Leiendeckershuys; Gemert R110 f.214 (ca. 1578) Anthonis Wolffs van Remunde en Caterina van Beeck sijnder huysvrouw woont 17 jaer in Gemert als leydecker; R110 f.272 (d.d. 3.8.1582) Thonis Leydeckers overleden, Willem Wolffs van Remunde en Hilleke resp. zijn broder en zus;
  8. Zie noot 1
  9. Gerlacus van den Elsen, Geschiedenis van de Latijnsche School te Gemert, ’s-Hertogenbosch 1887, p. 112, 315, 362. 10. Idem p.148 (met verwijzing naar Bossche Protocollen 4.8.1647 en 30.11.1649. 11. Simon van Wetten, Regesten Schepenprotocollen Gemert R119 akte 135

 

FOTOBIJSCHRIJFTEN:

 Onder deze prent van Andries Schoemaker staat: Lat. School: ’t Patershuijs. De Roomsche Kerk en gereformeerde kerk tot Gemert 1730

Prent van Valentijn Klotz, Gemert, 31 december 1675.

Straatgezicht Ruijschenberghstraat anno 2025.

 

GH-2025-1 Graf van het echtpaar Sutorius-Schouten

KLIK HIER VOOR PDF-bestand

Cas Jamin

In Gemert-Bakel zijn oude grafmonumenten te vinden die de hedendaagse voorbijganger niet veel meer zeggen. Dit vormt de aanleiding om in de archieven op zoek te gaan naar die vroegere levens en tegelijkertijd de graven te beschrijven. Op het oude kerkhof van de kerk van Sint-Jans Onthoofding in Gemert is het graf te vinden van Petrus Antonius Sutorius (1804-1886) en zijn vrouw Maria Elisabeth Leonora Schouten (1813-1887).

Vooraan op het kerkhof ligt, rechts van het pad, het graf van Petrus Antonius Sutorius en zijn tweede echtgenote Maria Elisabeth Leonora Schouten. Het graf is van oorsprong uitgevoerd in een lichtgrijze steen, maar door verwering en korstmossen heeft het inmiddels gemêleerde licht- en donkergrijze tinten. Het sobere graf bestaat uit een tombe, met een schuin aflopende deksteen geplaatst op een roef. Het opschrift op de deksteen is nog goed leesbaar. Behalve een kader om de tekst en in de vier hoeken van de deksteen een acanthusblad, heeft het graf weinig versiering. Het opschrift luidt: “Bidt voor de ziel van zaliger den heer Petrus Antonius Sutorius geb. te Helmond 9 oct. 1804 overl. te Gemert 17 maart 1886 en van deszelfs echtgenoote mevrouw Maria Elisabeth Schouten geb. te ’s Bosch 8 dec. 1813 overl. te Gemert 4 oct. 1887 R.I.P.” Op het bovenste deel van de deksteen is in het midden een half rechtopstaand Latijns kruis aangebracht in dezelfde steensoort als de rest van het graf. In het kruis is een kader aangebracht en in het snijpunt van het kruis staat het Christusmonogram J.H.S.

Jeugd

Petrus Sutorius wordt in Helmond geboren in 1804, als zoon van Johannes Wilhelmus ‘Jan-Willem’ Sutorius (1772-1834) en Maria Christina Prinzen (1780-1853)1. Zijn moeder is een zus van Johannes Theodorus Prinzen, de latere textielfabrikeur en stamvader van de Gemertse tak van de familie Prinzen2. De ouders van Petrus zijn geboren en opgegroeid in het Pruisische Noordrijn-Westfalen. Daar zijn ze rond 1799 getrouwd in Glehn, waar in 1800 hun eerste kind, Maria Catharina, wordt geboren. In oktober 1802 vestigen ze zich in Helmond. Vader Jan-Willem begint daar voor zichzelf als blauwdrukker en textielverver3. In januari 1803 wordt in Helmond hun zoontje Johannes Peter geboren; hij overlijdt na een half jaar en wordt in Helmond begraven. Op 9 oktober 1804 wordt Petrus Sutorius in dit gezin in Helmond geboren, als oudste jongen en de eerste zoon in een rij van vier. Na hem worden geboren: Paulus (1807), Willem (1809) en Johan (1812). Als zevende en laatste kind wordt in 1814 weer een dochtertje geboren, Anna Christina Francisca. Zij wordt slechts 3 jaar oud en Petrus is 12 jaar als zijn kleine zusje overlijdt.

Werk en jong gezin

Al op jonge leeftijd is Petrus als oudste zoon werkzaam in de katoendrukkerij van zijn vader, gelegen aan De Wiel in Helmond4. In 1828 wordt die uitgebreid met een blauwververij en bij het herenhuis aan de Binderstraat wordt een goedgevulde winkel in textielproducten gestart. Daar verkoopt Petrus onder andere handschoenen, sjaals, dekens en bijna vergeten kledingstukken zoals de borstrok en de slaapmuts. In de periode 1826-1832 begint hij een katoenspinnerij op een perceel in Helmond dat zijn vader in 1826 voor hem aankoopt. Als jongeman verblijft Petrus ook een tijd als koopman in Liedberg in Noordrijn-Westfalen, de plaats waar zijn moeder oorspronkelijk vandaan komt. Hij leert Catharina Theresia Kohlweck (*1810) kennen, met wie hij op 1 december 1832 trouwt in Düsseldorf. Hij is bij het huwelijk 28 jaar oud en zijn bruid 22 jaar. Op 12 juli 1833 laten Petrus en Catharina hun huwelijk inschrijven bij de gemeente Helmond, waar zij intussen zijn gaan wonen5. Zij leggen daarvoor bewijsstukken van het huwelijk in Düsseldorf voor. Op 8 november 1833 wordt hun eerste kind geboren in Helmond. Het is hun zoon Eduard (Johannes Wilhelmus Eduardus) Sutorius. Bij de aangifte van zijn geboorte wordt opgetekend dat Petrus fabrikant is. Als Jan-Willem Sutorius, de vader van Petrus, op 14 januari 1834 op 61-jarige leeftijd overlijdt, neemt Petrus, die al zijn eigen zaken heeft opgebouwd, nu ook als oudste zoon de katoendrukkerij van zijn vader over. Op 7 februari 1835 wordt het tweede kind van Petrus en Catharina in Helmond geboren. Het is weer een zoon, die de naam Willem (Wilhelmus Hubertus Alexius) Sutorius krijgt. Het geluk van het jonge gezin wordt wreed verstoord. Op 28 oktober 1835 sterft eerst het jongste zoontje Willem op de leeftijd van 8 maanden en één uur later overlijdt ook zijn moeder Catharina Theresia Sutorius-Kohlweck op 25-jarige leeftijd.

Weduwnaar en tweede huwelijk

Petrus blijft als 31-jarige weduwnaar achter met zijn oudste zoontje Eduard, dat dan nog geen 2 jaar oud is. Een jaar later, op 25 oktober 1836, hertrouwt hij in Den Bosch. Zijn tweede echtgenote is Maria Elisabeth Leonora Schouten (*1813)6. Bij dit huwelijk is hij 32 en zij 22 jaar oud. Ze krijgen zes kinderen, die allemaal in Helmond geboren worden. Daarvan sterven er drie al vrij kort na de geboorte. Het gaat om hun eerste twee kinderen Johannes Wilhelmus Philippus (*1838) en Wilhelmus Philippus (*1839) en hun laatst-geboren kind Petrus Wilhelmus Jacobus Cornelis (*1844). Daartussen worden achtereenvolgens geboren: Henricus (‘Henry’) Willebrordus Cornelis (*1840), Philippus (‘Philip’) Jacobus Leonardus Cornelis (*1841) en Helena Philippina Paulina Cornelia (*1843). Uiteindelijk ziet Petrus vier van zijn kinderen opgroeien en uitvliegen. Eén zoon uit zijn eerste huwelijk en twee zonen en een dochter uit zijn tweede huwelijk.

Aan de basis van het latere Vlisco

In 1838 krijgt Petrus te maken met een faillissement7. Na verkoop van zijn inboedel, waaronder de waardevolle manufacturen uit zijn winkel, weet hij zijn woning en bedrijfsruimten te behouden. In 1840 verkoopt hij zijn katoenspinnerij aan de Helmondse fabrikant Albertus Bots. In december 1843 sluit Petrus een associatie met de welgestelde Amsterdamse koopman en katoenbleker Pieter Fentener van Vlissingen8. In 1844 brengt Petrus zijn katoendrukkerij en blauwververij ook onder in deze gedeelde vennootschap. In december van dat jaar komt zijn medevennoot Pieter Fentener van Vlissingen te overlijden, waarna Petrus zakendoet met diens weduwe en erfgename. In 1846 trekt Petrus zich terug uit de dan verliesgevende vennootschap met de weduwe Van Vlissingen. Haar twintigjarige zoon Pieter Fentener van Vlissingen jr. krijgt op 15 augustus 1846 de leiding over het bedrijf dat ‘P. Fentener van Vlissingen & Co’ gaat heten. De katoendrukkerij en blauwververij van Petrus Sutorius komen daarmee definitief in handen van de familie Van Vlissingen. In het oprichtingsjaar heeft ‘P. Fentener van Vlissingen & Co’ direct de primeur met de inge-bruikname van de allereerste stoomketel in de Helmondse textielindustrie, eentje van 8 pk9. In 1970 zal de naam van dit bedrijf veranderen in het internationaal bekend geworden ‘Vlisco’.

Leven en werk in Weesp

Nadat hij zijn zaken in Helmond van de hand heeft gedaan aan de familie Fentener van Vlissingen, vertrekt Petrus in september 1846 met zijn gezin en moeder naar Weesp, waar ze gaan wonen aan een gracht genaamd het Vosje10. In oktober 1846 start hij in Weesp met compagnon Theodorus Hasselenberg een textielververij en -drukkerij, ‘Sutorius & Hasselenberg’. Als in mei 1847 Hasselenberg zich in goed overleg terugtrekt uit zijn vennootschap met Sutorius, gaat de firma ‘Sutorius en Co’ heten11. Op 6 januari 1853 komt Petrus’ moeder Maria Christina Prinzen in Weesp te overlijden op de leeftijd van 74 jaar12. Ondertussen begint de toenemende mechanisatie van de textielindustrie in binnen- en buitenland een bedreiging te vormen voor kleine textielfirma’s met een gebrek aan investeringskapitaal. In die situatie vraagt Petrus in 1854 de naamloos vennootschap aan, om zo het aantrekken van kapitaal te vereenvoudigen13. Op 25 september 1854 wordt zijn Weespse textielververij en -drukkerij opgenomen in een nieuwe N.V. aldaar, de ‘Maatschappij tot het vervaardigen van Oost-Indische Batik’14. Zijn jongere broer Johannes Josephus, commissionair (= handels-agent, tussenhandelaar) in textiel te Düsseldorf, is ook deelhebber. Petrus brengt zijn woning met nabijgelegen bedrijfsruimten onder in de N.V. De bedrijfsruimten omvatten een laboratorium, roodververij, indigomaalderij, koude en warme blauwkuipververij, kalanderij, perserij, spoelvlotten, ruwerij, plaatsnijderij, en timmerwerkplaats. Helaas wordt de N.V. geen succes, waardoor de aandeelhouders en directeur Petrus Sutorius rond de jaarwisseling van 1858/1859 veel geld verliezen. Petrus en zijn gezin verhuizen naar Aalst bij Eindhoven. Vanuit Aalst verdedigt Petrus zich via een ingezonden stuk in de krant tegen aantijgingen dat hij en een compagnon er met het geld vandoor zouden zijn gegaan. Na het debacle met de Weespse N.V. vertrekt Peter Anton in 1858 met zijn gezin naar Aalst (bij Eindhoven). Opvallend is dat zij na de mislukking van de N.V. in Weesp vaker van woonplaats wisselen en dat Petrus, een zakenman in hart en nieren, daarna niet meer als bedrijfsleider optreedt, maar werkt als commissionair. Op 10 juli 1862 wordt Peter Anton (57) met zijn vrouw Maria Elisabeth (48) ingeschreven in Rotterdam15. Als vorige woonplaats wordt ’s-Hertogenbosch genoteerd. De kinderen zijn intussen uitgevlogen en verblijven soms voor even op het ouderlijk nest. Zo verblijft hun zoon Henry (26) vanaf 3 maart 1867 een tijd bij hen. Hij is inmiddels wijnhandelaar en zijn vader Peter Anton is commissionair in wijnen.

Uitvliegende kinderen

Op 23 februari 1856 verleent de Hooge Raad der Nederlanden aan Johannes Wilhelmus Eduardus ‘Eduard’ Sutorius (22) te Weesp, de oudste zoon van Petrus uit zijn eerste huwelijk, Venia Aetatis of Brieven van Meerderjarigverklaring16.Deze geven hem alle rechten die bij de wet aan meerderjarigen zijn toegekend. Een jaar later trouwt Eduard Sutorius (23) met Aimee Marie Colette Brackelaire in het Vlaamse Ronse. Zij is op 14 maart 1842 geboren in het Vlaamse Zomergem en bij hun huwelijk nog maar 15 jaar. Eduard is in Ronse commissionair. Mogelijk in textiel, aangezien Ronse dan een belangrijke textielstad is. Eduard zal voorgoed in Ronse blijven wonen. Zoon Philip (24) trouwt op 28 juli 1866 te Batavia (Nederlands-Indië) met Louise (Christine Louise) Wrück (19). Ze krijgen drie dochters, waarvan het jongste binnen enkele maanden na de geboorte overlijdt. Philip is koopman te Batavia. Zoon Henry (26) trouwt op 2 mei 1867 te Amsterdam met Eugenie (Joséphine Ernestine Eugenie) Basquin. Zij is een dochter van een uit Frankrijk afkomstige koopman en zijn Amsterdamse vrouw van Franse afkomst. Ze krijgen acht kinderen. Henry is koopman in Rotterdam. Op 3 februari 1870 trouwt in Lisse 26-jarige dochter Helena (Helena Philippina Paulina Cornelia) met Gerardus Egidius Franciscus van der Schrieck (28) wonend te Amsterdam. Ze krijgen 7 kinderen.

Goede zaken en een verlies

Op 1 april 1869 gaan zonen Henry en Philip Sutorius samen een vennootschap aan, handelend te Rotterdam onder de firma ‘Gebr. Sutorius en Co’17. Tegelijkertijd gaan zij een samenwerking aan met Adolph Frederic Schrewelius, een koopman in Batavia. Dit in het kader van export en commissiehandel op en in Oost-Indië. De firma Gebr. Sutorius en Co adverteert met regelmaat in kranten die in Oost-Indië verschijnen om reclame te maken voor producten die zij importeert18. Henry woont als koopman met zijn gezin in Rotterdam. Philip woont met zijn gezin in Batavia als koopman. De zaken gaan goed. Op 12 mei 1869 verlaten Petrus en zijn vrouw Rotterdam. Het Zuid-Hollandse Lisse is hun nieuwe bestemming. Op 25 mei 1872 wordt Petrus (67) ‘zonder beroep’ met zijn vrouw Maria Elisabeth (58) ingeschreven in Gemert. Daar gaan zij wonen in de Nieuwstraat, in de buurt van apotheek ‘t Hert, waar zij de laatste veertien jaren van hun leven samen door-brengen19. Op 29 juli 1873 sterft hun zoon Philip op 31-jarige leeftijd in Marseille (Frankrijk). Zijn vader laat zijn stoffelijk overschot overbrengen naar Gemert, waar hij op 4 augustus wordt begraven op het kerkhof bij de Sint-Jan. Meer over deze zoon in een volgend nummer van Gemerts Heem.

Overlijdens

Drie en een half jaar na de dood van zoon Philip, krijgen Petrus en zijn vrouw Maria Elisabeth opnieuw te maken met de dood van een kind. Op 20 mei 1877 overlijdt Eduard in het Vlaamse Ronse op de leeftijd van 43 jaar. Waarschijnlijk is zijn huwelijk kinderloos gebleven. Zijn weduwe Aimee Marie Colette Brackelaire hertrouwt ruim een jaar later te Ronse met Charles Louis Willems.

Op 81-jarige leeftijd overlijdt Petrus Sutorius op 17 maart 1886 te Gemert. Van zijn overlijden wordt aangifte gedaan door twee buren, waaronder apotheker T.G.H. van der Willigen. Een jaar later, op 4 oktober 1887, sterft ook zijn weduwe Maria Elisabeth Sutorius-Schouten in Gemert op de leeftijd van 73.

Noten:

  1. RHCE via BHIC, RK doopboek 1780-1811 Helmond (P.A. Sutorius), arch. 8055, inv. 5.
  2. Zie eerdere afleveringen over de textielfamilie Prinzen uit Gemerts Heem 2020(4), 2021(1), 2021(3) en 2022(1).
  3. W. A. J. M. Harkx, ‘De Helmondse textielnijverheid in de loop der eeuwen’, Stichting Zuidelijk Historisch Contact, Til-burg (1967), pdf via boeken.stichtingzhc.nl, p. 67, 105, 106, 113 (tabel) en 114; G. van Hooff, ‘De familie Sutorius in Helmond’, Helmonds Heem, 1981(4), pdf via www.heemkundekringhelmont.nl.
  4. Harkx, a.w. pp. 109-111; G. van Hooff, a.w., 1981; KB via Delpher, Adv. in Opregte Haarlemsche Courant d.d. 26-5-1829, p. 7.
  5. RHCE, BS Huw. Helmond 1833, arch. 12100, inv. 5061, akte 24, scan p. 146; BHIC, BS Geb. Helmond 1833 (J.W.E. Sutorius), arch. 50, inv. 3529, akte 143; BHIC, BS Overl. Helmond 1835, arch. 50, inv. 3625, akten 56 (C.T. Kohlweck) en 57 (W.H.A. Sutorius).
  6. BHIC, BS Huw. ‘s-Hertogenbosch 1836, arch. 50, inv. 3939, akte 163.
  7. G. van Hooff, a.w. p. 140 en 142.
  8. KB via Delpher, Nederlandsche Staatscourant d.d. 1-4-1844 en 17-8-1846; Circulaire honderdjarig jubileum oprichting ‘P. F. van Vlissingen & Cie’ d.d. 15-8-1946, Heemkamer Gemert, map 12 uit doos 9; Harkx, a.w. pp. 148-149; G. van Hooff, a.w. p. 141; Wikipedia-lemmata ‘Vlisco’ (v. 3-1-2025) en ‘Paulus Sutorius & Co’ (v. 16-6-2023); inbrabantstaateenhuis.nl/verhalen/vlisco (v. 9-4-2020); www.monumenten.nl/monument/513003 (v. 21-4-2020).
  9. Harkx, a.w. p. 161 en 298.
  10. KB via Delpher, Nederlandsche Staatscourant dd. 21-2-1855 p. 2; G. van Hooff, a.w.
  11. KB via Delpher, Nederlandsche Staatscourant en Algemeen Handelsblad, beiden d.d. 22-6-1847.
  12. KB via Delpher, familiebericht in De Tijd d.d. 11-1-1853.
  13. G. van Hooff, a.w. p. 141 en 147 (noot 15); Harkx, a.w. p. 149.
  14. KB via Delpher: Nederlandsche Staatscourant d.d. 21-2-1855; De Tijd d.d. 30-6-1855, p. 2, sec. Per Telegraaf; Algemeen Handelsblad d.d. 18-1-1859 p. 4 en 2-2-1859 p. 3; G. van Hooff, a.w.
  15. Stadsarchief Rotterdam, Bev.reg. Rotterdam 1862, arch. 494-03, inv. 225, blad 3157, scan p. 153.
  16. KB via Delpher, Nederlandsche Staatscourant d.d. 5-3-1856, p. 4, sec. Gerechtelijke Aankondigingen.
  17. KB via Delpher (3x): Nieuwe Rotterdamsche Courant d.d. 3-8-1869; Nederlandsche Staatscourant d.d. 4-8-1869; Javasche Courant, 9-11-1869.
  18. KB via Delpher, Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië d.d. 30-8-1913 & 14-2-1914 & 7-3-1914 & 28-3-1914.
  19. GA Gemert-Bakel, Bev.reg. Gemert 1861-1879 folio 1055 en 1880-1900 folio 911 [In 1880 heeft apotheek ’t Hert huisnummer B316 en woont wed. P.A. Sutorius op B310]; BHIC, BS Overl. Gemert 17-3-1886 (P.A. Sutorius), arch. 50, inv. 2927, akte 32 [Aangifte door de naburen T.G.H van der Willigen (apotheker ‘t Hert) en dhr. Albers (boterfabrikant)].

 

FOTOBIJSCHRIFTEN:

Het graf van P.A. Sutorius en M.E.L. Schouten. (Foto Cas Jamin)

De handtekeningen van het echtpaar Sutorius-Schouten. Bron: BHIC, BS Huw. Den Bosch 1836, arch. 50, inv. 3939, akte 163.

 

 

 

GH-2025-1 KIEK NAW De geschiedenis herhaalt zich

KLIK HIER VOOR PDF-bestand

Paul Verhees (tekst en foto)

Maarten Schenk van Nydeggen was een veldheer die in het begin van de Tachtigjarige Oorlog in Staatse dienst vocht. Maar toen het Staatse leger in 1578 in de Slag bij Gembloers door de Spaanse troepen werd verslagen, liep hij over naar het andere kamp. In 1582 werd hij gevangengenomen door het leger van de Staten-Generaal der Nederlanden en drie jaar later vocht hij weer voor de Staatse troepen. In zijn ’vrije tijd’ ging Maarten Schenk met een bende rovers op strooptocht door Brabant en hoewel de soevereine heerlijkheid Gemert in de Tachtigjarige Oorlog buiten het strijdgewoel bleef, deed hij in 1588 Gemert aan. Zijn plunderaars maakten een gat in de muur van de kerk Sint-Jansonthoofding en gingen er met de kerkschatten vandoor. Er wordt gezegd dat de geschiedenis zich herhaalt, al is het nooit op precies dezelfde manier. Nu zit er een gat in de muur van de voormalige Gerardus Majellakerk. Het waren geen rovers dit keer, maar slopers die in opdracht van woningbouwstichting Goed Wonen begonnen met de verbouwing van het kerkgebouw. En er is nog een verschil: de kerkschatten waren al weg.

 

GH-20256-1 Van Gemert: de ultieme herkomst (L’Ultim Herencia)?

KLIK HIER VOOR PDF-bestand