GH-2025-1 Een eeuw handel in sterke drank

KLIK HIER VOOR PDF-bestand

Casper Kalb

Op het grote reclamedoek aan de gevel van Drankenhandel Het Oude Vat aan de St.-Annastraat 55 in Gemert staat in de rechterbovenhoek: sinds 1922. Dat prikkelt de nieuwsgierigheid. Het honderdjarig bestaan is in de naweeën van de coronatijd stilletjes voorbijgegaan, maar wat is de geschiedenis van dit bedrijf? Welk verhaal schuilt er achter deze zaak, die al zo lang Gemert en omstreken voorziet van een neutje, een goede fles whisky of een mousserende wijn? Op zoek naar de wortels komen we uit in De Mortel, waar Hendrikus van de Ven de eerste liters sterke drank verkocht. Drie generaties Van de Ven volgden hem daarna in Gemert op.

De aanhouder wint. Dat moet Hendrikus van de Ven (geboren op 19 januari 1902) gedacht hebben toen de gemeenteraad van Gemert op 30 april 1925 met acht tegen twee stemmen (de beide wethouders waren tegen) eindelijk besloot om voor De Mortel het aantal vergunningen voor de verkoop van sterke drank uit te breiden van één naar twee.1

Daar had hij wel even zijn best voor moeten doen. Al drie jaar eerder, in 1922, deed Hendrikus het officiële verzoek aan de gemeente om toestemming om naast bier en wijn ook sterke drank te mogen verkopen bij zijn Mortels café, waar zijn inmiddels overleden vader Johannes jaren de scepter had gezwaaid. Om het verzoek te kunnen inwilligen was een wijziging van de lokale verordening nodig, maar op 27 februari 1925 sprak de gemeenteraad zich daartegen uit. Hendrikus gaf echter niet op. Hij schreef een brief met een vurig pleidooi om nog eens naar de zaak te kijken. Dat was dus succesvol. De verordening werd aangepast en op 30 juni 1925 kreeg hij zijn felbegeerde vergunning voor het verkopen van ‘sterke drank in het klein’.

Maximum

Het maximum aantal vergunningen was een uitvloeisel van de Drankwet, die in 1881 van kracht was geworden om het alcoholmisbruik in den lande te beteugelen.2 70% van de alcoholconsumptie bestond toen uit sterke drank, want jenever was destijds veel populairder dan bier of wijn. Jenever was tenminste nog betaalbaar voor de arbeider, terwijl bier en wijn veel duurder waren. Cafés verkochten deze zwak-alcoholische dranken. De verkoop van sterke drank moest in andere lokaliteiten plaatsvinden. De ‘Wet tot beteugeling van het misbruik van sterke drank’, zoals de Drankwet officieel heette, betekende dat een vergunningenstelsel werd opgetuigd. Het gemeentebestuur mocht niet meer vergunningen verlenen dan het maximale aantal, dat was gerelateerd aan het aantal inwoners. De gemeenteraad kon daarnaast bepalen om voor bepaalde wijken, straten of buurten een beperkt aantal of helemaal geen vergunningen te laten verstrekken. Voor De Mortel gold dus het maximum van één, en die vergunning was al verleend aan de uitbater van het café op St.-Antoniusstraat 55 (het huidige café ’t Anker). Hendrikus van de Ven wist zich in zijn verzoek gesteund door zijn dorpsgenoten. Onder de brief die hij aan de gemeenteraad richtte, stonden de handtekeningen van maar liefst ruim 80 dorpsgenoten met typisch Mortelse namen als J. van den Berg, W. Broks, A. de Koning, L. de Louw en J.W. van Zeeland. In de brief bracht Hendrikus steekhoudende argumenten in; bijvoorbeeld het argument dat er maximaal 1 vergunning per 250 inwoners te vergeven was, terwijl het dorp al 560 inwoners had. Maar hij wees de gemeenteraad er ook op, dat ‘zijne Moeder sedert jaren ongelukkig is, dat hij zelf zwak en niet tot zwaren arbeid in staat is en dat alzoo het verkrijgen deze vergunning, waarop zij toch al jaren hebben gerekend, voor hen van groot belang zou zijn’. Het gewenste effect werd bereikt, de raad raakte overtuigd en Hendrikus kon sterke drank gaan verkopen.

Van De Mortel naar Gemert

Dat gebeurde dus in De Mortel. Heel precies was in de Drankwetvergunning vastgelegd dat deze gold voor ‘de gelagkamer links van de hoofdingang van het perceel kadastraal bekend gemeente Gemert sectie E. no 1083, welke een oppervlakte heeft van 58.46 m2’. De originele vergunning is door de familie geschonken aan het Boerenbondsmuseum en hangt ingelijst aan de muur in café De Roskam aldaar. Via kadastrale hulpkaarten is vast te stellen dat de beschrijving slaat op een gebouw dat op de hoek stond van de Kastanjelaan met de St.-Antoniusstraat. Dat gebouw is ergens tussen 1892 en 1938 vervangen door een gebouw waarvan de contouren ook nu nog herkenbaar zijn. Het betreft het huidige restaurant De Wilg. In 1928 werd dit gebouw in gebruik genomen als lagere school, later werd het een dorpshuis. Van het pand dat er vóór 1928 stond is ook een foto voorhanden, uit de collectie van prentbriefkaarten van Berkers Verbunt uit het begin van de 20e eeuw. Dat is de lokaliteit geweest van Johannes en later Hendrikus van de Ven. Daar begon hij zijn handel in sterke drank. Maar goed, hij moest dus op een gegeven moment wel wijken voor de bouw van de nieuwe school. Daar is Hendrikus in ieder geval mee akkoord gegaan en hij vertrok naar Gemert. Op 19 maart 1929 werd vergunning verleend aan Hends van de Ven voor het bouwen van een woonhuis met café op het perceel Gemert H.1335 aan de Oudestraat. Dat is nu Oudestraat 91-93. Hij nam zijn kostbare Drankwetvergunning uiteraard mee. In de krant ‘De Zuid-Willemsvaart’3 verscheen op 2 mei 1930 een advertentie waarin H. v.d. Ven vol trots aankondigde dat zijn nieuwe café ’Buitenlust’ aan de Oudestraat zou worden geopend. Hij pakte een heel weekend uit, met op zaterdag een optreden van de Mortelse fanfare en op zondag een optreden van de Gemertse. Een betere manier om de verhuizing van het ene naar het andere dorp te markeren is niet te bedenken. De band met De Mortel is overigens altijd gebleven, want in de jaren dat er ook levensmiddelen werden verkocht en rondgebracht onder de Spar-formule, mocht de familie Van de Ven ook wekelijks verschillende adressen in De Mortel aandoen.

Aan de wandel

In 1950 was het tijd voor een generatiewisseling. Café, winkel en slijterij werden overgenomen door Johannes Josephus van de Ven, Jan. Volgens het register van de Kamer van Koophandel4 vestigde zich op 1 oktober van dat jaar op adres C151 café “Het Oude Vat”. Eind november ging de Drankwetvergunning ‘aan de wandel’. Omdat in die vergunning precies omschreven werd in welke ruimte sterke drank verkocht mocht worden, moest dit bij elke verandering of verbouwing ook op de vergunning worden gewijzigd. Voortaan gold de toestemming voor ‘de meest westelijk gelegen localiteit van het perceel Oudestraat C 151’. Toegestane oppervlakte 17.50 m2. En in maart 1953 vond weer een wijziging plaats. Nu gold de vergunning voor ‘de lokaliteit gelegen links van de hoofdingang van het perceel Oudestraat C 151’, oppervlakte 10.46 m2. 1953 was een bewogen jaar voor Jan van de Ven. Hij was 24 jaar oud en besloot het café van de hand te doen. Het eerder vernoemde register van de Kamer van Koophandel vermeldt dat de zaak op 12 januari 1953 is opgeheven. Het café werd verbouwd tot woonhuis, de winkel bleef bestaan. De tekening bij de daarvoor verleende bouwvergunning laat zien dat een kleine ruimte links van de hoofdingang nog steeds als slijterij werd aangemerkt.5 Hoewel Jan van de Ven op zijn stek bleef om de winkel te runnen, ging de Drankwetvergunning voor de verkoop van sterke drank op een gegeven moment aan het zwerven. Dat is te zien aan de wijzigingen die op de originele vergunning zijn genoteerd. Achtereenvolgens werd door het college van B&W de vergunning van toepassing verklaard op:

– De meest westelijk gelegen lokaliteit van het perceel Oudestraat 93, met ingang van 16 januari 1957;
– De rechtervoorlokaliteit van het perceel Kruiseind 79, met ingang van 24 maart 1957;
– De meest zuidoostelijk gelegen lokaliteit van het perceel Molenstraat 14, vanaf 19 maart 1959;
– De zuidwestelijk gelegen lokaliteit van het perceel Grootmeesterstraat 8, vanaf 2 januari 1962;
– De voorlokaliteit van het pand Stereind 4, vanaf 2 december 1963.

Op 9 november 1964 werd de Drankwetvergunning overgeschreven op naam van Ardina Rijkers, echtgenote van wijlen (want in dat jaar overleden) Hendrikus van de Ven en dus Jans moeder. De volgende stap bestond eruit de vergunning terug te zetten op het oude nest. Wat daarbij mogelijk ook hielp was het feit, dat er in 1964 een nieuwe Drank- en Horecawet was vastgesteld. Het maximum op het aantal gelegenheden voor de drankverkoop werd afgeschaft.

Jan wilde de vergunning voor de handel in sterke drank weer op zijn eigen adres terugkrijgen en aldus geschiedde. Op 16 mei 1967 werd de vergunning opnieuw gewijzigd. Nu gold hij weer voor ‘de lokaliteit, groot 20 m2, gelegen rechtsachter het pand Oudestraat 91’. Er was inmiddels ook een bouwvergunning verleend voor de uitbreiding met een magazijn6, en de drank werd nu verkocht in een kleine ruimte achter de Spar-winkel. Een nieuwe start.

Zoon John hielp al volop mee in de winkel en na wat omzwervingen was het moment daar om de boel over te nemen. Dit gebeurde in 1982. John haalde de slijterij naar voren. De handel in sterke drank werd nu de hoofdzaak want met de verkoop van levensmiddelen had John niet zoveel op. Slijterij Het Oude Vat werd steeds meer een begrip en de grenzen van de locatie aan de Oudestraat kwamen in zicht.

Sint-Annastraat

De blik van John van de Ven en zijn vrouw Anita was op de toekomst gericht7. De locatie van aannemersbedrijf Van de Ven (geen directe familie) aan de Sint-Annastraat in Gemert kwam in het vizier. Hier zou de drankenhandel kunnen doorgroeien en zouden John en Anita ook vooral hun klanten de beleving kunnen bieden die in hun ogen zo essentieel is voor het succes. Maar het was nou niet bepaald ‘bon ton’ om zo’n grote ruimte te betrekken. De slijterijen in Gemert, en dat waren er best wel wat, kenden een oppervlakte van 30 of 40 vierkante meter. Aan de Sint-Annastraat ging het om maar liefst 250 vierkante meter. En je moest toch ook nog steeds rekening houden met het aantal inwoners. Maar John en zijn vrouw Anita zagen de kansen en bovenal ook de economische ontwikkelingen in het slijterijwezen. Ze kochten het pand ‘op de groei’ en op 23 september 1992 werd de vergunning verleend om het pand om te bouwen tot drankenhandel. Hier ontwikkelde de slijterij zich verder tot een toonaangevende drankspecialist. Het assortiment bestond en bestaat uit cocktails, speciale bieren, wijn, whisky en uiteraard ook nog het Nederlands gedestilleerd waar het ooit mee begon, zoals de jenevers. Maar de markt veranderde in al die jaren drastisch. Sowieso nam het aantal slijterijen enorm af. Dat zag John ook gebeuren als bestuurslid van de landelijke Slijtersunie. En waar Het Oude Vat in de beginjaren van één merk jenever nog 5000 liter verkocht, wordt tegenwoordig in totaal nog geen 500 liter verkocht, verdeeld over 50 merken. Beleving is meer en meer centraal komen staan, het gaat om dat specifieke cadeau of die ene bijzondere whisky. Het Oude Vat bracht ondertussen ook onder eigen naam dranken op de markt zoals de Peelwipper, Brabants Bont koffielikeur of de biertjes Heilige Losbol en Zoete Moeder. Partyverhuur werd aan het aanbod toegevoegd, al is dat inmiddels bewust afgeschaald naar een kleinschalige tak. Ook het uitstapje naar uitbreiding met een vestiging in Asten ligt inmiddels in het verleden. Hieraan ontleende John van de Ven het inzicht dat het heel belangrijk is waar je geworteld bent. Er moet bezieling in de zaak zitten die de ondernemer overbrengt aan zijn of haar klanten. Er zat zeker wel potentie in de Astense zaak, maar besloten werd om dit toch af te stoten en alleen in Gemert verder te gaan.

Whisky

Na John was het in 2019 dochter Manouk die het familiebedrijf tot het hare maakte. Ze is inmiddels gediplomeerd liquorist en haar passie ligt bij whisky. Vraag haar om advies en ze begint te stralen. Er bestaan van die drank flessen van twintig tot een paar duizend euro, dus een goed advies is best belangrijk. Whisky is voor sommigen zelfs een belegging, maar daar wil Manouk van de Ven zich verre van houden. Daarom staan in de webwinkel die zij in coronatijd heeft opgezet ook geen prijzen vermeld. De mensen moeten maar naar de winkel komen om daar persoonlijk advies te krijgen. In de ruimte achter de balie heeft zij samples staan, er kan geproefd worden en van daaruit kan advies gegeven worden. Beleggers zijn dan al afgehaakt, de liefhebbers blijven over. Het proeven van de drank in de slijterij is overigens niet vanzelfsprekend. Dit was lange tijd simpelweg verboden. Pas sinds 2013 is het toegestaan om in de zaak het goedje tot je te nemen, maar dan alleen als de klant erom vraagt. En het moet bij proeven blijven, niet drinken. Daarvoor zijn nog steeds andere gelegenheden (of de huiskamer) de aangewezen plekken. Het bood Het Oude Vat overigens wel de mogelijkheid om ook proeverijen in de zaak te organiseren. Wederom leggen de ondernemers dan de nadruk op beleving. Tijdens de whisky-proeverij, waar ruim 30 personen aan deel kunnen nemen, zitten de deelnemers tussen de flessen en dat verhoogt toch de feestvreugde, zo is de ervaring.

Honderd jaar?

Dit artikel begon met een verwijzing naar het jaartal 1922 op een reclamedoek. De zaak zou in 2022 dus honderd jaar hebben bestaan. Maar 1922 is het jaar dat Hendrikus van de Ven zijn verzoek deed om sterke drank te mogen verkopen in De Mortel. Hij kreeg die vergunning na de nodige moeite pas in 1925. Het is niet uitgesloten dat hij tussen 1922 en 1925 zijn klanten in het Mortels café al stiekem voorzag van een neutje – dat is zelfs zeer waarschijnlijk – maar wanneer begin je te tellen? Misschien past het ook wel bij de aard van de zaak: met een borrel op is het niet altijd meer even helder wat zich wanneer precies afspeelde. Archiefonderzoek legt een stukje bloot, maar niet of en hoe de Mortelnaren aan hun jenever konden komen. En hoe moeten we de periode duiden in de jaren ’50 en ’60 waarin de vergunning door Gemert zwierf? Laten we het erop houden dat de familie Van de Ven zo ongeveer een eeuw geleden de verkoop van sterke drank op zich nam en daar tot op heden nog steeds en met veel plezier en beleving mee bezig is. Of het reden is voor Manouk van de Ven om toch nog een feestje van dat jubileum te maken is aan haar. Op zijn minst zal ze ongetwijfeld een fles goede whisky openmaken en proosten op haar voorgangers Hendrikus, Jan en John.

Noten:

  1. Notulen gemeenteraad Gemert, 27-02-1925 en 30-04-1925.
  2. De informatie over de Drankwet is ontleend aan een aantal bronnen, zoals: Geschiedenis van de drankwetgeving, Tijdschrift voor de sociale sector, januari 1987, nummer 1, de website van de Slijtersunie (slijtersunie.nl) en het artikel De geschiedenis van de Alcoholwet op trimbos.nl.
  3. De Zuid-Willemsvaart, editie 2 mei 1930, via delpher.nl.
  4. Handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Eindhoven, dossiernummer 15792.
  5. Bouwvergunning voor het verbouwen van een café tot woonhuis, d.d. 23 januari 1953.
  6. Bouwvergunning voor het bouwen van een magazijn en het voor een gedeelte veranderen van de woning Oudestraat 91, d.d. 9 mei 1966.
  7. Het gedeelte over de drankenhandel in de moderne tijd is ontleend aan een gesprek met John en Manouk van de Ven op 8 oktober 2024.

FOTOBIJSCHRIFTEN:

Voorblad van de gemeentelijke Drankwetverordening. Onderaan is de wijziging aangetekend die Hendrikus van de Ven in staat stelde zijn drankenhandel te beginnen in De Mortel.

 Fragment van de originele brief van Hendrikus van de Ven uit 1925 aan de gemeenteraad met het verzoek het eerder genomen besluit te heroverwegen. De brief is door diverse inwoners van De Mortel ondertekend.

 De ingelijste Drankwetvergunning (Boerenbondsmuseum Gemert).

Kadastrale hulpkaarten van 1892 (links) en 1938.

 Ansichtkaart van de St.-Antoniusstraat aan het begin van de twintigste eeuw. Links op de foto het pand van de familie Van de Ven. (collectie heemkundekring)

 Blauwdruk bij de bouwvergunning van het café met woonhuis aan de Oudestraat.

Advertentie in De Zuid-Willemsvaart van 2 mei 1930.Foto van café Buitenlust. (archief familie Van de Ven)

Foto van de Spar-winkel aan de Oudestraat (jaartal onbekend). Slijterij Het Oude Vat in een kleine ruimte achter de Spar-winkel. (archief familie Van de Ven

Inrichting van de nieuwe zaak aan de St. Annastraat. (archief familie Van de Ven)

 

GH-2025-1 Heel Gemert ging naar warenhuis ’t Skaop

KLIK HIER VOOR PDF-bestand

Anny Goossens

Het in 1966 afgebrande warenhuis `t Skaop dankte zijn naam aan zijn oprichter, Nol Willemsen. Geboren op 24 augustus 1886, was Nol een markante figuur met een prachtige, blonde krullenkop, die hem de bijnaam ’t Skaop opleverde. In plaats van zich te verzetten tegen deze bijnaam, omarmde hij die en besloot hij zijn nieuwe warenhuis ernaar te vernoemen. Het werd een populaire winkel aan de Kerkstraat.

Na de Tweede Wereldoorlog, toen het leven langzaam weer op gang kwam, was ’t Skaop één van de bedrijven die zich snel wist te herstellen. Nols schoonzoon, Van Kempen, nam het warenhuis over in de jaren vijftig toen Nol ouder werd. Onder zijn leiding bleef ’t Skaop groeien. Maar in de jaren zestig sloeg het noodlot toe. Op 6 januari 1966 brak een verwoestende brand uit in Magazijn ’t Skaop. De vlammen grepen snel om zich heen en ondanks de pogingen van de brandweer kon het magazijn niet gered worden. Het verlies was immens, zowel voor de familie als voor het dorp. Na de brand kwam de vraag wat er met het braakliggende terrein moest gebeuren. De gemeente stelde voor om er een parkeerterrein van te maken, iets wat in die tijd hard nodig was. Maar de inwoners waren het hier niet mee eens. Voor hen was ’t Skaop niet zomaar een winkel, het was een symbool van hun dorp..Een groep inwoners – vooral leden van jongeren-groepering MIC – organiseerde een reeks demon-straties tegen de plannen van de gemeente. Op de braakliggende grond richtten ze een volkstuin in, die later plaats moest maken voor waar nu het winkelpand van terStal staat.GEMERTS HEEM 8 2025/1

FOTOBIJSCHRIFTEN:

Nol Willemsen, alias ’t Skaop

 Nadat magazijn Het Schaap in 1966 was afgebrand, werd op het braakliggende terrein door jongeren een volkstuin ingericht.

GH-2025-1 Wip en steel concurreren veel

KLIK HIER VOOR PDF-bestand

José van der Aa

In Gemert kende vroeger iedereen Tinuske Steele en Door Steele, beiden kinderen van Frenske Steele die rond 1830 vanuit Aarle-Rixtel in Gemert was komen wonen. Het was een bijnaam voor de familie Vogels.

Tinuske Steele had een winkel in de Kerkstraat en verkocht huishoudelijke artikelen en gereedschappen voor binnen en buiten met onder meer bezems en schoppen. Jan Wijn – Wip in de Gemertse volksmond – zat er recht tegenover met zo’n zelfde winkel en zo ontstond in Gemert het gezegde ’Wip en Steel concurreren veel’.

Door Steele was getrouwd met Bert Jonkers en is ook in Gemert blijven wonen. De rest van de kinderen is naar dorpen in de buurt vertrokken. Door toeval kwam de werkgroep Bijnamen erachter dat de kinderen, geboren uit het echtpaar Joannes Cornelis Vogels en Joanna Hendrickx, gehuwd in 1775 in Aarle-Rixtel, deze bijnaam al hadden en voor de verspreiding hebben gezorgd. Zodoende hoorde de werkgroep dat deze bijnaam ook in Beek en Donk, Lieshout, Bakel, Deurne en Boekel bekend was. En misschien nog wel op meerdere plaatsen in de omtrek. Wat de betekenis van Steele is, daar is de werkgroep Bijnamen nog niet helemaal uit. Het zijn zeer zeker geen bezemstelen, zoals ooit geopperd is en het heeft ook niets van doen met ’stelen’ wat wel eens lachend wordt gevraagd.

Misschien dat het iets te maken heeft met klompen maken. Daar gebruikt men namelijk iepenhout voor en het schijnt dat er twee soorten iepen zijn, te weten ’fladder-iepen’ en ’steel-iepen’. Het zou kunnen zijn dat de eerste Steele iets met deze klompenmakerij te maken had en zo aan zijn bijnaam kwam. Tot op heden heeft de werkgroep Bijnamen daar nog niet echt een bevestiging van gevonden, maar de werkgroep gaat door tot ze erachter komt waar de bijnaam precies vandaan komt.

FOTOBIJSCHRIFTEN:

Links: Jan Wijn, alias Jan Wip

 Rechts: Martinus Vogels, alias Tinuske Steele

 

GH-2025-1 Aan de bijnaam ken je de familie

KLIK HIER VOOR PDF-bestand

Anny Goossens en Paul Verhees

Aan de bijnaam ken je de familie

Heemkundekring De Kommanderij Gemert heeft sinds twee jaar een Werkgroep Bijnamen. Deze werkgroep heeft inmiddels een lijst van ruim zevenhonderd bijnamen van Gemertenaren aangelegd. Het zijn niet altijd scheldnamen, maar werden vaak gegeven aanstamhouders van wie de familienamen in verschillende vertakkingen voorkwamen; soms waren ze helemaal geen familie. Ze waren enkel bedoeld om families uit elkaar te houden. ”Bèndegai d’r ene van Van Schijndel? Vanwelke? Van DeStuuper, van De Snoors of van Tijk?”

Bijnamen maken deel uit de van de geschiedenis. Dat geldt niet alleen voor Gemert, maar wereldwijd. Ze dragen bij aan de kennis van de lokale geschiedenis. Achter elke naam gaan verhalen schuil. Vroeger ging je een stuk worst halen bij de Praojst en voor groente moest je naar Miet Tijk. Voor rookartikelen kon je bij Bultje Beeke terecht en de rest van de boodschappen kocht je bij de Klant of de Fles. Als je bij een Van Berlo moest zijn werd het moeilijker. Bij welke dan? In Gemert waren zoveel Van Berlo’s dat met de bijnaam duidelijk gemaakt werd over wie je sprak. De bijnamen die de werkgroep kan koppelen aan de familienaam Van Berlo zijn: Driek de Krul, De Smelling, Koese Nele, De Klumper, De Moervoor, Driek de Zager, Mie Klok, De Rooie Jan, Het Rooi Toontje, Loerifas, De Vet, Het Henneke, Doruske Schok, Jan de Dood, Driek den Auwe, Barres, Ming Vaaiers, Mie Roed en Spekkoning.

De werkgroep Bijnamen is zeer actief bij het achterhalen van zoveel mogelijk namen en om erachter te komen waarom een persoon of familie zo genoemd wordt. Als bronnen dienden lijstjes, boeken, schriftjes en Heembladen. Leden van de werkgroep voerden veel gesprekken met ouderen en doen dat nog steeds. Het is de bedoeling dat de bijnamen ook worden gepubliceerd. In welke vorm is nog niet bekend. Dat kan zijn in boekvorm, op de website van de heemkundekring, in een losbladige map die kan worden aangevuld of in een reeks artikelen in Gemerts Heem. Voor het zover is, moeten nog een paar zaken geregeld worden. Namen vallen onder de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming. Die is bedoeld om mensen te beschermen tegen misbruik van hun naam en identiteit. Sommige mensen beschouwen hun bijnaam als een scheldnaam en willen daar hun familienaam niet aan verbinden. Vaak gaat het echter niet om een scheldnaam. Dan is de verklaring van de herkomst van de bijnaam verhelderend. Nol Willemsen, die vanwege zijn krullenbol ’t Skaop werd genoemd, was zo trots op zijn bijnaam dat hij er zijn winkel naar noemde.

De Romeinse Naamgeving

Bijnamen bestaan al heel lang en zijn wijdverbreid. In het oude Rome werd naamgeving gezien als een serieus en gestructureerd proces. Elke Romein had drie namen die samen een beeld gaven van zijn identiteit en sociale status. De praenomen was de voornaam, maar deze had vaak weinig belang en werd alleen gebruikt voor mannen binnen de familie. Het nomen gentile, de achternaam, verwees naar de gens of familieclan waartoe iemand behoorde. Dit was een belangrijk onderdeel van de sociale hiërarchie. Maar het was vooral de derde naam, het cognomen, dat vaak het meest intrigerend was.

Het cognomen fungeerde als bijnaam en vertelde iets over iemands uiterlijk of karakter. Quintus Horatius Flaccus, een beroemde Romeinse dichter, droeg bijvoorbeeld de bijnaam ‘Flaccus’, wat ‘hangoor’ betekent. Het was een subtiele, maar veelzeggende toevoeging die mensen een directe indruk gaf van hun fysieke verschijning. Bijnamen werden in deze tijd dus niet alleen gebruikt om mensen te onderscheiden, maar ook om hun persoonlijkheid of fysieke eigenschappen te benadrukken.

De Griekse Bijnamen

De oude Grieken waren niet veel anders dan de Romeinen in hun gebruik van bijnamen. Een goed voorbeeld hiervan is Antisthenes Haplokuön, wiens bijnaam vertaald wordt als ’pure en simpele hond’. Deze bijnaam lijkt op het eerste gezicht misschien eenvoudig, maar het zegt veel over zijn filosofie en persoonlijkheid. Bijnamen in deze tijd fungeerden niet alleen als herkenningspunt, maar ook als een reflectie van iemands karakter of levensvisie.

Van Doopnaam tot Bijnaam

De middeleeuwen brachten een verandering teweeg in hoe mensen werden genoemd. De meeste mensen hadden toen alleen een doopnaam, vaak vernoemd naar een heilige, zonder de uitgebreide naamstructuren van de Romeinen of Grieken. Maar omdat veel mensen dezelfde voornaam droegen, was er al snel behoefte aan onderscheid. Dit leidde tot de opkomst van bijnamen.

In deze tijd verwezen bijnamen vaak naar het beroep, de afkomst of fysieke kenmerken van een persoon. Zo kreeg iemand die uit Leiden kwam de bijnaam ’Jan van Leiden’, terwijl iemand met een opvallend uiterlijk ’Karel de Kale’ genoemd werd. Anderen werden vernoemd naar hun beroep, zoals ’Pieter de Smit’ of hun karakter, zoals ’Lodewijk de Dappere’. Soms waren bijnamen wat minder flatteus en verwezen ze naar gebreken, zoals ’Els de Schele’. Deze bijnamen waren niet alleen praktisch, maar ook een manier om iemand zijn plek binnen de gemeenschap aan te duiden.

De Napoleontische Tijd

Een van de meest ingrijpende veranderingen in de naamgeving kwam tijdens de heerschappij van Napoleon Bonaparte. In 1810 werd Nederland onderdeel van het Franse Keizerrijk, en daarmee werd ook de Franse wetgeving ingevoerd. De Code Civil, het Franse burgerlijk wetboek, stelde dat iedereen een vaste familienaam moest hebben. Dit betekende het einde van het oude patroniemensysteem, waarin namen zoals ’Jansen’ (zoon van Jan) of  ’Van de Broek’ (van het drassig gebied) gangbaar waren. In 1811-1812 kregen Nederlanders de kans om hun familienaam vast te leggen. Voor velen was dit een moeilijke beslissing, aangezien deze namen vanaf dat moment erfelijk zouden worden. Zelfs bijnamen die door de eeuwen heen waren ontstaan, werden soms geregistreerd als familienaam, waardoor ze letterlijk werden vereeuwigd. Dit leidde tot situaties waarin mensen vastzaten aan namen die misschien ooit als grap waren bedoeld, maar nu een officiële status kregen. In Gemert was het niet anders. De werkgroep Bijnamen heeft ruim zevenhonderd bijnamen genoteerd, die een belangrijke functie hadden in het dorpsleven van weleer. En ze waren lang niet altijd negatief bedoeld. Peerke Slits, D’n Antichrist, heeft zelfs een straatnaam gekregen. En Bertha Hendriks ging, zoals een hedendaags cateringbedrijf, bij mensen aan huis het eten bereiden als ze iets te vieren hadden. Ze werd met haar bijnaam Bertha de Fladder overal met open armen ontvangen. Wie nog bijnamen van Gemertenaren wil doorgeven aan de heemkundekring kan die mailen naar almgloudemans@onsbrabantnet.nl of agoossens@hotmail.com.

FOTOBIJSCHRIFTEN:

Jan van Berlo, alias De Rooie Jan

 Het echtpaar Snijders, alias De Praojst

 Bertha Hendriks, alias Bertha de Fladder

 Peerke Slits, alias D’n Antichrist

 

 

 

 

GH-202-01 Maria Donkers ziet beelden op gevoel

KIK HIER VOOR PDF-bestand

GH-2025-1 Inhoudsopgave

KLIK HIER VOOR PDF-bestand

GH-2024-4 Aanvulling Gemerts Woordenboek

KLIK HIER VOOR PDF-bestand

Harry Slits

De laatste maanden heb ik voor allerhande Gemertse woorden die ik kreeg aangereikt, hoorde of zelf gebruikte gecontroleerd of ze zijn opgenomen in het Gemerts Woordenboek. Dat heeft weer een aantal nieuwe Gemertse woorden opgeleverd. Ook Jo van den Elzen leverde een aantal woorden aan. De nieuwe lemmata zijn in dezelfde vorm gegoten als in het Gemerts Woordenboek van 2017 t.b.v. latere digitalisering. Dank aan Wim Vos voor zijn controlewerk.

Gímmers – Nederlands

botteram m ev/mv -me verkl -rèèmke: boterham, altijd twee sneden brood op elkaar.

èèrm 1 bn èrmer, èrmst: 4. (als bepaalde zaken voortdu-rend niet of niet goed gaan:) Dor kriede èèrm zin af: dat is ontmoedigend, teleurstellend. (Vgl zin 2)

hoeje ww (wederk) (-t, -de, h. gehoejd): op zijn hoede zijn, uitkijken: Hoejt oewaajge mar vur d’n dieje, ge kaant ’m nie vertrawe.

mooter m ev/mv -s: motorfiets

praot (prout)\ m ev/geen mv: 1. praat (het spreken, het praten). ’t Is de praot nie wèrd: het is volkomen onbelang-rijk

roets genus m? ev/geen mv. (in de verb.:) óp de roets zén: (graag) uithuizig zijn (van vrouwen). De diej is aald óp de roets: die vrouw is nooit thuis. (Vgl rák1, rèts1)

roetse ww onoverg (-t, -te, is geroetst): hard langs rijden. Haj kömt dik vùrbaj roetse sins dèt ie ’ne nééje mooter hí.

reundje o ev/ mv -s verkl : rondje. Haj waor aald no hojs vur dèt ie zéélf án de bùrt waor um ’n reundje te gaëve. sins1 bw van tijd: sindsdien. Vandemèèrge waor ie nòg óp de mèrt, sins héé ’k ’m nie mír gezien.

sins2 ondersch voegw van tijd: sinds, sedert. Sinds ze óp d’raajge wónt, mákt ze ’t goewd. sins3 vz: vanaf. Sins e mondeg hébbe we niks mír ver-nomme: vanaf maandag hebben we niets meer gehoord.

spraëkend bn -er, -st: sprekend. Spraëkend d’n aawe!: spre-kend zijn vader.

ten rawste bw: ongeveer, onnauwkeurig. ’t Geweecht worde ten rawste geskat, ’t kwam nie zo krèk.

tètter m ev/geen mv: mond. Z’n lip waor álleng kepòt, ze han ’m óp z’nen tètter geslàgge.

tèttere ww onoverg (-t, -de, h. getètterd): tetteren, luid en druk praten. Hawt naw tòch ’s ’ne kaër oewe mónd deecht, gállie bliet án ’t tèttere!

toej m ev/geen mv: 1. rotzooi. 2. asociaal volk. Wan-nen toej wónt daor!

vanínaf bw: uit elkaar. Ze zén amper getraowd en alwír vanínaf. Zét die boeke már vanínaf.

vùrdeur v ev/mv -dùrre verkl -dùrke: voordeur. (Tegen iemand die vist naar een compliment:) As we aw nie han en gín vùrdeur, dan moese we aald aachterum.

zégge ww overg (1zég, 2/2mzéégt, 3zí, 1m/3mzégge, 1/3zí(n), 2/2mzít, 1m/3mzín/zínne, h. gezíd): zeggen. Haj zít ’r nie veul: hij is bepaald geen prater. Haj zít ’r gin aën: hij zegt helemaal niets.

zweel m ev/mv -e verkl zwílleke/ zwèlleke: zwelling/ eelt-knobbel op de huid. ’t Begós mí ’n zwèlleke, már naw ees ’t vort ’ne grooëten blèùr geworre.

Nederlands – Gímmers

hoede (op zijn – zijn): aojtkiejke, hoeje

mond: bákkes, bèk, kwaëkerd, kwèbbel, kwèk, meule, moewl, mónd, smoewl, snèbbel, tètter, waawel 2, waffel

motorfiets: mooter,stoomfiets

onbelangrijk (volkomen -): (zie praot 1)

ongeveer: (zie iejt), (zie noo 1), ó-gevaër, ten rawste, zowa

onnauwkeurig: ten rawste

ontmoedigend (dat is -): (zie èèrm1 4)

praten (luid en druk -): tèttere

rijden (hard langs -): roetse

sedert: sins2 sinds: sins2

sindsdien: sins1

sprekend: spraëkend

tetteren: tèttere

uit elkaar: vanínaf

uithuizig zijn: (zie rák1), rákke, (zie rèts1), rètse, (zie roets)

uitkijken: aojtkiejke, hoeje

vanaf: sins3

volk (asociaal -): bócht, boocht, spul 2, toej

voordeur: (zie deur), vùrdeur, (zie vùrste)

zwelling (van de huid): paojst, zweel

 

GH-2024-4 Dat was sterk

KLIK HIER VOOR PDF-bestand

 Paul Verhees

In het Gemerts Nieuwsblad van 10 september schreef Simon van Wetten een hele pagina vol over twee blonde Amsterdamse jongens die in de Tweede Wereldoorlog in een gat in de grond in de Mortelse Peel bivakkeerden. Hun avonturen speelden zich grotendeels buiten Gemert af, maar tijdens hun verblijf in De Mortel hadden ze wel contact met de bevolking in de regio, zoals in Gemert en Boekel.

Tijdens de redactievergadering van Gemerts Heem kwam het artikel ter sprake. Plaatsen wij het artikel ook in Gemerts Heem, of – nog beter – een aanvulling erop? Veel meer dan het al gepubliceerde kon Simon er niet aan toevoegen. Maar er waren wel meer foto’s dan er in het Gemerts Nieuwsblad afgedrukt werden. En zie daar. Op enkele foto’s zie ik mijn familie voorbijkomen. Mijn opa, mijn vader en enkele ooms en tantes zitten met de jongens aan tafel. Eén foto is op een kaart geplakt die wel in het Gemerts Nieuwsblad was afgedrukt. En er staat tekst bij: Gemert 11-9-43. Dat was sterk. Tot weerziens. Leve ‘t plankje. En onder de foto: De eerste avond. Mijn oom Walter Verhees heeft zijn naam op de kaart gezet. In één van de andere drie handtekeningen meen ik de naam van Piet van Kessel te ontdekken. Er zijn ook andere foto’s waarop mijn familie staat. Maar waar en waarom deze foto’s gemaakt zijn, weet ik niet. De relatie tussen de jongens en mijn familie is misschien tot stand gekomen via het georganiseerde verzet, waarvan mijn oom Walter actief lid was. Verder heb ik geen idee en er is niemand meer om opheldering aan te vragen. Alle betrokkenen zijn inmiddels overleden. Dat ik tachtig jaar na de oorlog deze foto’s onder ogen krijg, is misschien wel net zo toevallig als de ontmoeting van mijn familie met die jongens. Het staat op de kaart: Dat was sterk.

FOTOBIJSCHRIFTEN:

Eén foto is op een kaart geplakt, waarbij aantekeningen zijn gemaakt.

Deze foto is op de kaart geplakt. Op de foto v.l.n.r. Guus Willemsen (vriend van de familie Verhees), Piet van Kessel (Nederlandse Unie en vriend van Walter), Walter Verhees, onbekende man, Amsterdamse jongen, Pauke Verhees (mijn opa) en Jacques Verhees (mijn vader). 

Zittend rond de tafel v.l.n.r. Piet van Kessel, Pauke Verhees, Walter Verhees, Amsterdamse jongen en onbekend kind. Staande achter de tafel v.l.n.r. vrouw en drie mannen onbekend, Guus Willemsen, ome Theo Cranen met rechts van hem zijn vrouw Nellie Cranen-Verhees en haar zus Jaantje van Ham-Verhees. 

Lees het artikel in het Gemerts Nieuwsblad van 10 september, te vinden via deze QR-code.

 

 

 

GH-2024-4 KIEK NAW Mottekasteel

KLIK HIER VOOR PDF-bestand

 

Paul Verhees (tekst en foto)

Een mottekasteel is een kasteel op een kunstmatig aangelegde heuvel. De Heren van Gemert hadden er eentje in de twaalfde en dertiende eeuw. Sporen ervan werden in 1996 blootgelegd, nadat de textielfabriek van Raymakers aan de Ruijschenberghstraat was gesloopt. In akten wordt het mottekasteel onder de naam ’t Hoogh Huys diverse keren genoemd. Een telg van de adellijke familie Van Gemert – Rutger, jongere broer van Willem die Heer van Gemert was – sloot zich in de twaalfde eeuw aan bij de Duitse Ridders. Nadat zijn bezittingen hierdoor in handen waren gekomen van deze machtige kruisvaarders, kreeg die ridderorde ook in Gemert steeds meer te zeggen. In het begin van de vijftiende eeuw bouwde de Duitse Orde haar eigen kasteel hemelsbreed een paar honderd meter van ’t Hoog Huys op de Duvelskamp aan waar nu het Ridderplein ligt. Toen ik in het najaar langs dit kasteel kwam, dacht ik even dat projectontwikkelaar Bas van de Laar bij zijn archeologisch bodemonderzoek ook hier restanten van een mottekasteel had blootgelegd. Wat anders was dat voor een enorme kunstmatige heuvel?

 

 

 

 

GH-2024-4 Gemerts volkslied honderd jaar en bij de tijd

KLIK HIER VOOR PDF-bestand

Ad Otten

In 1923 introduceerde pastoor Lambert Poell het in de Gemertse taal geschreven ‘Van Wor Ik Bén’. Het slaat meteen aan. Heemkundekring De Kommanderij Gemert vierde het honderdjarig bestaan met leerlingen van basisscholen en zorgde voor een update, waarover zowel in het Gemerts Nieuwsblad als in het Eindhovens Dagblad enthousiast verslag is gedaan.1 In dit artikel een terugblik.

Eerst even terug naar Lambert Poell

Lambert Poell werd geboren in 1872 te ’s-Hertogenbosch. Na vier jaar gymnasium begon hij in 1887 aan de priesteropleiding. Zijn eerste standplaats als priester (1895) was Tilburg, dan Eindhoven, daarna weer Tilburg, waar hij ook fungeerde als kapelaan. Voor iedereen gold hij echter als een door de bisschop ‘vrijgesteld geestelijke’. Actief in de katholieke arbeidsorganisatie en het vakbondswerk.

In Tilburgse werkgeverskring kreeg hij de bijnaam ‘de rode kapelaan’. Ton Thelen schreef in zijn proefschrift over de priester Lambert Poell als “voorman van de katholieke arbeidersbeweging in het Bossche diocees vanaf de fase van ontluiking tot de fase van consolidatie”.2 Dat was in overeenstemming met diens benoeming door de bisschop in 1904 tot organisator en propagandist van een te vormen diocesane textielarbeidersbond, die later uit zou groeien tot een landelijke organisatie. Binnen twee maanden zette Poell dan onder zijn redactie een vakblad in de steigers met de naam ‘Het Hoog-Ambacht’. Een lange reeks van cursussen, spreekbeurten en ontwikkelingsavonden volgde. In 1906 kwam hij op de markt met de uitgave van een ‘Sociale Cursus in vragen en antwoorden’. Dat was met de bedoeling om op termijn nog uit het vakbondswerk te kunnen terugtreden. De uitgave was een schot in de roos en zou tot 1922 maar liefst dertien herdrukken beleven.2 Intussen was Poell in 1915 benoemd tot pastoor te Gemert, waar hij al gauw uitpakte met een wekelijks verschijnend parochieblad, ‘Het Officieel Kerkbericht van de kerken van Gemert’. Dat bracht behalve parochienieuws ook lokaal nieuws met iedereen aansprekende wetenswaardigheden over het Gemerts kasteel, pelgrimsoord Handel, de Handelse Kluis, het Wit-Gele Kruis, het klooster Nazareth, maar ook over onder meer het Doktersfonds en een Centrale Ziekenkas. Op de titelpagina tekende de auteur en uitgever voor een luidend klokje, dat heel Gemert ertoe verleidde het blad de koosnaam ’t Klökske te geven.

Met als bron zijn eigen parochiearchief wijdde Poell al in de eerste jaargang (1917) een artikeltje aan het aparte Vrijstaatje Gemert uit het verre verleden. In 1918 schreef hij ook al over opvallende apartheden in de Gemertse taal: Braaf = tamelijk; ’t nat lupt er braaf goed af. Onder de titel Gemmerts, later Gimmerts, werd dat in zijn Klökske tot een regelmatig terugkerend onderwerp. Eind 1921 werd de mogelijkheid geopend tot adverteren à 8 cent per regel. Aankondigingen van vergaderingen 5 cent per regel.

‘Van wor ik ben’ vanaf 1923

In zijn negende jaar als pastoor van Gemert kwam Poell op de proppen met het Gemerts Volkslied. Zijn voorbeeld was het in 1912 in de bedevaartsplaats Kevelaar gemaakte ‘Heimatslied’ dat zich vrij snel ontwikkelde tot het volkslied van de hele omgeving, later tot het hele noordelijk deel van het (Duitse) gebied aan de Nederrijn. De oorspronkelijke tekst Wor hör ek t’hüss? – kent gej min Land? is van Theodor Bergmann en de muziek van Gerhard Korthaus. Iedereen herkent hierin meteen de eerste regel van Poells Gemerts Volkslied Van wor ik bén – kéénde gaj ons laand? Dat het Heimatslied van Kevelaar populair werd in de hele regio over de grens is niet zo vreemd wanneer je weet dat een kleine honderd jaar eerder daar ter plaatse het gebruik van de Nederduitse taal (zeg maar ‘het Nederlands’) verboden werd ten faveure van het hoogduits (nu ‘het Duits’). In ‘Moederstaal’ raakte men daar een eeuw na de nieuwe grenzen van het Wener Congres (1815) nog altijd een gevoelige snaar. Poell moet in 1923 met zijn ‘vertaling’ van het Lied van Kevelaar heel goed hebben aangevoeld dat hij in Gemert zo’n zelfde snaar zou raken…

Op het graf

Wijlen Fridus Werts (1910-2003), melkboer op het Binderseind, vertelde dat hij met andere klasgenoten door de pastoor indertijd was geselecteerd voor een zangkoortje om te oefenen voor de presentatie van het volkslied. Maandenlang repeteerden ze onder leiding van de pastoor en organist Jan Bots voor ‘Van wor ik bén’. Z’n hele leven is het hem bijgebleven. En zo komt het ook op zijn grafzerk… Maar hij is niet de enige. Op het graf van aannemer en heemkundige Willem Vos (1905-1987) lezen we de laatste zin van het Gemerts volkslied “haj’s hiejr van don”. Willem had zo z’n eigen argument: “nérgend ís ’t zo skon as hiejr”.

Kevelaers Heimatslied

Bijzonder is ook de getuigenis van Jan J. Koekkoek (1916-2009) die in september 1929 door zijn ouders vanuit het Gelderse Baak naar de Paters van de Heilige Geest op het kasteel in Gemert werd gebracht om daar zijn opleiding tot priester te beginnen. Naast heel veel andere dingen leerde hij ook het Gemerts Volkslied. Zo’n zestig jaar later stuurde hij er vanuit Weert een artikel over naar Gemert onder de titel ‘Kevelaers Heimatslied sloeg in Gemert aan…’.3 Hij ging hiervoor zelfs in Kevelaar te rade. Over ‘Van wor ik bén’ kon hij toen uitpakken met allerhande wetenswaardigheden. Van een medewerkster van een uitgeverij in Kevelaar kreeg hij onder meer de tekst van een vrijwel letterlijke vertaling van het Heimatslied door het Noord-Limburgse schoolhoofd A. Rongen te Blitterswijk. Daar wordt het ook als volkslied omarmd. Koekkoek liet niet na om de verschillende versies te vergelijken en kwam tot de conclusie dat pastoor Poell het eerste en laatste couplet iets vrijer en naar zijn mening beter ‘vertaalde’ en schrijft “de verdienste van Poell ligt bovendien ook nog daarin dat hij in het tweede en derde couplet iets eigens van Gemert heeft verwerkt: het kasteel en de wevers. Daarbij vind ik dat zijn tekst heel goed ‘loopt’, voor zover ik dat als niet-Gemertenaar kan beoordelen.”

Iedereen zingt mee

Poell oogstte in de jaren twintig van de vorige eeuw met ‘Van wor ik bén’ misschien wel voor het allereerst een algemene acceptatie van de Gemertse Taal. In elk geval door de eigen inwoners. Bij de gouden bruiloften van m’n opa en oma in 1953 en bij die van mijn ouders in 1990 kregen de gouden paren bij het verlaten van de kerk het volkslied door het kerkkoor vanaf de koorbalustrade indrukwekkend toegezongen. Iedereen ging met ‘Van wor ik bén’ zingend de kerk uit. Te gek gewoon! De jaarvergadering van de zeven- à achthonderd leden tellende heemkundekring wordt er jaarlijks mee besloten. Jaarlijks zijn er zo nog tientallen happenings meer die worden besloten met het gezamenlijk zingen van Gemerts volkslied en met een zekere regelmaat hoort heel Gemert de wijs van ‘Van wor ik bén’ van het naar Lambert Poell genoemde carillon op het gemeentehuis. Zoals in Kevelaar krijgt het eigen volkslied ook in Gemert navolging met nieuwe teksten. Zo verraste pastoor Naessens kort na de viering van het vijftigjarig bestaan van de parochie Elsendorp (1926-1976) zijn parochianen met een Elsendorpse versie.4 In de rouwdienst voor de Elsendorpse schrijver Sjang Hoeijmakers stond heel Elsendorp tegelijk op om uit volle borst te zingen. De kerkramen trilden er van mee… Als in 1971 in Gemert het Gasthuis een jaar leeg staat, schrijft Harry Slits van de Werkgroep Gemeentepolitiek een protestlied dat eindigt met “Wor allen vreej han en han lol, dor is ’t naw mí de vreej gedon, zolang dè gaasthojs lig blie ston.” Vooral jongeren van Gemert voelden zich aangesproken. Bij de eerstvolgende gemeenteraadsverkiezingen kwamen maar liefst vier jonge twintigers in de gemeenteraad.

Project ‘Tophit’ van heemkundekring

Het was Johan van de Laar, auteur en uitgever van het exact 100 bladzijden tellende boek5 ‘Het

Gemerts Volkslied in woord en beeld’, die er de heemkundekring op attendeerde dat ‘Van wor ik bén’ het honderdste jaar ging beleven en dat met dat gegeven toch iets gedaan moest worden. De Werkgroep Educatie6 van de heemkundekring ging ermee aan de slag. Op de allereerste plaats dacht die aan de basisscholen in Gemert. Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst! Niet alleen het onder de aandacht brengen hoe apart het is een eigen volkslied in Gemert te hebben, maar ook het zoeken naar de maximale garantie dat het lied blijft en de waardering krijgt die het verdient. De vraag werd gesteld ‘Schoolliederen in ’t Gímmerts zouden jullie die niet zelf kunnen maken?’ OBS van ’t Einder en Jenaplanschool de Pandelaar namen de handschoen op. De leerlingen kregen speciaal les in ‘Hoe spreek ik het uit in het Gímmerts?’ en ene meester Willem van de Veghelse Muziekschool Beat It kwam heel gedreven muziekles geven over ritme, rijmschema’s enz. Meepesant werd de meester af en toe bijgespijkerd in de Gemertse Taal. Op de vraag wat er in een schoollied zou moeten komen kregen leerlingen de hint “Waar denken jullie aan als je het over Gemert hebt?” Meteen braken de tongen los. “Jaja, we zitten op een skon school” en “min buurt is ok heel skon” en niet te vergeten het kasteel, de voetbalclub VV Gemert en het Ridderplein… Het ijs was gebroken. Elke les werd een feest. “Van wor ik bén kéénde gaj ons skool” stond al meteen in de steigers en… alle scholen zijn ‘de béste’. Er kwamen twee, drie, vier, vijf prachtige en eigentijdse schoolcoupletten uit de bus. Harry Slits sprong bij, om alles in de goede Gemertse spelling te kunnen presenteren. Want dat vereist speciale vakkennis. Intussen was ook het bijzondere initiatief tot een nog eigentijdsere rap genomen. De nieuwe coupletten en de rappen werden gepresenteerd in het Boerenbondsmuseum. Natuurlijk moest daarbij de burgemeester worden uitgenodigd. En de lokale omroep, het Gemerts Nieuwsblad en het Eindhovens Dagblad. Er werden foto’s gemaakt en er werd gefilmd. Iedereen kwam in de krant én op teevee. Het werd een echte happening. De educatiegroep zelf stond van het enthousiasme onder de leerlingen versteld. En… kijk eens naar de foto met de burgemeester die daar zo zichtbaar zit te genieten van de presentatie door basisschoolkinderen van hun volksliedbewerking. De hele groep stond onder zijn eigen optreden zichtbaar te genieten. De burgemeester kon het een week later niet laten om in zijn column in het Gemerts Nieuwsblad ook een eigen couplet te publiceren.7 Ook hij behoefde hulp voor de juiste spelling.

Update na 100 jaar met nieuw couplet

Harry Slits tenslotte was gevraagd wat hij vond van het idee om aan de uit 1923 daterende coupletten van Lambert Poell een extra couplet toe te voegen die de geschiedkundige ontwikkeling van Gemert van de laatste honderd jaar overlapt. Harry zag ook dat wel zitten al vond hij dat het niet het laatste couplet moest worden maar het op-een-na laatste zodat Poell het laatste woord houdt. Het is geen kleinigheid om die ontwikkeling in acht zinnetjes te vatten. Hieronder het resultaat.

 Wor viejr jaor laank in orlògstejd
de Daojtsers kómmendeerde
wor Indo’s vónne vaasteghejd
en hiejr goewd ákkerdeerde
wor d’aën no d’aander wejk verskeen
en skrik vùr bás en kéérk verdween
wor noon èn paoter zén gegon
dor bén ik van don (2x)

In het Boerenbondsmuseum zong Harry het zelf voor. Meteen bleek, zoals ook in de kort daarop volgende jaarvergadering van de heemkundekring, dat iedereen het gemakkelijk meezong. Nu moet het nog inburgeren als het vierde couplet. Het vijfde en zoals gebruikelijk het laatste couplet eindigt met Poells “Haj’s hiejr van don.”

Tot slot: hoe moet ons volkslied worden gespeld?

Sedert 1923 is er op dat gebied zoveel veranderd dat we hier volstaan met de verwijzing naar het Gemerts Woordenboek uit 2017 van WJ (Wim) Vos. Als sluitstuk is daarin als bijlage opgenomen het Gemerts volkslied ‘Van wor ik bén’ in de Nieuwe Gemertse Spelling (NGS).8 Over die spelling is uitgebreid geschreven in Gemerts Heem door Piet Vos in 2000 met een vervolg daarop door Wim Vos in 2001.9 

Noten:

  1. Simon van Wetten in Gemerts Nieuwsblad 20-02-2024, Gemerts Volkslied tot ‘tophit’ gemaakt. Leerlingen maken 100-jarig ‘Van wor ik bén’ eigentijdser; Tineke Mols in ED 28-02-2024, Gemerts Volkslied krijgt een update.
  2. A.A.J. (Ton) Thelen, Lambert Poell (1872-1937) en de Katholieke Sociale Beweging – sociaal-klerikaal spanningsveld in het Bossche Diocees 1896-1915, Tilburg 1990 (proefschrift 460 pag.)
  3. J.J. Koekkoek, Kevelaers Heimatslied sloeg in Gemert aan, in: Gemerts Heem (GH) 1988 nr.3, p. 78-83. Zie ook: Aantekeningen bij het Gemerts Liedje (red.), in: GH 1988 nr.4, p. 125-127; Koekkoek studeerde in Gemert en Weert in welke laatste plaats hij benoemd werd als docent wis- en natuurkunde op het Klein-Seminarie, later aan de Philips van Horne Scholengemeenschap. Een veelzijdig man, die ook afstudeerde als sterrenkundige aan de Univer-siteit Amsterdam.
  4. Sjang Hoeijmakers, Die goeie ouwe tijd – het leven in een Peeldorp omstreeks 1900, Elsendorp 1988, p. 102.
  5. Johan van de Laar, Het Gemerts Volkslied ‘Van wor ik bén’ in woord en beeld – Waarom, waar en hoe, Gemert 2005, uitgave Johan van de Laar.
  6. Met dank aan de Heemkunde-werkgroep Educatie bestaande uit Susan Fransen, Niels van den Eijnde, Mieke Vos en Carie van de Kruijs
  7. Column van burgemeester Michiel van Veen onder de kop ‘Gimmerts’, in Gemerts Nieuwsblad 12 maart 2024.
  8. W.J. (Wim) Vos, Gemerts Woordenboek, Gemert 2017, blz. 811. (De in dit artikel al enige malen genoemde Harry Slits is één van de redacteuren.)
  9. Piet Vos, Nieuwe Gemertse Spelling, in Gemerts Heem 2000 nr.1, p.24-34; Wim Vos, Nééj Gímmerse Spélleng (NGS) – deel 2, Gemerts Heem 2001, nr.1, p.13-18.

 

FOTOBIJSCHRIFTEN:

Lambert Poell werd in 1915 pastoor in Gemert. Hij overleed in de vroege ochtend van 7 januari 1937. Dat was op de huwelijksdatum van prinses Juliana en prins Bernhard. Heel Nederland feestte, maar in Gemert hing de vlag halfstok.

Grafzerk Godefridus Werts (en Ardina van Erp) met de eerste regel van Gemerts volkslied: Van wor ik bén. (foto Cas Jamin)Grafzerk Willem Vos (en Marie van de Crommenacker) met de laatste regel van het Gemerts volkslied: Haj’s hiejr vandon. (foto Cas Jamin)

Burgemeester Michiel van Veen geniet van de presentatie door de kinderen van hun volksliedbewerking. 

De tophits van Groep 7 van ’t Einder en van de Riddersporen, Zonnebloemen en Papavers van De Pandelaar, afgedrukt op een in duizendvoud gedrukte boekenlegger.

Harry Slits, schrijver van het nieuwe couplet dat in het volkslied een plaatsje krijgt voor het allerlaatste couplet.

 Muziek: Gerhard Korthaus, Kevelaar 1912. Met dank aan George Gijsbers voor de weergave hierboven met de juiste invoeging van de tekst van het eerste couplet (in NGS).